You are on page 1of 21

Hoofdstuk V.

Foucault over macht en verzet

HOOFDSTUK V FOUCAULT OVER MACHT EN VERZET Inleiding Foucault heeft veel geschreven en nagedacht over heel uiteenlopende zaken: filosofische studies (over Kant en Nietzsche), historisch onderzoek (over de gevangenis, de psychiatrie, de kliniek), over literatuur (Baudelaire, Blanchot, Roussel) en schilderkunst (Manet, Magritte). Als gengageerde intellectueel onderschreef hij meermaals pamfletten en petities. Toch plaatst hij zijn werk onder een gemeenschappelijke noemer: een ontologie van het heden. De moderne filosofie stelt zich de vraag hoe wij ons Hier en Nu kunnen begrijpen. Ze wil de actualiteit in kaart brengen (cfr. Kant, Was ist Aufklrung?). Wie zijn wij, moderne westerlingen? Hoe zijn wij geworden wie wij zijn? Welk herkomst dragen wij met ons mee? Hoe is onze westerse identiteit gevormd? Of beter: Welke factoren constitueren onze subjectiviteit? Foucault spreekt van assujettissement, d.w.z. onderwerping en subjectvorming. Hij onderscheidt drie assen in de subjectconstitutie. Het zijn drie interessesferen en drie periodes in Foucaults werk. 1. In de jaren 1960 verzet Foucault zich tegen het idee van een oorspronkelijk en funderend subject. Onze subjectiviteit is geconstitueerd door het discours, door een netwerk van vertoogpraktijken. Les mots et les choses laat zien dat elke kennis resulteert uit een onderliggend kennisveld, de pistm. De archeologie graaft naar het a priori van een bepaalde periode. Die pistm zet de werkelijkheid uiteen vooraleer de subjecten hun eigen uiteenzetting kunnen geven. Ze bepaalt de manier waarop zij de werkelijkheid waarnemen, ervaren en verwoorden. Tussen de verschillende epistms doen zich breuken voor: (1) tussen de renaissance en de klassieke periode (midden 17 e eeuw), (2) op de drempel van de moderne tijd en het verschijnen van de menswetenschappen (begin 19e eeuw), en (3) de dood van de mens (midden 20e eeuw). De mens is niet langer het oudste, en ook niet het meest constante probleem dat zich aan het menselijk weten heeft gesteld. De archeologie van ons denken laat zien dat de mens een recente uitvinding is. Misschien is ook het naderende einde van de mens in zicht. Als die pistm verdwijnt, zoals ze ooit verschenen is, als ze

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

door een of andere gebeurtenis -waarvan wij hoogstens de mogelijkheid kunnen voorvoelen- gaat wankelen, dan kunnen we wedden dat de mens zou uitgewist worden, zoals een gelaat van zand aan de grens van de zee. Zijn flirt met het structuralisme laat Foucault toe te breken met het dominante theoretisch humanisme van de generatie Sartre (cfr. de structuralistische Lacan: a parle). Wij hebben de generatie van Sartre zeker ervaren als een moedige generatie, die gepassioneerd was voor het leven, de politiek, de existentie. Maar wij hebben iets anders ontdekt: de passie voor het systeem. Wat is dit anonieme systeem zonder subject? Wat denkt er? Het ik is gexplodeerd (kijk naar de moderne literatuur). Het is de ontdekking van het er is ( il y a). Er is een men. Wij zijn in zekere zin terug bij het gezichtspunt van de 17e eeuw, met dit verschil dat wij niet de Mens op de plaats van God stellen, maar een anoniem denken, het weten zonder subject, het theoretische zonder identiteit. Foucault noemt zichzelf echter geen structuralist. Het structuralisme zoekt naar eeuwige structuren (Lacan: het onbewuste; Althusser: de en klassenstrijd), Foucault echter naar veranderingen, verschuivingen het symptoom van een nieuwe, posthumanistische pistm. Het was noodzakelijk het subject ter discussie te stellen, ons los te maken van de fundamentele vooropstelling die de Franse filosofie sinds Descartes nooit opgegeven had, en die de fenomenologie nog versterkt had. [] Het structuralisme heeft hoogstens als steunpunt en bevestiging gefungeerd van iets veel radicalers: het ter discussie stellen van de theorie van het subject. Zijn vraag gaat niet over waar en vals, maar luidt: hoe komt het dat wetende subjecten sommige zaken als waar beschouwen? Wat komt in een bepaalde periode in aanmerking om waar of vals te zijn? De waarheid is in die zin geen eigenschap van een uitspraak, maar het effect van een bepaald discours. Elke tijd en cultuur hebben hun eigen waarheidsregime, maar ook hun epistemologische monsters die daarbuiten vallen en daardoor noch waar noch vals zijn. De archeoloog leest teksten niet als documenten, waarvan hij de verborgen betekenis of de intentie van de auteur opspoort. Hij vraagt niet of ze authentiek dan wel vervalst, genformeerd dan wel onwetend, oprecht dan wel misleidend zijn, m.a.w. of ze de waarheid spreken en met welke tegenstelling tussen het sprekende, denkende en handelende Ik (parole) vs. de onderliggende, onbewuste structuur ( langue);

breuken in de onderliggende structuren. Hij ziet in het structuralisme veeleer

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

reden. Hij benadert teksten in hun positiviteit als monumenten. Hij schraapt de grond af waarop ze staan, laag na laag. De waarheid is in die optiek duidelijk het effect van een bepaald discours. Zoals het transcendentaal subject, zo wordt ook een objectieve, boventijdelijke waarheid afgeschreven. Een tekst benaderen als een monument betekent deze beschouwen als behorende tot de objectieve werkelijkheid. Er staat geschreven en wat er geschreven staat moet als feitelijkheid ernstig genomen worden. Niet de vraag naar de waarheid staat dan op de voorgrond, maar wel de vraag naar de structuur en de opbouw van dit monument en naar de functie ervan. (S. IJsseling, Denken in Parijs, p.81.) 2. In de jaren 1970 staat de machtsproblematiek op de voorgrond. Foucault bestempelt zijn onderzoek, in het spoor van Nietzsche, als een genealogie. Hij is niet genteresseerd in het wat (het wezen), maar in het hoe (de werking) van de macht. Het weten verdwijnt echter niet uit zijn belangstelling. Hij onderzoekt precies de samenhang van macht en weten: savoir-pouvoir. 3. In de jaren 1980 verschuift Foucaults aandacht naar de manier waarop de individuen zichzelf vormen tot subjecten. Hij focust op de bestaanskunsten: de vormen waarin individuen hun eigen gedrag problematiseren en de praktijken waardoor zij hun bestaan stileren. Eerder dan geconstitueerd door een anonieme pistm of een machtsdispositief, denkt de latere Foucault de subjectconstitutie als doel en de uitkomst van een actieve zelfconstitutie.

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

Artikel 1 Macht als disciplinering In 1971 richt Foucault, samen met Pierre Vidal-Naquet en Jean-Marie Domenach, de Groupe dInformation sur les Prisons (GIP) op n.a.v. de hongerstakingen in enkele Franse gevangenissen. Jean-Claude Passeron, Jean Gattegno, Robert Castel, Gilles Deleuze, Jacques Rancire, Jacques Donzelot, Claude Mauriac sluiten zich daarbij aan. Zij voeren een onderzoek naar de leefomstandigheden in de gevangenis. Een enqute wordt opgesteld door ex-gedetineerden en beantwoord door de gedetineerden van zon twintig gevangenissen in heel Frankrijk. De GIP wil zoveel mogelijk de gevangenen zelf aan het woord laten. Hij wil ook de link leggen met andere vormen van verzet. Naar het model van de GIP ontstaan de GIS ( Groupe dInformation Sant), de GIA (Groupe dInformation sur les Asiles) en de GISTI (Groupe dInformation et de Soutien des Travailleurs Immigrs ). Foucault beweert dat het gaat om een ruime maatschappelijke beweging, waarin de onderworpen vormen van weten in opstand komen. In 1974 treedt Foucault toe tot de Association de Dfense des Droits des Dtenus , een organisatie die met de Franse regering de discussie over het gevangeniswezen wil aangaan. Tegen die achtergrond komt in 1975 Surveiller et punir. Naissance de la prison tot stand: een historisch onderzoek naar het ontstaan en het functioneren van de gevangenis als methode van bestraffing en toezicht in het kader van de moderne machtsvorm, door Foucault discipline genoemd. Met zijn genealogie wil hij laten zien in welke mechanismen van machtweten onze subjectiviteit gevangen zit. Surveiller et punir bevat vier delen. 1e Supplice bespreekt de foltering in de klassieke periode. (Het boek begint met een minutieuze beschrijving van de terechtstelling van Damiens). 2e In Punition komen de theorien van de verlichte hervormers uit de 18e eeuw aan bod. Zij zoeken naar andere vormen van bestraffing, maar hun ideen worden in de praktijk niet of nauwelijks toegepast. Het hele strafsysteem draait om de gevangenis. Elke kritiek op het gevangenisregime leidt enkel tot een uitbreiding ervan. 3 e Discipline beschrijft hoe, in de loop van de 19 e eeuw, de disciplinaire maatschappij tot stand komt. 4e In het laatste deel, Prison, onderzoekt

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

5 van de gevangenis in de disciplinaire

Foucault

de

specifieke

rol

maatschappij. I. Het Panopticon In 1791 publiceert Jeremy Bentham zijn Panopticon, or the Inspection-House. Voor Foucault is het verschijnen van dat boek een politieke gebeurtenis, een ontdekking die even belangrijk is als de uitvinding van de stoommachine. Het panopticon is het ei van Colombus in de politiek. Waarom vindt hij Benthams boek, dat in de geschiedenis van de filosofie wat vergeten geraakt is, zo belangwekkend? A. De ideale gevangenis Benthams panopticon is bedoeld als een constructieprincipe voor een moderne gevangenis. Het is een ringvormig gebouw met een toren in het midden. De ring bestaat uit cellen die van elkaar afgescheiden zijn. Elke cel huisvest n gevangene. Een klein raam aan de buitenkant laat het licht binnenvallen, een groot raam aan de binnenkant geeft uit op de toren. Daar bevindt zich de bewaker die toezicht uitoefent op de gedetineerden. Het panopticon geeft vorm aan de volgende machtsprincipes: 1. De gevangene is permanent zichtbaar, de bewaker is onzichtbaar. De macht wordt uitgeoefend via een asymmetrische zichtbaarheid: zien zonder gezien te worden. De gedetineerden zijn object van informatie, geen subject van communicatie. Het principe van het vroegere cachot wordt omgekeerd. Van zijn drie functies: opsluiten, verduisteren en verbergen, wordt alleen de eerste behouden. Het volle licht en de blik van een bewaker oefenen een vollediger controle uit dan de duisternis, die uiteindelijk bescherming bood. De zichtbaarheid is een valstrik. 2. De gevangene weet niet of hij op een bepaald moment gezien wordt, maar wel dat hij op elk moment zichtbaar is. Het panopticon is een controlemachine. De macht functioneert onpersoonlijk en automatisch. De gedetineerden worden gendividualiseerd, de macht daarentegen wordt gedesindividualiseerd. De macht werkt, in principe zelfs als niemand ze daadwerkelijk uitoefent: door de inrichting van de ruimte, de inval van het licht, de plaatsing van de lichamen, de asymmetrie van de blikken. 3. Die opstelling (machtsdispositief) maakt mogelijk dat de macht functioneert zonder geweld. Geweld is immers riskant voor de macht, want

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

het kan tegengeweld uitlokken. Het spectaculaire machtsvertoon bij terechtstellingen in het Ancien Regime gaf meer dan eens aanleiding tot ware volksopstanden. Het geweld wordt zo veel mogelijk vervangen door architectuur. B. Het diagram Bentham beschouwt zijn panopticon niet alleen als een constructieprincipe voor een ideale gevangenis. Hij wil het toepassen in alle instellingen waar personen onder toezicht staan: armenhuizen, klinieken, psychiatrische instellingen, kazernes, scholen, internaten, werkplaatsen, enz. De volledige titel luidt: Panopticon, or the Inspection-House: containing the Idea of a new Principle of Construction applicable to any Sort of Establishment, in which Persons of any Description are to be kept under Inspection; and in particular to Penitentiary-Houses, Prisons, Houses of Industry, Work-Houses, Poor-Houses, Manufactories, MadHouses, Lazarettos, Hospitals, and Schools. Foucault noemt het panopticon een diagram, d.w.z. een abstract

architectonisch en optisch model dat in beginsel geldt voor het hele maatschappelijke lichaam. Het is een figuur van machtstechnologie die, met de nodige aanpassingen en verfijningen, ingezet kan worden op verschillende terreinen en aangewend voor uiteenlopende doeleinden. Die toepassing is ook gebeurd. In de 19 e eeuw komen veel gebouwen tot stand en worden veel ontwerpen gemaakt volgens een of ander panoptisch procd. Het panopticon oefent een grote aantrekkingskracht uit zowel op het niveau van de maatschappelijke realiteit als van de politieke verbeelding. De mechanismen van bestraffing en toezicht die in de gevangenis ontwikkeld en beproefd zijn, zwerven bovendien uit over de hele maatschappij. Ze worden eerst toegepast op marginale terreinen (instellingen waar de uitgeslotenen zich bevinden, bijv. in gevangenissen, psychiatrische instellingen, armenhuizen), maar gaandeweg vinden we het panopticon en zijn typische machtsmechanismen terug in meer centrale sectoren (scholen, kazernes, fabrieken). Overal waar het aangewend wordt, leidt het tot een perfectioneren van de macht, een optimaliseren van de productie, een verbeteren van de gezondheid, een accumuleren van de kennis. Die vaststelling brengt Foucault bij de idee van de disciplinaire maatschappij.

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

II. De disciplinaire maatschappij A. Discipline Aan het begin van de 17e eeuw wordt de soldaat nog gedealiseerd in termen van moed, trots, kracht en gevechtslust. Zijn lichaam draagt de tekens van een retoriek van de eer. Maar in de tweede helft van de 18 e eeuw wordt de ideale soldaat beschreven als de gedisciplineerde militair. De discipline betekent de ontdekking van het lichaam als een machine die men kan inzetten in de oorlog. In eenzelfde beweging vermeerdert ze de lichaamskrachten en creert ze hun volgzaamheid. In elke maatschappij is het lichaam een doelwit van de macht. In traditionele samenlevingen is het lichaam een plaats waar de macht haar tekens inschrijft, vaak met geweld. In de foltering tijdens het Ancien Regime bijv. manifesteert en herstelt de soeverein op een spectaculaire wijze zijn absolute macht in het lichaam van de patint. De discipline is een heel nieuwe strategie vanwege de macht ten aanzien van de lichamen. 1e De schaal waarop de macht wordt uitgeoefend. Het gaat niet om de lichamen en masse, maar om de beheersing van de afzonderlijke lichamen, een analytische controle tot in hun kleinste onderdelen: hun gebaren, bewegingen, verplaatsingen, houdingen, ritmes, enz. De discipline bestaat bij de gratie van het detail. 2e Het object van de macht. Het gaat niet langer om de betekenis van het gedrag of om de taal die het lichaam spreekt, maar om de lichaamskrachten. De discipline viseert het lichaam als een machine, waarvan ze de productiviteit, d.w.z. zijn nuttigheid en zijn volgzaamheid, wil opvoeren. 3e De manier waarop de macht wordt uitgeoefend. In het Ancien Regime greep de macht in op zeldzame, uitzonderlijke momenten en op een spectaculaire wijze. De discipline daarentegen ageert onopvallend, maar permanent en overal. Deze methodes die de minutieuze controle van de lichaamsverrichtingen mogelijk maken, die de constante onderwerping van zijn krachten verzekeren en ze een verhouding van volgzaamheid en nuttigheid opleggen, kunnen we de disciplines noemen. [...] De discipline vermeerdert de lichaamskrachten (in economische termen van nuttigheid) en vermindert diezelfde krachten (in politieke termen van gehoorzaamheid). (SP 139-140.)

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

In de kloosters, de legers en de werkplaatsen bestonden al lang heel wat disciplinaire technieken, maar deze gaan zich in de 18 e eeuw verspreiden over de hele maatschappij. Ze bewegen zich van de periferie naar het centrum, en omgekeerd. Ze ontdoen zich gaandeweg van hun religieuze of militaire oorsprong. Ze worden ingezet op nieuwe terreinen, daar aangepast en verfijnd tot soepele controlemechanismen. De discipline wordt zo de algemene maatschappijvorm. B. Disciplinaire technieken Disciplinering is in feite een naam voor een netwerk van uiteenlopende machtsmechanismen. 1. Het beheersen van de ruimte: de constructie van tableaux vivants De individuen worden samengebracht op een afgebakende plaats: het klooster, de kazerne, het internaat, de school, de kliniek, de fabriek. Foucault noemt dat procd de clausuur. Die ruimte wordt verdeeld in een aantal cellen. Op elke plaats wordt n individu geplaatst en aan elk individu een vaste plaats toegewezen. Dat principe, door Foucault parcellering genoemd, produceert machtswinst. De inrichting van de ruimte creert zichtbaarheid en kenbaarheid. Men kan in een oogopslag ieders aan- of afwezigheid vaststellen, iedereen terugvinden, ieders gedrag op elk moment controleren, nuttige communicatie bevorderen en ongewenste afremmen. De ruimte wordt ingevuld i.f.v. maximale efficintie: de fabriek in dienst van economische productiviteit, de school als leermachine, de kliniek als gezondheidsmachine. De ruimte wordt ook hirarchisch ingericht. Iemands plaats in de ruimte drukt ook zijn plaats in de rangorde uit. Men creert een ruimte die tegelijk functioneel en hirarchisch is. Deze technieken transformeren de chaotische, onproductieve en gevaarlijke massa tot een tableau van geordende en efficinte lichaamskrachten. 2. Het beheersen van de tijd De tijd wordt gefragmenteerd. Bijv. In de vroegere gilden kende men n globale leertijd. De opleiding verliep niet volgens een vast programma. De leerling verrichtte, onder de leiding van een meester, gedurende een bepaalde tijd arbeid. Die periode werd afgesloten door een meesterproef, waarna de leerling zich zelfstandig mocht vestigen. Nu wordt de leertijd echter verdeeld in segmenten, die gemonteerd worden in een serie volgens toenemende moeilijkheid. Elk onderdeel wordt afgesloten door een proef om

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

na te gaan of de leerling het voorgeschreven niveau bereikt heeft. Hij moet slagen om over te gaan. De controle wordt temporeel gefragmenteerd en daardoor indringender. Er worden uurroosters opgesteld. Men inspireert zich daarbij aan de kloosters. Zij waren traditioneel de meesters van de dagindeling. Maar de discipline wordt verfijnd. Men gaat rekenen in uren, minuten en seconden. Men deelt globale gedragingen op in een reeks handelingen. Het verloop van elke handeling wordt nauwkeurig vastgelegd. Men streeft een optimale verhouding na tussen elk afzonderlijk gebaar en het hele lichaam, en tussen het lichaam en de gehanteerde objecten. Een soort anatomisch en chronologisch gedragsschema wordt uitgetekend. De handeling wordt in haar elementen ontleed. De houding van het lichaam, van de ledematen en van de gewrichten wordt vastgelegd. Aan elke beweging worden een richting, een bereik en een duur toegekend. Hun volgorde wordt voorgeschreven. De tijd dringt het lichaam binnen, en daarmee alle minutieuze machtscontroles. (SP 153-154.) De tijd moet ook uitputtend gebruikt worden. Geen moment mag verloren gaan en uit elk moment moet zoveel mogelijk nuttige kracht gehaald worden. 3. Het hirarchisch toezicht Er ontstaat een nieuw type van toezicht. In de manufactuur werd de arbeid gecontroleerd door inspecteurs die van buiten kwamen. De controle was gericht op de kwaliteit van de eindproducten. In de moderne werkplaatsen is het toezicht permanent aanwezig tijdens het productieproces. Het wordt binnen het bedrijf ingebouwd als een aparte functie. Niet alleen de producten worden gecontroleerd, maar ook de werkzaamheid van de arbeiders. We treden binnen in het tijdperk van het permanente onderzoek en de dwingende objectivering. Het toezicht wordt hirarchisch geordend. Elke controleur wordt op zijn beurt gecontroleerd door een ander. 4. De normaliserende sanctie Een heel systeem van sanctionering wordt uitgebouwd. Er wordt permanent beoordeeld, bestraft en beloond. In de sanctie telt niet alleen de fout die iemand begaan heeft of de schade die hij berokkend heeft, maar vooral de mate waarin hij zich afwijkend heeft gedragen ten opzichte van de norm. De

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

10

straf wil vooral corrigeren. Ze neemt bij voorkeur de vorm van oefeningen aan. Liever nog dan via straffen wordt gecorrigeerd aan de hand van positieve sancties, in de vorm van allerhande materile en symbolische beloningen. 5. De tactiek De discipline moet de beschikbare krachten combineren tot onderdelen van een omvattende machine. Ze is analyse en synthese. De tactiek is het geheel van technieken om met gendividualiseerde lichamen apparaten te construeren waarvan de productiviteit groter is dan de som van de onderdelen. De tactiek vereist een nauwkeurig systeem van bevelvoering. Het bevel wordt niet uitgelegd. Het wordt vaak niet eens verwoord. De lichamen worden getraind om automatisch te reageren op signalen, bijv. handgeklap, belgeluid, sirenes. De woorden zelf fungeren dikwijls als signalen, bijv. bij militaire bevelen. Foucault vat samen: Terwijl de juristen en de filosofen in het verdrag een primitief model voor de constructie of de reconstructie van het maatschappelijk lichaam zochten, werkten de militairen en de technici van de discipline de procedures uit om de lichamen individueel en collectief te beheersen. (SP 171.) III. Het macht-weten De macht produceert krachtige en volgzame lichamen. Ze produceert ook weten. Het ontstaan en functioneren van de menswetenschappen hangen volgens Foucault intrinsiek samen met de disciplinaire macht. A. Het onderzoek Onder de middelen waarvan de discipline zich bedient, neemt het onderzoek een belangrijke plaats in. Het onderzoek combineert een hele reeks technieken van beheersing, toezicht en sanctionering. Het koppelt de machtsuitoefening aan de kennisverwerving. Foucault beschrijft drie karakteristieken van het onderzoek. 1. Het onderzoek keert de economie van de zichtbaarheid om. Traditioneel liet de macht zich zien, de onderdanen bleven in het duister. De disciplinaire macht daarentegen maakt zichzelf zo veel mogelijk onzichtbaar, maar aan haar onderdanen legt ze een continue en totale zichtbaarheid op. De

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

11

architectuur krijgt in dat verband een nieuwe functie. Ze is niet alleen erop gericht praal uit te stralen, zoals het paleis, ruimten te versterken en de omgeving te overzien, zoals de vesting. Ze creert observatoria: ruimten die interne zichtbaarheid en kenbaarheid produceren. Meer algemeen wordt de architectuur een factor in de transformatie van de individuen. Ze werkt in op degenen die ze beschutting biedt, ze krijgt greep op hun gedrag, ze draagt de machtseffecten op hen over, ze maakt hen tot object van kennis, verandert hen. De stenen kunnen mensen volgzaam en kenbaar maken. (SP 174) 2. Het onderzoek plaatst zijn onderhorigen in een veld van documentatie. De individuen worden niet alleen geobserveerd, maar ook gedentificeerd, geregistreerd, beschreven en becijferd. Er vormt zich een hele macht van het schrijven. Het dossier doet zijn intrede. Overal worden fiches aangelegd en rapporten geschreven. Er worden tabellen opgesteld, waaruit men gemiddelden, bepaalde normale waarden gaat berekenen. Elk individu wordt zich ingeschaald de in functie De van zijn is conformiteit zowel een aan kennisde als norm, een respectievelijk zijn afwijking daarvan. Onder een bepaalde drempel bevinden abnormalen. norm machtsinstrument. Wie afwijkt van de norm (tendentieel is dat iedereen) komt in aanmerking voor correctie, heropvoeding, bestraffing. Deze kennisen machtsstrategie noemt Foucault normalisatie. 3. Het onderzoek maakt van elk individu een geval: een object van kennis en een doelwit van de macht. Het geval is het individu dat men kan beschrijven, beoordelen, meten, met anderen vergelijken in zijn individualiteit zelf. Het is ook het individu dat men moet dresseren, corrigeren, klasseren, normaliseren, uitsluiten, enz. (SP 193) Vroeger was de individualisatie sterkst aanwezig bij degenen die de macht bekleedden. Bekeken en beschreven worden was het voorrecht van de macht. Maar in de disciplinaire maatschappij neemt de individualisatie toe naarmate men afdaalt in de hirarchie. Het kind is mr voorwerp van individuele observatie en beschrijving, van een particuliere biografie dan de volwassene, de zieke mr dan de gezonde, de misdadiger mr dan de volgzame burger, de gek mr dan de normale mens. B. De epistemologische deblokkering van de menswetenschappen

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

12

Het onderzoek, als kennis- en machtsstrategie, heeft volgens Foucault de epistemologische deblokkering van de wetenschappen van het individu bewerkstelligd. De discipline produceert de beheersbare, de kenbare en berekenbare mens: het moderne subject als kennend subject en te kennen object van de menswetenschappen. 1. De pedagogie De school wordt een leermachine, waar het verstrekken van onderwijs gepaard gaat met permanente observatie. De leerlingen worden individueel gevalueerd en onderling vergeleken. Het onderzoek dringt steeds dieper binnen in hun individualiteit. Hun aanwezigheid wordt genoteerd, hun vorderingen worden getoetst, hun resultaten geregistreerd, maar ook hun vooropleiding, hun inzet, hun attitude, de samenstelling en de problemen van het gezin, het beroep van de ouders, enz. Het onderzoek op school is de geboorteplaats van de wetenschappelijke pedagogie. 2. De moderne geneeskunde De inrichting van het ziekenhuis ligt aan de basis van de moderne geneeskunde. Het ritueel van de visite krijgt een nieuwe functie. In de 17 e eeuw stonden externe artsen in voor de inspectie. Zij waren nauwelijks betrokken bij de dagelijkse leiding van de hospitalen. Zij verrichtten een aantal controles van morele en administratieve aard. Geleidelijk aan worden hun visites regelmatiger, en haastige uitgebreider controles en grondiger. in De een vroegere geregelde onregelmatige veranderen

observatie, die de zieke vrijwel permanent onderwerpt aan onderzoek. Het verplegend personeel krijgt daardoor een ondergeschikte rol. Het hospitaal, dat voordien een verzorgingsinstelling was, een onderdak voor armoede en naderende dood, ontwikkelt zich tot de moderne kliniek, een genezingsmachine. De ligging en de architectonische inrichting van het ziekenhuis, de verlichting, de luchtcirculatie om besmetting te voorkomen, de permanente observatie van de zieken worden belangrijke themas. In het nieuwe gezondheidsapparaat krijgt de vorming van kennis een centrale plaats. De studenten geneeskunde krijgen een deel van hun opleiding in de kliniek. 3. De criminologie De gevangenis bewaakt zichzelf. Ze onderzoekt en perfectioneert voortdurend haar eigen werking. Men experimenteert met verschillende

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

13

vormen van toezicht en bestraffing. Men vergelijkt bijv. de effecten van een regime waarbij de gevangenen overdag in groep arbeiden (Auburn) met een regime van constante individuele opsluiting (Philadelphia). Het eerste model is economisch: het is productief, het bereidt de gevangene ook voor op zijn terugkeer in de maatschappij. Het tweede model is religieus en moreel: het wil de gedetineerde aanzetten tot inkeer en bekering, het garandeert ook beter de veiligheid. Over die modellen ontstaat een hele polemiek, rond verschillende topics: de religieus-morele functie van de gevangenis (haar betekenis als plaats van boete en bekering), de pedagogische functie (instelling ter heropvoeding), de economische betekenis (de baten en de kosten), de architectonische betekenis (de optimale waarborg voor het toezicht). In de gevangenis vormt zich een heel weten aangaande het menselijke gedrag. De gedetineerden worden niet alleen opgesloten en bewaakt, maar ook onderzocht. Dit onderzoek gebeurt niet vanuit een juridisch oogpunt om de schuld vast te stellen en de strafmaat te bepalen. Juist na de veroordeling is de gevangenis genteresseerd in het individu dat ze herbergt. De aandacht verschuift van de misdaad naar de misdadiger, d.w.z. naar zijn typische gedragingen, lichaamsbouw, gevoelens, reacties, zijn sociale afkomst, enz. De gevangenis produceert delinquentie. Dit betekent niet alleen dat haar opvoedingspogingen vaak mislukken, maar dat ze het beeld creert van het misdadige In het individu. Uit dit disciplinaire vinden onderzoek alle een ontspringt de criminologie. disciplinerend onderzoek psychowetenschappen, beslissende rol in het psychoanalyses en psychopraktijken hun oorsprong. Omgekeerd spelen wetenschappelijk gevormde deskundigen continueren en versterken van de disciplinaire macht. Tussen kennis en macht bestaat zo een permanente en circulaire verhouding. De geboorte van de menswetenschappen? Die moeten we waarschijnlijk zoeken in die weinig eervolle archieven waar het moderne spel van dwang op de lichamen, de gebaren en de gedragingen werd uitgewerkt. (SP 193) Deze wetenschappen, waarover onze humaniteit zich reeds meer dan een eeuw verheugt, hebben hun technische matrix in de benepen en boosaardige grondigheid van de disciplines en hun onderzoeken. Deze zijn wellicht voor de psychologie, de psychiatrie, de pedagogie, de criminologie en voor zoveel andere vreemde kennisvormen wat de vreesaanjagende inquisitoriale macht was voor de bezadigde kennis

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

14

van de dieren, de planten en de aarde. Andere macht, ander weten. (SP 227) IV. Krachtlijnen voor een nieuw machtsbegrip Met macht bedoel ik niet de Macht, schrijft Foucault. Hij heeft geen eenheid maar veelheid op het oog. Hij onderzoekt niet het wat (de essentie) maar het hoe (de werking) van de macht. Hij wil haar functioneren niet begrijpen vanuit een centrum, een brandpunt van waar afgeleide en lagere machtsvormen zouden uitstralen. Hij denkt de macht als een veelheid van krachtsverhoudingen, die verspreid en heterogeen zijn, want immanent aan de diverse terreinen waar ze opduiken. De alomtegenwoordigheid van de macht betekent dus niet dat ze als n wezen haar vele verschijningsvormen samenhoudt, maar dat ze onherleidbaar op elk moment en lokaal op elk punt van het maatschappelijk veld aan het werk is. De macht is overal, niet omdat ze alles omvat maar omdat ze overal vandaan komt. (VS 122) De macht is slechts een noemer waardoor wij een veelheid van tactieken, die telkens vanuit specifieke voorwaarden en noodzakelijkheden functioneren, samenbrengen. Foucault bestempelt zijn machtsopvatting als nominalistisch. De macht is geen instituut, geen structuur noch een bepaald vermogen waarmee sommigen uitgerust zijn. Het is de naam die wij geven aan een complexe strategische situatie in een bepaalde maatschappij. (VS 123) Pas in tweede instantie gaan die vele, grillige en veelvormige

krachtsverhoudingen zich organiseren. In een permanente confrontatie versterken en verzwakken ze elkaar, ze transformeren en keren elkaar om. Nu eens dienen ze elkaar tot steunpunt, zodat ze een keten gaan vormen, dan weer werken ze elkaar tegen, zodat ze verschuivingen teweeg brengen en van elkaar gesoleerd raken. Uiteindelijk schakelen ze zich op sommige tijden en plaatsen aaneen tot een globale strategie, een regime van praktijken, een machtsdispositief dat zich vastzet in instellingen en staatsapparaten, rechtsformuleringen en sociale hegemonien. De uitkomst is niet voorspelbaar. In zoverre de macht permanent is, zich herhaalt, inert is en zichzelf reproduceert, is ze alleen het totaaleffect dat zich vanuit al die veranderlijkheden aftekent, de aaneenschakeling die op elk ervan steunt en ze op hun beurt poogt te fixeren. (VS 122-123)

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

15

Foucault pleit voor een opklimmende (bottum-up), geen neergaande analyse (top-down) van de macht. Een neergaande machtsanalyse gaat bijv. uit van de heerschappij van de bourgeoisie in het kapitalisme. Daaruit deduceert men de noodzaak van de internering van de gekken. Omdat de krankzinnige zogenaamd nutteloos is voor de industrile productie, is het kapitalisme gedwongen hem te marginaliseren en uit te sluiten. Een gelijkaardige neergaande analyse maakt men t.a.v. de kinderlijke seksualiteit. Toen het lichaam vanaf de 17e en 18e eeuw herleid werd tot loutere productiekracht, moest de burgerij alle vormen van lust die ze als energieverspilling beschouwde, wel uitbannen. Foucault merkt op dat men, uitgaande van de heerschappij van de bourgeoisie, evenzeer tot het tegendeel zou kunnen besluiten. Om de arbeidskrachten optimaal te reproduceren waren juist seksuele voorlichting en vroegrijpe subjecten noodzakelijk. Hoe meer arbeidskrachten, des te beter kon het kapitalistische systeem functioneren. Het algemene verschijnsel van de dominantie van de bourgeoisie laat toe om het even wat af te leiden. Foucault concretiseert zijn nominalisme door vraagtekens te plaatsen bij een aantal vooropstellingen van de gangbare machtstheorien. A. Het postulaat van de eigendom Dikwijls wordt de macht voorgesteld als iets dat sommige individuen of groepen bezitten en anderen niet bezitten. De theorie van het maatschappelijk verdrag bijv. hanteert volgens Foucault dit model. Ze vat de macht op als een oorspronkelijk bezit van individuen in een natuurtoestand. Door het sociaal contract dragen de individuen vervolgens hun macht over op de soeverein. In het associatieverdrag stichten zij een burgerlijke samenleving, in het onderwerpingsverdrag brengen zij de staatsmacht tot stand. In die optiek is de politieke theorie genteresseerd in de voorwaarden waaronder de oorspronkelijke bezitsoverdracht gebeurt. De kritiek ziet toe of de politieke machthebber zich achteraf houdt aan de gemaakte afspraken. Ook het marxisme gaat volgens Foucault vaak uit van het postulaat van de eigendom. De heersende klasse bezit, in die optiek, de productiemiddelen en daarom heeft ze ook de politieke en ideologische macht. De ondergeschikte klassen bezitten geen macht. In de revolutie wordt de situatie omgekeerd en neemt het proletariaat bezit van de macht. De formule Zij hebben de macht! kan dienen als een slogan, maar deugt niet voor een historische analyse. De macht is geen bezit, maar een complex geheel van tactieken, een ingewikkeld kluwen van krachtsverhoudingen. Ze is geen ding dat men kan bezitten, maar een gebeuren. Ze is geen eigendom

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

16

die men kan verwerven, behouden of verliezen, maar ze werkt en bewerkt, ze speelt en riskeert zich. Ze is geen contract, maar strijd. De macht is altijd een bepaalde vorm van ogenblikkelijke en voortdurend herhaalde botsingen binnen een bepaald aantal individuen. [...] Het hart van de macht is een oorlogsgebeuren en niet de toe-eigening. (De macht en de norm, p.392) In die lijn kant Foucault zich ook tegen het vaak gehanteerde schema van activiteit vs. passiviteit, waarbij de machthebbers zich zouden bevinden tegenover de machtelozen. De macht is geen monoliet. Ze staat nooit helemaal en onverdeeld aan n kant. Uiteraard komen in het machtsveld geprivilegieerde posities voor. Er zijn plaatsen waar de krachten zich concentreren. Er ontstaan zelfs duurzame situaties van overmacht. Maar macht roept ook altijd en overal verzet op. Het gaat om vele en veelsoortige haarden van weerstand, verspreid in de tijd en uitgezaaid in de ruimte. De uiteenlopende verzetsvormen ontspringen aan bepaalde plaatsen en functies van het lichaam, aan bepaalde momenten en cycli van het leven. Ze hechten zich aan bepaalde gedragingen, zetten aan tot handelen, produceren vormen van tegen-weten. Ze zijn een doelwit en een tegenstand voor de macht, maar ook een aangrijpingspunt en steunpunt. Het verzet is daarom niet zonder meer de negatieve afdruk, de louter passieve keerzijde van de dominantie, die als dusdanig voorbestemd zou zijn om altijd het onderspit te delven. Het verzet vormt integendeel de andere pool van de krachtsverhoudingen en maakt onmisbaar deel uit van het machtsveld. Het verzet is mede constitutief voor de macht. De macht is daarom dynamisch en veranderlijk. De krachtsverhoudingen zijn verwikkeld in een spel van onophoudende en onvoorspelbare wisselingen en verschuivingen. Foucault ontkent niet dat er relatief duurzame machtsdelingen en kennisconcentraties voorkomen, maar deze vormen slechts momentane fixaties in een beweeglijk proces, tijdelijke knooppunten van macht-weten. De macht kan je onverwacht ontglippen: het panoptisch dispositief kan plots omslaan in een omsingelingssituatie. Twee voorbeelden kunnen dit kantelende karakter van de macht illustreren: 1. Het sparen door de arbeiders in de 19e eeuw was een strategie die door de ondernemers opgezet werd om het proletariaat aan het productieapparaat te binden. Maar doordat de arbeiders hun loon niet

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

17

helemaal verbruikten, beschikten zij over geldreserves waardoor zij konden staken en het productieapparaat lam leggen. 2. In de 19e eeuw vormt zich een driehoek rond de kinderlijke seksualiteit. In die verhouding tussen ouders, artsen en kinderen is de aandacht aanvankelijk gericht op de kinderlijke seksualiteit in de vorm van waarschuwingen, raadgevingen en aanwijzingen, vormen van toezicht en sanctionering. Onder meer via de psychoanalyse doet zich echter een merkwaardige omkering voor. Uiteindelijk is de seksualiteit van de volwassenen zelf tot probleem geworden. B. Het postulaat van de lokalisatie Dikwijls gaat men ervan uit dat de macht zich ophoudt in de politieke apparaten, structuren en instituties, bijv. de verschillende raden, de volksvertegenwoordiging, de regering. De macht zou bij uitstek werkzaam zijn in politieke beslissingen en rituelen, bijv. verkiezingen. Men lokaliseert de macht in de staat en staatsinstellingen. Maar voor Foucault is de macht eerder uitgezaaid dan gelokaliseerd. Ze is vertakt tot in de fijnste vezels van het maatschappelijk lichaam. Ze doortrekt de relaties tussen mannen en vrouwen, volwassenen en kinderen, artsen en zieken, hulpverleners en clinten. Ze geeft vorm aan de leefwereld van individuen, ze transformeert hun beleving van de ruimte en de tijd. Ze dringt hun lichamen binnen tot in de intieme werking van hun organen, hun meest elementaire ritmes en gebaren. Hoe ver we ook gaan in het sociale netwerk, altijd treffen we de macht aan als iets dat doorloopt, werkt en bewerkt. Pas in tweede instantie worden de uiteenlopende lokale machten geconcentreerd en eventueel verstatelijkt. De typische staatsinstellingen bezitten volgens Foucault zelfs een disciplinair supplement dat veel mr omvat dan hun strikt politieke en juridische functies. Dat inzicht heeft een strategische implicatie voor het verzet. Noch de overname van de staatsmacht noch de vernietiging van het repressieapparaat volstaan om het machtsdispositief fundamenteel te wijzigen. Op de vraag of hij het zinvol acht dat de gevangenen zich meester zouden maken van de centrale toren in het panopticon, antwoordt Foucault: Jawel, op voorwaarde dat die [machtsovername] niet de uiteindelijke zin van de operatie is. Als de gevangenen het panoptisch dispositief laten functioneren en plaats nemen in de toren, denkt u dat het dan veel beter is dan in het regime van de bewakers? (DE IV 207) C. Het postulaat van de onderschikking

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

18

Foucault viseert hier het marxistische paradigma van basis en bovenbouw. De door Marx genspireerde maatschappijanalyse, zo interpreteert Foucault althans, situeert de macht in de bovenbouw. Ze identificeert de macht met de politieke en de ideologische reproductie van een productiewijze. De functie van de macht bestaat erin de productiekrachten en de productieverhoudingen te reproduceren via dwang en consensus. Het marxisme maakt de macht zo in laatste instantie ondergeschikt aan de economie. Foucault formuleert daartegenover het immanentieprincipe. De machtsverhoudingen zijn geen epifenomeen van de sociaaleconomische werkelijkheid. Ze zijn niet uitwendig en secundair t.a.v. de economische verhoudingen. Ze vormen geen bovenbouw, die een louter repressieve of legitimerende rol speelt voor onderbouw. Integendeel, de macht is constitutief voor een bepaalde maatschappijformatie. Ze functioneert in het hart van de productiewijze zelf. De disciplinering bijv. moest niet louter het voortbestaan van kapitalistische productieverhoudingen verzekeren. Ze bracht die productiewijze mee tot stand. Het probleem voor de industrile maatschappij was immers niet zozeer het bewustzijn van de individuen achteraf aan te passen, dan wel hun lichaamskrachten vooraf te transformeren tot arbeidskrachten, hun levenstijd tot arbeidstijd. Marx beweert dat de mens van nature een arbeidend wezen is, maar volgens Foucault is de menselijke existentie op de eerste plaats lust, ongedurigheid, feest, rust, behoeften, toevalligheden, begeerten, gewelddadigheden, roverijen, enz.. Heel die discontinue en explosieve energie moest omgezet worden in gedisciplineerde arbeidskracht, die inzetbaar was op de arbeidsmarkt. De systemen van micromacht werden juist genstalleerd om de individuele tijd te binden aan de productietijd. Via gewoontevorming werden de lichamen geschakeld aan het productieapparaat. De productie van lichaamsmachines was constitutief voor de kapitalistische productiewijze. De industrile maatschappij vooronderstelt deze disciplinerende mechanismen, die reeds binnen het economische veld werkzaam zijn. (Veel vormen van verzet waren niet gericht tegen ongelijke eigendomsverhoudingen, maar tegen die disciplinering van het lichaam.) Deleuze: Het piramidale dat nog aanwezig is in het marxistisch beeld, wordt in de functionele microanalyse vervangen door een strikte immanentie, waarin de brandpunten van de macht en de disciplinaire technieken even zovele segmenten vormen die zich aan elkaar

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

19

schakelen, en waar een massa van individuen met hun lichamen en hun zielen doorheen stroomt of daarin verblijft. (Foucault, p.35) Gilles Deleuze en Flix Guattari spreken van een rhizoom, in onderscheid tot een boom- of een wortelstructuur. Het rhizoom heeft geen centrum en is niet bipolair gestructureerd. Het bevat veel segmenten en lagen, maar ook vluchtwegen (lijnen van deterritorialisering). Tegenover gecentreerde en zelfs polycentrische systemen, met hirarchische communicatie en vooraf vastgelegde verbindingen, is het rhizoom een niet-gecentreerd, niet-hirarchisch en niet-betekenend systeem, dat alleen bepaald wordt door een circulatie van toestanden, zonder generaal, zonder een organiserend geheugen of een centrale automaat. (Mille plateaux. Capitalisme et schizophrnie, p.32) D. Het postulaat van de werkingswijze Foucault bekritiseert de veel voorkomende opvatting dat de macht binnen het weten alleen ideologie voortbrengt. Die vooropstelling kadert binnen een negatief machtsbegrip, waarbij de macht voorgesteld wordt als uitsluiting. Men gaat ervan uit dat er een principile scheiding bestaat, kan en moet bestaan, tussen de macht en het weten. Het ware weten bevindt zich buiten de macht. Onder invloed van de macht wordt de waarheid slechts geperverteerd tot ideologie, d.w.z. tot verkeerd bewustzijn, omgekeerd en vals bewustzijn. De penetratie van de macht in de orde van het weten resulteert in niet-weten. Foucault heeft echter aangetoond dat de macht productief is. Ze activeert de lichaamskrachten, stimuleert de economische productie, bevordert de gezondheid. Ze zet aan tot spreken, deblokkeert de wetenschappelijke kennis. Ze transformeert individuen tot subjecten. Men moet ermee ophouden de machtseffecten altijd in negatieve termen te beschrijven. [] In werkelijkheid produceert de macht. Ze produceert realiteit, ze produceert objectdomeinen en waarheidsrituelen. Het individu en de kennis die men aangaande het individu kan bekomen steunen op die productie. (SP 196) Foucault beschouwt als zijn verdienste te hebben gebroken met de vooropstelling: macht = geweld + ideologie. Omwille van haar productief karakter laat de macht zich niet vangen in dat duo. Elk punt waar de macht werkt, is een plaats waar het weten ontstaat. Elk weten is een steunpunt voor de macht. Een politieke geschiedenis van de waarheid laat zien dat de waarheid niet van nature vrij, maar helemaal doortrokken is van macht. En

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

20

van de voornaamste machtswerkingen is juist apparaten en velden van weten te scheppen. Omgekeerd draagt en versterkt elk weten machtsverhoudingen. Het roept differenties in het leven, polen waartussen zich krachtverhoudingen afspelen. Ik beweer dat de macht ons aanzet om de waarheid te produceren. De macht eist de waarheid, ze heeft haar nodig om te functioneren. We moeten de waarheid spreken. We zijn ertoe veroordeeld de waarheid te bekennen of te vinden. De macht houdt niet op te vragen en ons te ondervragen, te onderzoeken, te registreren. Ze institutionaliseert het zoeken naar de waarheid, ze professionaliseert en beloont het. In de grond moeten we de waarheid produceren, net zoals we rijkdommen moeten produceren. We moeten zelfs de waarheid produceren om rijkdommen te kunnen produceren. (DE III 176) De verhouding tussen de macht en het weten is nooit eenduidig en definitief. Het koppelteken in het macht-weten wijst niet op een identiteit maar op een relatie. De vertogen zijn niet voor eens en altijd onderworpen aan de macht, ze zijn evenmin zonder meer gericht tegen de macht. Ze zijn verwikkeld in een complex en wisselend spel waarin ze macht creren en machtseffect zijn, maar ook weerstand bieden tegen de macht, haard van verzet zijn en aangrijpingspunt voor tegengestelde strategien. Er kunnen verschillende en zelfs tegenstrijdige vertogen binnen eenzelfde dispositief circuleren. Gelijkaardige vertogen kunnen ook tegengestelde strategien dienen. Het zwijgen kan op zijn beurt de macht ondersteunen, een ankerplaats bieden aan haar ingrepen. Het geheim kan ook de greep van de macht doen verslappen, en min of meer duistere vormen van tolerantie scheppen. Foucault spreekt in dat verband over de tactische polyvalentie van de vertogen. Kritiek van het marxisme t.a.v. Foucaults machtstheorie: 1. Foucault onderschat belang van de economie (de kapitalistische productieverhoudingen). 2. Foucault onderschat het belang van de staat. Nikos Poulantzas (leerling van Althusser): Een reeks plaatsen die door Foucault geacht worden zich buiten de staat te bevinden (gezondheidsapparaat, hospitalen, sportief apparaat) maar niettemin machtsplaatsen te vormen, zijn des te meer machtsplaatsen omdat ze in het strategisch veld van de staat ingesloten worden. Ik beweer des te meer en niet inzover (ze ingesloten zijn door de staat): de macht gaat de staat ver te buiten, zelfs als hij ruim gedacht wordt, en dat in meerdere richtingen. De staat intervenieert meer en meer in alle sferen van de sociale realiteit. Hij lost het private sociale netwerk op. Hij verspreidt zich in de meest verfijnde netwerken en intervenieert tendentieel in alle sectoren van de macht.

Hoofdstuk V. Foucault over macht en verzet

21

Kritiek van Habermas t.a.v. Foucault: 1. Foucault heeft geen normatief kader voor zijn kritiek. cfr. Nancy Frazer: Whats wrong with discipline? 2. Foucault vervalt in crypto-normativiteit. Hij bekritiseert asymmetrische zichtbaarheid en kenbaarheid in het licht van communicatieve symmetrie. Repliek van Foucault: 1. Bewustmaking is een nieuwe vorm van bevoogding vanwege actieve wetenden t.a.v. passieve niet-wetenden. 2. Habermas is een universele intellectueel, Foucault is een specifieke intellectueel. 3. Mijn boeken zijn gereedschapskisten voor volwassen verzet. Ik wil als intellectueel niet de profeet of de moralist uithangen. De mensen zijn op politiek en moreel gebied volwassen geworden. Zij moeten individueel en collectief keuzes maken. Het is belangrijk te zeggen hoe een bepaald regime functioneert en hoe het samengesteld is en een reeks manipulaties en mystificaties te verhinderen. Maar het zijn de mensen die moeten kiezen. (DE IV 92)