Вы находитесь на странице: 1из 136

10.

XXXXX

Veiligheidsinstructie Aardgas (VIAG)


29 maart 2007
Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)
V1.2 (oktober 2008)

Stedin. De nieuwe naam van Eneco NetBeheer

Q458_Broch_Stedin.indd 1

10-11-2008 10:27:50

Q458_Broch_Stedin.indd 2

10-11-2008 10:27:50

INHOUDSOPGAVE
Algemeen

Doel van het Stedin Bedrijfsspeciek supplement (BSS).

1.

Onderwerp en toepassingsgebied

2.

Begrippen, termen en denities

3.

Aanwijzingen- en sleutelbeleid

27

4.

Veilige bedrijfsvoering

41

5.

Gereedschappen, hulpmiddelen en (persoonlijke) beschermingsmiddelen

60

6.

Bedieningshandelingen

66

7.

Meting en beproeving

68

8.

Werkzaamheden

69

9.

Beschrijving processchemas

102

10.

Slotbepalingen

110

BIJLAGEN

Bijlage 1

Literatuurlijst (van normen e.d. die van toepassing zijn)

Bijlage 2

Afkortingenlijst (van in de VIAG 2006 gebruikte afkortingen)

Bijlage 3

Processchemas (Transport, Distributie en overig, bij raamopdrachten)

Bijlage 4

Tabel aanwijzingen (in relatie met opleidingen, functie en toegestane


activiteiten)

Bijlage 5a Matrix werkzaamheden, aanwijzingen en toezicht (onderlinge samenhang)


Bijlage 5b Verdeling activiteiten over de begrippen
Bijlage 6

Voorbeeld werkplan

Bijlage 7

Gasbranden (voorbeeld werkinstructie)

Bijlage 8

Veilig werken met aardgascondensaat (voorbeeld werkinstructie)

Q458_Broch_Stedin.indd 3

10-11-2008 10:27:50

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

ALGEMEEN
DOEL VAN HET STEDIN BEDRIJFSSPECIFIEK
SUPPLEMENT (BSS)
Stedin geeft hoge prioriteit aan veiligheid en werkt
daarom volgens actuele veiligheidsnormen. Het
doel van het Stedin BSS is om richtlijnen aan
opdrachtnemers mee te geven voor het veilig
werken aan en in nabijheid van hoge en lage
druk aardgasnetten, aardgasleidingnetwerken en
aardgasinstallaties. Het Stedin BSS is een verheldering
en concretisering van de VIAG 2006. Stedin gebruikt
de afspraken en besluiten in het BSS ook als basis
voor toetsing. Stedin toetst vooraf het eigen beleid en
dat van zijn opdrachtnemers. Achteraf toetst Stedin of
de uitvoering van het beleid conform de normen en
kaders is. Opdrachtnemers van Stedin moeten kunnen
aantonen dat zij aan de eisen voldoen door een audit
van beleidsimplementatie te laten uitvoeren door een
onafhankelijk instituut.

GELDIGHEID
Het Stedin BSS beschrijft de eindsituatie waaraan
moet worden voldaan in het kader van de VIAG.
Deze eindsituatie wordt per 1 februari 2009 van
kracht. Voor sommige onderdelen geldt een tijdelijke
overgangssituatie. Stedin en zijn opdrachtnemers
moeten per 1 november 2009 aan alle beschreven
afspraken in de eindsituatie voldoen. De rollen van IV
en OIV zijn voor de netten van Stedin bij Stedin belegd.

LEESWIJZER
Het Stedin BSS staat hierna telkens naast de
bijbehorende tekst van de VIAG 2006 om te
voorkomen dat teksten steeds herhaald moeten
worden. Op de rechterpagina staat de tekst uit de
VIAG 2006. Op de linkerpagina staan de aanvulling
van Stedin. De inhoudsopgave van de VIAG
2006 vormt de leidende structuur. Aanvullende
voorwaarden in werkinstructies of beleidsnotities
hebben voorrang boven de tekst in het Stedin BSS.

VRAGEN OF OPMERKINGEN?
Vragen, opmerkingen en/of onduidelijkheden over
onderdelen van het Stedin BSS kunnen worden
voorgelegd aan de betreffende IV-er via
FM.StedinIVBEI en VIAG@stedin.net
Rotterdam, oktober 2008.
Jeroen de Swart
(Directeur Stedin)

Q458_Broch_Stedin.indd 4

10-11-2008 10:27:50

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

Q458_Broch_Stedin.indd 5

10-11-2008 10:27:50

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

1. ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED
Processen, procedures, werkinstructies e.d. moeten
(gaan) voldoen aan de VIAG. Deze worden niet
opgenomen in BSS Stedin maar er wordt wel naar
verwezen.

Q458_Broch_Stedin.indd 6

10-11-2008 10:27:50

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

1. ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED
De VIAG 2006 is van toepassing op de bedrijfsvoering
van gasvoorzieningsystemen die in eigendom, beheer
en/of onderhoud zijn van of bij gasnetbeheerders,
alsmede op de werkzaamheden aan, met of nabij
die gasvoorzieningsystemen die in opdracht van
de gasnetbeheerders worden uitgevoerd. Deze
gasvoorzieningsystemen hebben een gasdruk groter
dan 200 mbar en t/m 8 bar in hogedruknetten en
t/m 200 mbar in lage druk netten. Systemen met
een gasdruk groter dan 8 bar vallen niet onder
de VIAG 2006. De VIAG 2006 is opgesteld voor
gasvoorzieningsystemen die bedoeld zijn voor het
transport en/of de distributie van (geodoriseerd)
aardgas (of een aan aardgas gelijkwaardig gas dat
dezelfde toepassing heeft), vanaf het gasontvangstation
tot en met het aansluitpunt (hoofdkraan/meter) bij
de klant. Voor netten met een nominale bedrijfsdruk
groter dan 8 bar zijn de richtlijnen van de
gasnetbeheerder van het landelijk HD-transportnet
en/of de specifieke richtlijnen van de Bedrijven van
toepassing (zie artikel 2.1 voor de definitie Bedrijven).
De VIAG 2006 waarborgt een uniforme regelgeving
op het gebied van veilig werken aan de
gasvoorzieningsystemen. Aan de VIAG 2006 zijn
als bijlagen enkele voorbeelden van branchebreed
toepasbare werkinstructies toegevoegd. Per bedrijf
worden werkinstructies en procedures verbonden met
de VIAG 2006. De werkinstructies en procedures zijn
meestal bedrijfsspecifiek en kunnen dus verschillen bij
de diverse Bedrijven.

bij (de uitvoerende medewerkers van) het bedrijf.


Bovendien zal het veiligheidsniveau van het aanwezige
gasvoorzieningsysteem voor het bedrijf aanvaardbaar
dienen te zijn. De veiligheidstechnische gang van
zaken en de wijze van werken (bijvoorbeeld al of niet
onder gasdruk) dient contractueel te worden geregeld.
Bij afwezigheid van bovengenoemde voorwaardelijke
veiligheidszaken (bijvoorbeeld ook indien er geen
installatieverantwoordelijke van die derde aanwezig
is), mag een bedrijf alleen werkzaamheden verrichten
indien de installatieverantwoordelijkheid van (het
betrokken deel van) het gasvoorzieningsysteem aan
het bedrijf schriftelijk, via contract, is overgedragen
op een voor het bedrijf acceptabele wijze. Vanuit die
overgedragen installatieverantwoordelijkheid zal dan
de toe te passen regelgeving worden bepaald.
Met het van kracht worden van de VIAG 2006 zijn alle
andere VIA-, VIAG- en BIG-normen en -instructies,
evenals daarmee gelijk te stellen normen en
instructies, niet langer geldig. Dit geldt tevens voor
de daarbij behorende uitwerkingen, aanvullingen,
besluiten, procedures, werkinstructies et cetera.

Onverminderd het bepaalde in de wettelijke


voorschriften geldt de VIAG 2006 met betrekking tot
alle voorkomende werkzaamheden en handelingen
aan of in de nabijheid van de gasvoorzieningsystemen
van de Bedrijven, en dus als zodanig voor alle hierbij
betrokken werknemers in dienst van de Bedrijven.
Deze veiligheidsinstructie geldt tevens voor personen
die de genoemde werkzaamheden en/of handelingen
in de gasvoorzieningsystemen van de Bedrijven
uitvoeren en daarbij niet in dienst zijn van de Bedrijven
(bijvoorbeeld medewerkers van aannemingsbedrijven).
Bij werkzaamheden door een bedrijf in een door
een derde beheerd gasvoorzieningsysteem geldt als
voorwaarde dat het veiligheidsniveau bij die derde
minimaal gelijk is aan het niveau bij dat bedrijf. Dit
betekent dat onder andere de VIAG 2006 of een
gelijkwaardige norm van kracht dient te zijn, zo
nodig uitgebreid met bedrijfseigen supplementen,
procedures en/of instructies van die derde. De
betreffende regelgeving moet in zijn totaliteit
schriftelijk zijn vastgelegd en moet bekend zijn

Q458_Broch_Stedin.indd 7

10-11-2008 10:27:50

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES


2.4 GASVOORZIENINGSYSTEEM
Aardgas moet worden gewijzigd in gas (zie ook
hoofdstuk 1).

Q458_Broch_Stedin.indd 8

10-11-2008 10:27:50

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES


2.1 BEDRIJVEN (BEDRIJF)
Een bedrijf is een gasnetbeheerder (of een deel
daarvan), dat n of meer gasvoorzieningsystemen
exploiteert, n bij de bedrijfsvoering van deze
gasvoorzieningsystemen de VIAG 2006 als
veiligheidsnorm en voorschrift van kracht heeft
verklaard. Per bedrijf wordt bepaald hoe de diverse
verantwoordelijkheden in relatie tot de VIAG 2006
zijn verdeeld en belegd (bijvoorbeeld netbeheer,
assetmanagement, netwerk, infra en dergelijke).

gastransportsysteem: het systeem bestaande uit


leidingen, inclusief de bijbehorende stations, bedoeld
voor het transport van gas tussen die stations.
Gasvoorzieningsystemen met een bedrijfsdruk groter
dan 8 bar vallen niet onder de VIAG 2006.

2.2 DIRECTIE
De directie van de gasnetbeheerder c.q. werkgever in
het kader van de arbeidsomstandighedenwet.

2.3 DERDEN
Hier zijn twee verschillende definities te
onderscheiden:
personen die geen arbeidsovereenkomst hebben met,
of geen aanstelling hebben bij, de gasnetbeheerder,
maar wel werkzaamheden voor de gasnetbeheerder
verrichten.
ondernemingen of organisaties die zelf een
gasvoorzieningsysteem beheren en/of in eigendom
hebben.

2.4 GASVOORZIENINGSYSTEEM
Deze omvat het geheel van gastechnische
componenten (inclusief leidingen) ten behoeve van
het transport en de distributie van aardgas, zijnde het
geheel van installaties en leidingen.
Een gasvoorzieningsysteem bestaat uit leidingen
en installaties voor de gasvoorziening die bij een
bedrijfsdruk t/m 8 bar zijn uitgelegd voor:
het transportnet (ook wel genoemd HD-distributienet
of hoge druknet), inclusief de aansluitleidingen, met
een bedrijfsdruk groter dan 200 mbar en t/m 8 bar;
het distributienet (ook wel genoemd LD-distributienet
of lage druknet), inclusief de aansluitleidingen, met
een bedrijfsdruk t/m 200 mbar;
de meet- en regelinstallaties;
de meteropstellingen.
In dit verband zijn ook de onderstaande termen
genormaliseerd (NEN 1059):
gasdistributiesysteem: het geheel van
gasdistributieleidingen, inclusief de daarin
aangebrachte componenten, voor het transport van
gas naar de verbruikers;

Q458_Broch_Stedin.indd 9

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

10

Q458_Broch_Stedin.indd 10

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.5 GASTECHNISCHE BEDRIJFSRUIMTE
Een ruimte of plaats die bestemd is voor de opstelling
en de bedrijfsvoering van een gastechnische installatie.
Hierin zijn de volgende begrippen te onderscheiden:

GASONTVANGSTATION (GOS)

2.6 KATHODISCHE BESCHERMING (KB)


Een systeem dat zorg draagt voor een
potentiaalverschil tussen een (deel van een) in staal
uitgevoerd gasvoorzieningsysteem en de omringende
aarde, zodat het gasvoorzieningsysteem beschermd
wordt tegen elektrolytische corrosie.

Het gehele complex van ruimte en installatie waar


het gas ten behoeve van het verdere transport wordt
overgedragen aan het bedrijf. Het betreft hier de
overdracht van het transportnet van de landelijke
gasnetbeheerder aan de regionale transportnetten van
de Bedrijven. Onder de term gasontvangstation wordt
tevens begrepen het terrein, de aanwezige leidingen,
het toebehoren,en het eventueel aanwezige hekwerk.

GASDRUK REGEL- EN MEETSTATION


Het gehele complex van ruimte en regel- en
meetinstallaties waar de druk van het gas wordt
geregeld en eventueel de hoeveelheid gas wordt
gemeten. Tevens wordt hierin begrepen het terrein, de
aanwezige leidingen, het toebehoren en het eventueel
aanwezige hekwerk. De volgende stations worden
hieronder begrepen:
overslagstation: het gehele complex van ruimte en
installatie, waar de druk van het gas wordt geregeld
ten behoeve van het transport naar een onderliggend
transportnet;
districtregelstation: het gehele complex van ruimte en
installatie, waar de druk van het gas wordt geregeld
ten behoeve van het transport naar het distributienet;
hogedruk-afleveringsstation: het gehele complex
van ruimte en installatie, waar de druk van het gas
wordt geregeld en de hoeveelheid van het gas uit het
transportnet eventueel wordt gemeten, ten behoeve
van de levering aan een verbruiker met een afname
groter dan 40 m3/h;
hogedruk-huisaansluiting: het gehele complex van
ruimte en installatie, waar de druk van het gas wordt
geregeld en eventueel wordt gemeten, ten behoeve
van de levering aan n of meer verbruikers waarbij
de (gezamenlijke) afname van deze verbruiker(s) niet
meer mag zijn dan 40 m3/h. In de stations bevinden
zich:
gasdruk regel- en meetinstallaties: het geheel van
leidingen en apparatuur dat is opgesteld in een
gastechnische bedrijfsruimte;
bijbehorende apparatuur en installaties:
gastechnische (onderdelen van) apparatuur
en installaties, zoals benodigd voor
volumeherleidingsapparatuur, telemetrie, kathodische
bescherming, et cetera.

11

Q458_Broch_Stedin.indd 11

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.7 METEROPSTELLING EN BINNENINSTALLATIE
definitie meteropstelling moet worden gewijzigd in:
De gehele installatie, met een maximale toevoerdruk
van 200 mbar, waar de gas hoeveelheid wordt gemeten
en eventueel de druk wordt geregeld.

12

Q458_Broch_Stedin.indd 12

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.7 METEROPSTELLING EN BINNENINSTALLATIE
METEROPSTELLING
Het gehele complex van ruimte en installatie waar gas
vanuit een distributienet wordt gemeten en eventueel
de druk wordt geregeld met een maximale toevoerdruk
van 200 mbar.

WW
Een binnenleiding met de aansluitleidingen van de
toestellen et cetera, als bedoeld in de NEN 1078
(Voorziening voor gas met een werkdruk t/m 500 mbar
Prestatie-eisen Nieuwbouw). De binnenleiding in
een perceel begint achter het einde van de uitlaat van
de gasmeter of op een daarmee gelijk te stellen plaats.
De binneninstallatie bestaat uit de binnenleiding(en)
en de daarop aangesloten toestellen met inbegrip van
eventuele voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de
goede werking en veiligheid van deze toestellen, de
afvoerkanalen en afvoerleidingen, de openingen voor
luchttoevoer en luchtafvoer en de inrichtingen die
mede voor de toestellen worden gebruikt. Hierbij wordt
alles genomen in de ruimste zin.

2.8 BEDRIJFSVOERING
Alle handelingen, met inbegrip van werkzaamheden
die noodzakelijk zijn om het gasvoorzieningsysteem
onder normale en abnormale omstandigheden te
kunnen laten werken. Tot deze handelingen behoren
het bedienen, regelen, bewaken en onderhouden,
evenals gastechnische en niet-gastechnische
werkzaamheden,inclusief het treffen en opheffen van
veiligheidsmaatregelen.

2.11 RAAMOPDRACHT
Een raamopdracht is een opdracht voor een bepaalde
tijd (maximaal 1 jaar) voor een aantal overzichtelijke
en regelmatig terugkerende standaardhandelingen,
waarbij er geen sprake mag zijn van afwijkende
situaties of omstandigheden, voor zover deze niet zijn
beschreven in die raamopdracht of de bijbehorende
werkinstructie.

2.12 RISICO INVENTARISATIE EN EVALUATIE (RI&E)


Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) dient
overeenkomstig de Arbo wetgeving te worden
opgesteld. Risico-inventarisatie is een deugdelijk
en schriftelijk overzicht van alle risicos die kunnen
optreden, dat wil zeggen van alle factoren die bij het
werk ongewenste effecten voor de werknemer en
zijn omgeving kunnen veroorzaken. Risico-evaluatie
is een deugdelijke en schriftelijk vastgelegde
beoordeling van deze risicos. Bij deze beoordeling
wordt meegenomen of het ongewenste effect wel of
niet optreedt, of met welke kans dit kan gebeuren.
In een werkplan dient een taakrisicoanalyse te zijn
opgenomen. In deze analyse zijn de risicos en de te
nemen veiligheidsmaatregelen vastgelegd.

2.13 WERKPLEK
De plaats waar werkzaamheden zijn uitgevoerd,
worden uitgevoerd, of nog zullen worden uitgevoerd.

2.9 BEDRIJFSTOESTAND
De samenhang tussen de componenten van een
gasvoorzieningsysteem, in combinatie met de stand
van de afsluiters en de instellingen van de gasdruk
regelaars en meet- en beveiligingsapparatuur op een
bepaald moment.

2.10 WERKPLAN (WP)


Een werkplan (WP) is een omschrijving van de uit te
voeren handelingen, waarbij alle daarbij belangrijke
zaken in dat werkplan zijn vastgelegd. Een werkplan
bestaat onder andere uit een veiligheidsplan,
een uitvoeringsplan en indien relevant uit een
bedieningsplan.

13

Q458_Broch_Stedin.indd 13

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.15 EXPLOSIEGRENZEN
Stedin hanteert een onderste explosiegrens van 5% en
een bovenste explosiegrens van 15% gas in lucht.

14

Q458_Broch_Stedin.indd 14

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.14 TOEZICHT
Toezicht houdt in dat er op wordt toegezien dat er geen
gastechnische en overige gevaren kunnen ontstaan en
dat er geen veiligheidsmaatregelen ongedaan worden
gemaakt. Toezicht houdt ook in dat alle mogelijke
gevaren en risicos worden herkend en worden
uitgesloten of op een aanvaardbare wijze worden
beperkt tot een aanvaardbaar risico.

2.15 EXPLOSIEGRENZEN
Een gasluchtmengsel is explosief indien het percentage
gas zich bevindt tussen 5,9% en 14,9% (waarden bij
Gronings aardgas). Een gasconcentratie van 5,9% komt
overeen met een 100% LEL-waarde (Lower Explosion
Level). Normaliter worden de waarden 5% en 15%
gehanteerd.

Met betrekking tot de term gasloos zijn 2 definities te


onderscheiden:
gasloos systeem: Dit is een gasvoorzieningsysteem
of deel daarvan, waarin de gasconcentratie kleiner of
gelijk is aan 10% LEL is.
gasloos werken: Bij het gasloos plaatsen van
gasblazen of het gasloos aanboren van een leiding
betekent gasloos werken dat vrije gasuitstroming
wordt voorkomen en er (vrijwel) geen gas zal
vrijkomen.

2.20 AFSCHERMING
Een voorziening die het gasvoorzieningsysteem
beschermt tegen schade door onbedoelde invloed van
buitenaf, of die voorkomt dat de gevarenzone ongewild
wordt betreden.

2.16 GEVARENZONE
Een bepaalde ruimte/omgeving rond een gasvoerend
systeem, waarin ten gevolge van de gasconcentratie
gevaar voor brand, explosie of verstikking aanwezig is.
Indien de gasconcentratie groter is dan 10% LEL, wordt
deze situatie aanwezig geacht. Een gasconcentratie
groter dan 10% LEL komt overeen met 0,5% gas (5000
ppm).

2.17 NABIJHEIDSZONE
Een ruimte rond een gevarenzone, die te beschouwen
is als overgangsgebied tussen gevarenzone en veilige
omgeving, waarin de (meetbare) gasconcentratie
tussen 10% en 0% LEL ligt.

2.18 HOGEDRUK (HD) EN LAGEDRUK (LD)


Hoge druk is een bedrijfsdruk groter dan 200 mbar en
t/m 8 bar. Lage druk is een bedrijfsdruk t/m 200 mbar.
De in de VIAG 2006 vermelde drukwaarden betreffen
altijd waarden t.o.v. de atmosferische druk (dus geen
absolute waarden).

2.19 DRUKLOOS EN GASLOOS


Een (deel van een) gasvoorzieningsysteem is
drukloos als de druk in het systeem gelijk is aan de
atmosferische druk. Een drukloos systeem kan al of
niet gevuld zijn met aardgas. Werkzaamheden hieraan
kunnen pas worden uitgevoerd nadat alle maatregelen
ter voorkoming van gevaren met aardgas zijn genomen.

15

Q458_Broch_Stedin.indd 15

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.21 AANWIJZING
Een aanwijzing is van toepassing op een bepaald
(hogedruk of lagedruk) gasvoorzieningsysteem van
een Netbeheerder. Stedin staat de gecombineerde
OIV/WV-rol niet toe.

2.22 T/M 2.26


Gaslekzoeken n.a.v. een melding.
Gaslekzoeken n.a.v. melding valt onder UGW.

16

Q458_Broch_Stedin.indd 16

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.21 AANWIJZING
Een aanwijzing is een schriftelijke toekenning van
bepaalde bevoegdheden en verantwoordelijkheden
met betrekking tot de bedrijfsvoering van een
gasvoorzieningsysteem. Hierin zijn te onderscheiden:
installatieverantwoordelijke, operationeel
installatieverantwoordelijke, werkverantwoordelijke, de
combinatie operationeel installatieverantwoordelijke/
werkverantwoordelijke, allround vakbekwaam
persoon, vakbekwaam persoon, ploegleider, voldoend
onderricht persoon en voldoend onderricht persoon
toeganghebbend.

Zie artikel 3.7

2.22 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN


Gastechnische werkzaamheden zijn alle
werkzaamheden in HD- of LD- gasvoorzieningsystemen,
zoals het aanleggen, uitbreiden, vernieuwen,
vervangen, saneren, verwijderen, wijzigen,
herstellen, onderhouden en controleren van het
gasvoorzieningsysteem (inclusief het verrichten
van metingen hieraan). Deze werkzaamheden zijn
onderverdeeld in 3 categorien:
uitgebreide gastechnische werkzaamheden (UGW,
artikel 2.23.),
standaard gastechnische werkzaamheden (SGW,
artikel 2.24.),
beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW,
artikel 2.25.).

2.28. Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B.


Voor de uitvoering van uitgebreide gastechnische
werkzaamheden (UGW) is een volledige gastechnische
vakopleiding nodig.

2.24 STANDAARD GASTECHNISCHE


WERKZAAMHEDEN (SGW)
Tot de standaard gastechnische werkzaamheden
(SGW) behoren:
alle gastechnische werkzaamheden in en aan
LDaansluitleidingen en LD-meteropstellingen,
inclusief de sterkte- en dichtheidsbeproeving ervan,
het repareren van gaslekken in LD-aansluitleidingen,
het beproeven van gasloze LD-distributieleidingen,
het repareren van gaslekken in gasloze HD- en LDleidingen,
de overige gastechnische werkzaamheden in gasloze
HD- en LD-leidingen.

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B. Voor


de uitvoering van standaard gastechnische
werkzaamheden (SGW) is een gastechnische
vakopleiding nodig, die gericht is op de betreffende uit
te voeren werkzaamheden.

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B.

2.23 UITGEBREIDE GASTECHNISCHE


WERKZAAMHEDEN (UGW)
Uitgebreide gastechnische werkzaamheden (UGW)
zijn de onder artikel 2.22. Genoemde gastechnische
werkzaamheden met uitzondering van:
standaard gastechnische werkzaamheden (SGW,
artikel 2.24.),
beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW,
artikel 2.25.).
Tot de uitgebreide gastechnische werkzaamheden
(UGW) worden ook gerekend: ontgassen,
ontluchten, affakkelen, afblazen, alsmede sterkteen dichtheidsbeproeving van HD-leidingen en
LD-distributieleidingen. Het zetten van gasblazen
en stoppelen valt niet alleen onder de uitgebreide
gastechnische werkzaamheden (UGW) maar ook
onder de bedieningshandelingen (BH), zie artikel

17

Q458_Broch_Stedin.indd 17

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

18

Q458_Broch_Stedin.indd 18

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.25 BEPERKTE GASTECHNISCHE
WERKZAAMHEDEN (BGW)
Tot de beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW)
behoren:
visuele controle van installaties;
preventief/periodiek gaslekonderzoek;
het uitvoeren van A-inspecties bij gasdruk regelen
meetstations;
het verwisselen van meters t/m G25, eventueel
inclusief de drukregelaar;
controle dichtheid van de (huis)installatie t/m
aansluitingen G25;
eenvoudige (druk)metingen, waarbij geen
gastechnische werkzaamheden worden verricht;
werkzaamheden aan het KB-systeem;
controle doorslagvastheid van de bekleding van
leidingen (afvonken);
cadweld-lassen.

graven (inclusief de kraanmachinist en de


medewerker die de kraanmachinist assisteert);
het leggen of verwijderen van straatwerk;
het leggen van leidingen;
de aanleg van nieuwbouw transport- en
distributienetten indien deze (nog) niet zijn
verbonden met bestaande (al of niet onder gasdruk
staande) gasvoorzieningsystemen (zie ook artikel
8.3.11).

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B.


Bij twijfel over het al of niet verbonden zijn met
bestaande gasvoorzieningsystemen van het bedrijf
dient de betrokken werkverantwoordelijke van het
bedrijf hierover ter plaatse uitsluitsel te (laten) geven.
Andere werkzaamheden (AW) kunnen ook in opdracht
van het bedrijf gebeuren.

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B.


Voor de uitvoering van beperkte gastechnische
werkzaamheden (BGW) is een gastechnische
vakopleiding of instructie nodig, gericht op de
betreffende uit te voeren werkzaamheden.

2.26 NIET GASTECHNISCHE


WERKZAAMHEDEN (NGW)
Niet-gastechnische werkzaamheden (NGW)
zijn werkzaamheden in stations waarbij geen
werkzaamheden aan het gasvoorzieningsysteem
worden uitgevoerd. Dit zijn dan werkzaamheden zoals:
schoonmaken;
bouwkundige en civiele werkzaamheden in stations;
verwisselen van lampen;
het aflezen van meters.

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B. Voor deze


werkzaamheden is geen gastechnische vakopleiding
nodig; een instructie over de risicos is voldoende.
Werkzaamheden waarvoor ten behoeve van de
toegang een sleutel nodig is vallen minimaal onder de
niet-gastechnische werkzaamheden (NGW).

2.27 ANDERE WERKZAAMHEDEN (AW)


Andere werkzaamheden (AW) zijn werkzaamheden
nabij een gasvoorzieningsysteem waarvoor geen
aanwijzing noodzakelijk is, zoals:
het buiten of aan de buitenzijde van het
station uitvoeren van bouwkundige en civiele
werkzaamheden;
het snoeien van beplanting buiten de stations;

19

Q458_Broch_Stedin.indd 19

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.29 BEPERKTE BEDIENINGSHANDELINGEN
Het uitschakelen en inschakelen van KB valt onder
beperkte bedieningshandelingen.

2.31 SCHEIDEN
Steekflens moet zijn: (steek)blindflens.

20

Q458_Broch_Stedin.indd 20

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.28 BEDIENINGS HANDELINGEN (BH)
Bedieningshandelingen (BH) zijn handelingen,
waardoor de bedrijfstoestand van het
gasvoorzieningsysteem wordt gewijzigd. Hiertoe
behoren:
het bedienen van afsluiters;
het wijzigen van instellingen van meet- en
regelapparatuur (inclusief beveiligingen);
het stoppelen en het zetten van gasblazen,
exclusief het aanboren. Het stoppelen en het
zetten van gasblazen valt zowel onder de
bedieningshandelingen (BH) als onder de uitgebreide
gastechnische werkzaamheden (UGW).

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B.

2.29 BEPERKTE BEDIENINGS HANDELINGEN (BBH)


Beperkte bedieningshandelingen (BBH) zijn
handelingen in een gasvoorzieningsysteem, zoals
het bedienen van afsluiters in aansluitleidingen en
van hoofdkranen in meteropstellingen. Het zetten
van een kraanblaasje valt zowel onder de beperkte
bedieningshandelingen (BBH) als onder de standaard
gastechnische werkzaamheden (SGW).

Voor een nader overzicht zie de bijlage 5B.

2.30 BEDIENINGS PLAN (BP)


In een bedieningsplan (BP) worden de uit te
voeren bedieningshandelingen vastgelegd. In de
bedrijfsprocedure is nader omschreven aan welke
eisen een bedieningsplan (als onderdeel van een
werkplan) moet voldoen en hoe hiermee moet
worden omgegaan. Tevens is in de bedrijfsprocedure
aangegeven voor welke bedieningshandelingen het
wl en voor welke bedieningshandelingen het net
verplicht is een bedieningsplan te maken.

2.31 SCHEIDEN
Het volledig vrijmaken (loskoppelen) van een
installatiedeel van de overige gasvoorzieningsystemen;
het plaatsen van een steekflens valt ook onder deze
definitie.

21

Q458_Broch_Stedin.indd 21

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

22

Q458_Broch_Stedin.indd 22

10-11-2008 10:27:51

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.32 VEILIGHEIDSMAATREGELEN (VM)
Veiligheidsmaatregelen (VM) zijn maatregelen ter
voorkoming van letsel of schade bij het verrichten van
gastechnische of niet-gastechnische werkzaamheden
of bedieningshandelingen of hieraan gerelateerde
andere werkzaamheden (AW). Hiertoe behoren onder
meer:

2.33 METING
Alle handelingen om grootheden binnen een
gasvoorzieningsysteem te meten.

Veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de


omgeving en de werkplek:
het dragen van de juiste (veiligheids)kleding;
verkeersmaatregelen (onder andere conform CROWvoorschriften, zie bijl.1);
afscherming van de werkplek;
het plaatsen van verbods- en waarschuwingsborden;
het bepalen en het aanbrengen van vluchtwegen
en deze vrijhouden van obstakels en brandbare
materialen;
het meten van gasconcentraties;
het gebruik maken van explosieveilige apparatuur;
het uitsluiten van ontstekingsbronnen (kathodische
bescherming, publiek, mobiele telefoon, en
dergelijke);
voorzorgsmaatregelen zoals de aanwezigheid
op of bij de werkplek van een brandblusser, een
branddeken, met zand gevulde zakken, eindkappen,
persstoppen, enzovoort.
Veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de
werkzaamheden:
het toepassen van de juiste persoonlijke
beschermingsmiddelen;
maatregelen in verband met asbestcement;
maatregelen in verband met aardgascondensaat;
het uitoefenen van voldoende toezicht op de
werkzaamheden;
het elektrisch geleidend overbruggen bij
het onderbreken van metalen leidingen of
meteropstellingen;
het afleiden van statische elektriciteit door middel
van bijvoorbeeld een nat lint.
Veiligheidsmaatregelen die behoren bij bediening:
het markeren/blokkeren van afsluiters;
het zorgen voor een alternatief afsluitplan, dat
gebruikt kan worden in geval van optredende
calamiteiten;
het verlagen van de gasdruk.
het uitoefenen van voldoende toezicht op bijv.
geplaatste gasblazen.

23

Q458_Broch_Stedin.indd 23

10-11-2008 10:27:51

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.35 INSPECTIE EN ONDERHOUD
Dit artikel is niet van toepassing voor assets,
bijvoorbeeld gasmeters en EVHIs, die geen eigendom
zijn van de netbeheerder.

2.36 BEDIENINGSBEVOEGDE
Een bedieningsbevoegde is iemand die in het kader
van zijn aanwijzing bedieningshandelingen mag
verrichten, dit is een AVP, VP, WV of OIV.

24

Q458_Broch_Stedin.indd 24

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

2. BEGRIPPEN, TERMEN EN DEFINITIES (vervolg)


2.34 BEPROEVING
Alle handelingen bedoeld om de goede werking of
de technische, mechanische of thermische toestand
van (een gedeelte van) een gasvoorzieningsysteem te
controleren. Beproevingen behoren tot de standaard
of uitgebreide gastechnische werkzaamheden
(SGW of UGW, o.a. afhankelijk van de druksituatie);
beproevingen bij meteropstellingen tot en met
G25 behoren tot de beperkte gastechnische
werkzaamheden (BGW).

2. 35 INSPECTIE EN ONDERHOUD
Alle handelingen om te controleren of een
gasvoorzieningsysteem voldoet aan de technische
voorschriften en veiligheidsvoorschriften (zoals
omschreven in de desbetreffende normen en
richtlijnen, zie ook bijlage 1), respectievelijk alle
handelingen om een gasvoorzieningsysteem in
de vereiste conditie te houden of te brengen.
Tot deze handelingen behoren onder andere de
controle op de goede werking van afsluiters, EVHIs
(elektronische volume herleidingsinstrumenten),
gasmeteropstellingen, KB-systemen en het lekzoeken.
Met betrekking tot stations zijn er gedefinieerde
inspecties zoals:
de A-inspectie is een visuele controle waarbij aan
het regel- en meetstation geen handelingen worden
verricht en waarbij de werking van de regelstraat
niet wordt onderbroken.
de B1-inspectie is gelijk aan de A- inspectie, echter
uitgebreid met een controle op het functioneren van
alle afzonderlijke componenten.
de B2-inspectie is een controle van de goede
aanwijzing van de comptabele gasmeter(s) en het
volumeherleidingsinstrument.
de C-inspectie is gelijk aan een B1-inspectie,
echter uitgebreid met een inwendige inspectie en
een (gedeeltelijke) revisie van de afzonderlijke
componenten. De C-inspectie heeft geen betrekking
op de gasmeter en het volumeherleidingsinstrument.
Toestandsafhankelijk onderhoud is onderhoud, dat
wordt uitgevoerd naar aanleiding van correctief
en periodiek preventief onderhoud en de daaruit
opgebouwde historische gegevens. De manier van
werken komt overeen met die van een B1-inspectie op
componentenniveau.

25

Q458_Broch_Stedin.indd 25

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID
3.1 ALGEMEEN
1 alinea; De bedrijfsprocedure
Het aanwijzings- en sleutelbeleid is ook van
toepassing op aannemer(s).
2e alinea; Een toets
Een toets in het kader van de VIAG.
Het BSS verwerken in opleiding en werkinstructies.
De aannemer instrueert de werkinstructies en toetst
deze bij de medewerker.
3e alinea;
IV en OIV zijn in dienst van Stedin.
4e alinea;
De IV specificeert tot welke bedrijfsruimtes de
klant toegang toe mag hebben en laat daarbij een
instructie geven. De uitgifte van sleutels aan klanten
maakt onderdeel uit van het sleutelbeleid.

3.2 AANWIJZINGEN VAN DERDEN


Sluitende afspraken
Zie ook de opmerkingen van artikel 3.1.

26

Q458_Broch_Stedin.indd 26

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID
3.1 ALGEMEEN
Het beleid met betrekking tot aanwijzingen
en sleutelverstrekking is vastgelegd in een
bedrijfsprocedure. Deze dient gebaseerd te zijn op
de brancheafspraken over certificering (hierna te
noemen BAC). Deze brancheafspraken zijn/worden
vastgelegd in een apart document. Hierin zijn onder
andere opgenomen de certificeringsregeling voor de
branche, de wijze van wederzijdse erkenning tussen de
Bedrijven, aanwijzingen in het vrije domein en hoe er
ten aanzien van derden dient te worden gehandeld. De
bedrijfsprocedure regelt hoe, door wie en onder welke
voorwaarden aanwijzingen verstrekt worden, ook met
betrekking tot derden (werkzaam via aanbesteding of
in regie) en minderjarigen. In de procedure dienen ook
de spelregels met betrekking tot sleutelverstrekking
te zijn vastgelegd (koppeling met aanwijzing, wel of
niet verstrekking aan derden, en dergelijke). Waar
nodig kan in de procedure ook de relatie tussen
VIAG-aanwijzingen en VCA-certificering nader worden
omschreven.

voorwaarden (onder andere een sluitende


sleutelregistratie en een instructie) is dit ook aan
de klant (en de gebouweigenaar) bij door de
installatieverantwoordelijke te bepalen installaties
toegestaan. Overige leken hebben alleen toegang
onder voortdurend toezicht van een persoon met een
geldige aanwijzing overeenkomstig de VIAG 2006.

3.2 AANWIJZINGEN VAN DERDEN


Met derden wordt in dit artikel bedoeld: personen
die geen arbeidsovereenkomst hebben met, of
geen aanstelling hebben bij, de Bedrijven, maar
wel werkzaamheden voor die Bedrijven verrichten.
Indien gastechnische werkzaamheden met derden
plaatsvinden moeten beide werkgevers sluitende
afspraken maken over de aanwijzing van de genoemde
personen en hun functionele relatie. Deze afspraken
dienen te zijn gebaseerd op de binnen de branche
vastgestelde kaders (BAC). Dit houdt in ieder geval
in dat derden moeten beschikken over een relevante
schriftelijke aanwijzing die verstrekt is door hun eigen
directie.

Een aanwijzing is een schriftelijke toekenning van


bepaalde bevoegdheden en verantwoordelijkheden
met betrekking tot de bedrijfsvoering van een
gasvoorzieningsysteem. Deze bevoegdheden en
verantwoordelijkheden hebben betrekking op het
betreden van gastechnische bedrijfsruimten, op
(het toezicht op) de voorbereiding of uitvoering van
bedieningshandelingen of op werkzaamheden aan
(of ten behoeve van) een gasvoorzieningsysteem. Een
aanwijzing op basis van de VIAG 2006 wordt verstrekt,
c.q. verlengd op basis van een toets (mogelijk
voorafgegaan door een instructie) en heeft een
geldigheidsduur van 3 jaar.
Een aanwijzing wordt verstrekt door de directie (dat
is de directie van het bedrijf in het kader van de Arbo
wetgeving). Dit betreft alle aanwijzingen behalve, die
van ploegleider. Ploegleiders worden bij de Bedrijven
door een werkverantwoordelijke aangewezen. Dit kan
alleen indien de als ploegleider aan te wijzen persoon
reeds in het bezit is van de aanwijzing vakbekwaam
persoon of allround vakbekwaam persoon. Bij
werkzaamheden in de gasvoorzieningsystemen van
de Bedrijven zijn de installatieverantwoordelijke en de
operationeel installatieverantwoordelijke medewerkers
in dienst van die bedrijven.
Gastechnische bedrijfsruimten mogen alln
zelfstandig ontsloten en eventueel betreden
worden door personen met een geldige aanwijzing
overeenkomstig de VIAG 2006. Onder strikte

27

Q458_Broch_Stedin.indd 27

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.3 HERSCHOLING OF INSTRUCTIE MET BETREKKING
TOT AANWIJZINGEN
2e alinea; In situaties waarbij de betrokkene niet.,
een en ander te bepalen door de opdrachtgever:
aanvullen met de opdrachtgever is een OIV

3.4 BEVOEGDHEDEN TIJDENS OPLEIDING


Maximale geldigheidstermijn
Maximale geldigheidstermijn voor een aspirant
bevoegdheid is 1,5 jaar echter niet langer dan de
gevraagde ervaringstermijn voor de betreffende
aanwijzing (zie bijlage 4.).
De minimale eis om voor mentor in aanmerking te
komen is een aanwijzing als VP.

28

Q458_Broch_Stedin.indd 28

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.3 HERSCHOLING OF INSTRUCTIE MET BETREKKING
TOT AANWIJZINGEN
Herscholing of bijscholing is noodzakelijk indien:
betrokkene niet (meer) aan de vereiste
vakbekwaamheidseisen voldoet, bijvoorbeeld door
verandering van functie of door een lage frequentie
van werkzaamheden (te weinig praktijkervaring), of
de werkmethodiek wijzigt, of
de werkorganisatie en/of de procedures worden
gewijzigd, of
het gasvoorzieningsysteem ingrijpend is gewijzigd.
Met betrekking tot punt a van dit artikel geldt
als richtlijn dat er geen sprake is van een te lage
frequentie indien de werkzaamheden minder dan
een jaar geleden door betrokkene zijn uitgevoerd.
In situaties waarbij de betrokkene niet (meer) aan
de vereiste vakbekwaamheidseisen voldoet kan een
gerichte instructie en begeleiding er voor zorgen dat
weer aan die eisen wordt voldaan, een en ander te
bepalen door de opdrachtgever (in het kader van de
VIAG).

die medewerker in de organisatie. Bij overleg tussen


of met (operationeel) installatieverantwoordelijke(n)
en werkverantwoordelijke(n) over bijvoorbeeld
werkplannen en bedieningsplannen is in bovenstaande
situatie altijd de mentor betrokken.

3.5 JEUGDIGE WERKNEMERS


Werkzaamheden met, aan of nabij
gasvoorzieningsystemen mogen door jeugdige
werknemers (jonger dan 18 jaar) alleen worden
uitgevoerd wanneer de gevaren die daarbij
kunnen ontstaan, onder toezicht van minimaal een
vakbekwaam persoon op doeltreffende wijze worden
voorkomen. De inhoud en de mate van toezicht worden
bepaald door het risico dat kan ontstaan wanneer
deskundig toezicht ontbreekt. Wanneer het risico
niet door toezicht kan worden vermeden, mogen
de werkzaamheden niet door jeugdige werknemers
worden verricht .

Na een ernstig incident tijdens, door, of in opdracht


van het bedrijf uitgevoerde werkzaamheden moet
iedereen met een aanwijzing binnen hetzelfde
werkgebied zo spoedig mogelijk worden voorgelicht en
genstrueerd over het voorval, de oorzaken, de effecten,
en de genomen of te nemen veiligheidsmaatregelen.
De termijn waarbinnen deze voorlichting moet worden
uitgevoerd is afhankelijk van de aard van het incident,
maar zal maximaal binnen een jaar moeten hebben
plaatsgevonden.

3.4 BEVOEGDHEDEN TIJDENS OPLEIDING


Voor medewerkers in opleiding bestaat de
mogelijkheid een aparte bevoegdheid te verkrijgen.
Het betreft hier vooral medewerkers die wel de
kennis en de kunde hebben, maar nog onvoldoende
praktijkervaring hebben opgedaan. In de
bedrijfsprocedure is een maximale geldigheidstermijn
bepaald. Deze aparte status wordt vastgelegd in een
specificatie van de aanwijzing. De betekenis hiervan is
dat deze medewerker de betreffende werkzaamheden
en/of handelingen slechts mag uitvoeren onder
toezicht van een ervaren medewerker met een
volledige bevoegdheid. De ervaren medewerker
fungeert als mentor. Dit houdt onder andere in dat
deze mentor de volledige verantwoordelijkheid
draagt voor de activiteiten van de medewerker in
opleiding, ongeacht de afspraken tussen medewerker
en mentor, en ongeacht de wijze van functioneren van

29

Q458_Broch_Stedin.indd 29

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.6 OPLEIDINGS- EN ERVARINGSEISEN
Zie bijlage 4. De tabel dient te worden aangevuld
met opleidingen om te voldoen aan de eis gesteld
in de VIAG dat een ieder die betrokken is bij
werkzaamheden aan, met of nabij gastechnische
installaties in staat moet zij levensreddende
handelingen te doen bij verstikkingsgevaar, explosie
en/of verbrandingen. Er dient dus vanaf VOPT een
opleiding te worden toegevoegd die de voornoemde
minimale eisen in zich heeft.

30

Q458_Broch_Stedin.indd 30

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.6 OPLEIDINGS- EN ERVARINGSEISEN
Bij de beoordeling voor het verkrijgen van een
aanwijzing is het hebben van de juiste voltooide
opleiding (WEB-niveau) met ervaring een
vastgelegd vereiste. Een bedrijf kan naar gelang de
werkzaamheden en de daarbij behorende risicos
zwaardere opleidings- en ervaringseisen stellen dan in
de VIAG 2006 is vastgelegd.

welke werkzaamheden en/of handelingen met die


aanwijzing mogen worden uitgevoerd. De aanwijzingen
kunnen zo nodig per discipline en/of gebied worden
verstrekt.

Zie bijlage 4 van de VIAG 2006.

In bijlage 4 van de VIAG 2006 is, gerubriceerd per


aanwijzing, het vereiste WEB-niveau (Wet Educatie
Beroepsonderwijs), de bijbehorende opleidingen/
applicaties,de vereiste ervaring, en de aanvullende
eisen aangegeven. Deze gelden als richtlijn waar
alleen bij onderbouwing van kan worden afgeweken.
Deze onderbouwing dient door de aanvrager
schriftelijk te worden vastgelegd bij de aanvraag.
Vervolgens dient acceptatie en goedkeuring door
de toetsende instantie te worden vastgelegd in het
personeelsdossier. Als onderbouwing kan in bepaalde
gevallen een aantoonbaar langdurige ervaring op het
juiste kwaliteitsniveau worden aangemerkt, conform
de in artikel 3.1 genoemde BAC. Bij het bezitten van
een MBO- of HBO opleiding kunnen de aangegeven
applicaties gezien worden als een vereist onderdeel
van de primaire vakopleiding.
Bij het uitreiken van een aanwijzing zal altijd
een (aanvullende) gebiedsgebonden instructie
door of in opdracht van een operationeel
installatieverantwoordelijke worden gegeven op basis
van de te verstrekken aanwijzing. Deze eisen gelden
ook voor derden.
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de
werkzaamheden aan, met, of nabij gastechnische
installaties, moet in staat zijn om levensreddende
eerste hulp te verlenen bij verstikkingsgevaar, explosie
en/of verbrandingen. Dit moet worden bereikt door
betrokkenen te (laten) instrueren via cursussen over
levensreddende handelingen en brandblussen, een en
ander nader door de betreffende werkgever te bepalen.

3.7 ORGANISATIE VAN DE AANWIJZINGEN


(STRUCTUUR)
Binnen de VIAG 2006 zijn acht reguliere (door
de directie verstrekte) aanwijzingen opgenomen,
terwijl de aanwijzing ploegleider per werk door
de werkverantwoordelijke wordt gegeven. Elke
aanwijzing is verbonden met een WEB-niveau en aan
elke aanwijzing zijn specifieke opleidingseisen en
functiekenmerken verbonden. Een aanwijzing bepaalt

31

Q458_Broch_Stedin.indd 31

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.1 INSTALLATIEVERANTWOORDELIJKE
Procedure voor implementeren van gemaakte
afspraken:
implementatie van afspraken vindt via het decentraal
IV/OIV-overleg per verantwoordelijkheidsgebied
plaats.

32

Q458_Broch_Stedin.indd 32

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.1 INSTALLATIEVERANTWOORDELIJKE (IV)
Een installatieverantwoordelijke (IV) is iemand die is
aangewezen als direct verantwoordelijk persoon voor
de bedrijfsvoering van het gasvoorzieningsysteem.
De directie van (de gasnetbeheerder van) het bedrijf
kan de installatieverantwoordelijkheid in zijn geheel
beleggen bij een daarvoor toegerust bedrijfsonderdeel
van de Bedrijven (bijvoorbeeld het infra-bedrijf of
netwerkbedrijf). Deze installatieverantwoordelijkheid
kan vervolgens verdeeld worden over dit
bedrijfsonderdeel op basis van geografie. Het is
vereist dat er slechts n IV in functie is per (deel
van het) gasvoorzieningsysteem en er dus geen
overlappingen zijn. Het verdient aanbeveling het aantal
IVs te beperken, teneinde een uniforme werkwijze te
bevorderen. Indien noodzakelijk is het toegestaan dat
een IV zijn verantwoordelijkheden tijdelijk overdraagt
aan een andere IV, indien deze IV voldoende kennis
heeft van die over te dragen verantwoordelijkheden,
terwijl de met die IV verbonden OIVs (zie artikel 3.7.2)
hiervan in kennis gesteld moeten zijn. Conform deze
voorwaarden is het in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld
bij langere afwezigheid van een IV) ook mogelijk dat de
directie een zogeheten plaatsvervangende IV aanwijst.

van het gasvoorzieningsysteem, dat aan hem


of haar is toegewezen. Dit betekent dat deze
persoon de operationele beheerder is van dit
gasvoorzieningsysteem en dat alle activiteiten daarin
alleen met zijn toestemming plaats kunnen vinden.
De OIV verricht normaliter zelf geen uitvoerende
taken; in bepaalde gevallen kan en mag de OIV zelf
bedieningswerkzaamheden verrichten.
Door de vereiste betrokkenheid bij alle uitvoerende
activiteiten kan er gekozen worden voor een
permanente vorm van delegeren van operationele
taken van de IV naar een zogeheten OIV. Het betreft
hier delegatie van taken van n IV naar meerdere
OIVs, bijvoorbeeld op basis van geografie of
specifieke infra-taken (voorbeeld: een distributieregio
of district met n IV en een aantal OIVs, die in n
of meer gemeenten het operationeel beheer van het
gasvoorzieningsysteem tot hun verantwoordelijkheid
hebben, inclusief onderhoud en storingsafhandeling).
De IV voert normaliter geen OIV-taken uit, maar heeft
wel de kennis en het inzicht om deze taken te kunnen
beoordelen.

Elke IV is in zijn of haar deel van het


gasvoorzieningsysteem verantwoordelijk voor
alle in de VIAG 2006 aan de IV toebedeelde
zaken; dit betreft alle veiligheidstechnische zaken
die in het kader van de bedrijfsvoering van de
gasvoorzieningsystemen aan de orde zijn. Dit
veiligheidsbeleid omvat mede de bijbehorende
procedures en werkinstructies. De IVs dienen te
streven naar uniformiteit in beleid. Er dient ook
regelmatig uitwisseling van gegevens en afstemming
over regelgeving en operationele zaken plaats te
vinden tussen alle IVs. Gemaakte afspraken worden
door de IVs in hun eigen gasvoorzieningsysteem
en organisatie gemplementeerd. Zie hiervoor ook
de bedrijfsprocedure. Concernbreed dient een
daartoe door de directie of de Raad van Bestuur
ingestelde commissie zich bezig te houden met
het beleid op het gebied van veiligheidszaken
in het gasvoorzieningsysteem (zie hiervoor de
bedrijfsprocedure).

3.7.2 OPERATIONEELINSTALLATIEVERANTWOORDELIJKE (OIV)


Een operationeel installatieverantwoordelijke
(OIV) is iemand die is aangewezen als direct
verantwoordelijk persoon voor dat deel van de
operationele bedrijfsvoering en voor dat deel

33

Q458_Broch_Stedin.indd 33

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.2 OPERATIONELE INSTALLATIEVERANTWOORDELIJKE
Aanvulling:
OIV is de direct verantwoordelijk persoon voor de
operationele bedrijfsvoering en de gastechnische
installaties/infrastructuur.
het goed beheren van de netten in relatie tot de
omgeving.
bedieningswerkzaamheden moet zijn:
bedieningshandelingen!
delegatie van verantwoordelijkheden van een IV naar
meerder OIV-ers vindt plaats op basis van geografie.
rapporteren door OIV aan IV
Minimaal 6 maal per jaar voorafgaand aan overleg.
Schriftelijk.
Status van, knelpunten van en genomen
maatregelen in het net.
overleg tussen IV en OIV, of een afvaardiging van de
OIV, minimaal 6 maal per jaar.

34

Q458_Broch_Stedin.indd 34

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


Bij het aan de IV toegewezen (deel van het)
gasvoorzieningsysteem wordt dus een aantal taken
en verantwoordelijkheden aan een aantal OIVs
gedelegeerd. Deze OIVs rapporteren aan genoemde
IV en er vindt regelmatig onderling overleg plaats.
Het betreft hier altijd deelverantwoordelijkheden
van een IV en omvat in alle gevallen ook de
verantwoordelijkheid voor de continuteit van het
gasvoorzieningsysteem. De aanwijzing van de OIV
door de directie vindt plaats met instemming van de
betrokken IV.

Delegatie van de werkverantwoordelijkheid is niet


mogelijk. Overdracht van verantwoordelijkheden
dient zoveel mogelijk te worden beperkt. In het kader
van bijvoorbeeld storingsdienst (of in geval van
ziekte of verlof) is het alleen mogelijk dat een WV zijn
verantwoordelijkheid overdraagt aan een andere WV,
volgens een door de IV vastgestelde procedure.

Het delegeren van (delen van) de operationele


installatieverantwoordelijkheid (naar bijvoorbeeld een
vakbekwaam persoon) is niet mogelijk. Overdracht van
verantwoordelijkheden dient zoveel mogelijk te worden
beperkt. In het kader van bijvoorbeeld storingsdienst
(of in geval van ziekte of verlof) is het alleen mogelijk
dat een OIV zijn verantwoordelijkheid overdraagt aan
een andere OIV (binnen het door n IV beheerde
gebied), mits die andere OIV voldoende kennis heeft
van het over te dragen gasvoorzieningsysteem en deze
overdracht wordt uitgevoerd volgens een door de IV
vastgestelde procedure.

Indien in bepaalde (kleinere) Bedrijven geen OIVs


worden aangewezen, is er geen sprake van delegatie
van IV-taken. Alle bij de OIV genoemde taken behoren
hier tot de taken van de IV. Bij deze Bedrijven dient
men, zowel in de tekst van de VIAG 2006 als in de
bijlagen (onder andere processchemas), de term OIV
te lezen als IV.

3.7.3 WERKVERANTWOORDELIJKE (WV)


Een werkverantwoordelijke (WV) is iemand die is
aangewezen als direct verantwoordelijk persoon
voor de leiding over, en een veilig verloop van, de
uitvoerende werkzaamheden. Dit betekent dat deze
persoon intensief betrokken is bij alle uit te voeren
werken, maar bij voorkeur niet daadwerkelijk zelf
deelneemt aan uitvoerende activiteiten. De WV kan
wel zelf bedieningswerkzaamheden verrichten of
veiligheidsmaatregelen treffen, maar mag verder
niet actief uitvoerend betrokken zijn bij uitvoerende
werkzaamheden en mag derhalve geen deel uitmaken
van groepen uitvoerende medewerkers. De WV
dient in ieder geval wel in complexe situaties op de
werkplek aanwezig te zijn. Ook zal de WV regelmatig
de werkplekken op risicos en veiligheidsniveau dienen
te controleren.

35

Q458_Broch_Stedin.indd 35

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.4 OPERATIONELE INSTALLATIEVERANTWOORDELIJKE / WERKVERANTWOORDELIJKE
Stedin staat de gecombineerde OIV / WV-rol niet toe.

36

Q458_Broch_Stedin.indd 36

10-11-2008 10:27:52

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.4 OPERATIONEEL INSTALLATIEVERANTWOORDELIJKE/
WERKVERANTWOORDELIJKE (OIV/WV)
Met instemming van de IV is een combinatie van OIV
en WV in n persoon toegestaan. Dit gebeurt alleen
in situaties, waarbij in het bedrijfsonderdeel waar de
operationele installatieverantwoordelijkheid is belegd,
tevens uitvoerende werkzaamheden plaatsvinden.
In die gevallen kan de OIV (beheersmatig) en de WV
(uitvoeringstechnisch) dezelfde persoon zijn. In alle
andere gevallen zijn de OIV en de WV verschillende
personen.
In bijzondere en/of complexe situaties dient de OIV/WV
zijn handelen te toetsen bij een andere OIV (of zijn IV),
die deze situaties op een juiste wijze kan beoordelen.
Het is vereist dat de IV vooraf dergelijke situaties
definieert en in een bedrijfsprocedure vastlegt.

3.7.6 VAKBEKWAAM PERSOON (VP)


Een vakbekwaam persoon (VP) is iemand met
relevante opleiding en ervaring die is aangewezen om
in opdracht standaard gastechnische werkzaamheden
(SGW), beperkt gastechnische werkzaamheden
(BGW), niet-gastechnische werkzaamheden (NGW) en
beperkte bedieningshandelingen (BBH) te verrichten
en de bijbehorende veiligheidsmaatregelen te nemen.

Zie voor een overzicht van de toegestane


werkzaamheden bijlage 5 van de VIAG 2006.
Een vakbekwaam persoon mag ook alle uitgebreide
gastechnische werkzaamheden (UGW) uitvoeren als
assistent van een AVP, voor zover de WV hier opdracht
toe geeft. Assisteren betekent hier: assisteren op
dezelfde werkplek bij uitvoering van dezelfde activiteit.

Indien de OIV/WV zelf veiligheidsmaatregelen neemt


of opheft in het gasvoorzieningsysteem (bijvoorbeeld
bij een storing), is afstemming met minimaal een
allround vakbekwaam persoon (AVP) verplicht indien
het werkzaamheden betreft. Bij bedieningshandelingen
is afstemming met minimaal een AVP en (indien
aanwezig) een centraal meldpunt verplicht.

Indien in bepaalde (kleinere) Bedrijven geen OIVs


worden aangewezen is er geen sprake van delegatie
van IV-taken. Alle bij de OIV genoemde taken behoren
hier tot de taken van de IV. Bij deze Bedrijven dient
men, zowel in de tekst van de VIAG 2006 als in de
bijlagen (o.a. processchemas), de term OIV te lezen
als IV. Bij deze Bedrijven kan er geen gecombineerde
aanwijzing van IV en WV bestaan, omdat er dan geen
back-up en/of controle meer mogelijk is.

3.7.5 ALLROUND VAKBEKWAAM PERSOON (AVP)


Een allround vakbekwaam persoon (AVP) is iemand
met relevante opleiding en ervaring die is aangewezen
om in opdracht alle gastechnische werkzaamheden
(UGW + SGW + BGW), niet-gastechnische
werkzaamheden (NGW) en bedieningshandelingen
(BH) te verrichten en alle veiligheidsmaatregelen te
nemen.

Zie voor een overzicht van de toegestane


werkzaamheden bijlage 5 van de VIAG 2006.

37

Q458_Broch_Stedin.indd 37

10-11-2008 10:27:52

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.7 PLOEGLEIDER
Vastlegging van ploegleider in werkplan of in
wachtdienstrooster (te accorderen door WV).

38

Q458_Broch_Stedin.indd 38

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

3. AANWIJZINGEN- EN SLEUTELBELEID (vervolg)


3.7.7 PLOEGLEIDER (PL)
Een ploegleider (PL) is een allround vakbekwaam
persoon of een vakbekwaam persoon die ter plaatse
met de leiding van de werkzaamheden is belast.
De aanwijzing PL is geen vaste aanwijzing zoals die
bij de andere aanwijzingen wordt toegepast. Deze
aanwijzing wordt per werk door de WV gegeven,
terwijl alle betrokkenen hiervan op de hoogte dienen
te worden gebracht. De aanwijzing PL wordt schriftelijk
vastgelegd, bijvoorbeeld in het werkplan.

3.7.8 VOLDOEND ONDERRICHT PERSOON (VOP)


Een voldoend onderricht persoon (VOP) is iemand
die voldoende is genstrueerd om gevaren, die door
aardgas kunnen worden veroorzaakt, te herkennen en
te voorkomen en die is aangewezen om in opdracht
beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW) en
niet-gastechnische werkzaamheden (NGW), alsmede
beperkte bedieningshandelingen (BBH) te verrichten.
Veiligheidsmaatregelen en metingen ten behoeve van
beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW) mogen
ook door een VOP worden uitgevoerd, mits deze in het
bezit is van een aanwijzing met de juiste specificatie.

Zie voor een overzicht van de toegestane


werkzaamheden bijlage 5 van de VIAG 2006.
Een VOP mag ook alle standaard gastechnische
werkzaamheden (SGW) uitvoeren als assistent van
een VP, voor zover de WV hier opdracht toe geeft.
Een VOP mag ook alle uitgebreide gastechnische
werkzaamheden (UGW) uitvoeren als assistent van
een AVP, voor zover de WV hier opdracht toe geeft.
Assisteren betekent hier: assisteren op dezelfde
werkplek bij uitvoering van dezelfde activiteit.

3.7.9 VOLDOEND ONDERRICHT PERSOON


TOEGANGHEBBEND (VOPT)
Een voldoend onderricht persoon toeganghebbend
(VOPT) is iemand die voldoende is genstrueerd om
gevaren, die door aardgas kunnen worden veroorzaakt,
te herkennen en te voorkomen en die is aangewezen
om in opdracht niet-gastechnische werkzaamheden
(NGW) te verrichten.

3.7.10 LEEK
Een leek is een persoon (eigen medewerker of
medewerker van derden) zonder aanwijzing in het
kader van de VIAG 2006.

39

Q458_Broch_Stedin.indd 39

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING
4.1.1 VERPLICHTINGEN DIRECTIE
Bij het 2e aandachtstreepje, het woord periodiek moet
worden gelezen als 1 maal per drie jaar of indien er
een incident heeft plaats gevonden binnen 1 jaar na
dit incident. Ook dient rekening te worden gehouden
met veranderende regelgeving en normen indien deze
veranderingen/ aanpassingen dit vereisen dient direct
te worden overgegaan tot het maken van instructies
voor alle direct betrokkene.

4.1.2 VERPLICHTINGEN MEDEWERKER


medewerker dient zich te houden aan schriftelijk
vastgelegde eisen, regels en instructies welke zijn
vastgesteld.
iedere gasleiding moet zijn: ieder component.

40

Q458_Broch_Stedin.indd 40

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING
4.1 VERPLICHTINGEN
Een ieder is verplicht zich te houden aan de
regelgeving VIAG 2006 met inbegrip van de
voorgeschreven (volgorde van de) procesgang, zoals
die is omschreven in artikel 9 en is gellustreerd in de
bijlagen 3.1, 3.2 en 3.3.

4.1.1 VERPLICHTINGEN DIRECTIE


De directie verplicht zich ertoe dat:
erop wordt toegezien dat alle procedures strikt
worden nageleefd;
alle personeel dat wordt betrokken bij
de werkzaamheden aan, met of nabij
gasvoorzieningsystemen, periodiek wordt
genstrueerd over de veiligheidseisen,
veiligheidsregels en instructies, zoals die gelden voor
de werkzaamheden;
de benodigde middelen worden verstrekt, dan wel
verkrijgbaar zijn;
slechts n persoon met n en dezelfde opdracht
wordt belast;
de in de VIAG 2006 beschreven
verantwoordelijkheden nduidig bij personen
worden belegd.

bij iedere gasleiding te handelen alsof deze onder


druk staat, tenzij men zich ervan heeft overtuigd dat
deze leiding drukloos is gemaakt en niet ongewild
onder druk kan komen.

4.1.3 OVERIGE VERPLICHTINGEN


Zijn er situaties bekend die een ongeval of een storing
kunnen veroorzaken of reeds hebben veroorzaakt,
dan is men verplicht onmiddellijk deze situatie of de
storing op te heffen (afhankelijk van de aanwijzing) en
dit te melden aan de OIV of WV, alsmede aan de arboinstantie binnen het bedrijf.
Men is niet verplicht een opdracht uit te voeren indien
de indruk bestaat dat dit uit het oogpunt van veiligheid
en/of gezondheid onverantwoord is. Dit moet dan wel
direct worden gemeld aan de opdrachtgever (dus OIV
of WV).
Indien omstandigheden dwingen tot wijzigen van
(delen van) een gasvoorzieningsysteem, dan moet
dit gebeuren volgens de dan geldende normen en/of
richtlijnen.

Bovengenoemde verplichtingen gelden zowel voor


de directies van Bedrijven als voor de directies
van in opdracht van die Bedrijven werkzame
aannemersbedrijven, elk ten aanzien van hun eigen
medewerkers.

4.1.2 VERPLICHTINGEN MEDEWERKER


De medewerker is verplicht:
zich te houden aan de eisen, regels en instructies
welke zijn vastgesteld;
mee te werken aan het in goede staat houden van de
gasvoorzieningsystemen;
de beschermingen, blokkeringsmiddelen, opschriften,
waarschuwings- en verbodsborden, leidingen
afsluiterschemas en dergelijke in goede staat te
houden;
de verstrekte gereedschappen, meetapparatuur,
persoonlijke en algemene beschermingsmiddelen in
goede staat te houden;
voorzichtig en zorgvuldig te werk te gaan en zodanig
te handelen dat geen gevaar ontstaat;
de beschikbaar gestelde (veiligheids-) hulpmiddelen
en persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken;
erop toe te zien dat anderen geen gevaren kunnen
veroorzaken;
de voorgeschreven kleding te dragen;

41

Q458_Broch_Stedin.indd 41

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

42

Q458_Broch_Stedin.indd 42

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.2 OPDRACHTEN EN INFORMATIEOVERDRACHT

4.2.1 OPDRACHTEN ALGEMEEN


Voor alle werkzaamheden in het
gasvoorzieningsysteem dient een opdracht te worden
gegeven f via een werkplan, f via een raamopdracht.
Uitzondering hierop zijn enkele, nader door de IV
vastgestelde,
Niet-gastechnische werkzaamheden (NGW,
bijvoorbeeld het aflezen van meters) die zonder
opdracht in VIAG-technische zin door een medewerker
met een aanwijzing kunnen worden uitgevoerd. Ook
voor andere werkzaamheden (AW) is opdracht in VIAGtechnische zin niet noodzakelijk.

in het kader van het Arbo- en milieuzorgsysteem,


in het kader van de relevante (veiligheids-)
regelgeving,
met betrekking tot de kwalificaties van medewerkers,
met betrekking tot bepaalde montagevoorschriften,
met betrekking tot V&G plannen.
Bij opdrachten van een bedrijf aan (medewerkers
van) een aannemingsbedrijf wordt op grond
hiervan door een bedrijf daarom niet getreden in
de verantwoordelijkheden van de werkgever en
werknemer van dat aannemingsbedrijf, zoals die
bijv. volgens de Arbowetgeving zijn vastgelegd.
Opdrachten van een bedrijf worden gegeven onder de
voorwaarde dat de werkgever en werknemer van dat
aannemingsbedrijf aan bovengenoemde richtlijnen en
(veiligheids-)eisen voldoet.

Binnen de regelgeving van de VIAG 2006 is


algemeen van toepassing dat een opdrachtgever
verantwoordelijk is voor:
de juiste inhoud van de opdracht en de daarbij
verstrekte informatie;
de controle op de uitvoering van de opdracht, voor
zover dit redelijkerwijs kan worden verlangd;
het feit dat opdrachten worden gegeven binnen
het kader van de bevoegdheden van zowel de
opdrachtgever als de ontvanger van de opdracht.
En dat een opdrachtontvanger verantwoordelijk is
voor:
de door opdrachtontvanger aan opdrachtgever
gegeven informatie op grond (mede) waarvan een
opdracht wordt gegeven;
het nagaan van de juistheid van een ontvangen
opdracht (binnen de bevoegdheden en het
kennisniveau van de opdrachtontvanger);
het niet overschrijden van de grenzen van de
opdracht;
het feit dat opdrachten worden gegeven binnen
het kader van de bevoegdheden van zowel de
opdrachtgever als de ontvanger van de opdracht.

4.2.2 OPDRACHTEN AAN AANNEMINGSBEDRIJVEN


Opdrachten van een bedrijf aan (medewerkers van)
een aannemingsbedrijf komen tot stand op basis van
een overeenkomst tot aanneming van werk waarbij
(een) bestek(ken) en voorwaarden van toepassing
zijn verklaard. In dit/deze bestek/ken zijn onder meer
richtlijnen en (veiligheids-) eisen gesteld zoals die
gelden:

43

Q458_Broch_Stedin.indd 43

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

44

Q458_Broch_Stedin.indd 44

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.2.3 INFORMATIE OVERDRACHT
Om fouten bij de mondelinge overbrenging van
informatie te voorkomen, moet de ontvanger de
informatie naar de verzender herhalen. De verzender
moet bevestigen dat de informatie juist is ontvangen en
begrepen.
Indien er handelingen in het gasvoorzieningsysteem
verricht (gaan) worden, waardoor alarmsignalen
gegenereerd kunnen worden, is men verplicht dit
vooraf door te geven aan de ontvanger(s) daarvan.
Toestemming om met de werkzaamheden te
beginnen en het gasvoorzieningsysteem na voltooide
werkzaamheden weer in bedrijf te nemen, mag niet
worden gegeven door signalen of op grond van een
vooraf afgesproken tijdsverloop.

4.3 RISICO-INVENTARIESATIE EN MAATREGELEN

terwijl ze zijn voorzien van adequate vluchtwegen


(bijvoorbeeld door middel van ladders of een getrapt
talud). De zijkanten mogen niet kunnen instorten.
Overige eisen kunnen in bedrijfsinstructies zijn
opgenomen.
Bij grondwerkzaamheden, inclusief het werken bij
vervuilde grond dienen conform de geldende wet- en
regelgeving te worden uitgevoerd. Op de werkplek
moet, voor de duur van de werkzaamheden waarbij
gas kan vrijkomen, een verbod op vuur, open vlam
en roken worden ingesteld. Dit verbod moet voor
de omgeving duidelijk zijn aangegeven door middel
van n of meer verbodsborden met het relevante
pictogram (streep door brandende lucifer). Op plaatsen
waar open vuur kan ontstaan, mogen zich gn
brandbare materialen bevinden. Toegangswegen en
vluchtroutes moeten continu vrij worden gehouden
van obstakels. Brandbare materialen mogen ook niet
direct naast de toegangswegen of vluchtroutes zijn
geplaatst.

4.3.1 ALGEMEEN
De risicos en de te nemen veiligheidsmaatregelen
dienen in een werkplan of in een raamopdracht te zijn
beschreven. Zie hiervoor ook de bedrijfsprocedure.
Opdrachten tot het nemen van veiligheidsmaatregelen,
mogen uitsluitend worden gegeven door of namens
een WV. Wanneer dit binnen het kader van zijn
opdracht en de werkzaamheden valt, is ook een PL
gerechtigd tot het geven van opdrachten tot het nemen
van veiligheidsmaatregelen.
Veiligheidsmaatregelen ten behoeve van
werkzaamheden (zowel gastechnische als nietgastechnische) mogen uitsluitend worden getroffen
door een WV of (in opdracht) door een (A)VP of VOP,
voor zover de werkzaamheden dit toelaten naar het
oordeel van de WV en de betreffende aanwijzing
toereikend is.

4.3.2 WERKPLEK
Bij alle delen van een gasvoorzieningsysteem waaraan,
waarmee of in de nabijheid waarvan werkzaamheden
worden uitgevoerd, moet voldoende ruimte zijn om
veilig te kunnen werken.
De werkplek moet goed toegankelijk zijn, voldoende
zijn verlicht en adequaat zijn afgeschermd. De
afmetingen van putten en sleuven moeten zodanig
ruim zijn dat voldoende werkruimte beschikbaar is,

45

Q458_Broch_Stedin.indd 45

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.4 WERKPLAN

4.4.1 INHOUD WERKPLAN


Format voor gepland en ongepland (storingen) werk is
gelijk.
Werkplan in storingssituaties:
de bedieningsbevoegde ter plaatse stelt een
werkplan op met daarin beschreven de uit te voeren
werkzaamheden.

46

Q458_Broch_Stedin.indd 46

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


Bij gastechnische werkzaamheden moet zijn gezorgd
voor voldoende en geschikte blusmiddelen die
binnen handbereik op de werkplek aanwezig zijn.
Bij werkzaamheden in de open lucht moeten deze
bovenwinds zijn geplaatst. Gasuitstroming dient zoveel
mogelijk voorkomen te worden; er dient altijd een
aantal eindkappen of persstoppen aanwezig te zijn
om, indien nodig, het ongecontroleerd uitstromen van
gas te stoppen. Tevens verdient het aanbeveling dat er
een aantal sterke jute of plastic zakken aanwezig zijn
die, gevuld met grond, gebruikt kunnen worden om
het ongecontroleerd uitstromen van gas provisorisch
te stoppen als het toepassen van eindkappen of
persstoppen niet mogelijk is. Indien aanwezig dienen
noodafsluiters toegankelijk en bedienbaar te zijn.
Er moeten geschikte voorzorgsmaatregelen worden
getroffen ter voorkoming van letsel aan personen en
materile schade door andere mogelijke gevaren.
Hiertoe behoren het nemen van de juiste persoonlijke
veiligheidsmaatregelen en het toepassen van de
juiste persoonlijke beschermingsmiddelen. Er
moeten maatregelen zijn genomen om het publiek op
voldoende afstand te houden.
Deuren, deksels, hekken en dergelijke, waarachter
zich delen van de gastechnische installatie bevinden,
mogen slechts geopend worden en geopend zijn,
voor zover dit om veiligheidsredenen en/of voor
het uitvoeren van de werkzaamheden noodzakelijk
is. Een gastechnische bedrijfsruimte mag niet
anders worden gebruikt als waarvoor deze bestemd
is. Voor gasvoorzieningsystemen en delen van
gasvoorzieningsystemen die niet mogen worden
gebruikt, omdat ze niet veilig zijn, moet worden
voorkomen dat ze onbedoeld in bedrijf kunnen worden
genomen.

4.4 WERKPLAN

4.4.1 INHOUD WERKPLAN


Een werkplan is een omschrijving van de uit te voeren
werkzaamheden, waarbij de daarbij van belang zijnde
uitvoeringstechnische en veiligheidstechnische zaken
in dat werkplan zijn vastgelegd. Een werkplan bestaat
uit een aantal onderdelen:
Het algemene deel. Hierin staat de locatie en
uitvoeringsdatum van de uit te voeren gastechnische
werkzaamheden, niet-gastechnische werkzaamheden
en bedieningshandelingen, alsmede de namen van de
betrokken personen en hun aanwijzingen;
Het veiligheidsplan. Hierin staan de kenmerken en
risicos van de installatie en/of situatie, en de te
nemen veiligheidsmaatregelen;
Het bedieningsplan (indien relevant). Hierin staan de
uit te voeren bedieningshandelingen beschreven (zie
voor bedieningsplan en bedieningshandelingen ook
artikel 2.28 t/m 2.30);
De beschrijving van de gewenste bedrijfsituaties.
Hierbij worden de situaties aangegeven zoals die bij
de start en na afloop van de werkzaamheden dienen
te zijn;
Het uitvoeringsplan. In het uitvoeringsplan staan
de uit te voeren werkzaamheden (het werk zelf)
beschreven;
De ondertekening door WV en OIV.

4.3.3 EXTERNE HULPDIENSTEN


In voorkomende gevallen, waarbij grote hoeveelheden
gas uitstromen, kan het noodzakelijk zijn dat de politie
en/of brandweer wordt ingeschakeld. Het inschakelen
van hulpdiensten na een externe melding van
gasuitstroom is ter beoordeling van de OIV of WV, in
uitzonderlijke situaties ook door andere medewerkers.
Het inschakelen van externe hulpdiensten voor
acute hulpverlening bij calamiteiten op de werkplek
is ter beoordeling van degene die op de werkplek
de leiding heeft, in uitzonderlijke situaties ook door
andere medewerkers. Zie hiervoor ook de betreffende
bedrijfsprocedure en/of het calamiteitenplan.

47

Q458_Broch_Stedin.indd 47

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.5 RAAMOPDRACHTEN (RO)
1e alinea; Een raamopdracht is een opdracht voor
een bepaalde tijd (max 1 jaar).., veranderen in; Een
raamopdracht is een opdracht voor een bepaalde tijd
(max 1 kalenderjaar)

48

Q458_Broch_Stedin.indd 48

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


Het veiligheidsplan en het uitvoeringsplan kunnen
volledig zijn uitgeschreven maar het is ook mogelijk
dat beide beperkt blijven tot verwijzingen naar
van toepassing zijnde procedures, werkinstructies,
montagevoorschriften en/of veiligheidsvoorschriften,
alsmede naar de gegevens in bijvoorbeeld een
projectmap. In bijlage 6 is een voorbeeld van een
werkplan opgenomen. De mate van uitgebreidheid
van het werkplan dient per bedrijf te worden bepaald
en nader te worden aangegeven in een procedure. Dit
geldt ook voor de handelwijze m.b.t. werkplannen bij
storingen.
Bij het opstellen van het werkplan dient rekening te
worden gehouden met onder andere de continuteit
van de gaslevering, de eventuele uitwijkmogelijkheden
bij het optreden van onvoorziene gebeurtenissen, en
de mogelijkheid van drukverlaging.

4.4.2 INFORMATIE EN REGISTRATIE


Alle noodzakelijke informatie, mede ten behoeve van
een veilige bedrijfsvoering, dient aan alle betrokkenen
te worden overgebracht. Daarom dient het werkplan
voor aanvang van de werkzaamheden in het bezit te
zijn van de uitvoerende (indien individueel aanwezig)
of de leidinggevende (bij aanwezigheid van meerdere
personen op de werkplek). De inhoud van het werkplan
dient voor aanvang van de werkzaamheden en/of
handelingen aan alle uitvoerenden bekend te zijn
gemaakt.
Het werkplan dient vrafgaande aan de
werkzaamheden/ handelingen aan een centraal
meldpunt (informatiepunt) ter beschikking te worden
gesteld. Zie ook de processchemas in bijlage 3.
Conform de wettelijke regels dient een werkplan tot vijf
jaar na uitvoering te worden bewaard.

4.5. RAAMOPDRACHTEN (RO)


Een raamopdracht (RO) is een opdracht voor
een bepaalde tijd (maximaal 1 jaar) voor een
aantal overzichtelijke en regelmatig terugkerende
standaardhandelingen, waarbij er geen sprake mag
zijn van afwijkende situaties of omstandigheden, voor
zover deze niet zijn beschreven in die raamopdracht of
de bijbehorende werkinstructie.
Een raamopdracht is mogelijk voor nietgastechnische werkzaamheden (NGW), beperkte
bedieningshandelingen (BBH) en/of beperkte
gastechnische werkzaamheden (BGW), inclusief
de bijbehorende veiligheidsmaatregelen. In een
raamopdracht wordt verwezen naar van toepassing
zijnde werkinstructies c.q. veiligheidsvoorschriften,
zonder dat de plaats en het tijdstip van de
werkzaamheden en/of bedieningshandelingen daarbij
wordt vastgelegd. De genoemde werkzaamheden/
handelingen mogen alleen via een raamopdracht
worden uitgevoerd als voldaan wordt aan de in die
werkinstructies/veiligheidsvoorschriften genoemde
voorwaarden.
In voorkomende gevallen bepaalt de IV welke
extra gastechnische werkzaamheden ook via een
raamopdracht mogen worden opgedragen. Een
raamopdracht is op naam van de uitvoerende
medewerker gesteld. De gang van zaken met
betrekking tot werkzaamheden en/ of handelingen
bij raamopdrachten is nader verduidelijkt in het
processchema (bijlage 3.3) en de beschrijving daarvan
in artikel 9 van de VIAG 2006.

4.4.3 RELATIE WV EN OIV


Het is de WV die bij de uit te voeren werkzaamheden
de risico-inventarisatie doet en op basis daarvan de
noodzakelijke veiligheidsmaatregelen bepaalt en in
opdracht geeft. De WV stelt het werkplan op. Mede
omdat de WV en OIV beiden moeten instemmen met
de nieuwe configuratie van de installatie en de daartoe
uit te voeren werkzaamheden, dient het door de WV
opgestelde werkplan altijd ter goedkeuring aan de
OIV te worden voorgelegd. Bij onverwachte en/of
afwijkende situaties die tijdens de uitvoering van het
werkplan optreden, dient de WV overleg te plegen met
de OIV.

49

Q458_Broch_Stedin.indd 49

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.5 RAAMOPDRACHTEN (RO)
Het opstellen en verstrekken van een raamopdracht
gebeurt door de WV. De WV onder wiens verantwoordelijkheid de werkzaamheden vallen is verantwoordelijk voor de juiste naleving van de raamopdracht, dus
voor een veilig verloop van de werkzaamheden, waarbij de uitvoerende medewerker op de werkplek verantwoordelijk is voor zijn eigen juist en veilig handelen

4.6 VERANTWOORDELIJKHEDEN

4.6.1 VERANTWOORDELIJKHEDEN IV EN OIV


In geval van het overnemen van werkzaamheden
bevestigt de overnemende OIV de overdracht aan het
meldpunt en aan de betrokken WV-ers

50

Q458_Broch_Stedin.indd 50

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


Het opstellen en verstrekken van eenraamopdracht
gebeurt door de WV, onder wiensverantwoordelijkheid
de werkzaamheden vallen. Deze WV is
verantwoordelijk voor de juiste naleving van de
raamopdracht, dus voor een veilig verloop van de
werkzaamheden, waarbij de uitvoerende medewerker
op de werkplek verantwoordelijk is voor zijn eigen
juist en veilig handelen.

Zie verder hiervoor de bedrijfsprocedure.


Een door de WV uitgegeven raamopdracht dient altijd
ter kennisgeving aan de OIV te worden gebracht.
Conform de wettelijke regels dient een raamopdracht
tot vijf jaar na uitvoering te worden bewaard.

4.6 VERANTWOORDELIJKHEDEN

4.6.1 VERANTWOORDELIJKHEDEN IV EN OIV


Conform de definitie onder artikel 3.7.1 is een IV
iemand die is aangewezen als direct verantwoordelijk
persoon voor de bedrijfsvoering van het
gasvoorzieningsysteem. Een gasvoorzieningsysteem
moet onder de verantwoordelijkheid van n IV
worden geplaatst. Elk gasvoorzieningsysteem
kan worden opgesplitst in gedefinieerde deelgasvoorziening-systemen, die elk weer onder de
verantwoordelijkheid van n IV vallen. Wanneer twee
of meer (deel-)gasvoorzieningsystemen in elkaars
nabijheid liggen, is het van essentieel belang dat er
eenduidige afspraken zijn gemaakt tussen de IVs.

4.6.2 VERANTWOORDELIJKHEDEN WV
Conform de definitie onder artikel 3.7.3 is een WV
iemand die is aangewezen als direct verantwoordelijk
persoon voor de leiding over en een veilig
verloop van de uit te voeren werkzaamheden. Alle
gastechnische en niet-gastechnische werkzaamheden
behoren tot de verantwoordelijkheid van de
WV. Alle bedieningshandelingen behoren tot de
verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, dit is
meestal de WV, in de overige gevallen de OIV.
De WV stelt het werkplan op (of laat het opstellen) en is
hier verantwoordelijk voor. De WV is verantwoordelijk
voor de juiste inhoud van het werkplan,
inclusief de risico- inventarisatie en de te treffen
veiligheidsmaatregelen. De WV laat het werkplan
accorderen door de OIV.
Voordat met de werkzaamheden wordt begonnen,
moet de complexiteit ervan worden beoordeeld door
de WV, zodat de juiste (A)VP, VOP of leek kan worden
gekozen, c.q. de juiste PL kan worden aangewezen,
om de werkzaamheden uit te voeren. De WV moet alle
personen die bij de werkzaamheden zijn betrokken,
instrueren over eventuele bijzondere gevaren die door
hen niet zonder meer kunnen worden herkend.

De opsplitsing van een IV naar meerdere OIVs


kan alleen voor wat betreft de operationele
bedrijfsvoering. Conform de definitie onder artikel
3.7.2 is een OIV iemand die is aangewezen als direct
verantwoordelijk persoon voor dat deel van de
operationele bedrijfsvoering en voor dat deel van
het gasvoorzieningsysteem, dat aan hem of haar is
toegewezen.
Bij overdracht van de verantwoordelijkheid van de
ene naar de andere (O)IV dient alle noodzakelijke
informatie, zoals de netsituatie en de bedrijfstoestand,
te worden overgedragen; tevens dient het meldpunt te
worden genformeerd.

51

Q458_Broch_Stedin.indd 51

10-11-2008 10:27:53

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.7 TOEZICHT

4.7.1 LEIDINGGEVEND TOEZICHT


Zie bijlage 5a.
WV bepaalt in werkplan de mate en wijze van toezicht.
(Voor de bedieningshandelingen de OIV).

52

Q458_Broch_Stedin.indd 52

10-11-2008 10:27:53

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


Voordat met de werkzaamheden wordt begonnen,
alsmede tijdens de voortgang van deze
werkzaamheden, moet de WV erop toezien dat aan alle
eisen, regels en instructies wordt voldaan. Hiervoor
behoeft de WV niet altijd ter plaatse te zijn; de WV
kan de noodzakelijke informatie ook inwinnen door
telefonisch contact met de uitvoerende.
Als de verantwoordelijkheid voor een werk wordt
overgedragen van de ene naar de andere WV, moet
zowel de OIV (of het meldpunt) als het betrokken
personeel daarover worden genformeerd. Bij deze
overdrachten tussen WVs dient alle noodzakelijke
informatie te worden overgedragen.

4.6.3. VERANTWOORDELIJKHEDEN MEDEWERKER


De uitvoerende medewerker is verantwoordelijk
voor een juiste uitvoering van de gastechnische
en niet-gastechnische werkzaamheden, en van
de bedieningshandelingen. Indien als zodanig
aangewezen, is de PL op de werkplek verantwoordelijk
voor het juist en veilig handelen van de ploegleden.
Daarnaast is iedereen met een aanwijzing (ook in
opdracht werkende derden) verantwoordelijk voor het
veilige verloop van zijn deel van de werkzaamheden
die conform de bij het werkplan behorende
werkinstructies dienen te worden uitgevoerd. Voordat
wordt overgegaan tot uitvoering van werkzaamheden
moet altijd een ieder op de werkplek zich ervan
overtuigen dat hij veilig kan werken.

de werkzaamheden moeten worden gestaakt. De


toezichthouder mag zelf niet deelnemen aan de
uitvoering van de werkzaamheden.
Bij regelmatig toezicht is de toezichthouder met
tussenpozen op de werkplek aanwezig met een
door WV te bepalen frequentie, maar in ieder
geval bij aanvang van de werkzaamheden. Bij
tijdelijke afwezigheid van het toezicht kunnen de
werkzaamheden gewoon doorgaan, mits er geen
veiligheidsmaatregelen ongedaan worden gemaakt en
er geen (gastechnische) gevaren kunnen ontstaan.
Toezicht op werkzaamheden mag worden gehouden
door een WV, een (A)VP of een VOP(T). Een VOP(T)
mag alln toezicht houden op niet- gastechnische
werkzaamheden (NGW) door leken. Hierbij geldt
tevens de beperking dat dit toezicht uitsluitend
betrekking mag hebben op werkzaamheden
buiten de gevarenzone. Indien leken onder toezicht
werkzaamheden of handelingen verrichten, dienen zij
vraf te worden genstrueerd. Aard en inhoud van de
instructie wordt bepaald door de WV.

4.7 TOEZICHT

4.7.1 LEIDINGGEVEND TOEZICHT


Leidinggevend toezicht is het regelen en controleren
van de uitvoering van activiteiten, waarbij de
verantwoordelijkheid op de werkplek bij de
toezichthouder berust. De mate van toezicht dient in
overeenstemming te zijn met de gecompliceerdheid
van de werkzaamheden en/of de hoogte van de
gasdruk. De toezichthouder (meestal de WV)
moet aandacht schenken aan, en rekening houden
met, de omgevingsinvloeden op de werkplek. Te
onderscheiden zijn in ieder geval voortdurend toezicht
en regelmatig toezicht.
Bij voortdurend toezicht is de toezichthouder
ononderbroken op de werkplek aanwezig; dit betekent
onder andere dat bij onderbreking van het toezicht

53

Q458_Broch_Stedin.indd 53

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

54

Q458_Broch_Stedin.indd 54

10-11-2008 10:27:54

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.7.2 CONTROLEREND TOEZICHT
Controlerend toezicht is het controleren van de
uitvoering van activiteiten zonder dat daarbij
de verantwoordelijkheid op de werkplek wordt
overgenomen. Controlerend toezicht is een blik werpen
in het lasgat zonder in te grijpen in de gang van zaken.
De enige vorm van ingrijpen die is toegestaan is het
stopzetten van de werkzaamheden indien er grove
nalatigheden en/of grote veiligheidsrisicos worden
geconstateerd.

4.8 RELATIE WV EN UITVOERENDEN BIJ UITVOERING


VIA WERKPLAN
De WV stelt het werkplan op (of laat het opstellen),
is verantwoordelijk voor het werkplan en is
verantwoordelijk voor de veiligheid van het totale
verloop van de werkzaamheden (bij uitvoering door
derden zie ook artikel 4.2.2).
In het geval dat de WV op de werkplek leidinggevend
toezicht houdt, is de WV de leidinggevende op de
werkplek (zie 4.7.1). Indien de WV op de werkplek
geen leidinggevend toezicht houdt, is (in geval van
meerdere uitvoerenden) de PL de leidinggevende op
de werkplek. Dit geldt onverkort ook indien derden
(aannemingsbedrijven) werkzaamheden (mede)
uitvoeren.
Indien de WV niet op de werkplek is maar in het
werkplan een aantal terugkoppelmomenten heeft
aangegeven, is de PL verantwoordelijk op de
werkplek en tevens verantwoordelijk voor het op
tijd terugkoppelen. Bij die terugkoppelmomenten
is het al dan niet mogelijk of nodig dat de WV de
verantwoordelijkheid op de werkplek (tijdelijk) weer
overneemt. Dit is door de WV, meestal vraf, te
bepalen.

Voor wat betreft werkzaamheden aan of met


asbesthoudende materialen wordt verwezen naar het
boekwerkje Veilig werken met asbestcementbuizen,
een gezamenlijke uitgave van VEWIN, Energiened,
Stichting RIONED, GWWO/Bolegbo-vok, Arbouw, Bouwen Houtbond FNV, Hout- en Bouwbond CNV en ABVA/
KABO. Dit boekwerkje bestaat uit de onderdelen:
voorlichtingsbrochure, veilig werken met
waterleiding-, gas- en rioolbuizen van asbestcement.
Hierin wordt onder andere verwezen naar de
Vrijstellingsregeling Slopen van Asbest;
werkplan voor het verwijderen en afvoeren van
asbestcementbuizen;
werkwijzer voor het repareren en aanboren van
asbestcementbuizen.

4.10 AARDGASCONDENSAAT
Bij werkzaamheden zoals afblazen van leidingen
of onderhouden van regel- en meetinstallaties,
alsmede het aftappen van condensaatvangers, moet
rekening worden gehouden met eventueel vrijkomend
aardgascondensaat (of daarmee vergelijkbare
vloeistoffen). Het condensaat is licht ontvlambaar en
schadelijk voor de gezondheid. Aardgascondensaat
bestaat uit een mengsel van hogere koolwaterstoffen,
waaronder circa 93% lichte en zware olin en
circa 7% benzeen, tolueen en xyleen. Het is een
vluchtige vloeistof met een doordringende geur en
komt voor in delen van het gasvoorzieningsysteem.
Het in aardgascondensaat aanwezige benzeen is
bepalend voor de brand- en gezondheidsrisicos (o.a.
kankerverwekkend). Voor de/het voor de Bedrijven
te gebruiken voorbeeld van een de procedure/
werkvoorschrift zie bijlage 8 van de VIAG 2006.

4.9 ASBESTCEMENT
Met ingang van 1 juli 1993 geldt het Asbestbesluit
Arbeidsomstandighedenwet. Vanaf die datum
geldt een algemeen verbod op alle nieuwe
asbesttoepassingen. Alleen het slopen van asbest
en het verrichten van onderhoud aan bestaande
asbesthoudende constructies zijn van het verbod
uitgezonderd. Dit is vastgelegd in het in oktober 1993
in werking getreden Asbestverwijderingsbesluit
Arbeidsomstandighedenwet dat een zo veilig mogelijke
verwijdering van asbest beoogt.

55

Q458_Broch_Stedin.indd 55

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

56

Q458_Broch_Stedin.indd 56

10-11-2008 10:27:54

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

4. VEILIGE BEDRIJFSVOERING (vervolg)


4.11 ODORISATIE
Het odoriseren van gas wordt uitgevoerd door de
gasnetbeheerder van het landelijke HD-transportnet.
Reukbaarheidscontroles worden in overleg met
het bedrijf periodiek uitgevoerd door de daartoe
gecertificeerde instantie. Het gas in het landelijke 67
bar transportnet is niet geodoriseerd. Het gas in de
regionale 40 bar transportnetten is doorgaans (dus
niet altijd) wel geodoriseerd. In principe zijn alle
gasontvangstations aangesloten op het regionale
net van het landelijk gastransporterende bedrijf,
met uitzondering van een aantal bij de betreffende
IV bekende stations. De (O)IV dient dit aan alle
uitvoerenden kenbaar te maken. In niet-geodoriseerde
gasontvangstations is een gasconcentratiemeting
alvorens betreden verplicht.

4.12 TEKENINGEN EN DOCUMENTEN


De opbouw en technische gegevens van het
gasvoorzieningsysteem moeten in detail zijn
vastgelegd in tekeningen, op beheerkaarten of in
een (geautomatiseerd) informatiesysteem. Deze
gegevens moeten actueel worden gehouden en
dienen beschikbaar te zijn, zowel op kantoor als
bij de personen die de werkzaamheden uitvoeren.
Vastlegging op andere wijze (bijvoorbeeld in schetsen)
is toegestaan, mits deze vorm van vastlegging
actueel is, en beschikbaar is voor de uitvoerende
medewerkers. Van elk gasdruk regel- en meetstation
moeten bijgewerkte, eenvoudige en duidelijke
schemas met opgave van de locatie van aanwezige
afsluiters, de toelaatbare en ingestelde druk en
apparatuurkenmerken, direct beschikbaar zijn om
storingen te kunnen verhelpen. Beschikbaarheid,
locatie en juistheid van bovengenoemde documenten
valt onder de verantwoordelijkheid van de (O)IV.

57

Q458_Broch_Stedin.indd 57

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

58

Q458_Broch_Stedin.indd 58

10-11-2008 10:27:54

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

5. GEREEDSCHAPPEN, HULPMIDDELEN EN (PERSOONLIJKE) BESCHERMINGSMIDDELEN


Gereedschappen, hulpmiddelen en (persoonlijke)
beschermingsmiddelen moeten voldoen aan relevante
binnen Nederland geaccepteerde normen en
moeten worden toegepast in overeenstemming met
de aanwijzingen en/of richtlijnen van de fabrikant
of leverancier. Voor een veilige bedrijfsvoering of
voor veilig werken aan, met of nabij gastechnische
installaties moeten gereedschappen, hulpmiddelen
en (persoonlijke) beschermingsmiddelen worden
gebruikt, die geschikt zijn voor die toepassing. Deze
middelen moeten op de juiste wijze worden gebruikt en
onderhouden.

Bij kans op verneveling of spatten van condensaat


dient gelaatbescherming te worden gebruikt. Indien
werkzaamheden moeten worden verricht aan
asbestcementleidingen dient het pakket te worden
uitgebreid met:
neopreen (wegwerp)handschoenen;
mondkapje met een P3-filter;
wegwerpoverall.
Persoonlijke beschermingsmiddelen worden door de
werkgever verstrekt. De uitvoerende werknemer is zelf
verantwoordelijk voor het (juiste) gebruik.

5.1 PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN (PBM)


Bij het uitvoeren van werkzaamheden aan het
gasvoorzieningsysteem dienen de personen belast
met deze werkzaamheden minimaal de beschikking te
hebben over:
gladde, afsluitende, en brandvertragende werkkleding
waarbij voorkomen wordt dat uitstromend gas via
openingen (onder andere bij de polsen, de enkels en
de hals) onder de kleding kan komen en zich daar
kan ophopen;
veiligheidsschoeisel;
veiligheidshelm;
veiligheidsbril;
veiligheidslaarzen;
stofbril;
handschoenen;
veiligheidsvest voor werken langs de weg;
gehoorbescherming.
Indien laswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd
dient dit pakket minimaal te worden uitgebreid met:
lasoverall;
lasbril;
lashelm en laskap;
lashandschoenen.
Als condensaatvorming wordt verwacht (zie ook
bijlage 8 van de VIAG 2006) dient dit pakket minimaal
te worden uitgebreid met:
polyvinylalcohol (PVA) of neopreen (wegwerp)handschoenen;
halfgelaatmasker met een filtrerend gelaatstuk A2;
bij kans op verneveling of spatten van condensaat
dient een volgelaatmasker in plaats van een
halfgelaatmasker te worden gebruikt.
veiligheidsbril;
wegwerpoverall.

59

Q458_Broch_Stedin.indd 59

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

5. GEREEDSCHAPPEN, HULPMIDDELEN EN (PERSOONLIJKE) BESCHERMINGSMIDDELEN (vervolg)


5.3 WERKEN BIJ AANWEZIGE GASCONCENTRATIES
2e alinea: Voorafgaand aan en tijdens

60

Q458_Broch_Stedin.indd 60

10-11-2008 10:27:54

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

5. GEREEDSCHAPPEN, HULPMIDDELEN EN (PERSOONLIJKE) BESCHERMINGSMIDDELEN (vervolg)


5.2 BESCHERMINGSMIDDELEN OP DE WERKPLEK
Bij het uitvoeren van gastechnische werkzaamheden
aan het gasvoorzieningsysteem waarbij gasuitstroom
kan plaatsvinden, dienen altijd de volgende
beschermingsmiddelen op de werkplek aanwezig te
zijn:
brandblusser(s) van minimaal klasse C (bij voorkeur
ABC) met een vulgewicht van minimaal 2 kg voor
binnenshuis en minimaal 6 kg voor buiten in de
open lucht en dan bovenwinds geplaatst (binnen
handbereik);
branddeken;
n of meer verbodsborden verbod op vuur, open
vlam en roken;
eindkappen en/of persstoppen (binnen handbereik);
gasconcentratiemeter (binnen handbereik); bij
de opsporing van gaslekken is men verplicht
een zelfaanzuigend type gasconcentratiemeter te
gebruiken.

Zie hiervoor ook artikel 4.3.2 en 8.3.4 van de VIAG


2006.
Bij werkzaamheden aan asbestcementbuizen
moeten alle middelen aanwezig zijn om te kunnen
werken volgens de Veiligheidsinstructie Asbest. Als
condensaatvorming verwacht wordt moeten alle
middelen aanwezig zijn om te kunnen werken volgens
de betreffende veiligheidsinstructie.

gerekend, tenzij zij als explosieveilig (EX-keur) zijn


aangegeven.
In een ruimte waarin is vastgesteld dat er geen
gasexplosiegevaar aanwezig is (via meting vraf
aan en tijdens de werkzaamheden) is het gebruik
van telefoons, portofoons, laptops en dergelijke wel
toegestaan.

5.4 ELEKTRISCHE ARBEIDSMIDDELEN BIJ


WERKZAAMHEDEN IN BESLOTEN RUIMTEN
Een elektrisch arbeidsmiddel dat gebruikt wordt
bij werkzaamheden in besloten ruimten, moet zijn
uitgerust met een ingebouwde voedingsbron of worden
gevoed met een veilige spanning (wisselspanning t/m
50 Volt of gelijkspanning t/m120 Volt). Indien dit niet
mogelijk is kan (met uitzondering van handlampen)
gebruik worden gemaakt van een arbeidsmiddel dat
is aangesloten op een beschermingstransformator
die buiten de besloten ruimte is geplaatst. Het
arbeidsmiddel moet dan van klasse II (dubbel
gesoleerd) zijn.
In dit kader zijn de NEN 1010, rubriek nauwe
geleidende ruimten en de NEN 3140, art. 6,
werkzaamheden in nauwe geleidende ruimten, van
toepassing.

5.3 WERKEN BIJ AANWEZIGE GASCONCENTRATIES


Indien een gasconcentratie groter is dan 10%
LEL (Lower Explosion Level), is er sprake van de
gevarenzone. Een aardgasluchtmengsel is explosief
binnen de grenzen van 5% en 15% gas. Bij metingen
kunnen overigens de percentages gasluchtmengsel
van plaats tot plaats sterk verschillen.
In een ruimte waarin gasexplosiegevaar aanwezig
kan zijn, mag alln gebruik worden gemaakt van
apparatuur (EX-keur), gereedschap, hulpmiddelen en
communicatiemiddelen die allen explosieveilig zijn.
Voorafgaand aan de werkzaamheden moet gemeten
of vastgesteld worden of explosiegevaar zou kunnen
optreden.
Niet-explosieveilige apparatuur (apparatuur die
een explosie kan inleiden) moet buiten de bedoelde
ruimte blijven, bijvoorbeeld in de bedrijfsauto. Tot de
nietexplosieveilige apparaten moeten vooralsnog ook
telefoons, portofoons, laptops en dergelijke worden

61

Q458_Broch_Stedin.indd 61

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

62

Q458_Broch_Stedin.indd 62

10-11-2008 10:27:54

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

5. GEREEDSCHAPPEN, HULPMIDDELEN EN (PERSOONLIJKE) BESCHERMINGSMIDDELEN (vervolg)


5.4 CONTROLES EN KEURINGEN

5.4.1 DAGELIJKSE CONTROLE


Arbeidsmiddelen (onder andere gasflessen en
gasdetectieapparatuur) moeten door de gebruiker
onmiddellijk voorafgaand aan ieder gebruik visueel en
zonodig functioneel worden gecontroleerd. Wanneer
gebreken worden geconstateerd die gevaar voor de
veiligheid kunnen opleveren, mogen ze niet meer
worden gebruikt.
Van elektrisch handgereedschap, verplaatsbare elektrische meetinstrumenten, handlampen en verplaatsbare
leidingen wordt gecontroleerd (zie ook NEN 3140) of:
de (aansluit)snoeren niet zijn beschadigd of
gerepareerd;
de (aansluit)snoeren deugdelijk in huis, omhulsel of
contactstop zijn binnengeleid;
uitwendige onderdelen deugdelijk zijn bevestigd;
huis, omhulsel of bedieningsorganen geen gebreken
vertonen die de veiligheid in gevaar kunnen brengen;
handgereedschap, meetinstrumenten en handlampen
schoon en droog zijn.

5.4.2 PERIODIEKE CONTROLE, KEURING


Naast de dagelijkse controle door de gebruiker moeten
de arbeidsmiddelen periodiek worden gecontroleerd,
of zo vaak als het gebruik daar aanleiding toe geeft.
Voor zover dit voor een correct gebruik en behoud
van de betreffende middelen relevant is moeten de
eigenschappen, het gebruik, de opslag, het onderhoud,
de transportmethode en de inspecties van de
gereedschappen, hulpmiddelen en (persoonlijke)
beschermingsmiddelen worden gespecificeerd. Hierbij
moet rekening worden gehouden met de relevante
landelijke of internationaal genormeerde (keurings-)
voorschriften. Werkgevers zijn verplicht een
keuringsprogramma te hebben en uit te (laten) voeren.

63

Q458_Broch_Stedin.indd 63

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

64

Q458_Broch_Stedin.indd 64

10-11-2008 10:27:54

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

6. BEDIENINGSHANDELINGEN
6.1 ALGEMEEN
Opdrachten voor bedieningshandelingen (BH) worden
gegeven door de OIV of (na akkoord van de OIV)
door de WV. Deze opdrachten zijn vastgelegd in een
bedieningsplan. Dit bedieningsplan is onderdeel van
een werkplan en dient als zodanig altijd te worden
geaccordeerd door de OIV.
Opdrachten voor het uitvoeren van beperkte
bedieningshandelingen (BBH) kunnen ook worden
gegeven via raamopdrachten, zoals vastgelegd in
artikel 4.5. Deze raamopdrachten worden verstrekt
door de WV; de betrokken OIV(s) dienen hierover te
worden genformeerd.
Wanneer dit binnen het kader van de opdracht en
de werkzaamheden valt is ook de PL bevoegd tot het
geven van opdrachten tot het uitvoeren van beperkte
bedieningshandelingen (BBH). Bedieningshandelingen
(BH) mogen worden verricht door een OIV, WV en een
AVP. Beperkte bedieningshandelingen (BBH) mogen
ook worden verricht door een VP en een VOP.

De OIV of genoemde instantie/plaats (meldpunt) dient


ook te zorgen voor:
registratie van meldingen inzake
bedieningshandelingen;
registratie van calamiteiten;
vastlegging van de actuele netsituatie;
geven van informatie over de actuele netsituatie;
geven van informatie over bedieningshandelingen.
Medewerkers die zorgdragen voor bovengenoemde
registratie en informatie dienen een voldoende
vaktechnische opleiding te hebben doorlopen, maar
behoeven niet over een VIAG-aanwijzing te beschikken.
Alleen indien deze medewerkers door middel van
bediening op afstand (verrebediening) handelingen
uitvoeren, dienen zij over een daartoe passende
aanwijzing te beschikken.

Zie ook de processchemas (bijlage 3) en de


beschrijvingen daarvan in artikel 9 van de VIAG 2006.

6.2 REGISTRATIE EN MELDING, MELDPUNT


Vr en n de daadwerkelijke uitvoering
van bedieningsplannen ( dus niet bij
bedieningshandelingen volgens raamopdrachten)
moet de WV (of de uitvoerende PL of AVP) een
bedieningsadvies inwinnen en de voorgenomen
bedieningshandelingen melden op de daartoe door de
IV aangewezen plaats (meldpunt). Dit meldpunt wordt
per bedrijf geregeld en belegd, bijvoorbeeld bij n of
meer OIVs of bij een bedrijfsvoeringcentrum.
Wijzigingen van de netsituatie dienen bekend te zijn
bij de OIV. Tijdelijke en belangrijke afwijkingen in het
gasvoorzieningsysteem moeten schriftelijk, worden
vastgelegd door de OIV of op een voor de OIV en WV
toegankelijk plaats (bijvoorbeeld meldpunt) en wel:
altijd bij afwijkingen in het transportnet;
bij afwijkingen in het distributienet indien deze
optreden nabij of in gasdruk meet- en regelstations,
of bij leidingen met een diameter groter dan 110 mm
(bij 100 mbar), respectievelijk groter dan 160 mm (bij
30 mbar);
bij calamiteiten.

65

Q458_Broch_Stedin.indd 65

10-11-2008 10:27:54

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

66

Q458_Broch_Stedin.indd 66

10-11-2008 10:27:55

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

7. METING EN BEPROEVING
7.1 METING
Metingen moeten worden uitgevoerd door ten
minste een VP. Metingen in samenhang met beperkte
gastechnische werkzaamheden (BGW) mogen ook
worden uitgevoerd door een VOP, mits deze een
aanwijzing met de juiste specificatie heeft. Ook mag
een dergelijke VOP de volgende metingen verrichten:
metingen met een gasdetectie-apparaat (t.b.v. de
persoonlijke veiligheid);
periodiek gaslekonderzoek (bovengronds lekzoeken);
drukmetingen bij aansluitingen t/m G25 in standaard
meterkasten;
drukmetingen bij bestaande vaste meetpunten (dus
aflezen);
controle op dichtheid van gasmeteropstellingen t/m
G25 en de binneninstallatie.
Voor het meten aan gastechnische installaties
moeten passende en veilige meetinstrumenten
worden gebruikt. Deze instrumenten moeten worden
gecontroleerd vr gebruik en indien noodzakelijk ook
n gebruik.

7.2 BEPROEVING MET BEHULP VAN EXTERNE


BRONNEN (DUS GASLOOS)
Beproevingen in het LD-net, het HD-net en aan HDaansluitleidingen,moeten worden uitgevoerd door
minimaal een AVP (samen met minimaal een VOP)
of, indien door leken, uitsluitend onder toezicht
van minimaal een AVP. Beproevingen aan LDaansluitleidingen en bij meteropstellingen, moeten
worden uitgevoerd door minimaal een VP (samen met
minimaal een VOP) of, indien door leken, uitsluitend
onder toezicht van minimaal een VP. Uitzondering
hierop vormt de beproeving van de meteropstelling
en de controle op dichtheid van binneninstallaties
t/m G25; dit mag individueel door een VOP worden
uitgevoerd (zie ook bijlage 5). De mate van toezicht
wordt in alle voorkomende situaties door de WV
bepaald.
De beproeving van gasleidingen moet plaats vinden
overeenkomstig de relevante landelijke normen/
richtlijnen (zie bijlage 1) en de bedrijfsprocedures,
een en ander onder de verantwoordelijkheid van de
WV, waarbij de resultaten van de beproeving in een
beproevingsrapport (conform de daarvoor geldende
voorschriften) worden vastgelegd. Afhankelijk
van de toe te passen bedrijfsdruk moet de leiding
beproefd worden met lucht, een inert-gas of water.
Voor het overige wordt verwezen naar de betreffende
bedrijfsprocedures.

67

Q458_Broch_Stedin.indd 67

10-11-2008 10:27:55

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN
8.1 ALGEMEEN
raamopdrachten voor het uitvoeren van
bedieningshandelingen worden geaccordeerd door
de IV.
vastlegging van ploegleider in werkplan of in
wachtdienstrooster (te accorderen door WV).
bij voltooiing van de werkzaamheden moet de WV
het werk op juistheid en compleetheid controleren.
de WV meldt bij de OIV het werk (inclusief het in
bedrijf nemen) telefonisch of schriftelijk gereed.
telefonisch: indien in aansluitleidingen
schriftelijk (werkplan of opleveringsdocument):
Indien in transportleidingen,
distributieleidingen of stations.
aan het einde van de werkzaamheden (nog
exclusief het in bedrijf nemen) meldt de PL de
werkzaamheden gereed bij de WV (zie Bijlage 3).
aan het einde van de werkzaamheden (nog
exclusief het in bedrijf nemen) moet de WV
opleveren aan de OIV middels het
opleverdocument. De OIV accepteert.
bij de toepassing van tijdelijke afsluitmiddelen
(bijvoorbeeld gasblazen) is permanent toezicht
vereist.

68

Q458_Broch_Stedin.indd 68

10-11-2008 10:27:55

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN
8.1 ALGEMEEN
Vr de aanvang van de werkzaamheden die via een
werkplan worden uitgevoerd moet de WV de OIV
informeren over de aard, de plaats en de gevolgen
van de voorgenomen werkzaamheden voor de
gastechnische installatie. Uitgebreide gastechnische
en standaard gastechnische werkzaamheden (UGW
en SGW) dienen altijd op basis van een werkplan te
worden opgedragen. Opdrachten voor het uitvoeren
van beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW) en
niet-gastechnische werkzaamheden (NGW), inclusief
de bijbehorende veiligheidsmaatregelen, kunnen ook
worden gegeven via raamopdrachten, zoals vastgelegd
in artikel 4.5 (voor uitzonderingen zie artikel 4.2).
Deze raamopdrachten worden verstrekt door de
WV; de betrokken OIV(s) dienen hierover te worden
genformeerd.
Bij het in opdracht geven van een werk wordt door
de WV een PL aangewezen. Indien er bij uitgebreide
gastechnische of standaard gastechnische
werkzaamheden (UGW of SGW) in ploegverband
geen tot PL aangewezen (A)VP aanwezig is, mogen
er geen werkzaamheden worden verricht. Bij
individuele werkzaamheden wordt er uiteraard geen
PL aangewezen. In dat geval is de met een opdracht
belaste (A)VP of VOP verantwoordelijk voor de hem
of haar opgedragen werkzaamheden en het veilige
verloop daarvan. Indien er in bepaalde gevallen
twee personen met een VOP-aanwijzing op dezelfde
werkplek werkzaamheden uitvoeren, kan er geen
ploegleider worden aangewezen; de WV zal beiden
apart opdrachten moeten geven.

wel of niet onder gasdruk;


hoge druk;
lage druk.
Bij de toepassing van tijdelijke afsluitmiddelen
(bijvoorbeeld gasblazen) dienen deze middelen
regelmatig op hun goede werking te worden
gecontroleerd. Tijdens de werkzaamheden dienen
de uitvoerenden de geplaatste gasblazen in het zicht
te houden. Indien dat niet mogelijk is dient er extra
toezicht bij elke geplaatste gasblaas aanwezig te zijn.
De WV bepaalt bij ongunstige omgevingsinvloeden
welke beperkingen moeten worden opgelegd, c.q.
welke (veiligheids)maatregelen moeten worden
genomen.
Bij werkzaamheden door derden aan het
gasvoorzieningsysteem van het bedrijf geldt onverkort
de VIAG 2006. Dit betekent onder andere dat
werkzaamheden alln mogen worden uitgevoerd in
opdracht van het bedrijf en alln door medewerkers
die in het bezit zijn van een passende aanwijzing.

Voordat met de werkzaamheden wordt begonnen, moet


het uitvoerende personeel door de WV (eventueel
via de PL) worden genformeerd over de aard van de
werkzaamheden, de veiligheidsaspecten, de rol van elk
van hen daarin en de te gebruiken gereedschappen
en hulpmiddelen. Toestemming aan het personeel
om met de werkzaamheden te beginnen, mag
uitsluitend worden gegeven door de WV (eventueel
via de PL). Bij voltooiing van de werkzaamheden
moet het uitvoerende personeel door de WV worden
genformeerd (eventueel via de PL). Aan het einde
van de werkzaamheden moet de WV de OIV op de
voorgeschreven wijze informeren.
Bij onderbreking van de werkzaamheden moeten
passende veiligheidsmaatregelen worden getroffen,
waarbij ondermeer rekening moet worden gehouden
met de volgende situaties:

69

Q458_Broch_Stedin.indd 69

10-11-2008 10:27:55

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.2 NIET-GASTECHNISCHE EN ANDERE
WERKZAAMHEDEN
Het maken van sluitende afspraken voor AW: middels
een raamopdracht of een werkplan (dus via hetzelfde
mechaniek).
Dit geldt voor werkzaamheden op eigen terrein van
Stedin.

8.3 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN


AAN LEIDINGEN HD EN LD

8.3.2 AANVULLENDE BEPALINGEN


De deugdelijkheid van het gereedgekomen werk of
gedeelte daarvan te worden gecontroleerd volgens
geldende normen (zie bijlage 1).

70

Q458_Broch_Stedin.indd 70

10-11-2008 10:27:55

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.2 NIET GASTECHNISCHE EN ANDERE
WERKZAAMHEDEN (NGW EN AW)
Opdrachten tot het uitvoeren van niet-gastechnische
werkzaamheden (NGW) mogen uitsluitend worden
gegeven door een WV. Als deze binnen het kader
van zijn opdracht vallen, is ook een PL bevoegd tot
het geven van opdrachten voor niet-gastechnische
werkzaamheden (NGW).
Niet-gastechnische werkzaamheden (NGW) in
gastechnische bedrijfsruimten mogen alln
individueel worden uitgevoerd door degenen die
een aanwijzing hebben. Door leken mogen deze
werkzaamheden alln worden uitgevoerd onder
voortdurend toezicht van een persoon met minimaal de
aanwijzing VOPT; indien een station of kast drukloos
is gemaakt via bediening van de grondafsluiters, is
regelmatig toezicht toegestaan.
Bij andere werkzaamheden (AW) in de nabijheid van
leidingen en/of stations dient het bedrijf te worden
genformeerd. Vervolgens maakt het bedrijf met de
uitvoerenden sluitende afspraken (zo nodig houdt het
bedrijf toezicht).

Beperkte gastechnische werkzaamheden (BGW) mogen


individueel worden uitgevoerd door een VOP.

8.3.2 AANVULLENDE BEPALINGEN


Voordat wordt overgegaan tot uitvoering van deze
werkzaamheden moet altijd een ieder op de werkplek
zich ervan overtuigen dat hij veilig kan werken. Hierbij
dient:
de WV beschikbaar te zijn en n of meer (A)VPs
(waaronder een aangewezen PL) aanwezig te zijn, die
volledig op de hoogte is/zijn van de inhoud van het
werkplan;
gezorgd te zijn voor voldoende communicatie en
beveiligingsmiddelen;
elke uitvoerende medewerker bekend te zijn met
de voor zijn taak relevante technische gegevens
(bijvoorbeeld de gasdruk van het leidinggedeelte
waaraan gewerkt wordt);
het eventueel aanwezige KB-systeem te worden
uitgeschakeld, zodat dit niet kan worden beschadigd
(bij laswerkzaamheden).

In ieder geval moet een Klic-melding worden


gedaan en moet de ligging van de leidingen worden
vastgesteld aan de hand van recente tekeningen en het
maken van proefsleuven. Wanneer de leidingen dicht
worden genaderd, mag uitsluitend nog handmatig
worden gegraven.

8.3 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN


AAN LEIDINGEN HD EN LD

8.3.1 OPDRACHT EN UITVOERING


Opdrachten tot het verrichten van gastechnische
werkzaamheden mogen uitsluitend worden gegeven
door een WV of een PL. Opdrachten gegeven door een
PL moeten vallen binnen het kader van de opdracht die
is gegeven door de WV.
Uitgebreide gastechnische werkzaamheden (UGW)
mogen worden uitgevoerd door een AVP, zo nodig
aangewezen tot PL. Assistentie door een VP of VOP is
toegestaan, voorzover de WV hier opdracht toe geeft.
Standaard gastechnische werkzaamheden (SGW)
mogen worden uitgevoerd door een VP, zonodig
aangewezen tot PL. Assistentie door een VOP is
toegestaan, voorzover de WV hier opdracht toe geeft.

71

Q458_Broch_Stedin.indd 71

10-11-2008 10:27:55

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.3 HET UIT EN IN BEDRIJF NEMEN VAN LEIDINGEN
Deugdelijke maatregelen: Volgens 7244-1 moeten
tijdelijke afsluitmiddelen onder permanente controle
staan.
toevoegen: of gasloos Controle op dichtheid geldt ook
voor stoppelen
eindkappen / persstoppen moeten altijd op afdichting
worden gecontroleerd
dit lid zegt niets aanvullend, bij tijdelijke
afsluitmiddelen moet men altijd bedacht zijn op
doorlekkend gas.
een eindkap is, als men deze na het werk weer
verwijdert, een tijdelijk hulpmiddel en mag dus niet
zonder toezicht blijven tenzij men de veiligheid kan
borgen door aanvullende maatregelen te treffen.

72

Q458_Broch_Stedin.indd 72

10-11-2008 10:27:55

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient:
de deugdelijkheid van het gereedgekomen werk
of gedeelte daarvan te worden gecontroleerd,
bijvoorbeeld door het afpersen van een aansluitstuk
voordat er wordt doorgeboord;
bij het verbreken van kunststofleidingen vraf
gezorgd te worden voor een elektrische afleiding
naar aardpotentiaal in verband met eventueel
aanwezige statische elektriciteit;
bij het verbreken van metalen leidingen gezorgd
te worden voor een metallische (geleidende)
overbrugging in verband met eventuele
inductiespanningen.

eventuele inductie spanningen af te leiden;


het in bedrijf stellen van nieuwe leidingen mag
pas plaatsvinden na ontluchting van de leidingen
n nadat is vastgesteld (door middel van meting)
dat de leiding voor 100% met aardgas is gevuld
(brandblusser op de werkplek verplicht);
na beindigen van de werkzaamheden moet het
gemaakte werk op dichtheid worden beproefd.
De beproeving moet overeenkomstig de relevante
normen, richtlijnen en (bedrijfs-) procedures
gebeuren.

Bij uitgebreide gastechnische en standaard


gastechnische werkzaamheden (UGW en SGW) dient
de werkplek onder toezicht te blijven van een (A)VP.

8.3.3 HET UIT EN IN BEDRIJF NEMEN VAN LEIDINGEN


Bij het onderbreken van een gasvoerende leiding,
n indien de werkzaamheden niet direct aansluitend
worden uitgevoerd, moeten deugdelijke maatregelen
worden genomen om ongecontroleerde gasuitstroom te
voorkomen. Voor of tijdens het aan- of inbouwen dient,
conform werkplan of raamopdracht, aan de volgende
punten aandacht te worden geschonken:
indien afsluiters en/of gasblazen gebruikt worden om
het betreffende leidinggedeelte drukloos te maken,
dienen deze na het afsluiten/aanbrengen op hun
afdichtende werking te worden gecontroleerd;
bij het onderbreken van een gasvoerende leiding
moet, indien de werkzaamheden niet direct
aansluitend worden uitgevoerd, gebruik worden
gemaakt van eindkappen of persstoppen waarvan de
afdichtende werking is gecontroleerd;
bij gebruik van persstoppen en afsluiters moet men
bedacht zijn op eventueel doorlekkend gas en zo
nodig maatregelen nemen;
bij het onderbreken van een gasvoerende leiding
moeten, indien de werkzaamheden worden
uitgevoerd na een onderbrekingsperiode langer dan
een werkdag, de persstoppen worden vervangen
door een meer permanente afsluiting zoals
bijvoorbeeld eindkappen en stempeling;
bij een droge omgeving moeten, zo nodig, nabij de
plaats van uitstroming de kunststof buis en directe
omgeving worden bevochtigd en met behulp van
een nat lint aan aarde worden gelegd om eventuele
statische elektriciteit naar aarde af te leiden;
voorafgaande aan het maken van een onderbreking
in een stalen of gietijzeren leiding dient een
elektrisch geleidende overbrugging tot stand te
worden gebracht (bijvoorbeeld door een cadweldlas
met minimaal 10 mm2 of met magneetklemmen) om

73

Q458_Broch_Stedin.indd 73

10-11-2008 10:27:55

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.4 UITSTROMING VAN GAS
1e alinea; * Vervangen: De kans op ongecontroleerde
gasuitstroming dient in eerste instantie bij het
beoordelen van het WP en BP door de OIV-er te worden
bepaald.

8.3.5 REPARATIE VAN LEKKEN IN GASVOERENDE


LEIDINGEN
grote lekken (klasse 1) dienen onmiddellijk
veiliggesteld te worden.
5e alinea; voor controle op dichtheid zie artikel
8.3.2.3. Steekflens moet zijn (steek)blindflens.
6e alinea; Werkzaamheden binnen de gevarenzone
mogen uitsluitend onder toezicht van de WV-er
worden uitgevoerd (zie 8.4.3).

74

Q458_Broch_Stedin.indd 74

10-11-2008 10:27:55

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.4 UITSTROMING VAN GAS
Bij gastechnische werkzaamheden moet men
bedacht zijn op uitstroming van gas en op mogelijke
ontstekingsbronnen. Gastechnische werkzaamheden
waarbij de kans aanwezig is dat ongecontroleerd
gasuitstroming kan plaatsvinden, dienen te allen
tijde door ten minste 2 personen te worden
uitgevoerd; onder ongecontroleerde gasuitstroming
wordt verstaan: gasuitstroming die niet onder alle
omstandigheden volledig is te stoppen. De kans op
ongecontroleerde gasuitstroming dient in eerste
instantie door de WV te worden bepaald, in tweede
instantie op de werkplek door de uitvoerenden.
Genoemde twee personen zijn minimaal een AVP of
VP, samen met een VOP (afhankelijk van de situatie
en de werkzaamheden, zie ook bijlage 5) met de voor
de betreffende situatie vereiste aanwijzingen (en
specificaties). Deze personen dienen zodanig visueel
contact met elkaar te houden dat in noodsituaties
adequaat kan worden opgetreden. Indien de kans
op gasuitstroming niet aanwezig wordt geacht, kan
ook n persoon de werkzaamheden uitvoeren.
Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet
gebruik worden gemaakt van de persoonlijke
beschermingsmiddelen. Indien een gasconcentratie
groter is dan 10% LEL (Lower Explosion Level), is er
sprake van de gevarenzone. Een gasluchtmengsel (van
lucht en aardgas) is explosief binnen de grenzen van
5% en 15% gas. Bij metingen kunnen de percentages
gasluchtmengsel van plaats tot plaats sterk verschillen.

Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, de


aard en grootte van het lek, en het gestelde in artikel
8.3.8. beoordeelt de (A)VP de situatie en stelt vast
op welke wijze er verantwoord verder gewerkt kan
worden. De reparatie gebeurt in opdracht van de WV.
Tijdens de uitvoering is er zonodig overleg met de
WV, afhankelijk van wat daarover is vastgelegd in de
bedrijfsprocedures.
Bij leidingen die niet onder druk staan, kunnen
werkzaamheden pas plaatsvinden nadat is vastgesteld
dat de leiding inderdaad drukloos en gasloos is.
Indien naar het oordeel van de OIV in het kader van
een veilige bedrijfsvoering het niet mogelijk of gewenst
is dat de leiding geheel drukloos wordt gemaakt, dan
dient een drukverlaging tot stand te worden gebracht.
Het planmatig repareren van lekken in
transportleidingen heeft uitsluitend betrekking op
lekken van minimale omvang. Indien een onderbreking
noodzakelijk is voor reparatie van het lek moet de
leiding uiteraard afgesloten worden. Indien afsluiters
worden gebruikt om het betreffende leidinggedeelte
drukloos te maken, dienen deze eveneens op hun
afdichtende werking te worden gecontroleerd. Bij
gebruik van persstoppen en afsluiters moet men
bedacht zijn op eventueel doorlekkend gas en
zonodig maatregelen nemen. Bij een flensafsluiter
dient er, indien mogelijk (te bepalen door de WV), een
steekflens te worden geplaatst.

Tijdens de uitvoering van gastechnische


werkzaamheden waarbij mogelijk gas uit kan
stromen, moet men buiten de gevarenzone blijven.
De gasconcentratie moet hierbij continu, op
maaiveldhoogte en benedenwinds, worden gemeten.
Het meetpunt c.q. de meetpunten moet(en) hierbij door
minimaal een AVP of VP (afhankelijk van de situatie en
de werkzaamheden) worden bepaald.

8.3.5 REPARATIE VAN LEKKEN IN GASVOERENDE


LEIDINGEN
Grote lekken dienen onmiddellijk gerepareerd te
worden. Het afwenden van gevaar voor de omgeving
staat hierbij voorop. Kleine lekken die geen direct
gevaar voor de omgeving betekenen, kunnen onder
gasdruk worden gerepareerd, mits de leiding niet
wordt onderbroken en de werkzaamheden op een
veilige wijze kunnen worden uitgevoerd.

75

Q458_Broch_Stedin.indd 75

10-11-2008 10:27:55

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.6 BENADERING VAN GASLEKKEN
Voor aanvullende eisen zie NEN 7244-9 en de
meetprocedure.

76

Q458_Broch_Stedin.indd 76

10-11-2008 10:27:55

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
Indien geen onderbreking noodzakelijk is voor
reparatie van het lek, kunnen de werkzaamheden
onder gasdruk plaatsvinden, mits de (A)VP na
het opgraven van de leiding vastgesteld heeft, dat
dit zonder ontoelaatbaar persoonlijk risico kan
plaatsvinden.

het ontstaan van het lek. Indien er brand ontstaat,


is een dergelijke brand alleen te bestrijden door de
gastoevoer te onderbreken. Voor (relatief) kleinere
lekken neemt het risico af onder andere door de
in korte tijd optredende verdunning tot onder de
explosiegrens.

Werkzaamheden binnen de gevarenzone zijn niet


toegestaan; in uitzonderingsgevallen (bijvoorbeeld
bij calamiteiten of ten behoeve van het nemen van
veiligheidsmaatregelen) mogen deze werkzaamheden
uitsluitend in opdracht en in principe alln onder
toezicht van de WV worden uitgevoerd.

Indien een gaslekkage is ontstaan binnen 2 meter van


de gevel van een gebouw, dient dit gebouw direct met
meetapparatuur op de aanwezigheid van gas te worden
gecontroleerd, met name in de kruipruimten en in de
grond direct voor de gevel. Een veilige benadering
van de bovenstaande situaties houdt in dat er een, via
continue meting vast te stellen, veilige afstand tot de
gaswolk of het gebouw waarin zich gas bevindt moet
worden aangehouden. In verband met de mogelijk
optredende warmtebelasting zijn de onderstaande
veiligheidsafstanden van toepassing (zie tabel 1).

Voor een nadere definiring en verduidelijking


ten aanzien van de werkzaamheden en de
veiligheidsrisicos bij ongecontroleerde gasuitstroming
zijn in artikel 8.3.6 een aantal zaken met betrekking op
de benadering van gaslekken aangegeven. In artikel
8.3.8 wordt nader op de reparatie van die lekken
ingegaan.

8.3.6 BENADERING VAN GASLEKKEN


Onder gaslekkages met een groot veiligheidsrisico
verstaat men een lekkage waarbij een zodanig grote
gashoeveelheid vrijkomt dat het ontsteken daarvan een
verwondend/ vernielend effect heeft op mensen en/
of goederen in de omgeving. Wanneer het om lekkage
in een onbebouwde omgeving gaat, wordt dat effect
veroorzaakt door warmte ontwikkeling en -straling, en
rondvliegende spullen. Wanneer het gaat om lekgas in
de nabijheid van bebouwing of in bebouwing, gaat het
behalve om warmte ontwikkeling, ook om instortende
gebouwen en/of rondvliegend puin wanneer het gas
in het gebouw tot een explosie komt. Verder bestaat
bij grote gaslekkages het risico van verstikking ten
gevolge van zuurstofgebrek.
Wanneer zich een groot gaslek voordoet, ontstaat er
vrijwel onmiddellijk een explosief gasluchtmengsel.
Vanaf dat moment kan dat mengsel tot ontsteking
worden gebracht. Hoewel die kans te reduceren is
door directe ontstekingsbronnen weg te nemen/uit te
schakelen (voertuigen, werktuigen), is het onmogelijk
de situatie zodanig te beheersen dat elke mogelijke
ontstekingsbron is uitgeschakeld. De kans op een
ontsteking is dus aanwezig en die ontsteking kan
elk moment plaatsvinden. Een omvangrijk gaslek in
of nabij bebouwing of in een omgeving met mensen
levert, vanaf het moment dat er een explosief mengsel
is, een hoog veiligheidsrisico op. Alleen in het open
veld kan er sprake zijn van een goede beheersing
van het veiligheidsrisico, bijvoorbeeld doordat er
een ontstekingsbron ontbreekt op het moment van

77

Q458_Broch_Stedin.indd 77

10-11-2008 10:27:56

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.8.1 ALGEMEEN
aanvulling: klasse 1 lekken dienen direct te worden
veiliggesteld.
klasse 2 lekken moeten binnen 6 maanden na
vaststellen zijn gerepareerd.
In het onderzoek worden niet alleen drukloze
rioleringen betrokken, maar ook aanliggende
kruipruimtes en overige locaties waar gas zich
kan ophopen / zich kan verspreiden (pakket
glasvezelmantelbuizen, drainagesystemen etc)

78

Q458_Broch_Stedin.indd 78

10-11-2008 10:27:56

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
Tabel 1
Situatie

risico

Breuk aansluitleiding
100/30 mbar in open veld
Breuk hoofdleiding
100/30 mbar in open veld
Breuk transportleiding
4/8 bar
Breuk transportleiding
4/8 bar

Brand/
Verstikking
Brand/
Verstikking
Brand/
Verstikking
Brand/
verstikking

Afstandbepalend
effect
Warmtebelasting
Warmtebelasting
Warmtebelasting
Warmtebelasting

De brandweer dient deskundig te zijn; overige


hulpdiensten (zoals politie) die op een groot gaslek
worden afgestuurd, moeten ook op de hoogte zijn van
het veiligheidsrisico en zo zijn of worden genstrueerd
dat ze zelf geen onaanvaardbare risicos lopen, en het
risico voor de omgeving zo goed mogelijk kunnen
beperken. Het is moeilijk om de lekomvang en het
veiligheidsrisico uit een melding af te leiden. Het is
dus nodig een betere indruk ter plaatse te krijgen.
Men moet dan ook op de hoogte zijn van het feit dat
het veiligheidsrisico voor de omgeving op dat moment
ontoelaatbaar hoog kan zijn, en dat men zelf in die
omgeving aan die risicos wordt blootgesteld.

Veiligheidsafstand
Boven/zijwinds 5 m, benedenwinds
30 m, benaderen op basis van meting
Boven/zijwinds 10 m, benedenwinds
50 m, benaderen op basis van meting
Boven/zijwinds 15 m, benedenwinds
50 m, benaderen op basis van meting
Boven/zijwinds 25 m, benedenwinds
100 m, benaderen op basis van meting

Kleine lekken, welke zich ten minste 2 meter buiten


de gevel bevinden, moeten worden gelokaliseerd
en worden veiliggesteld waarna eventueel later
reparatie kan plaatsvinden. In dit onderzoek worden
het rioolstelsel in de omgeving en de naburige
aansluitleidingen betrokken.
De afhandeling van gaslekbestrijding gebeurt in
opdracht van de WV. Tijdens de uitvoering is er zo
nodig overleg met de WV, afhankelijk van wat daarover
is vastgelegd in de bedrijfsprocedures.

8.3.7 GASBRANDEN
De uit te voeren handelingen en acties bij gasbranden
zijn afhankelijk van de situatie.

Zie bijlage 7 van de VIAG 2006 voor de/het voor


de Bedrijven als voorbeeld dienende procedure/
werkvoorschrift.

8.3.8 GASLEKBESTRIJDING HD EN LD

8.3.8.1 ALGEMEEN
Gaslekbestrijding vraagt om het onmiddellijk repareren
van grote lekken of leidingbreuken, conform de
voorschriften, normen en richtlijnen. Hierbij dient erop
te worden gelet dat:
de situatie wordt veiliggesteld. Hiertoe behoren onder
andere het afzetten van de werkplek en het treffen
van eventuele verkeersmaatregelen;
de tekeningen van de leidingloop beschikbaar zijn;
goede communicatiemiddelen beschikbaar zijn;
er wordt gewerkt met deugdelijk en veilig
gereedschap en detectieapparatuur.

79

Q458_Broch_Stedin.indd 79

10-11-2008 10:27:56

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.8.2 LEKKEN IN AANSLUITLEIDINGEN HD EN LD
BINNEN DE GEVEL
Wijze van- en frequentie van meten moet plaats vinden
conform de NEN 7244-9.

8.3.8.3 LEKKEN IN AANSLUITLEIDINGEN HD EN LD


BUITEN DE GEVEL
Een lekgrote kan vooraf niet bepaald worden dus moet
lekindicatieklasse worden gehanteerd.

80

Q458_Broch_Stedin.indd 80

10-11-2008 10:27:56

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.8.2 LEKKEN IN AANSLUITLEIDINGEN HD EN LD BINNEN DE GEVEL
Met behulp van daartoe geschikte, explosieveilige
gasdetectie-apparatuur dient door minimaal een VP de
hoeveelheid gas in de ruimte te worden vastgesteld.
De verdere afhandeling dient in het geval van een
LD- aansluitleiding door of onder leiding van minimaal
een VP te gebeuren, bij een HD- aansluitleiding door of
onder leiding van minimaal een AVP.

naar het oordeel van de (A)VP de risicos acceptabel


zijn kan de leiding worden opgegraven en gerepareerd.
Een lek in een aansluitleiding in een geheel of
gedeeltelijk openliggende put of sleuf dient op dezelfde
(bovengenoemde) wijze te worden afgehandeld.

Zie voor de benodigde aanwijzingen ook bijlage 5.


Bij gasconcentraties lager dan 0,5% gas (10% LEL /
5.000 p.p.m.) kunnen eenvoudige (dus kortstondige)
uitwendige reparaties aan de onder druk staande
leiding worden uitgevoerd, mits de leiding goed
bereikbaar is, de ruimte voldoende wordt geventileerd
en geen open vuur wordt gebruikt bij de reparatie.
Indien dit niet het geval is, geldt het gestelde onder
artikel 8.3.4. In kruipruimten en andere besloten
ruimten mogen dus nooit reparaties worden uitgevoerd
aan onder druk staande leidingen. Bij gasconcentraties
hoger dan 0,5% gas (10% LEL /5.000 p.p.m.) moet
de aansluitleiding worden afgekoppeld van de
distributieleiding c.q. worden afgesloten. Tijdens de
werkzaamheden dient regelmatig de gasconcentratie te
worden vastgesteld. In gevaarlijke situaties (boven 10%
LEL) dient men het perceel te laten ontruimen.

8.3.8.3 LEKKEN IN AANSLUITLEIDINGEN HD EN LD


BUITEN DE GEVEL
Bij een ondergronds, nog op te graven lek in een
aansluitleiding dient met behulp van daartoe geschikte
apparatuur de plaats en grootte van het lek te worden
vastgesteld, een en ander in overleg met de WV. De
verdere afhandeling dient in het geval van een LDaansluitleiding door of onder leiding van minimaal een
VP te gebeuren, bij een HD- aansluitleiding door of
onder leiding van minimaal een AVP.

Zie voor de benodigde aanwijzingen ook bijlage 5.


De (A)VP dient na te gaan of bij het opgraven van het
lek persoonlijke risicos zijn te verwachten (zie ook
artikel 8.3.6). Indien er ontoelaatbare persoonlijke
risicos of complicaties zijn te verwachten, dient
de aansluitleiding te worden afgekoppeld van de
distributieleiding c.q. dient deze te worden afgesloten.
Indien een afsluiter in de aansluitleiding aanwezig
is, dient deze altijd te worden dichtgezet en dient de
aansluitleiding drukloos te worden gemaakt. Indien

81

Q458_Broch_Stedin.indd 81

10-11-2008 10:27:56

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.8.4 LEKKEN IN TRANSPORT EN DISTRIBUTIELEIDINGEN HD EN LD
2e alinea: bij transportleidingen met een risico
van ongecontroleerd uitstromen van gas moeten
de sectieafsluiters voor aanvang van de reparatie
gesloten worden.
3e alinea: Zie 8.3.8.3

82

Q458_Broch_Stedin.indd 82

10-11-2008 10:27:56

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.8.4 LEKKEN IN TRANSPORT- EN DISTRIBUTIELEIDINGEN HD EN LD
De afhandeling van een lek in een distributieleiding
HD of LD dient door of onder leiding van minimaal een
AVP te gebeuren (voor afhandeling van een lek in een
aansluitleiding zie voorgaande artikel).

Zie voor de benodigde aanwijzingen ook bijlage 5.


Bij een lek in een transportleiding dienen altijd eerst,
na opdracht, de betreffende afsluiters te worden
gesloten (ook melding aan meldpunt). De WV bepaalt
vervolgens de verdere gang van zaken.

8.3.9 DRUKLOOS MAKEN, ONTGASSEN EN


ONTLUCHTEN

8.3.9.1 ALGEMEEN
Het drukloos maken, ontgassen en ontluchten van
distributieleidingen mag alleen plaatsvinden na overleg
met en in opdracht van een WV. Bij LD-leidingen met
een diameter groter dan 160 mm en bij HD-leidingen
dient de WV ter plaatse te zijn en voortdurend toezicht
te houden op de werkzaamheden. Bij LD-leidingen met
een diameter t/m 160 mm kan de WV met regelmatig
toezicht volstaan.

Bij een ondergronds, nog op te graven, lek in een


distributieleiding dient met behulp van daartoe
geschikte apparatuur de plaats en grootte van het lek
te worden vastgesteld, een en ander in overleg met de
WV. De AVP dient na te gaan of bij het opgraven van
het lek persoonlijke risicos zijn te verwachten (zie
ook artikel 8.3.6). Indien er ontoelaatbare persoonlijke
risicos of complicaties zijn te verwachten dient de
distributieleiding eerst drukloos te worden gemaakt
door middel van het zetten van gasblazen (of door
middel van een gelijkwaardige methode), alvorens
tot reparatie kan worden overgegaan. Indien naar het
oordeel van de AVP de risicos acceptabel zijn kan de
leiding worden opgegraven en gerepareerd.
Bij een lek in een distributieleiding in een geheel of
gedeeltelijk openliggende put of sleuf, bijvoorbeeld ten
gevolge van een door graafmachines kapot getrokken
leiding, dient de AVP in eerste instantie na te gaan of
bij het repareren van het lek (in de onder druk staande
leiding) persoonlijke risicos zijn te verwachten.
Vooruitlopend op het zetten van de gasblazen, kan
provisorische afdichting van een flink blazend lek
plaatsvinden met behulp van, met grond gevulde,
sterke plastic of jute zakken. Van belang is hierbij de
hoeveelheid uitstromend gas, het eventueel aanwezige
brandgevaar, de toegankelijkheid en de afmetingen van
de werkplek, de bereikbaarheid van het lek, de aard
van de omgeving (bebouwing, landelijk) enzovoort.
Een distributieleiding dient in dergelijke situaties
door middel van blazen drukloos te worden gemaakt
alvorens tot reparatie wordt overgegaan.

83

Q458_Broch_Stedin.indd 83

10-11-2008 10:27:56

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.9.2 DRUKLOOS MAKEN
(UITBUFFEREN, AFBLAZEN, AFFAKKELEN)
1e alinea: Het uitbufferen van het transportnet moet, via
een regelstation, naar een distributienet plaatsvinden.
Toevoegen de afblaaspijp en/of affakkelpijp dient
geaard te zijn.

8.3.9.4 ONTLUCHTEN
Toevoegen: De afblaaspijp moet van aarding zijn
voorzien.

84

Q458_Broch_Stedin.indd 84

10-11-2008 10:27:56

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.9.2 DRUKLOOS MAKEN
(UITBUFFEREN, AFBLAZEN, AFFAKKELEN)
Om een HD- gasleidingsectie drukloos op te leveren
geniet het uitbufferen van het transportnet naar het
distributienet via een regelstation de voorkeur. Vanuit
milieubelang geniet affakkelen de tweede voorkeur
en als laatste het afblazen. De beslissing om af te
fakkelen is mede afhankelijk van de locatie, windkracht
en windrichting. Het affakkelen en het afblazen van
transportleidingen dient op minimaal 2,5 meter boven
het maaiveld te gebeuren met behulp van een metalen
afblaaspijp. Deze pijp moet zijn voorzien van een
afsluiter.
Het drukloos maken van een LD- gasleidingsectie
gebeurt door middel van affakkelen of afblazen.

8.3.9.3 ONTGASSEN
Het ontgassen van een leiding die buiten bedrijf wordt
gesteld gebeurt door het inbrengen van lucht of een
inert gas, bijvoorbeeld stikstof of kooldioxide;

de uitmonding van de afblaaspijp dient, rekening


houdende met de windrichting en windkracht
op voldoende afstand te worden geplaatst van
gebouwen en mogelijke ontstekingsbronnen. Deze
kunnen ook hoog gelegen zijn zoals bovengrondse
hoogspannings- en bovenleidingen van trein/
trolleytrajecten. De plaats van de uitmonding moet
zodanig zijn dat het uitstromende gas zich niet in
ruimten kan verzamelen, overlast kan bezorgen of
onbedoeld kan ontsteken;
de afblaaspunten dienen zodanig te worden geplaatst
dat ontluchting van het gehele systeem mogelijk is;
het ontluchten van transportleidingen dient op
minimaal 2,5 meter boven het maaiveld te gebeuren
met behulp van een metalen afblaaspijp. Deze pijp
moet zijn voorzien van een afsluiter;
het ontluchten van aansluitleidingen dient met behulp
van een anti-statische slang te gebeuren. In verband
met mogelijke statische ontladingen mogen er ten
behoeve van het ontluchten van gasleidingen nooit
kunststof leidingen worden toegepast.

Bij gasloos maken door middel van airmoven, moet


men alert zijn op de eventuele aanwezigheid van
aardgascondensaat. In netdelen waarvan bekend is
dat aardgascondensaat voorkomt, moeten maatregelen
worden getroffen om het condensaat eerst te
verwijderen (zie bijlage 8 van de VIAG) en daarna de
leiding gasloos te maken (eventueel door middel van
spoelen met een inert-gas).

8.3.9.4 ONTLUCHTEN
Het ontluchten dient zodanig plaats te vinden dat de
veiligheid van personeel, derden en goederen niet
in gevaar komt. Waar nodig dient hierbij gebruik
gemaakt te worden van een metalen afblaaspijp.
Wanneer geen geluiddemper kan worden toegepast
en/of een te hoog geluidniveau is te verwachten,
dient gehoorbescherming te worden gedragen. Bij te
verwachten overlast, als open vuur, gaslucht en/of
geluid, dient vooraf aandacht te worden geschonken
aan externe informatievoorziening (bijvoorbeeld
omwonenden, politie en brandweer) en interne
informatieverstrekking (in ieder geval aan de
storingsmeldpost). Bij het ontluchten dient men als
volgt te werk te gaan:
de zich in de leiding bevindende lucht dient te
worden verwijderd door een ononderbroken
gasstroom die aan het begin van de leiding wordt
ingelaten en aan het eind van de leiding wordt
afgeblazen;

85

Q458_Broch_Stedin.indd 85

10-11-2008 10:27:56

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.11 VERBINDINGEN
2e alinea: Bij lassen onder druk:
bij Staal lassen altijd toezicht WV.
Bij lassen van drukloze of gasloze leidingen:
toezicht door WV te bepalen
Overige verbindingen;
toezicht door WV te bepalen

8.4 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN AAN


GASLEIDINGEN MET EEN BEDRIJFSDRUK GROTER
DAN 200 MBAR

8.4.1 OPDRACHT, UITVOERING EN TOEZICHT


1e alinea: in tegenstelling tot wat uit de tekst
gehaald kan worden is het wel mogelijk bepaalde,
overzichtelijke, repeterende, werkzaamheden in een
raamopdracht op te nemen dit te bepalen door de IV.
(zie ook artikel 4.2)
3e alinea: permanent toezicht bij lassen onder druk is
vereist! (zie 8.3.11)

86

Q458_Broch_Stedin.indd 86

10-11-2008 10:27:56

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.3.10 DUURZAAM BUITEN BEDRIJF STELLEN
Wanneer een leiding duurzaam buiten bedrijf wordt
gesteld en niet wordt verwijderd, moet:
deze worden losgekoppeld van gasvoerende
leidingen of installaties;
brandbaar gas worden verdreven door het inbrengen
van lucht of inert gas (bijvoorbeeld stikstof);
gecontroleerd worden of de leiding (of installatie)
aardgasvrij is;
aan de uiteinden van de losgekoppelde leiding een
deugdelijke afsluiting worden aangebracht;
ter plaatse van de loskoppeling de gasvoerende
leiding eveneens deugdelijk worden afgesloten;
vastgelegd worden tot wiens verantwoordelijkheid de
buiten bedrijf gestelde leiding behoort.

8.3.11 VERBINDINGEN
Voor het maken van lasverbindingen in staal of
PE is een certificaat vereist (het lassen op stalen
leidingen gebeurt normaliter alleen door derden).
Voor het maken van de overige verbindingen is
minimaal aantoonbare kennis vereist (via een
componentgerichte instructie).

worden uitgevoerd, waarbij n van beiden ten minste


een aanwijzing als AVP moet hebben; voor een aantal
werkzaamheden in gas- en/of drukloze situaties kan
worden volstaan met n AVP respectievelijk VP (zie
hiervoor bijlage 5).
Bij werkzaamheden aan onder druk staande leidingen
met een bedrijfsdruk groter dan 200 mbar moet
voortdurend toezicht gehouden worden door de WV.
Afhankelijk van de omstandigheden mag voortdurend
toezicht vervangen worden door regelmatig toezicht,
een en ander te bepalen door de WV. In gas- en/of
drukloze situaties bepaalt de WV de mate van toezicht.
De eisen met betrekking tot toezicht zijn in bijlage 5
opgenomen.
Het bepaalde in artikel 8.3 is, voor zover relevant, voor
HD-leidingen van kracht.
Het processchema in bijlage 3.1 (en de beschrijving
daarvan in artikel 9 van de VIAG 2006), geven een
verdere verduidelijking.

Bij het maken van verbindingen op gasloze of drukloze


leidingen bepaalt de WV de mate van toezicht. Indien
de leidingen onder druk staan is bij het lassen aan
stalen HD-leidingen voortdurend toezicht door de WV
noodzakelijk; bij LD-leidingen bepaalt de WV de mate
van toezicht. Bij PE-lassen onder druk bepaalt de WV
in beide gevallen de mate van toezicht. Dit geldt ook bij
het maken van de overige verbindingen (niet in staal of
PE).

8.4 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN AAN


GASLEIDINGEN MET EEN BEDRIJFSDRUK GROTER
DAN 200 MBAR
Het bepaalde in artikel 8.3 is, voor zover relevant, voor
HD-leidingen van kracht.

8.4.1 OPDRACHT, UITVOERING EN TOEZICHT


Voor deze werkzaamheden moet vooraf een werkplan
zijn opgesteld. De werkzaamheden moeten drukloos
worden uitgevoerd, tenzij dat in redelijkheid niet
mogelijk is (een en ander ter beoordeling van de WV,
in overleg met OIV).
Werkzaamheden aan onder druk staande leidingen
moet door minstens twee personen met een aanwijzing

87

Q458_Broch_Stedin.indd 87

10-11-2008 10:27:56

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.5 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN AAN
GASLEIDINGEN MET EEN BEDRIJFSDRUK T/M 200
MBAR

8.5.1 OPDRACHT, UITVOERING EN TOEZICHT


3e alinea: toevoeging op altijd drukloos werken, als
bij de werkzaamheden een ongecontroleerd gas
uitstroming te verwachten is.

8.5.1.1 UITVOERING BIJ AANSLUITLEIDINGEN


Toevoegen: Bij geplande werkzaamheden waarbij
de kans bestaat dat ongecontroleerd gas uit kan
stromen moeten de werkzaamheden drukloos worden
uitgevoerd.

88

Q458_Broch_Stedin.indd 88

10-11-2008 10:27:57

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.4.2 HET ONDERBREKEN VAN LEIDINGEN
Werkzaamheden, waarbij onderbreking van de
transportleiding plaatsvindt, moeten altijd drukloos
worden uitgevoerd. Bij het uitvoeren van het werk dient
de WV de mate van toezicht te bepalen (zie ook bijlage
5).

8.4.3 HET STOPPELEN VAN LEIDINGEN


Het stoppelen van transportleidingen gebeurt
in het algemeen door derden. De WV dient zich
ervan te overtuigen dat deze personen voor deze
werkzaamheden zijn gecertificeerd en bovendien dient
hij voortdurend toezicht op de werkzaamheden te
houden.

8.5 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN AAN


GASLEIDINGEN MET EEN BEDRIJFSDRUK T/M 200
MBAR
Het bepaalde in artikel 8.3 is, voor zover relevant, voor
LD-leidingen van kracht.

8.5.1 OPDRACHT, UITVOERING EN TOEZICHT


Voor deze werkzaamheden moet vooraf een werkplan
zijn opgesteld (uitgezonderd het gestelde in artikel 4.2).

8.5.1.1 UITVOERING BIJ AANSLUITLEIDINGEN


Werkzaamheden aan onder druk staande LDaansluitleidingen (vr de hoofdkraan) moeten door
minstens twee personen met een aanwijzing worden
uitgevoerd, waarbij n van beiden ten minste een
aanwijzing als VP moet hebben. Werkzaamheden
aan gas- en/of drukloze LD-aansluitleidingen (vr
de hoofdkraan) kunnen in enkele gevallen door n
VP worden uitgevoerd, maar meestal zijn ook hier
minstens twee personen met een aanwijzing bij nodig
(VP en VOP, respectievelijk AVP en VOP). Een nadere
uitwerking is in bijlage 5 opgenomen.

8.5.1.2 UITVOERING BIJ OVERIGE LEIDINGEN


Werkzaamheden aan overige onder druk staande
LD-leidingen (dus niet aansluitleidingen) moeten door
minstens twee personen met een aanwijzing worden
uitgevoerd, waarbij n van beiden ten minste een
aanwijzing als AVP moet hebben. Werkzaamheden
aan gas- en/of drukloze overige LD-leidingen kunnen
in enkele gevallen door n VP of n AVP worden
uitgevoerd, maar meestal zijn ook hier minstens twee
personen met een aanwijzing nodig (VP en VOP,
respectievelijk AVP en VOP). Een nadere uitwerking is
in bijlage 5 opgenomen.

Er moet gebruik worden gemaakt van apparatuur


waarmee gasloos kan worden gewerkt. Wanneer deze
apparatuur niet kan worden toegepast (ter beoordeling
en in opdracht van de WV) dan zal bij het uitvoeren
onverbrand gas vrijkomen. Hierbij moet men bedacht
zijn op mogelijk brandgevaar, verstikking, explosie,
alsmede het vrijkomen van stof uit de leiding.
Bij geplande werkzaamheden aan aansluitleidingen
(met uitzondering van het bepaalde in artikel 8.5.2 en
8.7) dienen deze drukloos te worden gemaakt en wel
door afsluiting op de distributieleiding.
Voorafgaand aan het eventueel afsluiten van een
leiding dienen de betrokken verbruikers tijdig te
worden genformeerd over het tijdstip en de duur
daarvan, in verband met het veiligstellen van hun
binneninstallatie. Wanneer gasuitstroming plaats kan
vinden dienen de nodige veiligheidsmaatregelen te
zijn getroffen conform de geldende voorschriften en
bedrijfsprocedures. Bij werkzaamheden aan LDleidingen dient de WV de mate van toezicht (regelmatig
of voortdurend, door PL of WV) te bepalen (zie ook
bijlage 5).

89

Q458_Broch_Stedin.indd 89

10-11-2008 10:27:57

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.5.3 PLAATSEN EN VERWIJDEREN GASBLAZEN
2e alinea: volgens de norm is permanent toezicht op
blazen vereist.

8.6 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN IN


GASDRUK REGEL- EN MEETSTATIONS
De bedrijfsvoering, omgeving, overige werkzaamheden
en appendages dienen te voldoen aan het gestelde in
ATEX regelgeving (zie bijlage 1).

90

Q458_Broch_Stedin.indd 90

10-11-2008 10:27:57

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.5.2 HET ONDERBREKEN VAN LEIDINGEN
Werkzaamheden buiten de gevel aan LD-leidingen
met een nominale diameter groter dan 50 mm (2)
uitwendig, waarbij onderbreking van de leiding
plaatsvindt, moeten altijd drukloos worden uitgevoerd.
Bij kleinere diameters bepaalt de WV of er drukloos
moet worden gewerkt.

NB: Stalen leidingen die zijn afgestopt met gasblazen,


mogen nooit door middel van elektrisch of autogeen
lassen met elkaar worden verbonden.
Het plaatsen van een kraanblaasje of kraanstopje valt
zowel onder de beperkte bedieningshandelingen (BBH)
als onder de standaard gastechnische werkzaamheden
(SGW) en dient door minimaal een VP te worden
uitgevoerd.

8.5.3 PLAATSEN EN VERWIJDEREN VAN GASBLAZEN


Het zetten van gasblazen in LD-leidingen valt zowel
onder de bedieningshandelingen (BH) als onder
de uitgebreide gastechnische werkzaamheden
(UGW). Voor het toezicht hierbij zie artikel 8.5.1; bij
werkzaamheden in enkelvoudige voedingen naar
grotere verbruikersgroepen verdient het aanbeveling
dat de WV voortdurend toezicht uitoefent.

8.6 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN IN


GASDRUK REGEL- EN MEETSTATIONS
Het bepaalde in artikel 8.3 is, voor zover relevant, voor
stations van kracht.

Voor werkzaamheden en/of handelingen zie ook de


processchemas en de beschrijving daarvan in artikel 9
van de VIAG 2006.

Gasblazen moeten regelmatig op hun afdichtende


werking worden gecontroleerd. Men is verplicht
gebruik te maken van apparatuur waarmee gasblazen
gasloos kunnen worden geplaatst en verwijderd.
Voordat wordt overgegaan tot het plaatsen en/of
verwijderen van gasblazen moet de AVP zich ervan
overtuigen dat dit veilig kan gebeuren. Bij het plaatsen
van gasblazen dient bovendien:
vooraf de aanwezigheid van een reserveblaas
(-blazen) te zijn nagegaan;
vooraf te zijn nagegaan of de blaas (blazen) zijn
gecontroleerd, getest en in orde bevonden;
regelmatige controle van de gasdruk in het net plaats
te vinden;
regelmatige controle van de druk van gasblazen
plaats te vinden.
Bij hoofdleidingen van staal, asbestcement en gietijzer
met een nominale diameter groter of gelijk aan 200 mm
en bij hoofdleidingen van PVC/CPE en van PE met een
nominale doorlaat groter of gelijk aan 160 mm moeten
(in principe) twee gasblazen in serie worden geplaatst.
Indien voor de thans verkrijgbaar zijnde typen door de
certificerende instantie een certificaat (QA keurmerk)
is afgegeven, kan t/m 315 mm met n enkele blaas
worden volstaan (boven 315 mm altijd twee gasblazen).
Indien de aanwezige druk hoger is dan 200 mbar
dient men deze, vr het plaatsen van gasblazen, te
laten zakken tot 200 mbar of lager. Bij gebruikmaking
van voor 500 mbar geschikte gasblazen met een QAkeurmerk mag de maximale werkdruk 500 mbar zijn.

91

Q458_Broch_Stedin.indd 91

10-11-2008 10:27:57

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

92

Q458_Broch_Stedin.indd 92

10-11-2008 10:27:57

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
vanuit een bedrijfsspecifieke RI&E blijkt dat de aan
de betreffende werkzaamheden verbonden risicos
beheersbaar en aanvaardbaar zijn;
de persoon, die de inspectie of het onderhoud
uitvoert, meldt zich
direct vr aanvang van het betreden van de ruimte
bij de OIV of WV en
meldt zich bij het verlaten/sluiten van de ruimte
direct weer terug bij
dezelfde OIV of WV.

8.6.1 GASONTVANGSTATIONS (GOS )


Werkzaamheden aan de regel- en meetinstallatie zijn
voorbehouden aan personeel van de eigenaar van de
gastechnische installatie in het GOS.
Bij afwijkingen van de normale bedrijfssituatie moet
de eigenaar van de gastechnische installatie in het
GOS op de hoogte worden gesteld. Bij een calamiteit
mag de toevoerafsluiter uitsluitend met toestemming
van de eigenaar van de gastechnische installatie in het
GOS door, of in directe opdracht van, een (O)IV of WV
worden gesloten.

8.6.2 GASDRUK REGEL- EN MEETSTATIONS

8.6.2.1 BEHEER EN TOEGANG


Het beheer en onderhoud van gasdruk regel- en
meetstations moet gebeuren overeenkomstig de
normen en/of vastgelegde bedrijfsvoorschriften
(zie bijlage 1). Ten minste n van de uitvoerende
personen is een AVP (in bezit van het diploma
gasstationstechnicus). Zie tabel 2
Indien er explosiegevaar bestaat of als er (de)
montagewerkzaamheden moeten worden verricht,
dient het aantal personen minimaal 2 te bedragen.
Indien de tweede persoon (naast de AVP) een VOP
is, dient op zijn aanwijzing de specificatie meet en
regelstations te zijn opgenomen.
Tabel 2
Het minimaal aantal personen dat nodig is bij
werkzaamheden gasdruk regel- en meetstations

Inspectie

In
bedrijf
stellen
A

Toegankelijke opstellingsruimte (bijv.


vrijstaand c.q. betreedbaar gebouw)

Niet-toegankelijke opstellingsruimtew
(bijv. kastopstelling)

toestandsafhankelijk
onderhoud

Storing

C
2

2**

1*

1*

1*

1*

* Indien er gn explosiegevaar kan optreden door het


openen of demonteren van installatieonderdelen
waarbij gas kan vrijkomen.
** Het uitvoeren van B-inspecties of
toestandsafhankelijk onderhoud in betreedbare
ruimten door n persoon (minimaal AVP), in plaats
van door twee personen, is alln toegestaan als aan
de volgende voorwaarden is voldaan:
er is gn sprake van (de)montagewerkzaamheden;
er wordt gebruik gemaakt van geschikte
arbeidsmiddelen/meetmiddelen;

93

Q458_Broch_Stedin.indd 93

10-11-2008 10:27:57

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

94

Q458_Broch_Stedin.indd 94

10-11-2008 10:27:57

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.6.2.2 VEILIGHEIDSMAATREGELEN
Bij werkzaamheden ( bijvoorbeeld onderhoud, het
wijzigen van de instelling van regelapparatuur of het in
bedrijf stellen van regelapparatuur) behoren een aantal
veiligheidsmaatregelen te zijn of worden getroffen:
in de regelruimte en de directe omgeving daarvan is
roken en open vuur verboden. Het verbod voor roken
en open vuur moet duidelijk kenbaar zijn gemaakt
voor derden;
tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden moet
steeds een goed begaanbare vluchtweg aanwezig en
bekend zijn;
er dient voortdurend gebruik te worden gemaakt van
apparatuur die te hoge gasconcentraties signaleert
en is voorzien van een akoestische en optische
signalering;
in noodsituaties moet buiten de regelruimte de
gasstroom snel kunnen worden afgesloten. Van
belang hierbij zijn de toegankelijkheid en de
bedienbaarheid van afsluiters, de bekendheid met
het afsluitschema/bedieningsschema en het onder
handbereik aanwezig zijn van bedieningssleutels;
de uitvoerende medewerker moet zich ervan
overtuigen dat de handelingen die hij gaat verrichten
niet een zodanige drukstijging of drukdaling kunnen
veroorzaken dat onbedoelde hinder of gevaar in het
gasvoorzieningsysteem kan ontstaan;
voordat tot het demonteren van een regelstraat of een
onderdeel daarvan wordt overgegaan, dient eerst de
regelstraat op een veilige manier drukloos te worden
gemaakt;
vonkvorming moet worden voorkomen door aarding
en geleiding, tenzij vaststaat dat de installatie
deugdelijk elektrisch is gescheiden van de rest van
het systeem;
het station moet goed zijn geventileerd;
bij onderhoudswerkzaamheden, in het bijzonder bij
HD-aansluitingen, is het van belang dat ook in de
directe omgeving van het station wordt bekeken of de
locatie in veiligheidsopzicht nog verantwoord is;
wanneer tijdens onderhoud aan de regel- en
meetinstallatie de werkplek voor langere tijd (langer
dan 2 uur) wordt verlaten, moeten de open delen van
de installatie gasdicht worden afgesloten;
het inregelen van de regel- en meetinstallatie dient
zodanig te gebeuren dat geen gevaar ontstaat voor
eigen personeel en voor derden. Men dient alert te
zijn op onverwachte situaties. Aandacht moet worden
geschonken aan de plaats van afblazen. Door een
gasconcentratie-meting moet worden vastgesteld of
de regel- en meetinstallatie geheel en uitsluitend met
gas is gevuld;

de installatie moet worden gecontroleerd op


dichtheid en op goede werking;
bij het in bedrijf nemen van een installatie dient de
WV of de PL zich door middel van een eindcontrole
ervan te overtuigen dat dit veilig kan gebeuren;
de veiligheidsmaatregelen, zoals genoemd in de
relevante artikelen van de VIAG 2006, dienen te
worden getroffen.

95

Q458_Broch_Stedin.indd 95

10-11-2008 10:27:57

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

96

Q458_Broch_Stedin.indd 96

10-11-2008 10:27:57

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
8.6.2.3 LEKKAGES EN STORINGEN IN GASDRUK
REGEL- EN MEETSTATIONS
Bij het naderen van de opstellingsruimte moet diegene
die toegang heeft, vaststellen of er afwijkingen zijn van
de normale situatie (gaslucht, geluid, beschadigingen).
Afhankelijk van de geconstateerde afwijking dient als
volgt te worden gehandeld:
bij ernstige afwijkingen dient direct bij eventueel
gevaar voor de omgeving afgewend te worden en de
OIV en/of de WV op de hoogte te worden gesteld;
bij minder ernstige afwijkingen dient een AVP vast
te stellen of hij zonder ontoelaatbare persoonlijke
risicos de ruimte kan betreden;
in twijfelgevallen dient eerst de WV te worden raad
gepleegd.
Voordat met de reparatie van lekkages wordt begonnen
moet de gasconcentratie in het station worden gemeten
met een explosieveilige gasconcentratiemeter. De
concentratie moet lager zijn dan 10% van de onderste
explosiegrens. Bij hogere concentraties moet eerst
worden geventileerd. Tijdens de reparatie van lekkages
dient de ruimte voortdurend te worden geventileerd,
terwijl er continu moet worden gemeten. Het verhelpen
van lekkages in toegankelijke opstellingsruimtes dient
door minimaal een AVP, samen met minimaal een VOP,
te worden uitgevoerd.

Het werken aan gasmeteropstellingen waarbij


ongecontroleerde gas-uitstroming kan plaatsvinden
dient drukloos te gebeuren.
Ontluchten, afblazen en beproeven van onder druk
staande meteropstellingen moeten door minstens twee
personen met een aanwijzing worden uitgevoerd,
waarvan ten minste n persoon de aanwijzing als
VP heeft. Uitzondering hierop vormt de beproeving
van de meteropstelling en controle op dichtheid
van binneninstallaties t/m G25; dit mag individueel
door een VOP worden uitgevoerd. De overige
werkzaamheden aan al of niet onder druk staande
meteropstellingen kunnen door n persoon met een
aanwijzing VP worden uitgevoerd, terwijl de beperkte
gastechnische werkzaamheden (BGW) individueel
door een VOP mogen worden uitgevoerd. Zie ook
bijlage 5. Werkzaamheden aan gas- en/of drukloze
meteropstellingen kunnen door n persoon met een
aanwijzing worden uitgevoerd (VP of VOP, zie bijlage 5).
In een aantal situaties zal de WV de mate van toezicht
dienen te bepalen (zie bijlage 5).
Werkzaamheden aan meteropstellingen vanaf G40
moeten door twee personen met een aanwijzing
worden uitgevoerd, waarvan ten minste n persoon
de aanwijzing als VP heeft.

8.6.2.4 TIJDELIJKE VOORZIENINGEN


Bij gebruik van een tijdelijke installatie of voorziening,
zoals een omloopleiding en/of noodinstallatie, is het
noodzakelijk dat:
de tijdelijke installatie veilig functioneert. Hierbij moet
onder andere de constructie en de toegankelijkheid
in aanmerking te worden genomen;
een uitvoerende (minimaal een AVP) wordt
aangewezen voor het bedienen c.q. controleren van
de installatie of voorziening;
onbevoegden niet kunnen ingrijpen in de installatie
of voorziening.

8.7 GASTECHNISCHE WERKZAAMHEDEN AAN


GASMETEROPSTELLINGEN
Het bepaalde in artikel 8.3 is, voor zover relevant, voor
gasmeteropstellingen van kracht.

Voor werkzaamheden en/of handelingen zie ook de


processchemas en de beschrijving daarvan in artikel 9
van de VIAG 2006.

97

Q458_Broch_Stedin.indd 97

10-11-2008 10:27:57

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

98

Q458_Broch_Stedin.indd 98

10-11-2008 10:27:57

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

8. WERKZAAMHEDEN (vervolg)
Voorafgaande aan het verwijderen van de meter dient
een elektrisch geleidende overbrugging tot stand te
worden gebracht.
Bij alle werkzaamheden, waarbij de binneninstallatie
drukloos is geweest en vervolgens die binneninstallatie
weer gasvoerend wordt gemaakt, dienen maatregelen
te worden genomen ter bevordering van de eigen
veiligheid en die van de verbruiker. Hiertoe behoren
ondermeer:
het ontluchten van de installatie op een zodanig
veilige plaats, dat er geen gevaar ontstaat. Er
dient hierbij vooral te worden gelet op open
vuur, vonkvorming, draaiende verbrandings- en
elektromotoren, gevelkachels enzovoort, in de buurt
van de uitstroomplaats van het gas.
bij het weer op druk brengen van de binneninstallatie
het controleren van de installatie op dichtheid,
conform de werkinstructie van het bedrijf.
Het plaatsen en verwisselen van hoofdkranen onder
gasdruk in aansluitleidingen, aangesloten op het 30
of 100 mbar net, is alln toegestaan indien wordt
voldaan aan de volgende voorwaarden:
bij het verwisselen van hoofdkranen is men verplicht,
indien mogelijk, gebruik te maken van een tijdelijk
afsluitmiddel waarbij geen vrije uitstroming van
gas kan optreden, bijvoorbeeld een kraanblaasje of
kraanstop;
de diameter van de aansluitleiding is niet groter dan
ND 25 (1St, 32 PE of 28 koper);
er is voldoende werkruimte aanwezig;
er is voldoende ventilatie aanwezig;
de uitvoerende persoon dient zich vooraf te
overtuigen dat hij alle benodigde materialen onder
handbereik heeft om een leiding snel tijdelijk af te
kunnen sluiten. Het afsluiten kan bijvoorbeeld met
een plug of dop.

99

Q458_Broch_Stedin.indd 99

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

100

Q458_Broch_Stedin.indd 100

10-11-2008 10:27:58

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

9. BESCHRIJVING PROCESSCHEMAS
9.1 GASVOORZIENINGSYSTEEM TRANSPORTNET,
PROCESSCHEMA 3.1
Processchema 3.1 geeft inzicht in de procesgang bij
het werken aan het transportnet.

Voor een veilige bedrijfsvoering zie ook artikel 4 van


de VIAG 2006.

ALGEMEEN
De WV geeft aan de AVP opdracht tot uitvoering
van het (deel van het) werkplan. Dit betekent dat de
uitvoerende AVP vervolgens verantwoordelijk is voor
de uitvoering van dat (deel van het) werkplan en het
veilig verloop daarvan. Bij meerdere uitvoerenden
wordt door de WV een PL aangewezen en heeft de PL
die verantwoordelijkheid. Een PL of AVP kan ook een
medewerker van derden zijn.

Indien er ook vanuit het meldpunt kan worden


bediend komt de opdracht hiervoor van de OIV.
Deze stelt de WV op de hoogte van de gang van
zaken. In bepaalde gevallen kan ook de WV het
meldpunt opdracht geven tot het uitvoeren van
bedieningswerkzaamheden. Na afloop hiervan worden
deze bedieningswerkzaamheden gereed gemeld bij de
OIV respectievelijk WV.

UITVOERING WERKZAAMHEDEN
Na opdracht van de WV worden de werkzaamheden
door PL of AVP uitgevoerd. De WV houdt hierbij
zonodig toezicht. Na afloop van de werkzaamheden
worden deze gereed gemeld bij de WV.

Tijdens die delen van het werkplan waarbij de WV


leidinggevend toezicht houdt heeft de WV de leiding op
de werkplek (zie ook artikel 4.7 en 4.8).

VOORBEREIDING
De WV stelt, eventueel in overleg met de betrokken PL
of AVP een werkplan op. Daartoe pleegt de WV zonodig
vooroverleg met het meldpunt met betrekking tot het
bedieningsplan. De WV ondertekent en stuurt het
conceptwerkplan naar de OIV. De OIV heeft zonodig
ook nog overleg met het meldpunt, keurt het werkplan
goed en verstuurt het naar de WV. De WV stuurt
vervolgens een kopie van het goedgekeurde werkplan
naar het meldpunt.
De WV geeft aan de PL of AVP opdracht tot uitvoering
van het eerste gedeelte van het werkplan, zijnde het
treffen van veiligheidsmaatregelen.

TREFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN
Na opdracht van de WV wordt het treffen van
veiligheidsmaatregelen door PL of AVP uitgevoerd. Na
afloop hiervan meldt de uitvoerende dit gereed bij de
WV.

BEDIENINGWERKZAAMHEDEN VRAF
Alvorens tot bedieningswerkzaamheden over te gaan
informeert de WV bij het meldpunt over de actuele
situatie. Na het verkrijgen van het bedieningsadvies
van het meldpunt meldt de WV de start van de
bedieningswerkzaamheden en geeft daartoe opdracht
aan de uitvoerende(n). De WV houdt hierbij zo nodig
toezicht.

101

Q458_Broch_Stedin.indd 101

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

102

Q458_Broch_Stedin.indd 102

10-11-2008 10:27:58

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

9. BESCHRIJVING PROCESSCHEMAS
In de situatie waarbij er meerdere ploegen/
medewerkers op verschillende locaties binnen
hetzelfde werkplan en in hetzelfde onderdeel van
de infrastructuur actief zijn (geweest), en soms ook
meerdere AVPs of PLs zijn betrokken, is de WV altijd
de leidinggevende op de werkplek. Er dient in deze
situatie per medewerker/ploegleider aan de WV te
worden teruggemeld dat de werkzaamheden zijn
beindigd.

BEDIENINGWERKZAAMHEDEN ACHTERAF
De bedieningwerkzaamheden starten aansluitend
na gereedmelding van de uitvoering van de
werkzaamheden.
De WV geeft opdracht aan de uitvoerende(n). De WV
houdt hierbij zonodig toezicht. Na uitvoering van de
bedieningswerkzaamheden meldt de WV deze gereed
bij het meldpunt. Indien er ook vanuit het meldpunt
kan worden bediend, komt de opdracht hiervoor van
de OIV. Deze stelt de WV op de hoogte van de gang
van zaken. In bepaalde gevallen kan ook de WV het
meldpunt opdracht geven tot het uitvoeren van de
bedieningswerkzaamheden. Na afloop hiervan worden
deze bedieningswerkzaamheden gereed gemeld bij de
OIV respectievelijk WV.

PL die verantwoordelijkheid. Een PL kan ook een


medewerker van derden zijn.
Tijdens die delen van het werkplan waarbij de WV
leidinggevend toezicht houdt (zie ook artikel 4.7 en 4.8)
heeft de WV de leiding op de werkplek.

VOORBEREIDING
De WV stelt, eventueel in overleg met de betrokken
PL, AVP of VP, een werkplan op. Daartoe pleegt de WV
zonodig vooroverleg met het meldpunt met betrekking
tot het bedieningsplan. De WV ondertekent en stuurt
het concept werkplan naar de OIV. De OIV heeft
zonodig ook nog overleg met het meldpunt, keurt het
werkplan goed en verstuurt het naar de WV. De WV
stuurt vervolgens een kopie van het goedgekeurde
werkplan naar het meldpunt. De WV geeft aan de
PL, AVP of VP opdracht tot uitvoering van het gehele
werkplan.

OPHEFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN
Na opdracht van de WV wordt het opheffen van de
veiligheidsmaatregelen uitgevoerd door PL of AVP. Na
afloop hiervan worden de werkzaamheden gereed
gemeld aan de WV.

OPLEVERING
De WV meldt het werkplan gereed bij de OIV en het
meldpunt. Hierbij dient er uiteindelijk sprake te zijn
van een complete oplevering van de afgesproken
activiteiten.

9.2 GASDRUK REGEL EN MEETSTATIONS,


GASDISTRIBUTIENET EN METEROPSTELLING(EN),
PROCESSCHEMA 3.2
Processchema 3.2 geeft inzicht in de procesgang bij
het werken in gasdruk regel- en meetstations, in het
gasdistributienet en aan en bij meteropstelling(en).

ALGEMEEN
De WV geeft aan de AVP of VP opdracht tot uitvoering
van het (deel van het) werkplan. Dit betekent dat de
uitvoerende AVP of VP vervolgens verantwoordelijk is
voor de uitvoering van dat (deel van het) werkplan en
het veilig verloop daarvan. Bij meerdere uitvoerenden
wordt door de WV een PL aangewezen en heeft de

103

Q458_Broch_Stedin.indd 103

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

104

Q458_Broch_Stedin.indd 104

10-11-2008 10:27:58

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

9. BESCHRIJVING PROCESSCHEMAS
TREFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN
Het treffen van veiligheidsmaatregelen wordt door PL,
AVP of VP uitgevoerd.

OPHEFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN
Het opheffen van de veiligheidsmaatregelen wordt
uitgevoerd door PL, AVP of VP. Na afloop hiervan
worden de werkzaamheden gereed gemeld bij de WV.

BEDIENINGWERKZAAMHEDEN VRAF
Alvorens tot bedieningswerkzaamheden over te
gaan informeert de PL of AVP bij het meldpunt
over de actuele situatie. Na het verkrijgen van het
bedieningsadvies van het meldpunt meldt de PL of AVP
de start van de bedieningswerkzaamheden en voert
deze uit. De WV houdt hierbij zonodig toezicht.

OPLEVERING
De WV meldt het werkplan gereed bij de OIV en het
meldpunt. Hierbij dient er uiteindelijk sprake te zijn
van een complete oplevering van de afgesproken
activiteiten.

Indien er ook vanuit het meldpunt kan worden


bediend,komt de opdracht hiervoor van de OIV.
Deze stelt de WV op de hoogte van de gang van
zaken. In bepaalde gevallen kan ook de WV het
meldpunt opdracht geven tot het uitvoeren van
bedieningswerkzaamheden. Na afloop hiervan worden
deze bedieningswerkzaamheden gereed gemeld bij de
OIV respectievelijk de WV.

UITVOERING WERKZAAMHEDEN
De werkzaamheden worden door PL, AVP en/of VP
uitgevoerd. De WV houdt hierbij zo nodig toezicht.
In de situatie waarbij er meerdere ploegen/
medewerkers op verschillende locaties binnen
hetzelfde werkplan en in hetzelfde onderdeel van
de infrastructuur actief zijn (geweest), en soms ook
meerdere VPs, AVPs of PLs zijn betrokken, is de WV
altijd de leidinggevende op de werkplek. Er dient in
deze situatie per medewerker/ploegleider aan de WV
te worden teruggemeld dat de werkzaamheden zijn
beindigd.

BEDIENINGWERKZAAMHEDEN ACHTERAF
De bedieningwerkzaamheden starten aansluitend
aan het gereedkomen van de uitvoering van de
werkzaamheden.
De PL of AVP voert deze uit. De WV houdt
hierbij zonodig toezicht. Na uitvoering van de
bedieningswerkzaamheden meldt de PL of AVP deze
gereed bij het meldpunt.
Indien er ook vanuit het meldpunt kan worden
bediend, komt de opdracht hiervoor van de OIV.
Deze stelt de WV op de hoogte van de gang van
zaken. In bepaalde gevallen kan ook de WV het
meldpunt opdracht geven tot het uitvoeren van de
bedieningswerkzaamheden. Na afloop hiervan worden
deze bedieningswerkzaamheden gereed gemeld bij de
OIV respectievelijk WV.

105

Q458_Broch_Stedin.indd 105

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

106

Q458_Broch_Stedin.indd 106

10-11-2008 10:27:58

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

9. BESCHRIJVING PROCESSCHEMAS
9.3 RAAMOPDRACHTEN PROCESSCHEMA 3.3
Processchema 3.3 betreft raamopdrachten en
geeft inzicht in de procesgang bij het verstrekken
van raamopdrachten en het werken volgens
raamopdrachten.

VOORBEREIDING
In de voorbereiding is het verstrekken van
raamopdrachten opgenomen. Raamopdrachten voor
werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden
worden door de IV bepaald; dat wil zeggen dat de IV
de activiteiten bepaalt die geschikt zijn om te worden
opgedragen via een raamopdracht. De WV is degene
die de raamopdrachten verstrekt, aan PL, AVP, VP en
VOP. De OIV wordt door de WV genformeerd over de
door die WV verstrekte raamopdrachten.
Het verstrekken van raamopdrachten wordt vastgelegd
op een per bedrijf te bepalen wijze.

VERLOOP VAN DE WERKZAAMHEDEN


Bij werkzaamheden die via een raamopdracht zijn
opgedragen kan de uitvoerende alle vervolgstappen
doorlopen zonder extra tussenkomsten van de
opdrachtgever. Wel is het, in voorkomende gevallen,
noodzakelijk het meldpunt te informeren, bijvoorbeeld
bij bedieningswerkzaamheden in netten.

OPLEVERING
Aan het eind van het proces dient oplevering aan de
WV respectievelijk de OIV plaats te vinden.
Dit kan ook periodiek gebeuren; dit is per bedrijf te
bepalen.

107

Q458_Broch_Stedin.indd 107

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

108

Q458_Broch_Stedin.indd 108

10-11-2008 10:27:58

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

10. SLOTBEPALINGEN
Deze veiligheidsinstructie draagt de titel
Veiligheidsinstructie Aardgas 2006 of VIAG 2006.
Over de inhoud van de VIAG 2006 is tussen de
deelnemende Bedrijven in Energiened-verband
in het najaar van 2006 overeenstemming bereikt.
Vanaf dat moment is de inhoud van de VIAG 2006 de
verantwoordelijkheid van het College van Deskundigen
(of haar opvolger), bestaande uit afgevaardigden van
deelnemende Bedrijven. Dit college zal, waar nodig,
de VIAG 2006 uitbreiden of wijzigen, en vervolgens
hierover communiceren met belanghebbenden.
Mocht over de uitleg van deze veiligheidsinstructie
twijfel bestaan, dan dient men zich voor nadere
informatie te wenden tot de eigen WV of (O)IV, of
zonodig tot de eigen afgevaardigde in het college.
De directie van een bedrijf kan, binnen het kader
van de wettelijke voorschriften, afwijkingen van deze
veiligheidsinstructie vaststellen. Deze afwijkingen
moeten schriftelijk aan belanghebbende(n) worden
bekendgemaakt.

109

Q458_Broch_Stedin.indd 109

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

BIJLAGE 1 LITERATUURLIJST
(van normen e.d. die van toepassing zijn)
CROW publicatie 96a

Richtlijnen maatregelen bij werken in uitvoering op autosnelwegen

CROW publicatie 94

Handleiding Veilig werken aan wegen 2003

110

Q458_Broch_Stedin.indd 110

10-11-2008 10:27:58

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 1 LITERATUURLIJST
(van normen e.d. die van toepassing zijn)
Landelijke VIAG 2001
Arbeidsomstandighedenwet 1998
Arbeidsinspectie
veilig werken met asbestcement buizeninspectie april 1998
CROW 96b

maatregelen bij werken in uitvoering op niet autosnelwegen en wegen binnen de


bebouwdekom

NEN 327
NEN 1010
NEN -EN 1057

manometers, keuringen en ijking


Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties
koper en koperlegeringen -Naadloze koperen buizen voor gas- en waterleidingen
in sanitaire en verwarmingstoepassingen:
Gasvoorzieningsystemen: Gasdruk regelstations voor transport en distributie.
Nederlandse editie op basis NEN -EN 12186 en 12279
Voorziening voor gas met een werkdruk t/m
500 mbar Prestatie-eisen Nieuwbouw
Gelaste stalen precisiebuizen voor centrale verwarming- en gasinstallaties
Plaats van leidingen en kabels in wegen buiten de bebouwde kom
Plaats van leidingen en kabels in wegen binnen de bebouwde kom
Voorschriften voor industrile gasinstallaties
meterkasten voor ruimten en bijbehorende voorzieningen in de woonfunctie
bedrijfsvoering van elektrische installaties, aanvullende Nederlandse
bepalingen voor laagspanningsinstallaties
Elektrische materialen voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen:
deel 14 -elektrische installaties in gevaarlijke gebieden
Eisen van buisleidingsystemen, deel 1:
algemeen katern 1 t/m 6
Eisen voor buisleidingsystemen, deel 2:
staal katern 1 t/m 6
Eisen voor buisleidingsystemen, deel :
kunststoffen
Eisen voor buisleidingsystemen, deel :
gietijzer
Aanvullende eisen voor leidingen in kruisingen met belangrijke
waterstaatweken
methode voor vaststelling van acceptatie criteria voor defecten in rondlassen
van pijpleidingen
Uitwendige bekleding met PE van ondergrondse te leggen stalen buizen en
hulpstukken
Pijpwikkelbanden type b, Vetbanden
losse isolatiestukken in gasleidingen
Afdichtingen van elastomeer- materiaaleisen voor afdichtingen van
verbindingen in buizen en hulpstukken voor gas en vloeibare koolwaterstoffen
kathodische bescherming uitwendige organische bekleding voor de
bescherming tegen corrosie van de in de bodem of in het water gelegde
stalen leidingen die samen met kathodische bescherming worden gebruikt,
wikkelbanden en krimpbare materialen

NEN 1059
NEN 1078
NEN 1982
NEN 1738
NEN 1739
NEN 2078
NEN 2768
NEN 3140
NEN -EN 60079
NEN 3650-1
NEN 3650-2
NEN 3650-3
NEN 3650-4
NEN 3651
NEN 3653
NEN 6902
NEN 6908
NEN 7205
NEN -EN 682
NEN -EN 12068

111

Q458_Broch_Stedin.indd 111

10-11-2008 10:27:58

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

112

Q458_Broch_Stedin.indd 112

10-11-2008 10:27:59

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 1 LITERATUURLIJST
(van normen e.d. die van toepassing zijn)
NEN 7244 -1

NEN 7244 -2

NEN 7244 -3

NEN 7244 -4

NEN 7244 -5

NEN 7244 -6
NEN 7244 -7

NEN 7244 -8

NEN 7244 -9

NPR 2760
NPR 3378
NPR 6911
NEN 8078
NEN -EN 12007-4

NEN 50014
t/m 50020
NPR 7910
NPR 3659
ATEX
ATEX 95

Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1. Gasvoorzieningsystemen.


Leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16 bar deel 1:
Algemene functionele eisen
Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2. Gasvoorzieningsystemen. Leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16 bar; deel 2: specifieke functionele eisen voor polyetheen (mOP t/m 10 bar)
Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007- . Gasvoorzieningsystemen.
Leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16 bar deel : Specifieke functionele eisen voor staal
Gasvoorzieningsystemen. leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16
bar deel: Specifieke functionele eisen voor modulair gietijzeren leidingen met
een maximale bedrijfsdruk van 8 bar
Gasvoorzieningsystemen. leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16
bar deel : Specifieke functionele eisen van slagvast PVc-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar
Gasvoorzieningsystemen. leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16
bar deel 6: Specifieke functionele eisen voor aansluitleidingen
Gasvoorzieningsystemen. leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met 16
bar deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte en dichtheidsbeproeving en
voor het in bedrijfstellen van gasdistributieleidingen
Gasvoorzieningsystemen. leidingen voor (in wording) maximale bedrijfsdruk
tot en met 16 bar deel 8: Specifieke functionele eisen voor beheer van leiding
materialen hard pvc, grijsgietijzer en asbestcement
Gasvoorzieningsystemen. Leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot (in wording)
met 16 bar deel 9: Specifieke functionele eisen voor controle en behandeling van
gaslekkage in gasdistributie leidingen.
De wederzijdse benvloeding van buisleiding systemen en hoogspanningsverbindingen
Nederlandse praktijk richtlijn (leidraad bij NEN 1078)
Aanleg van ondergrondse leidingen bestaande uit aan de buitenzijde met PE
beklede stalen buizen en hulpstukken
Voorziening voor gas met een werkdruk t/m 500 mbar Prestatie-eisen bestaande bouw
Gasvoorzieningsystemen. Leidingen voor maximale bedrijfsdruk tot en met een
bedrijfsdruk van 16 bar, deel Specifieke functionele aanbevelingen voor renovatie
Elektrische materialen voor plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen.

Gevarenzone indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar


Ondergrondse pijpleidingen Grondslagen voor de sterkte berekening
ATmospheres Explosives
Eisen voor apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen

113

Q458_Broch_Stedin.indd 113

10-11-2008 10:27:59

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

114

Q458_Broch_Stedin.indd 114

10-11-2008 10:27:59

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 2 AFKORTINGENLIJST
(van in de VIG 2006 gebruikte afkortingen)
AVP
AW
BAC
BBH
BGW
BH
BP
EVHI
GOS
HD
IV
kb
klic
LD
LEL
M
NGW
OIV
PBM
PL
RI&E
RO
SGW
UGW
VIAG
VM
VOP
VOPT
VP
WP
WV

Allround vakbekwaam persoon


Andere werkzaamheden
Brancheafspraken over certificering
Beperkte bedieningshandelingen
Beperkte gastechnische werkzaamheden
Bedieningshandelingen
Bedieningsplan
Elektronisch volume herleidinginstrument
Gasontvangstation
Hoge druk
Installatieverantwoordelijke
Kathodische bescherming
Kabels en leidingen informatie centrum
Lage druk
Lower Explosion Level
Meldpunt
Niet-gastechnische werkzaamheden
Operationeel installatieverantwoordelijke
Persoonlijke beschermingsmiddelen
PloegLeider
Risico-inventarisatie en -evaluatie
Raamopdracht
Standaard gastechnische werkzaamheden
Uitgebreide gastechnische werkzaamheden
Veiligheidsinstructie aardgas
Veiligheidsmaatregelen
Voldoend onderricht persoon
Voldoend onderricht persoon toeganghebbend
Vakbekwaam persoon
Werkplan
Werkverantwoordelijke

115

Q458_Broch_Stedin.indd 115

10-11-2008 10:27:59

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

116

Q458_Broch_Stedin.indd 116

10-11-2008 10:27:59

Q458_Broch_Stedin.indd 117

Uitvoering
conform WP

Eventueel
overleg
over WP

VOORBEREIDING

PL
AVP

WV

WV

OIV

Goedgekeurd
WP

Eventueel
overleg over
bedieningswerkzaamheden

TREFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

PL
AVP

WV

Bedieningsadvies
vr aanvang
bedieningswerkzaamheden

WV

BEDIENINGSWERKZAAMHEDEN

PL
AVP

OIV

PL
AVP

Zo nodig
toezicht
door WV

WV

Melding
werkzaamheden
gereed

WV

UITVOEREN
WERKZAAMHEDEN

Melding
gereed

Opdacht
bediening

WV
PL

OIV

WV

OIV

Melding
gereed

Opdacht
bediening

Operationeel Installatie
Verantwoordelijke
Werkverantwoordelijke
Ploegleider

BEDIENINGSWERKZAAMHEDEN

PL
AVP

Opdracht uitvoeren
bedieningswerkzaamheden. Zonodig
toezicht door WV

WV

Melding bedieningswerkzaamheden
vr aanvang

Indien er ook vanuit M bediend kan worden,


komt de opdracht hiervoor van de OIV,
of als het werkplan het toelaat van de WV.

Opdracht uitvoeren
bedieningswerkzaamheden en uitvoering.
Toezicht door WV

Inwinnen info
en melding
bedieningswerkzaamheden

Melding treffen
VM gereed

Werkplan is inclusief
veiligheids- en
bedieningsplan

Kopie werkplan
ter informatie

BRANCHE PROCESSCHEMA
GASVOORZIENINGSYSTEEM TRANSPORTNET

Concept
WP

3.1

Opdracht
opheffen VM

OPHEFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

PL
AVP

Gereedmelden
bedieningswerkzaamheden

WV

Gereedmelding
bedieningswerkzaamheden

(A)VP (Allround) Vakbekwaam


Persoon
WP Werkplan
VM
Veiligheidsmaatregelen

OIV

Melding werkzaamheden gereed

WV

Melding werkzaamheden gereed

betekent OIV of
bedieningscentrum/meldpunt
ten behoeve van OIV

OPLEVERING

VIAG Branche Supplement (BS)


29 maart 2007

BIJLAGE 3 PROCESSCHEMAS (transport,


distributie en overig, bij raamopdrachten)

117

10-11-2008 10:27:59

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

118

Q458_Broch_Stedin.indd 118

10-11-2008 10:28:01

Q458_Broch_Stedin.indd 119

Opdracht treffen
VM, bediening en
uitvoering

Eventueel
overleg
over WP

VOORBEREIDING

PL
(A)VP

WV

WV

WV

Opdacht
bediening

OIV

Melding
gereed

WV*

BEDIENINGSWERKZAAMHEDEN

PL
(A)VP

WV

UITVOEREN
WERKZAAMHEDEN

PL
(A)VP

Eventueel
toezicht werkzaamheden

*Communicatie met M gebeurt


door PL/(A)VP, f door WV
indien WV toezicht houdt bij de
bedieningswerkzaamheden.

Bedieningsadvies
vr aanvang
bedieningswerkzaamheden

Eventueel
toezicht
bediening

Inwinnen info
en melding
bedieningswerkzaamheden

TREFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

PL
(A)VP

Werkplan is inclusief
veiligheids- en
bedieningsplan

Goedgekeurd
WP

Concept
WP

OIV

Kopie werkplan
ter informatie

WV
PL

OIV

WV

Opdacht
bediening

OIV

BEDIENINGSWERKZAAMHEDEN

PL
(A)VP

Eventueel
toezicht
bediening

WV*

WV*

Gereedmelding
bedieningswerkzaamheden

(A)VP (Allround) Vakbekwaam


Persoon
WP Werkplan
VM
Veiligheidsmaatregelen

OPHEFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

PL
(A)VP

*Communicatie met M gebeurt


door PL/(A)VP, f door WV
indien WV toezicht houdt bij de
bedieningswerkzaamheden.

Melding
gereed

Melding bedieningswerkzaamheden
vr aanvang

Operationeel Installatie
Verantwoordelijke
Werkverantwoordelijke
Ploegleider

Indien er ook vanuit M bediend kan worden,


komt de opdracht hiervoor van de OIV,
of als het werkplan het toelaat van de WV.

BRANCHE PROCESSCHEMA GASDRUKREGEL- EN MEETSTATIONS,


GASDISTRIBUTIENET EN METEROPSTELLING(EN).

Eventueel
overleg over
bedieningswerkzaamheden

3.2

OIV

Melding werkzaamheden gereed

WV

Melding werkzaamheden gereed

betekent OIV of
bedieningscentrum/meldpunt
ten behoeve van OIV

OPLEVERING

VIAG Branche Supplement (BS)


29 maart 2007

BIJLAGE 3 PROCESSCHEMAS (vervolg)

119

10-11-2008 10:28:01

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

120

Q458_Broch_Stedin.indd 120

10-11-2008 10:28:02

Q458_Broch_Stedin.indd 121

IV

VOORBEREIDING

PL
(A)VP
VOP

TREFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

BEDIENINGSWERKZAAMHEDEN

PL
(A)VP
VOP

PL
(A)VP
VOP

UITVOEREN
WERKZAAMHEDEN

BEDIENINGSWERKZAAMHEDEN

PL
(A)VP
VOP

PL
(A)VP
VOP

Melding werkzaamheden gereed

OIV

Indien nodig

VOP Voldoend Onderricht Persoon


M
betekent OIV of
bedieningscentrum/meldpunt
ten behoeve van OIV

OPHEFFEN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

OPLEVERING

Melding werkzaamheden gereed

PL
(A)VP
VOP

(A)VP (Allround) Vakbekwaam


Persoon
WP Werkplan
VM
Veiligheidsmaatregelen

Verstrekken
raamopdracht

Gereedmelding
bedieningswerkzaamheden,
indien nodig

Operationeel Installatie
Verantwoordelijke
Werkverantwoordelijke
Ploegleider

WV

Gereedmelding
bedieningswerkzaamheden,
indien nodig

WV
PL

OIV

WV

Info gegeven
raamopdrachten

OIV

BRANCHE PROCESSCHEMA
RAAMOPDRACHTEN

Goedkeuring
activiteiten
geschikt voor
raamopdracht

3.3

VIAG Branche Supplement (BS)


29 maart 2007

BIJLAGE 3 PROCESSCHEMAS (vervolg)

121

10-11-2008 10:28:02

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

122

Q458_Broch_Stedin.indd 122

10-11-2008 10:28:02

Q458_Broch_Stedin.indd 123

ii

"676]
"6]76

6*

6*

6"*

6"*/

/i}>}
iLLi`i

i
i

i

`
i]
iVV

"i>ii
i`}
}ii`iiv
Liii`i
iVV

}iii
`i`}i
>}>
i}
ii

/i}

>iVViii}
i`iVViLi`v
Vi

6i}i`iVVi
Li`vVi

6 "
6 "

>
`i

7 {
7
7
7

i>ii>>ii>`ii
ii>`ii
>`>Li>>i
>Li>>i
`i``iVi
`i>ii 7i}>}iLLi`

1i}
7

1i}
> ]
7i
7

1i}
> ]
-7] 7
i 7

1i}
> ] ]
17]-7]
7i
7

iii
L"6i
`>V
}i} ]
]17]
-7] 7
i 7

ii`]
Liii]
`>V
}i}

Vii

i6*vii6*i``i76`i>>}iii>*L`i`iV>>Vii

"6
76
6*
6*
6"*
6"*/

q i>i}i`>VviViwV>>>`i6

q i>i}i`>VviViwV>>>`i6
q v>i>`ii>>i`i>>i`iVi

i>i}i`>VviViwV>>>`i6
}ViLi`iLi`vi}>}>i}ii
i`iV>Viii}iV>i
6>>`}i`ii`iLi`}`i}iii`V>i]>i>iiiiii

i>i}i`>VviViwV>>>`i6
ViLi`iLi`vi}>}>i}ii
i>i>>`}i``iii`ii>>i`i
6>>`}i`ii`iLi`}`i}iii`V>i]>i>iiiiii

i>i}i`>VviViwV>>>`i6
,ViLi`iLi`vi}>}>i}ii
i>>iiiii>>i`i
i}>>iLi`}`i}iii`V>i]>i>iiiiii
iiii`}}ii`i>ii

i>i}i`>VviViwV>>>`i6
,ViLi`iLi`vi}>}>i}ii
}iiii>ii`ii>>i`i
}iiii>Li`}`i}iii`V>i]>i>iiiiii
iiii`}}ii`i>ii]Lii`}>>`}>>}iii>

iV`iV>v``i>`i6i>`ii}iv>}iv>`>iivLiiiivi}ii>iv>`}i`iiV
iV`>i`}6i>`ii}i>i>i
iiLi}ii`}>>`iiii`iiiv>`}`i`iViV
iV`L>Liii`}6i>`ii}i>i>i->ii}ViViii>`ii`i>`ii"`i`iVv`iViV
iV`>iii`}6i>`ii}i>i>i<i`i`iV>`i`iViV

>Vii>->iVi>iVii>>v6*

ii

}ii>}
ii`i
i>>
i`i

6`i`i
i>}
ii`i
i>>
i`i

i`Li
i}>]v>
}i}i>>`}ii
`}i]viVwii
}>iVVii`}

q
q
q
q

q
q
q
q

,ii>}
>i
ii`ii
>>i`i

Lii}>
v}i>>`}i]
>}ii`}i
i`}`i
/

6 "
6 "

6 "
6 "

q
q
q
q
q

,ii>}
ii`i
>

q
q
q
q
q

>i`iii

 "
/`Li
iVVi >>}ii>iV
i`}
`Li

>}

6`i`i
}>iVVi
ii`}
}ii`i
i>}

>i`ii`}
ivVi

 "
/`Li
iVVi >>}ii>iV
i`}
`Li

*>i
i`}

Li`i}>`i}i
LiiiLi`i}>`i}i
}iLi`i}>iVVii>>i`i
>`>>`}>iVVii>>i`i
Liii}>iVVii>>i`i
i}>iVVii>>i`i

6



17
-7
7
7

>}

VIAG Branche Supplement (BS)


29 maart 2007

BIJLAGE 4 TABEL AANWIJZINGEN (in relatie met opleidingen, functie en toegestane activiteiten)

123

10-11-2008 10:28:02

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

124

Q458_Broch_Stedin.indd 124

10-11-2008 10:28:03

Q458_Broch_Stedin.indd 125

6*

>}] >>i`}iiii}

"i}i}>iVi>>i`i

Vi

iiiLi`i}>`i}i 

6*i6"*

6*i6"*

>i}iL

"i}i>`>>`}>i>>i`i-7

6*i6"*

6*i6"*
6*i6"*

76Li>>

76Li>>

76Li>>

76Li>>

76Li>>

76Li>>

}ii

6i>>i`i>>iiii}i>>ii>in`i6

iii}>iVi>>i`i 7

6*i6"*

iii

6*i6"*

6*i6"*

"`i`i>}}>i}i`}

6*i6"*

6*i6"*

6*

,i>>i}>i

6*

6*i6"*
6*

6*

"Vi]>vL>i

<iiivi`ii}>L>i

6*

i`i}>`i}i 

}>

`i`

6*

6"*

6*

6*

6*i6"*

6*

6"*

6*

}>

6"*

6*

6*

6*i6"*

6*

6"*

6*

>>Li`}`i
>>}ii>i

6*

6*

6*

>>Li`}`i
>>}ii>i

>i>iV

76Li>>

6*i6"*

6*

6*

iii}

6*i6"*

76Li>>

76Li>>

76`i`

76`i`

"6Li>>

}>

>i`}

6*

6*i6"*

iii

6*i6"*

6*i6"*

6*

}iViii

6*

`i`

,i>>i}>i

6*

6*

6*i6"*

6*

}>

6"*

6*

6*iv6"*

6*

6*iv6"*

6*

6"*

6*

`i`

6*i6"*

6*i6"*

6*i6"*

6*i6"*

6*i6"*

}iViii

6*

`i`

>>Li`}`i
>>}ii>i

>>Li`}`i
>>}ii>i

>i>iV

Li] ]L>]`Lii`}

/> ]L>]>v>>i`}

vv>ii]Vi]}>i]>vL>i

<iiivi`ii}>L>i

-ii]>i>ii`}i

iiiLi`i}>`i}i 

i`i}>`i}i 

Vi

}ii

76Li>>

}ii

76Li>>

76Li>>

76Li>>

}ii

}ii

}ii

}ii

>i>iV

76Li>>

76Li>>

76Li>>

\76Li>>
\76`i`

76Li>>

76Li>>

"6Li>>

>i>iV

VIAG Branche Supplement (BS)


29 maart 2007

BIJLAGE 5A MATRIX WERKZAAMHEDEN, AANWIJZINGEN


EN TOEZICHT (onderlinge samenhang)
Vivi>>i`i>>iiii}i>>i

125

10-11-2008 10:28:03

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

126

Q458_Broch_Stedin.indd 126

10-11-2008 10:28:03

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 5B VERDELING ACTIVITEITEN


OVER DE BEGRIPPEN
6i`i}>ii>>>>Viii`iLi}i
>`i}i`iwli``i>ii

>iVVii>>i`i

Vii

>i>>}
1}iLi`i}>iVVi
i>>i`i17

q
q
q
q
q
q
q
q
q

iii>iL}i i ii

i}>i]Vi]>vv>ii]>vL>i> i ii

iiiiiii>}>L>i

i>i>ii`}ii* i`}i`i}>`
iii`Vi`Lii}> i`}ii `Lii`}i

iLiii> iii >>}i

iLiii`i}>`> ii

ii}>i>ii> i ii

iii>i>>i`i>>iiii}i>>i
i}>i}ii
q >ii>>i`i`ii`i-7] 7] 7v7Lii

6*]`}i
>ii>6*
iv6"*

->`>>`}>iVVi
i>>i`i-7

q >
i}>iVVii>>i`ii>>>>i`}ii
iii}i
q
ii>ii>}>ii >>i`}i
q
iLiii> >>}i
q
iVi]>vL>i>>>i`}i iiii}i
q
i}>>>i>ii>v``i>`iv`>>
L>>L>>i]>>
q `
i>>i}>i`}i`iiL
q
iLiii>}>i `Lii`}i
q
ii>ii>}>ii}>i i i`}i
q
iii>`ii}i}>iVVii>>i`i
}>i i i`}i

6*]`}i
>ii>6*
iv6"*

iii
}>iVVi
i>>i`i 7

q
q
q
q
q
q
q

iiiVi>>>i
`
iiiivi`i}>i`ii
iiii>iix]iiiiViv`i`i}i>>

iLiii>`iiii}x
V
i`Vi`>`i>>i>>}ix

iVi]>vL>i>iii}ix
i
i`}i`i}i]>>L}ii}>iVVi
i>>i`i`iiV
q
i>>i`i>>i ii]V>`i`>i
q V
i`>}>i`>`iLii`}>i`}i>vi
q iii>iViL}>`i}iiii>

6"*

q
q
q
q
q

6"*/

i}>iVVii>>i`i 7

`iii>>i`i

i`i}>`i}i

iiiLi`i}>`i}i

V>i
L
`}iiViii>>i`i>
iii>>i

i>yii>ii
L
ii`i

q
iLiv>>`iLi`i>i>ii>
L`}iViii>>i`i
q iii>Li>}Li`i>
q }>iViv`i>>>Vi`ii`iii
`i`i>>>V>ii]
q
ii}}ivi`ii>>>i
q
ii}}i>i`}i
q `
i>>i}>iL>i`Liii
`i`ii}iiL`iiLi>>`i
>vi`i}>`>>`i}>i}ii

ii

q
iLi`ii>>vi
q i}i>i}i>ii]i}iiLii}}>>>
q iiiiiii>}>L>i]iVivi>>Li

6*

q
iLi`ii>>vi>>i`}i
q
iLi`ii>v`>iiii}i

6*v6"*

6`iii}ii`ii>>i`i>>
iiii}i>>ii>in

Q458_Broch_Stedin.indd 127

127

10-11-2008 10:28:03

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

128

Q458_Broch_Stedin.indd 128

10-11-2008 10:28:04

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 6 VOORBEELD WERKPLAN


Plaats voor bedrijfslogo

Werkplan VIAG 2006


Nummer:
Opgemaakt door:
Datum opmaak WP:
Datum uitvoering:
Locatie werkzaamheden:
Omschrijving opdracht:

WV:
Uitvoerend bedrijf:
Periode werkzaamheden:

OIV:
Uitvoerend PL/VP:
Plaats:

Projectmap:

Algemene gegevens

V&G-plannummer:
V&G-cordinator:

Nummer(s) (werk)tekening en schema's:

Uitvoeringsplan

Bedieningsplan, uit bedrijf nemen

Veiligheidsplan

Leidingdiameter:
Vooroverleg met:
Afspraken met derden:

mm

Leidingmateriaal:
Contactpersoon:

Druk:
Gelijktijdig andere wzh. ? :
Door:

ja / nee

VIAG-werkinstructies:
Alg. werkinstructies:
Overig:

Tijdstip bedieningsadvies/melding:
Hoge druk
opmerkingen
nr.
afsl.nr.
dicht
open
diam. check
1
2
3
4
5
6
7
Gewenste bedrijfssituatie t.b.v. uitvoering werkzaamheden:
Ploegleider:
Monteurs:
Omschrijving van de werkzaamheden:

Lage druk
bedieningshandelingen

check

Start werkzaamheden:

Ondertekening

Bedieningsplan, in bedrijf nemen

Tijdstip bedieningsadvies/melding:
Hoge druk
nr.
afsl.nr.
dicht
open
diam. check
opmerkingen
1
2
3
4
5
6
7
Gewenste bedrijfssituatie n uitvoering werkzaamheden:
Tijdstip gereedmelding:
ja/nee Tijdstip gereedmelding aan WV:
Opheffen veiligheidsmaatregelen:
Naam WV:
Datum/paraaf:
Naam OIV of OIV/WV:
Datum/paraaf:
Overdracht tijdens werkzaamh. (namen/parafen WV's/OIV's):

Lage druk
bedieningshandelingen

check

Kopie aan:

129

Q458_Broch_Stedin.indd 129

10-11-2008 10:28:04

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

130

Q458_Broch_Stedin.indd 130

10-11-2008 10:28:04

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 7 GASBRANDEN
(voorbeeld werkinstructie)
De uit te voeren handelingen en acties bij gasbranden
zijn afhankelijk van de situatie. Als iemand rechtstreeks
door het vuur wordt bedreigd, of als het vuur een
ander object bedreigd, dient er altijd direct geblust te
worden (NB: een gasbrand kan niet met zand worden
geblust!). Indien het vuur niets bedreigt (uitstromend
onverbrand gas kan namelijk elders ontstoken worden
en dan meer schade aanrichten), of als de objecten
in de omgeving reeds branden (en dus herontsteking
waarschijnlijk is), is blussen niet direct aan de orde.
Indien mogelijk en zinvol (geen verdere schadelijker
gevolgen), dient de gastoevoer te worden afgesloten.
Indien de brand niet zelf geblust c.q. gedoofd kan worden, dient de brandweer te worden gewaarschuwd.

onverwacht, het is dan ook belangrijk dat bij een groot


aantal werkzaamheden voorgeschreven brandblusser
ook daadwerkelijk aanwezig is.

Indien de brand wel zelf geblust c.q. gedoofd kan


worden, zijn de onderstaande punten (stappen) van
(levens)belang:
pak het blustoestel (poederblusser, verwijder de
borgpen en test of de brandblusser werkt;
gebruik de worplengte van de brandblusser;
blus altijd met de wind mee, blus van onder naar
boven en blijf laag bij de grond;
controleer of de brand echt uit is en let op herontsteking;
laat het blustoestel na gebruik direct vullen of vervangen.
Bij het blussen van een in brand geraakt persoon zijn
de onderstaande punten (stappen) van (levens)belang:
gebruik indien mogelijk een blusdeken;
leg de persoon zo snel mogelijk plat op de grond;
sleep de deken van het hoofd naar de voeten en veeg
de zuurstof onder de deken uit;
bel het alarmnummer 112;
laat de deken om het slachtoffer gewikkeld (in verband met infectiegevaar) en koel (indien mogelijk) 10
minuten door de blusdeken heen;
blijf het slachtoffer koelen totdat de hulpdiensten zijn
gearriveerd.
Voor het ontstaan van (gas)branden zijn drie voorwaarden essentieel:
een brandbare stof (gas);
zuurstof (aanwezig in de lucht);
ontbrandingstemperatuur (ontstekingsbron).
Als n van deze drie niet aanwezig is, ontstaat er geen
brand. In de werkomgeving is lucht (en dus zuurstof)
altijd aanwezig. Om brand te voorkomen moet dus
gezorgd worden dat er geen ontstekingsbron is als er
gas kan ontsnappen, of dat er geen gas kan ontsnappen als er een ontstekingsbron is. Brand ontstaat altijd

131

Q458_Broch_Stedin.indd 131

10-11-2008 10:28:04

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

132

Q458_Broch_Stedin.indd 132

10-11-2008 10:28:04

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 8 VEILIG WERKEN


MET AARDGASCONDENSAAT
(voorbeeld werkinstructie)
ALGEMEEN
Aardgascondensaat bestaat uit een mengsel van
hogere koolwaterstoffen, waaronder circa 93% lichte
en zware olin en circa 7% benzeen, tolueen en xyleen.
Het is een vluchtige vloeistof met een doordringende
geur. Vloeistof in aardgas zorgt ervoor dat er een binding met benzeen plaats vindt. Dit betekent dus in alle
gevallen wanneer er vloeistof (welke dan ook) in het
gas wordt aangetroffen er vanuit gegaan moet worden
dat er benzeen aanwezig kan zijn. Ondanks voorzorgen bij de landelijke gasnetbeheerder worden kleine
hoeveelheden soms aangetroffen in de gasvoorzieningsystemen. Voornamelijk in de gasdruk regelinstallaties,
maar soms ook in lage leidingdelen zoals zinkers en
sifons. De meeste gebieden waar aardgascondensaat
kan worden aangetroffen zijn bekend. Indien niet met
zekerheid kan worden vastgesteld of er condensaat
aangetroffen wordt, moet men handelen alsof er condensaat aanwezig is.

GEVAREN
Het in aardgascondensaat aanwezige benzeen is bepalend voor de brand- en gezondheidsrisicos. Benzeen
is kankerverwekkend, zeer brandgevaarlijk, heeft sterk
ontvettende eigenschappen en wordt gemakkelijk via
de huid in het lichaam opgenomen. Ook inademen van
de vluchtige bestanddelen van het aardgascondensaat
kan gevaar voor de gezondheid opleveren.

PREVENTIE
Indien werkzaamheden worden uitgevoerd waarbij
aardgascondensaat vrij kan komen, moeten de volgende preventieve maatregelen worden genomen:
niet roken;
geen open vuur toepassen;
ontstekingsbronnen uitschakelen;
met explosie veilige apparatuur (ook de verlichting)
werken;
vonkarm gereedschap gebruiken;
beschermende kleding (o.a. wegwerpoverall) en Polyvinylalcohol (PVA) of neopreen werkhandschoenen
gebruiken;
de ruimte goed ventileren (alle deuren open). Bij
langduriger werkzaamheden eventueel plaatselijke
afzuiging in combinatie met adembeschermingsapparatuur toepassen;
om verneveling te voorkomen het condensaat zoveel
mogelijk drukloos aftappen.;
bij kans op verneveling of spatten: gelaatsbescherming gebruiken.

133

Q458_Broch_Stedin.indd 133

10-11-2008 10:28:04

VIAG Stedin Bedrijfsspeciek Supplement (BSS)

v1.2 oktober 2008

134

Q458_Broch_Stedin.indd 134

10-11-2008 10:28:05

VIAG Branche Supplement (BS)

29 maart 2007

BIJLAGE 8 VEILIG WERKEN


MET AARDGASCONDENSAAT
(voorbeeld werkinstructie) (vervolg)
OMGAAN MET AARDGASCONDENSAAT
Indien aardgascondensaat wordt aangetroffen, ga dan
als volgt te werk:
neem de maatregelen conform punt 3 Preventie;
houdt een dot katoendoek onder de kogelkraan, om
te controleren of er vocht in het filterhuis zit. Indien
er vocht wordt aangetroffen moet er een monster
worden genomen;
houd het verdampingsoppervlak zo klein mogelijk
en de verdampingstijd zo kort mogelijk. Dus een met
condensaat verontreinigd filter snel in een plastic zak
stoppen, dicht tapen en naar buiten brengen;
vang het condensaat op in een afsluitbaar potje met
zo klein mogelijke opening. Sluit dit potje zo snel
mogelijk af;
probeer inademen zo veel mogelijk te voorkomen
(vlakbij de bron is de concentratie vluchtige stoffen
het hoogst!);
reinig appendages waarin zich condensaat heeft
bevonden met poetsdoeken en berg deze direct op in
een plastic zak om dampvorming te voorkomen;
voer de resterende schadelijke dampen door middel van ventilatie af ( 15 minuten). Vervolgens de
werkzaamheden hervatten waarbij de beschermende
handschoenen noodzakelijk blijven;
meld de aanwezigheid van condensaat altijd aan de
werkverantwoordelijke.

bij huidcontact:
Verontreinigde kleding uittrekken, huid langdurig spoelen met water of afdouchen en een arts raadplegen.

bij oogcontact:
Eventueel contactlenzen verwijderen. Eerst langdurig
spoelen met water, dan naar een arts vervoeren.

bij inslikken:
Mond laten spoelen (geen braken opwekken) en onmiddellijk naar een ziekenhuis vervoeren.

AFVAL
Na beindiging van de werkzaamheden dienen het
afval en de handschoenen (goed verpakt) als chemisch
afval ingeleverd te worden bij het magazijn. Het gebruikte gereedschap en dergelijke dient met water en
zeep te worden gereinigd.

REPRESSIE
Mocht er ondanks goede zorgen toch iets fout gaan, ga
dan als volgt te werk:

bij brand:
Indien kans op schade aan lijf en/of goederen bestaat,
blus dan met een poederblusser.

bij inademing:
Bij de volgende mogelijke verschijnselen: keelpijn,
buikpijn, hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en/of
sufheid: frisse lucht, rust, zo nodig beademen, altijd
een arts waarschuwen of naar het ziekenhuis vervoeren.

135

Q458_Broch_Stedin.indd 135

10-11-2008 10:28:05

Colofon
VIAG 2008
versie 1.2 oktober 2008
copyright 2008
EnergieNed
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie,
microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming
van de uitgever.
Tekst EnergieNed
Ontwerp en opmaak binnenwerk UnitedGraphics Zoetermeer B.V.
Druk UnitedGraphics Zoetermeer B.V.

www.stedin.net

Q458_Broch_Stedin.indd 136

10-11-2008 10:28:05

Похожие интересы