You are on page 1of 189

Jeugd en

Dit boek
Heeft bevatover
u vragen gegevens over het roken,
het vóórkomen drinken, drugsgebruik
van psychische stoornissenen gokken

Jeugd en riskant gedrag 2007


onder
bij Nederlandse
specifieke scholieren vanzoals
bevolkingsgroepen, 10 tohoger
en met 18 jaar. vrouwen,
opgeleide

riskant gedrag
jonge mannen, werkenden en alleenstaanden? Dan vindt u in
• Hboek
dit oeveel
descholieren
antwoorden. rokenHetdrinken en blowen en hoe informatie
bevat epidemiologische vaak doen zij dat?
• Gebruiken
afkomstig vanscholieren ook harddrugs
de NEMESIS-studie, maarzoals
ook bijvoorbeeld
kennis over psy­cocaïne?
• Hoe oud
chische zijn scholieren
stoornissen uit de als zij gaan experimenteren
jaarboeken van de Nationale met genotmiddelen?
Monitor

2007
• Wat zijn de
Geestelijke trends overvan
Gezondheid de het
laatste jaren van genotmiddelgebruik
Trimbos-instituut. Dit maakt
hetonder
boekscholieren?
uniek, en dus onmisbaar voor iedereen die zich snel
en adequaat in het vóór­komen van een psychische stoornis bij
In dit boek
specifieke worden dergelijke
doelgroepen vragen beantwoord.
wil verdiepen. Deze uitgaveSteeds is daarbij
is praktisch
geprobeerd
en toepasbaar. deGeschikt
verschillen tussen
voor iederejongens en meisjes, oudere en jongere
professional.
scholieren met verschillende opleidingsniveaus en met verschillende
etnische
Voor meerachtergronden
daarmee
van
informatie over
onmiskenbare
psychische stoornissen
in het
kaart
gegevens
te brengen.
ontstaan,
voor wieop
kunt u terecht
Deze
beloop enstudie
behan­
geïnteresseerd
bevat
www.trimbos.nl,
deling
is in het
Kerngegevens uit het
genotmiddelengebruik
en in de jaarboeken van door
Gezondheid.
de hedendaagse
de Nationale Monitorjeugd in Nederland.
Geestelijke
peilstationsonderzoek
De gegevens zijn afkomstig uit het Peilstationsonderzoek. Een landelijk
representatief
De studie NEMESIS onderzoek onder scholieren
(Netherlands dat sinds
Mental Health 1984and
Survey vierjaarlijks
scholieren
wordt uitgevoerd
Incidence Study) isonder leerlingen
het eerste van het
landelijke basisonderwijs
onderzoek naar de(groep
gees- 7 en 8)
en hetgezondheid
telijke voorgezet onderwijs (VMBO, HAVO
van de algemene en VWO).
bevolking Aan de meting in
in Nederland.
2007
Het deden
werd doorruim
het 10.000 scholieren mee.
Trimbos-instituut Het onderzoek
uitgevoerd is gefinancierd
in de jaren
door het ministerie
1996-1999. Het leverde vaninVWS en uitgevoerd
de loop van de tijddoor
zeerhet
veelTrimbos-instituut
gegevens in
samenwerking
op, waar tot op de met devan
dag GGD’en.
vandaag beleidsmakers, professionals
en universitaire onderzoekers gebruik van maken.

K. Monshouwer
J. Verdurmen
S. van Dorsselaer
E. Smit
A. Gorter
W. Vollebergh
K. Monshouwer
J. Verdurmen
S. van Dorsselaer
E. Smit
A. Gorter
W. Vollebergh

Jeugd en
riskant gedrag
2007
Kerngegevens uit het
peilstationsonderzoek
scholieren

Roken, drinken, drugsgebruik en gokken


onder scholieren vanaf tien jaar

Trimbos-instituut, Utrecht, 2008


Colofon
Samenstelling
Drs. K. Monshouwer
Dr. J.E.E. Verdurmen
Drs. S.A.F.M. van Dorsselaer
Drs. E. Smit
Drs. A.F. Gorter
Prof. Dr. W.A.M. Vollebergh

Begeleidingscommissie
Prof. Dr. R.C.M.E. Engels, Radboud Universiteit Nijmegen (voorzitter)
Prof. Dr. R.A. Knibbe, Universiteit Maastricht
Drs. M.P.H. Berns, GGD Den-Haag
Dr. M.C. Willemsen, Stichting Volksgezondheid en Roken (STIVORO), Den-Haag
Dr. W.J. Benschop, Universiteit Amsterdam
Drs. W.M. de Zwart, Ministerie van Volksgezondheid en Sport, directie Geestelijke Gezondheidszorg,
Verslavingszorg en Maatschappelijke Opvang

Productiebegeleiding
Frédéric Zolnet

Vormgeving en druk
Ladenius Communicatie BV, Houten

Deze uitgave is te bestellen via www.trimbos.nl, of bij het Trimbos-instituut, Afdeling bestellingen,
Postbus 725, 3500 AS Utrecht, 030-297 11 80; fax: 030-297 11 11; e-mail: bestel@trimbos.nl.
Onder vermelding van artikelnummer AF0814. U krijgt een factuur voor de betaling.

ISBN 978-90-5253-619-4

© 2008 Trimbos-instituut, Utrecht


Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en of openbaar
gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het
Trimbos-instituut.
Inhoudsopgave

1 Inleiding 7

2 Methode van onderzoek 15


Populatie en steekproef 15
Beschrijving van de gewogen steekproef 17
Dataverzameling 21
Analyses 22

3 Roken 25

3.1 Roken onder scholieren 25


Hoeveel scholieren hebben ooit gerookt? 25
Hoeveel scholieren hebben de afgelopen maand gerookt? 25
Hoeveel scholieren roken dagelijks? 26
Hoeveel sigaretten roken scholieren gemiddeld per dag? 27
Op welke leeftijd beginnen scholieren met roken? 27
Op welke leeftijd beginnen scholieren met dagelijks roken? 28
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het voorkomen van roken? 29
Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het voorkomen van roken? 30
Hoeveel scholieren denken in de toekomst te gaan roken? 32
Hoeveel scholieren hebben een ‘niet roken’ afspraak? 32
Hoeveel scholieren roken thuis of zouden het mogen? 32

3.2 De rokers nader bekeken 33


Hoeveel sigaretten worden gemiddeld gerookt? 33
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het aantal sigaretten dat
wordt gerookt? 34
Hoe komen scholieren aan sigaretten? 35
3.3 Is het roken in de periode 1988-2007 veranderd? 35
3.4 De belangrijkste feiten en trends 37

4 Alcohol 39

4.1 Alcoholgebruik onder scholieren 39


Hoeveel scholieren drinken alcohol? 39
Hoeveel scholieren zijn wel eens dronken? 40

3
Hoeveel scholieren drinken wel eens 5 glazen of meer bij één
gelegenheid (‘binge drinken’) 42
Hoeveel drinken scholieren? 42
Op welke leeftijd beginnen scholieren met het drinken van alcohol? 44
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het voorkomen
van alcoholgebruik? 45
Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het voorkomen
van alcoholgebruik? 46
Hoeveel scholieren mogen thuis alcohol drinken? 47
Hoeveel scholieren hebben met hun ouders een afspraak om
geen alcohol te drinken? 48
4.2 De alcoholgebruikers nader bekeken 48
Hoe vaak drinken de actuele drinkers alcohol? 48
Hoe veel drinken de actuele drinkers? 50
Hoe vaak zijn de actuele drinkers dronken of aangeschoten? 51
Hoeveel van de actuele drinkers drinken wel eens 5 glazen of meer
bij één gelegenheid (‘binge drinken’) 52
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in hoe vaak en hoeveel er
door de actuele drinkers gedronken wordt? 53
Hoe vaak komt indrinken voor onder de actuele drinkers? 54
Wat drinken de actuele drinkers? 54
Waar drinken de actuele drinkers alcohol? 55
Hoe komen scholieren aan alcohol? 56
Waar kopen scholieren alcohol? 57
4.3 Is het alcoholgebruik in de periode 1988-2007 veranderd? 58
4.4 De belangrijkste feiten en trends 63

5 Cannabis 65

5.1 Cannabisgebruik onder scholieren 65


Hoeveel scholieren gebruiken cannabis? 65
Hoe vaak blowen scholieren? 66
Op welke leeftijd beginnen scholieren met blowen? 66
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het aantal scholieren
dat cannabis gebruikt? 67
Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het aantal scholieren
dat cannabis gebruikt? 68
5.2 De cannabisgebruikers nader bekeken 69
Hoe vaak gebruiken scholieren cannabis en hoeveel gebruiken ze? 69
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in hoe vaak en hoeveel
cannabis wordt gebruikt? 71

4
Hoe komen scholieren aan cannabis? 73
5.3 Is het cannabisgebruik in de periode 1988-2007 veranderd? 74
5.4 De belangrijkste feiten en trends 76

6 Harddrugs en hallucinogene paddestoeltjes 77

6.1 Gebruik van harddrugs en paddo’s door scholieren 77


Hoeveel scholieren gebruiken harddrugs en paddo’s? 77
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het gebruik van
harddrugs en paddo’s? 78
Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het gebruik van
harddrugs en paddo’s? 79
6.2 Is het gebruik van harddrugs en paddo’s in de periode
1988-2007 veranderd? 80
6.3 Belangrijkste feiten en trends 81

7 Gokken 83

7.1 Spelen op een gokkast onder scholieren 83


Hoeveel scholieren spelen er op een gokkast? 83
Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het spelen op
een gokkast? 83
Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het spelen op
een gokkast? 84
7.2 Is het spelen op een gokkast door scholieren in de periode
1992-2007 veranderd? 84
7.3 Belangrijkste feiten en trends 85

8 Conclusies 87

Bijlage Roken 93
Bijlage Alcohol 107
Bijlage Cannabis 131
Bijlage XTC 143
Bijlage Cocaïne 149
Bijlage Amfetamine 155
Bijlage Heroïne 161
Bijlage Gebruik van één of meerdere harddrugs 167
Bijlage Paddo’s 173
Bijlage Gokken 179
Bijlage Publicatielijst 185

5
1 Inleiding

Het uitbrengen van de nieuwste cijfers over het middelengebruik van scholieren
van 10-18 jaar is altijd een spannend moment. Het Trimbos-instituut brengt al
sinds 1984 de landelijke gegevens over scholieren uit, en elke vier jaar zijn er weer
andere zaken die de aandacht vragen. In de eerste helft van de jaren negentig was
er vooral aandacht voor de stijging van het aantal cannabisgebruikers, ook het
toenemend gebruik van harddrugs zoals XTC, cocaïne en amfetamine baarde in die
periode zorgen. Weinig mensen leken zich tot dan toe zorgen te maken over het
alcoholgebruik onder jongeren in Nederland. Na de publicatie van de gegevens van
de Peilstationsonderzoek in 2004 kwam daar echter verandering in (Monshouwer et
al., 2004). Het rapport liet zien dat er een sterke stijging was van het aantal kinderen
dat al op (zeer) jonge leeftijd met alcohol kennis maakt. Onder de wat oudere groep
scholieren bleek de frequentie en intensiteit van het drinken erg hoog. Er was in die
periode sprake van een cumulatie van alarmerende berichten. Uit het internationaal
vergelijkende ESPAD onderzoek was gebleken dat Nederlandse jongeren tot de
zwaarste drinkers van Europa behoorden (Hibell et al., 2004). Cijfers van lokale
ziekenhuisregistraties toonden aan dat het aantal 12-13 jarigen dat in een ziekenhuis
werd opgenomen vanwege alcoholvergiftiging was verzesvoudigd (Valkenberg et
al., 2007). In Delft werd zelfs een kliniek geopend die uitsluitend gericht was op het
behandelen van kinderen met alcoholvergiftiging. Daarnaast kwam berichtgeving
over wetenschappelijke studies die aantoonden dat met name het jonge brein
kwetsbaar is voor alcohol en de ontwikkeling van de hersenen kan verstoren (Tapert
et al., 2004). De gegevens van het Peilstationsonderzoek 2003 hadden ook laten zien
dat het alcoholgebruik onder jongeren niet alleen geassocieerd moest worden met
uitgaan (cafés en disco’s), omdat de meeste kinderen hun eerste drankjes van hun
ouders kregen en veel alcohol in de privésfeer – bij ouders en bij vrienden thuis –
werd geconsumeerd. In die zelfde periode toonde onderzoek van de Radboud Univer-
siteit Nijmegen aan dat ouders een belangrijke invloed hebben op het (toekomstige)
drinkgedrag van het kind (Vorst et al., 2005). Met name het stellen van duidelijke
en strenge regels omtrent het alcoholgebruik bleek effectief in het uitstellen van de
leeftijd waarop kinderen voor het eerst alcohol gaan drinken.
Voor de overheid waren alle onderzoeksresultaten aanleiding om een programma
over Alcohol en Opvoeding te starten. In heel Nederland werden nieuwe interventies
ontwikkeld, getest en geïmplementeerd die er op gericht waren vooral ouders te
doordringen van het feit dat alcohol op zo jonge leeftijd zeer schadelijk was. Het
Trimbos-instituut bracht een rapport uit, waarin de schadelijke effecten van alcohol
op deze jonge leeftijd netjes bij elkaar werden gezet (Verdurmen et al., 2004).
De informatie van dit overzichtsrapport werd gebruikt voor grootschalige

7
campagnes gericht op het informeren van opvoeders (ouders en professionele
opvoeders op scholen, sportclubs en andere gelegenheden waar jongeren met
alcohol in aanraking kunnen komen). In enkele jaren tijd zagen wij de relatieve rust
over het riskante alcoholconsumptiepatroon bij jongeren veranderen in een alge-
meen gevoel van onbehagen en zorg.

Het is nu vier jaar later. Hoe heeft het genotmiddelengebruik zich de afgelopen vier
jaar ontwikkeld? Een van de spannendste vragen van het voorliggende rapport is,
of wij er in geslaagd zijn met al onze inspanningen de trend naar steeds jongere
alcoholconsumptie een halt toe te roepen. Maar ook de andere middelen blijven
onze aandacht houden. Hoe staat het met het andere middelengebruik: roken,
cannabis, harddrugs, paddo’s?

Landelijke scholierensurveys van het Trimbos-instituut

Sinds 1984 is door het Trimbos-instituut elke vier jaar onderzoek gedaan naar midde-
lengebruik van scholieren in Nederland in het zogeheten Peilstationsonderzoek.
Vanaf 1988, de tweede afname, zijn daarbij de vragenlijsten zo goed op elkaar afge-
stemd dat vergelijking over de tijd mogelijk is (zie Kuipers et al., 1993, 1997; Plomp et
al., 1991; Zwart et al., 2000; Monshouwer et al., 2004). Daarmee beschikken we over
een voor Nederland, maar ook internationaal, vrij unieke dataset die kan laten zien
hoe het middelengebruik bij scholieren zich in de loop van de afgelopen vijftien jaar
heeft ontwikkeld. In 2001 werd aan deze reeks van scholierensurveys een tweede
studie toegevoegd, de Health Behaviour in School-aged Children studie (HBSC)
(Currie et al., 2004), waarin naast middelengebruik (tabak, alcohol en cannabis)
ook gezondheid meer in het algemeen en geestelijke gezondheid in het bijzonder
centraal staat (Bogt, Dorsselaer & Vollebergh, 2003). Inmiddels is deze studie voor
de tweede maal uitgevoerd (Dorsselaer et al., 2007). Door deze combinatie van
thematieken is het mogelijk om de relatie tussen genotmiddelengebruik, geestelijke
gezondheid en gezondheidsgedrag op andere terreinen te onderzoeken. Daarnaast
kan het gebruik van genotmiddelen nu tweejaarlijks gevolgd worden.

Internationale inbedding
In 2003 maakte het Peilstationsonderzoek naar middelengebruik van scholieren
voor de eerste keer volledig deel uit van de Europese internationaal vergelijkende
ESPAD-studie, the European School Survey Project on Alcohol and Other Drugs
(Hibell et al, 2000) . Deze studie wordt op dit moment uitgevoerd in ongeveer
35 landen en maakt zo vergelijking van de Nederlandse situatie met de situatie
in het buitenland mogelijk. Over deze internationale vergelijking zal afzonderlijk
worden gerapporteerd. Ook de HBSC-studie is een internationaal vergelijkend onder-
zoek dat onder auspiciën van de World Health Organization (WHO) wordt uitgevoerd

8
in een vergelijkbaar aantal landen. Met deze combinatie van studies is het
Trimbos-instituut in de gelegenheid om de landelijke cijfers over middelengebruik en
(geestelijke) gezondheid van scholieren ook internationaal in perspectief te plaatsen
en verklaringen te zoeken voor de relatief grote verschillen in prevalentie tussen
de verschillende landen. Het belang van beide studies is internationaal ook erkend
door het European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA), dat
inmiddels van beide studies gegevens gebruikt voor haar Europese monitoring-
systeem naar druggebruik in de bevolking in het algemeen en onder scholieren in
het bijzonder.

Middelengebruik onder scholieren vanaf 10 jaar: de trend in 1988 - 2005

Vooraleer in de verschillende hoofdstukken de kernresultaten te presenteren voor


de verschillende middelen, die in dit onderzoek aan de orde komen (roken, alcohol,
cannabis, en overige illegale drugs), zullen wij u in deze inleiding kort kennis laten
maken met de resultaten van het voorafgaande Peilstationsonderzoek (Kuipers et al.,
1993, 1997; Plomp et al., 1991; Zwart et al., 2000; Monshouwer et al., 2004) en HBSC
onderzoek (Bogt et al., 2003; Dorsselaer et al., 2007). Dat maakt het mogelijk om de
resultaten van het Peilstationsonderzoek 2007 wat beter te plaatsen.

Roken onder scholieren


Hoewel bijna niemand zijn eerste sigaret lekker vindt en de publieke opinie tegen-
over het roken in de afgelopen decennia steeds negatiever is geworden, bleek uit
de cijfers tot 1996 dat nog steeds een grote meerderheid van de scholieren ooit een
sigaret opsteekt. Tussen 1996 en 2003 zagen we echter een duidelijke daling van het
roken bij scholieren. Het percentage leerlingen dat ooit heeft gerookt is in die tijd
met veertien procent gedaald tot 45 procent - voor het eerst stak in 2003 minder dan
de helft van de scholieren dus nog een eerste sigaret op. Ook het actuele roken (in de
afgelopen maand), en vooral het dagelijks roken nam tussen 1996 en 2003 sterk af.
De stijging in het roken, die na 1988 zichtbaar werd, was daarmee in 2003 volledig
ongedaan gemaakt. In 2005 bleek uit het HBSC onderzoek dat dagelijks roken niet
verder was gedaald in vergelijking met 2003. De trend van een dalend percentage
leerlingen dat ooit heeft gerookt bleek zich in 2005 te hebben voortgezet.
In de afgelopen jaren blijven we een verscherping waarnemen van antirook
campagnes en is de houding jegens rokers ook systematisch negatiever geworden.
Ook de wetgeving met betrekking tot roken en de verkrijgbaarheid van sigaretten
wordt steeds meer aangescherpt. De belangrijkste vraag, die wij met de gegevens
van 2007 hopen te beantwoorden is dan ook, of in de afgelopen jaren het roken
onder scholieren ook navenant is afgenomen.

9
Alcoholgebruik onder scholieren
Van alle middelen mag alcohol zich verreweg in de hoogste populariteit verheugen.
Bijna alle scholieren proberen in de loop van hun middelbare schooltijd wel een keer
alcohol uit. Het percentage scholieren dat aan het eind van de middelbare school
nog nooit alcohol heeft geprobeerd ligt al jaren zo rond de tien procent. Ook heeft
ruim de helft van de scholieren – zo tussen de vijftig en zestig procent - in de maand
voorafgaand aan het onderzoek alcohol gedronken. Over de jaren heen is hierin niet
zoveel verandering opgetreden.
De belangrijkste veranderingen zagen we in 2003, als gezegd, vooral in de leeftijd,
waarop scholieren met alcohol kennis maken, en in de frequentie van de dronken-
schap, die met veel alcoholgebruik gepaard kan gaan. Bij scholieren van vijftien jaar
en ouder is de trend in de tijd relatief stabiel, maar bij de jongere scholieren (12-14
jaar) zagen we een duidelijke stijging van zowel het gebruik ooit in het leven als van
het gebruik in de laatste maand, vooral bij de meisjes. De HBSC studie uit 2005 leek
er op te wijzen dat de stijging van het gebruik onder de jongste groepen tot een halt
was geroepen, er werd onder de 12-13 jarigen zelfs een daling van het gebruik ooit
in het leven vastgesteld. De gegevens van het huidige Peilstationsonderzoek zullen
moeten uitwijzen of deze gunstige trend zich heeft voortgezet.
In de HBSC studie uit 2005 werd vastgesteld dat het binge drinken (5 of meer
glazen op een avond) onder de actuele drinkers was toegenomen. De gegevens van
het Peilstationsonderzoek 2007 zullen uitwijzen of dit intensieve drinken verder is
toegenomen.
In 2003 zagen we ook voor het eerst dat meisjes even vaak dronken waren
geweest als jongens. Tot dan kwam dronkenschap bij jongens vaker voor. Ook hier
liepen meisjes hun traditionele ‘achterstand’ dus rap in. Evenals bij het roken zagen
we echter bij de scholieren die in de afgelopen maand alcohol hadden gedronken
wel grote sekseverschillen: jongens dronken veel vaker, en per avond dronken
zij ook aanzienlijk meer. Ook zagen we dat bij jongens het alcoholgebruik na het
vijftiende jaar nog steeds blijft toenemen, terwijl dat bij meisjes vanaf hun
vijftiende stabiliseert.
Na alle onrust, die deze gegevens hebben opgeroepen, is de belangrijkste vraag voor
nu, of alle inspanningen om het alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen
effect hebben gehad.

Cannabisgebruik onder scholieren


Het gebruik van cannabis onder scholieren is al sinds 1996 niet meer toegenomen,
en bij jongens zoveel gedaald – al is die daling niet significant – dat in 2003 voor het
eerst even veel meisjes als jongens ooit cannabis hebben gebruikt. De HBSC studie
uit 2005 bevestigde deze trend, het gebruik ooit in het leven bleef onveranderd
vergeleken met 2003 en er waren geen verschillen tussen jongens en meisjes. Het
gebruik van cannabis in de afgelopen maand was bij jongens gedaald, al bleef dit bij

10
hen nog wel iets vaker voorkomen dan bij meisjes. Jongens waren daarmee in 2003
terug naar het niveau van 1992, (dat overigens nog steeds wel duidelijk hoger was
dan in 1988), terwijl de meisjes nog steeds op het niveau van 1996 zaten. De HBSC
studie uit 2005 liet zien dat het gebruik in de afgelopen maand niet veranderd was
vergeleken met 2003 en er geen verschil was tussen jongens en meisjes. Ook hier
dus opnieuw het inlopen van een traditionele ‘achterstand’ bij de meisjes. Maar
ook bij cannabis zagen we opnieuw wél sekseverschillen in de zwaarte van het
gebruik: jongens, die cannabis gebruikten, rookten per keer (veel) meer joints dan
de meisjes, en de zwaarte van het gebruik bleef bij hen ook na het vijftiende nog
steeds stijgen, bij meisjes niet. Bovendien zijn jongens – traditiegetrouw – actiever
in het zelf aanschaffen van cannabis. Waar meisjes zich de joints doorgaans nog
laten schenken, koopt de meerderheid van de zestienjarige jongens de cannabis zelf,
meestal in een coffeeshop. Dat is opmerkelijk, want het lijkt er op dat de wettelijk
vastgelegde leeftijdsgrenzen vrij gemakkelijk te overschrijden zijn. Het is spannend
om te zien, of de trend naar stabilisering van cannabisgebruik zich in 2007 heeft
doorgezet.

Overig druggebruik onder scholieren


Alle overige drugs werden in de periode 1988-2003 slechts door een kleine minder-
heid van de scholieren uitgeprobeerd, de percentages liggen voor cocaïne, amfeta-
mine en XTC rond de drie, vier procent, terwijl heroïne door een heel klein percentage
jongeren wordt geprobeerd (minder dan één procent van de scholieren). Omdat het
hier om zulke kleine percentages gaat is het riskant om de trendgegevens als heel
harde gegevens te presenteren. Een vergelijking tussen ’92, ’96 en ’99 wees uit, dat
tussen ’92 en ’96 het gebruik leek te stijgen, maar in ’99 was stijging weer ongedaan
gemaakt. Ook hier zagen we dus in de cijfers eigenlijk weinig aanleiding tot grote
bezorgdheid omtrent negatieve ontwikkelingen. Sekseverschillen zijn hier – voor
zover ze gevonden werden – nog steeds in de verwachte richting (gemiddeld meer
jongens), en ook bleef hier het gebruik bij de jongens vanaf vijftien jaar met het
stijgen van de leeftijd nog steeds toenemen (bij meisjes niet).

Gokken
Bij het gokken (spelen op fruitautomaten en kopen van krasloten) was het opvallend
dat de patronen die bij het middelen gebruik waarneembaar zijn ook hier in grote
lijnen terugkwamen. Jongens gokken meer dan meisjes en blijven dit op later leeftijd
doen terwijl dit bij meisjes na hun vijftiende jaar afneemt. Tussen 1992 en 2003 was
sprake van een dalende trend bij het spelen op gokkasten.

11
De opzet van het huidige rapport

In dit rapport worden de kerncijfers gepresenteerd van het middelengebruik en


gokken onder scholieren in het voortgezet onderwijs, en in de laatste twee klassen
van het basisonderwijs. Het betreft hier kerngegevens als de prevalentie cijfers
(lifetime- en maandgebruik), en de invloed van belangrijke achtergrondfactoren als
sekse, leeftijd, opleidingsniveau en etnische afkomst. In alle hoofdstukken worden
deze kerngegevens eerst gepresenteerd voor de hele onderzoeksgroep. Hierna
volgen, per middel, een aantal kerngegevens van de groep gebruikers (scholieren
die in de afgelopen vier weken het betreffende middel – sigaretten, alcohol,
drugs - hebben gebruikt). In de bijlagen hebben wij in tabellen met percentages
en betrouwbaarheidsintervallen de cijfers uit de tekst opgenomen. Op die manier
willen wij een handzaam overzicht schetsten van de kerngegevens voor iedereen die
in middelengebruik van scholieren geïnteresseerd is: scholen en leraren, jeugdwer-
kers, hulpverleners, beleidsmedewerkers, onderzoekers, GGD’en en niet in de laatste
plaats ouders en leerlingen zelf.

Referenties

Bogt, T. ter, Van Dorsselaer, S., Vollebergh, W. (2003). Psychische gezondheid, risico­
gedrag en welbevinden van Nederlandse scholieren. HBSC-Nederland 2002. Health
Behaviour in School-Aged Children. Utrecht: Trimbos-instituut
Currie, C., Roberts, C., Morgan, A., Smith, R., Settertobulte, W., Samdal, O., Rasmussen,
V. (2004). Young peoples health in context. Health Behaviour in School-aged
Children: a WHO cross-national collaborative study. International Report from the
2001-2002 survey. Copenhagen: WHO.
Dorsselaer S. van, Zeijl E, van den Eeckhout S, ter Bogt T, Vollebergh W. HBSC 2005:
Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht, Trimbos-instituut, 2007
Hibell, B., Andersson, B., Ahlström, S., Balakireva, O., Bjarnason, T., Kokkevi, A. &
Morgan, M. (2000) The 1999 ESPAD Report, The European School Survey Project
on Alcohol and Other Drugs: Alcohol and Other Drug use Among Students in
30 European Countries, CAN, Stockholm, Sweden.
Hibell, B., Andersson, B., Bjarnasson,T., Ahlström, S., Balakireva, O., Kokkevi, A. &
Morgan, M. (2004) The 2003 ESPAD Report, Alcohol and Other Drug use Among
Students in 35 European Countries. CAN, Stockholm, Sweden.
Kuijpers, S.B.M., Mensink, C., Zwart, W.M. de (1993). Jeugd en riskant gedrag 1992.
Roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder scholieren vanaf tien jaar. Utrecht:
Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD).
Kuijpers, S.B.M., Stam, H., Zwart, W.M. de (1997). Jeugd en riskant gedrag 1996.
Roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder scholieren vanaf tien jaar. Utrecht:
Trimbos-instituut.

12
Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., Gorter, A., Verdurmen, J. & Vollebergh, W. (2004)
Jeugd en riskant gedrag 2003, Utrecht: Trimbos Instituut.
Plomp, H.N., Kuipers, H., van Oers, M.L. (1991). Smoking, alcohol consumption and the
use of drugs by schoolchildren from the age of 10. Amsterdam: VU University Press.
Tapert, S.E., Calwell, L, Burk, C., 2004/2005. Alcohol and the Adolescent Brain:
Human Studies. Alcohol Research & Health, 28, 205-212.
Verdurmen, J., Abraham, M., Planije, M., Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., Schulten,
I., Bevers, J. & Vollebergh, W. (2006). Alcoholgebruik en jongeren onder de
16 jaar. Schadelijke effecten en effectiviteit van alcoholinterventies. Utrecht:
Trimbos-insituut.
Valkenberg, H., Van der Lely, N., Brugmans, M. (2007) Alcohol en jongeren een
­ongelukkige combinatie. Medisch contact on line en www.veiligheid.nl
Vorst, H. van der, Engels, R.C.M.E., Meeus, W., Dekovic, Van Leeuwe, J., 2005. The role
of alcohol-specific socialization in adolescents’ drinking behaviour. Addiction 100,
1464-1476.
Zwart, W.M. de, Smit, F., Monshouwer, K. (2000). Jeugd en riskant gedrag 1999.
Roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder scholieren vanaf tien jaar.
Utrecht: Trimbos-instituut.

13
2 Methode van onderzoek

Van oudsher voert het Trimbos-instituut het Peilstationsonderzoek scholieren uit


in samenwerking met GGD’en. In 2007 is elk van de veertig GGD’en in Nederland
gevraagd een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het onderzoek (contact
leggen met de scholen, werven van de scholen, afname van de vragenlijsten). Boven-
dien wordt de GGD’en de mogelijkheid geboden om in de eigen regio meer vragen-
lijsten af te nemen (regionale ophoging). Op deze wijze kan voldoende data worden
verzameld om zowel een goed beeld van het middelengebruik in de eigen regio te
verkrijgen als ook om deze te vergelijken met de landelijke gegevens. Vier GGD’en
kozen voor deze ophoging. Verder hebben 7 GGD’en een bijdrage geleverd aan het
contact leggen met de scholen. Daarnaast namen 4 GGD’en de werving én afname
van de vragenlijsten voor hun rekening, maar deden geen regionale ophoging. In de
overgebleven regio’s waar GGD’en geen bijdrage leverden aan het onderzoek heeft
het Trimbos-insituut alle werkzaamheden zelf gedaan.

Populatie en steekproef

Onderzoekspopulatie
De onderzoekspopulatie bestond uit leerlingen van groep 7 en 8 van het basis­
onderwijs en leerlingen van alle leerjaren van het VMBO (4), HAVO (5) en VWO (6)
in heel Nederland.

Gewenste steekproefomvang
Bij het vaststellen van het benodigd aantal scholen werd er van uitgegaan dat de
helft van de benaderde scholen bereid zou zijn tot deelname. De omvang van de
bruto steekproef werd dus vastgesteld op twee maal het benodigd aantal scholen.
Bij het vaststellen van het benodigd aantal scholen werd uitgegaan van 1 tot 4
klassen per school (afhankelijk van de schoolgrootte) en een gemiddeld aantal leer-
lingen van 22 per klas. Op basis van ‘power calculaties’ werd de beoogde steekproef-
grootte op het niveau van leerlingen vastgesteld op 7000 respondenten voor het
voortgezet onderwijs. Met 7000 respondenten kan een prevalentie van 5% geschat
worden met een toevalsfout van ten hoogste een half procent aan weerszijden van
de schatting. Anders gezegd, een geschatte prevalentie van 5% komt binnen een 95%
betrouwbaarheidsinterval te liggen van 4,5% tot 5,5%. Tevens laat deze steekproef-
omvang analyses toe op subgroepniveau, zoals bijvoorbeeld leeftijd, schoolniveau en
etniciteit. De steekproefgrootte voor het basisonderwijs werd vastgesteld op 2500
respondenten. Met deze omvang kon worden volstaan omdat de subgroep-analyses
in het basisonderwijs beperkt worden tot jongens/meisjes.

15
Het trekken van de steekproef
De steekproeven werden getrokken in twee fasen en op random wijze, dat wil
zeggen willekeurig.

Fase 1: Random selectie van scholen


Voor het trekken van de steekproef van scholen werd gebruik gemaakt van een
bestand van alle scholen in heel Nederland (basisonderwijs: bron BrinWeb, voort-
gezet onderwijs: bron: Total Mail Service (TMS)). Voor het voortgezet onderwijs
kwamen alle scholen in aanmerking die regulier onderwijs verzorgden op de
volgende schoolniveaus: VMBO, HAVO en VWO. In het voortgezet onderwijs is vaak
sprake van koepels van scholen of van scholen met verschillende vestigingen. Daarbij
werd als volgt gehandeld: een school werd in de steekproef toegelaten als er een
zelfstandige directie was en van ten minste één van de schoolniveaus alle leerjaren
aanwezig waren.
Om te zorgen voor een goede spreiding van de scholen over stad en platteland, werd
vooraf gestratificeerd op stedelijkheidsniveau (bij het basisonderwijs vier en bij het
voortgezet onderwijs vijf niveaus). Vervolgens werden via een geautomatiseerde
random routine de scholen geselecteerd (proportioneel ten opzichte van het aantal
scholen binnen elk van de stedelijkheidsniveaus).

Werving van de scholen


Elk van de scholen die in de bruto steekproef terechtkwam werd aangeschreven met
een uitnodiging om deel te nemen aan het onderzoek en extra informatie over het
doel van het onderzoek. De uitnodiging was gericht aan de directie van de school.
Indien twee weken na verzending van het schriftelijk verzoek nog geen reactie was
ontvangen werd telefonisch om medewerking aan het onderzoek gevraagd.
Alle werkzaamheden werden vanuit het Trimbos-insituut gecoördineerd. In 14 regio’s
verzorgde de GGD de werving van de scholen. De GGD’en kregen hiertoe van het
Trimbos-insituut de lijst van scholen in de regio in de bruto steekproef, inclusief de
gegevens over de contactpersonen, standaardbrieven voor het aanschrijven van de
scholen en informatiemateriaal over het onderzoek. In de overige regio’s werd de
werving van de scholen verricht door het Trimbos-instituut.

Fase 2: Random selectie van klassen


In het basisonderwijs werd de vragenlijst op elk van de deelnemende scholen
afgenomen in één groep zeven en één groep acht. Op enkele scholen waren twee
groepen zeven en/of acht aanwezig, in dat geval werd op willekeurige wijze één klas
per groep geselecteerd.
Voor het voorgezet onderwijs werd in september aan alle deelnemende scholen verzocht
een lijst te verstrekken met de namen van alle op de school aanwezige klassen (exclusief
de klassen voor het leerweg ondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs).

16
Naast de namen werd ook gevraagd naar het schooltype van de betreffende klas, het
leerjaar en het aantal leerlingen. Hiervoor werd een standaardformulier verstrekt.
Uit deze lijst werden op het Trimbos-instituut, via een geautomatiseerde random
procedure, de benodigde klassen getrokken. Het aantal klassen per school varieerde
van een tot vier, afhankelijk van de grootte van de school (meer leerlingen betekende
meer klassen).
In Oost Nederland werd door GGD’en in dezelfde periode (oktober, november 2007)
op alle scholen van het voortgezet onderwijs in de klassen twee en vier via internet
een onderzoek naar gezondheidsgedrag, waaronder middelengebruik, uitgevoerd
(E-MOVO). In overleg met de betreffende GGD’en is daarom besloten om in deze
regio’s de klassen twee en vier niet te selecteren voor het Peilstationsonderzoek.
Ter compensatie hiervan zijn in de overige regio’s in Nederland extra klassen uit het
tweede en vierde leerjaar geselecteerd.

Respons
Deze procedure resulteerde in een netto steekproef van 61 scholen voor het basis-
onderwijs (bruto steekproef: 111 scholen, respons percentage: 55%). De gerealiseerde
steekproef was daarmee gelijk aan de beoogde steekproef.
De vragenlijst werd in het basisonderwijs afgenomen in 102 klassen met in totaal
2310 leerlingen. Een klein aantal, te weten 96 leerlingen (3,9%), was wegens ziekte of
andere reden niet aanwezig tijdens de afname.

Voor het voortgezet onderwijs bestond de netto steekproef uit 153 scholen (bruto
steekproef 267 scholen, respons percentage: 57%). De gerealiseerde steekproef
was daarmee van voldoende omvang en iets groter dan de minimaal benodigde
steekproef. Scholen die geweigerd hadden verschilden niet significant van de
deelnemende scholen in schoolgrootte en schoolniveau van de gehele school. Het
percentage allochtonen en geschatte percentage leerlingen uit gezinnen met een
lage sociaal economische status was echter bij scholen die weigerden significant
hoger dan bij deelnemende scholen. Als voornaamste reden om niet mee te doen
werd deelname en benadering voor ander onderzoek aangevoerd (59%).
In het voortgezet onderwijs werd de vragenlijst in 354 klassen afgenomen en door
7550 leerlingen ingevuld. Een aantal van 585 leerlingen (7,1%) was wegens ziekte of
met toestemming wegens een andere reden niet aanwezig op het moment van het
onderzoek, 55 leerlingen waren afwezig wegens spijbelen (0,7%).

Beschrijving van de gewogen steekproef

Het wegen van de steekproef


Uit eerder Peilstationsonderzoek kwamen enkele demografische factoren naar voren
die samenhingen met middelengebruik, te weten geslacht, stedelijkheidsniveau,

17
leeftijd en schoolniveau. Uit vergelijking van de steekproefgegevens met de lande-
lijke CBS gegevens bleek de verdeling in de steekproef van deze factoren in lichte
mate af te wijken van de landelijke verdeling. De steekproef van het basisonderwijs
werd daarom herwogen voor stedelijkheid en geslacht. De steekproef van het voort-
gezet onderwijs werd naast stedelijkheidsniveau en geslacht tevens herwogen voor
leerjaar en schoolniveau.
Tot slot is voor de analyses van het voortgezet onderwijs die alleen betrekking
hebben op scholieren tot en met de leeftijd van 16 jaar, een aparte weegfactor
aangemaakt voor die specifieke leeftijdsgroep (voor de verdeling naar leerjaar,
geslacht schoolniveau en stedelijkheid). De cijfers die verder in dit hoofdstuk worden
genoemd hebben betrekking op de hele steekproef (gewogen).

Leeftijd en geslacht
De steekproef van het basisonderwijs bestaat na herweging voor 51.1% uit jongens.
De gemiddelde leeftijd is 10,7 jaar en gelijk voor jongens en meisjes.
De steekproef van het voortgezet onderwijs bestaat na herweging voor 51,1% uit
jongens. De gemiddelde leeftijd is 14,3 jaar ( jongens: 14,4 en meisjes 14,2 jaar).

Stedelijkheid
Voor het bepalen van de stedelijkheid van de woonplaats van de respondent is
gebruik gemaakt van de postcode van de leerling en CBS-gegevens over de het
stedelijkheidsniveau van gemeenten in Nederland (tabel 2.1).

Tabel 2.1 Stedelijkheidsniveau naar onderwijstype 1 (aantal respondenten, %)

Basisonderwijs Voortgezet onderwijs


N % N %
Zeer sterk stedelijk 345 14.9 1142 15.1
Sterk stedelijk 611 26.4 2041 27.0
Matig stedelijk 511 22.1 1670 22.1
Weinig stedelijk 535 23.2 1745 23.1
Niet stedelijk 308 13.3 952 12.6

1
Stedelijkheid van de gemeente waar de respondenten wonen

Etnische afkomst
De etnische afkomst is bepaald op basis van het geboorteland van de respondent,
diens vader en moeder. Hierbij is de CBS-methodiek gehanteerd: een respondent
wordt tot een andere etnische groep dan de Nederlandse gerekend als hij/zij
zelf niet in Nederland is geboren óf als één van beide ouders niet in Nederland is
geboren. Wanneer de respondent én één of beide ouders in het buitenland zijn

18
geboren is de etnische afkomst gelijk aan het geboorteland van de respondent.
Wanneer de respondent in Nederland en beide ouders in het buitenland zijn geboren
is het geboorteland van de moeder bepalend. Er werden zeven etnische groepen
onderscheiden (tabel 2.2): Nederlands, Surinaams, Antilliaans/Arubaans, Marokkaans,
Turks, overig westers en overig niet westers (conform CBS).

Op het basisonderwijs is bijna een kwart van de leerlingen van niet-Nederlandse


afkomst en op het voortgezet onderwijs bijna een vijfde.

Tabel 2.2 Etnische groep naar onderwijstype (aantallen, %)

Basisonderwijs Voortgezet onderwijs


N % N %
Nederlands 1815 78.8 6154 81.8
Surinaams 64 2.8 169 2.2
Antilliaans/Arubaans 19 0.8 83 1.1
Marokkaans 56 2.4 125 1.7
Turks 73 3.2 207 2.8
Overig westers 132 5.7 463 6.2
Overig niet westers 143 6.2 319 4.2

Geloofsovertuiging
Meer dan de helft van de leerlingen is niet gelovig opgevoed: 52% van de leerlingen
in het basisonderwijs en 62% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs.
De overige leerlingen in het basisonderwijs worden protestants/christelijk opgevoed
(19%), rooms-katholiek (18%), islamitisch (8%), of met een ander geloof (1%). In het
voortgezet onderwijs is deze verdeling als volgt: protestants/christelijk (17%), rooms-
katholiek (14%) islamitisch (6%), ander geloof (2%).

Schoolniveau
Omdat niet elk schoolniveau evenveel leerjaren telt zijn de leeftijdsgroepen niet
gelijk over de schoolniveaus verdeeld. Een ruime meerderheid van de leerlingen van
17 jaar en ouder zit op het VWO en HAVO. De oudere leerlingen die wél op het VMBO
zitten is ook een specifieke groep omdat het zittenblijvers betreft.

19
Tabel 2.3 Verdeling leeftijd naar schoolniveau voor het voortgezet onderwijs 1 (%)

12 jaar 13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar 17 jaar Totaal


en ouder
VMBO-beroeps/ 22.5 23.0 22.5 22.9 17.2 4.1 20.2
kaderberoeps
VMBO-theoretisch/ 39.0 37.0 32.3 28.8 17.4 3.4 28.7
gemengd
HAVO 29.0 22.1 21.6 24.8 36.4 36.1 26.9
VWO 9.5 17.9 23.5 23.5 29.0 56.4 24.2

1
bij combinatieklassen is het schoolniveau naar beneden ingedeeld. Bijvoorbeeld: de combinatie
VMBO-t/HAVO is ingedeeld bij VMBO-t.

Uitsluiten van steekproefvertekening ten opzichte van 2003


In afwijking van 2003 zijn voor het berekenen van de weegfactoren de leerlingen die
leerweg ondersteunend onderwijs (LWOO) ontvangen niet meegerekend. Deze extra
ondersteuning wordt vooral gegeven aan scholieren in het laagste onderwijsniveau,
dat wil zeggen van de kader- en basisberoepsgerichte leerweg van het VMBO
(VMBO-b). Dit betekent dat in vergelijking met 2003 het aandeel van de VMBO-b
leerlingen in 2007 wat kleiner is geworden. We hebben twee controles uitgevoerd
om na te gaan of dit tot een vertekening van de trends zou kunnen leiden: (1) een
herweging van de steekproef van 2003, maar dan zonder meetelling van de LWOO
leerlingen (2) een zodanige herweging van de steekproef van 2007 dat de verdeling
(naar leeftijd, geslacht, schooltype, stedelijkheid) exact gelijk is aan de gewogen
steekproef in 2003. Vergelijking van de resultaten toonde aan dat prevalenties bere-
kend volgens de verschillende methodes slechts in zeer lichte mate verschillen en ten
aanzien van de trends niet tot andere conclusies zouden leiden. Na herwegen van de
steekproef in 2003, zonder het meerekenen van de LWOO leerlingen (controle 1),
bedroeg de lifetime prevalentie van alcoholgebruik 85% versus 84,6 in de gerap-
porteerde cijfers (met meerekenen van de LWOO leerlingen). Ook prevalenties van
alcohol naar leeftijd verschilden nauwelijks in beide methoden (variërend van geen
verschil onder de 12-jarigen tot 0,7 procent voor de 16 jarigen). De verschillen in de
prevalenties van roken waren van eenzelfde orde als voor alcohol. Voor cannabis
verschilden de prevalenties in nog mindere mate en voor de harddrugs waren ze
miniem (0 tot maximaal 0,2%).
De tweede controle die werd uitgevoerd, het herwegen van de steekproef van 2007
naar exact dezelfde verdeling als de steekproefverdeling in 2003 gaf een verge-
lijkbaar resultaat. Voor de maandprevalentie van alcohol vinden we het grootste
verschil, deze ligt in de controleberekening (dus na herweging naar de verdeling van
2003) 2,1% hoger (50,5 versus 48,4 gerapporteerd). De maandprevalentie van roken

20
daarentegen is in beide berekeningen exact gelijk, die van cannabis verschilt 0,4%,
terwijl voor heroïne, XTC, cocaïne, amfetamine en paddo’s geen enkel verschil wordt
gevonden.
Geconcludeerd kan worden dat de steekproef zeer robuust is voor kleine veran-
deringen in de samenstelling van de steekproef en de trends zoals gerapporteerd
daarmee zeer betrouwbaar zijn.

Dataverzameling

De vragenlijsten
De gegevens werden verzameld met een schriftelijke vragenlijst: één versie voor het
voortgezet onderwijs en één voor het basisonderwijs. De versie voor het basisonderwijs
was minder uitgebreid dan die voor het voortgezet onderwijs. De kern van de vragenlijst
bestaat uit vragen naar het gebruik van tabak, alcohol, drugs en naar gokken.
In het voortgezet onderwijs is van alle middelen het gebruik in het hele leven
(de lifetime-prevalentie), het gebruik in het jaar voorafgaand aan het onderzoek
( jaarprevalentie) en het gebruik in de vier weken voorafgaand aan het onderzoek
(maandprevalentie) gemeten. In het basisonderwijs is de jaarprevalentie niet
gemeten en is de maandprevalentie alleen voor alcohol en tabak nagevraagd. In het
basisonderwijs is niet gevraagd naar het gebruik van harddrugs en paddo’s.

Naast de vragen rond het gebruik van middelen zijn tevens in beide vragenlijsten
vragen opgenomen over achtergrondkenmerken van de respondent, zoals de gezins-
situatie, spijbelen, zakgeld, vrijetijdsactiviteiten, kleine criminaliteit en geestelijke
gezondheid. Over deze gegevens zal in toekomstige publicaties wordt gerapporteerd.
Dit rapport richt zich op de kerngegevens over middelengebruik.

De vragenlijst die voor dit onderzoek werd gebruikt week op enkele punten af van
de versie die voor het vorige onderzoek in 2003 werd gebruikt. De formulering van
enkele vragen is verbeterd en op grond van actuele ontwikkelingen zijn enkele
vragen toegevoegd danwel geschrapt. De vragen die de prevalentie van het midde-
lengebruik meten zijn niet veranderd zodat de resultaten hiervan goed vergelijkbaar
zijn met eerder Peilstationsonderzoek.

Afname van de vragenlijsten


Net als in voorgaande onderzoeken werd de vragenlijst schriftelijk en klassikaal afge-
nomen onder begeleiding van een onderzoeksassistent van het Trimbos-instituut
of door een medewerker van de GGD. GGD medewerkers en onderzoeksassistenten
kregen gedurende een dagdeel instructie over de uitvoering van het onderzoek.
Er werd met name aandacht besteed aan de afname van de vragenlijsten. Om
uniformiteit van de afname verder te waarborgen ontvingen de GGD medewerkers

21
en onderzoeksassistenten tevens alle relevante informatie op schrift. Dit betrof
onder andere een standaardtekst voor de introductie van de vragenlijst, instructies
over de wijze waarop de afname moest plaatsvinden en hoe op eventuele vragen
van leerlingen geantwoord moest worden. De afname vond plaats in de periode
oktober-november 2007.

Analyses

Correctie voor clustereffecten


Bij het analyseren van de data is rekening gehouden met de weging van het
databestand en de klassikale afname. Klassikale afname leidt tot clustering van de
data omdat leerlingen uit dezelfde klassen kenmerken met elkaar delen. Leerlingen
zijn daarom niet als individuele steekproefeenheden te beschouwen. Het statistisch
pakket dat voor de analyses gebruikt werd: Stata (versie 9.2), houdt met beide
aspecten van de dataset, weging en clustering, rekening waardoor correcte betrouw-
baarheidsintervallen worden berekend.
Verschillen waarbij de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van twee percentages
elkaar niet overlappen zijn significant. Als in de tekst verschillen worden genoemd
die opvallend zijn, maar niet significant zal dit in de tekst altijd worden vermeld.

Analyse van de leeftijd van eerste gebruik


Aan de leerlingen van het voortgezet onderwijs is voor verschillende middelen
gevraagd op welke leeftijd zij deze voor het eerst (frequent) zijn gaan gebruiken.
Voor een aantal leerlingen zal gelden dat zij (nog) niet begonnen zijn met het gebruik
van het betreffende middel, maar dit op enig moment later wel gaan doen. Dat wordt
echter in het onderzoek niet gemeten (censurering). Onder jongere leerlingen zal
deze censurering vaker voorkomen dan onder oudere leerlingen. De analysetechniek
die voor dit soort gegevens is gebruikt, Kaplan Meier survival analyse, houdt met dit
effect rekening. Kaplan Meier resulteert in cumulatieve incidenties (%), dat betekent
dat de figuren in dit rapport als volgt moeten worden gelezen: de percentages beho-
rende bij de leeftijden op de y-as geven aan hoeveel procent van de jongeren op deze
leeftijd, of jonger, met het gebruik van het betreffende middel is begonnen.

Schoolniveau
In de analyses zijn vier schoolniveaus onderscheiden: VWO, HAVO, VMBO-theore-
tische of gemengde leerweg (VMBO-t), te vergelijken met het vroegere MAVO en
VMBO-beroepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg (VMBO-b) te vergelijken
met het vroegere (I)VBO. Vooral in de lagere klassen kan er sprake zijn van een
combinatie van, meestal twee, schoolniveaus. In de analyses zijn deze combina-
tieklassen ingedeeld bij het laagste schoolniveau. Een VMBO-t/HAVO klas is dus
ondergebracht bij het schoolniveau VMBO-t.

22
Leeftijd en schoolniveau
Om de relatie tussen schoolniveau en middelengebruik goed te kunnen onderzoeken
zijn de analyses hiernaar beperkt tot leerlingen in de leeftijd tot en met 16 jaar.
De reden hiervoor is dat door het grotere aantal leerjaren op het HAVO (5) en VWO
(6) in vergelijking met het VMBO (4), de leeftijdscategorie van 17 jaar en ouder een
afwijkende samenstelling heeft. Het betreft relatief veel leerlingen van HAVO en
VWO en voorzover het VMBO leerlingen betreft zullen dit vaak zittenblijvers zijn
(tabel 2.3).

Vergelijking met voorgaand Peilstationsonderzoek


In deze publicatie worden, voorzover gemeten, trendgevens gepresenteerd
gebaseerd op de resultaten van de afgelopen zes peilstationsonderzoeken: 1988,
1992, 1996, 1999, 2003 en 2007. Het betreft een vergelijking van de lifetime- en de
maandprevalentie en voor roken en alcohol van gegevens over de mate van gebruik.
In eerdere publicaties zijn van 1992 en 1996 de ongewogen resultaten gepresenteerd.
Om te zorgen voor een optimale vergelijkbaarheid van de gegevens zijn voor deze
rapportage de gegevens van 1992 en 1996 herwogen naar leerjaar, schooltype en
geslacht. Kleine afwijkingen met eerdere publicaties zijn hieruit te verklaren.
In de tekst worden de trendgegevens voor het hele voortgezet onderwijs beschreven,
dat wil zeggen voor de leeftijdsgroep 12 tot en met 18 jaar. Daarnaast worden in de
bijlage de trendgegevens voor de leeftijdsgroep 12 tot en met 16 jaar beschreven.
Omdat deze leeftijdscategorie leerplichtig is, kan deze groep representatief worden
beschouwd voor de Nederlandse jongeren van deze leeftijd.

23
3 Roken

3.1 Roken onder scholieren


• Hoeveel scholieren hebben ooit gerookt?
Van alle leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft 39 procent ooit gerookt:
jongens even vaak als meisjes (figuur 3.1). In het basisonderwijs heeft ongeveer één
op de vijftien leerlingen (7%) ooit gerookt, jongens (8%) vaker dan meisjes (5%).
Het percentage leerlingen dat heeft gerookt stijgt geleidelijk met de leeftijd; op
16-jarige leeftijd heeft ongeveer de helft (52%) van de scholieren tenminste
éénmaal gerookt.

Figuur 3.1 L ifetime-prevalentie van roken, basisonderwijs naar geslacht en


voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Hoeveel scholieren hebben de afgelopen maand gerookt?


Bijna één op de vijf scholieren in het voortgezet onderwijs heeft in de maand
voorafgaand aan het onderzoek nog gerookt (19%), jongens en meisjes verschillen
hierin nauwelijks. Het gebruik stijgt het snelst tussen 12 en 15 jaar, onder de
15- en 16-jarigen heeft een kwart van de scholieren de afgelopen maand gerookt.
In het basisonderwijs heeft bijna geen enkele leerling de afgelopen maand
gerookt (0,7%).

25
Figuur 3.2 M aandprevalentie van roken, basisonderwijs naar geslacht en
voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Hoeveel scholieren roken dagelijks?


Van alle scholieren in het voortgezet onderwijs rookt zeven procent dagelijks een
sigaret: meisjes (7%) ongeveer even vaak als jongens (8%) (figuur 3.3). In het basisonder-
wijs heeft geen enkele leerling aangegeven dagelijks te roken. Onder de 12- en 13-jarigen
in het voortgezet onderwijs zijn nauwelijks dagelijks rokers (<2%). Op de leeftijd van
14 jaar zien we echter een toename; op deze leeftijd is zeven procent dagelijks roker.

Figuur 3.3 D agelijks roken, basisonderwijs naar geslacht en voortgezet


onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

26
• Hoeveel sigaretten roken scholieren gemiddeld per dag?
Het percentage scholieren dat gemiddeld meer dan 10 sigaretten per dag rookt is
beperkt (4%); jongens en meisjes verschillen wat dit betreft nauwelijks (figuur 3.4).
Ongeveer zeven procent van alle scholieren kan gekarakteriseerd worden als lichte
rokers, zij roken gemiddeld minder dan één sigaret per dag. De overige groep rokers
(7%) rookt gemiddeld 1-10 sigaretten per dag.

Figuur 3.4 H et gemiddeld aantal sigaretten per dag in de afgelopen maand,


naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS     












JR JR JR JR JR  JR 4OTAAL

 MEISJES     












JR JR JR JR JR  JR 4OTAAL

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Op welke leeftijd beginnen scholieren met roken?


Van alle scholieren van het voortgezet onderwijs zegt één op de tien voor het eerst
een sigaret te hebben gerookt toen zij 11 jaar of jonger waren; jongens iets vaker dan
meisjes (figuur 3.5). De helft van de scholieren (53%) is op 16-jarige leeftijd of jonger
met roken begonnen, dit betreft iets meer meisjes (55%) dan jongens (50%). Vanaf
15 jaar begint de curve af te vlakken, er komen maar weinig nieuwe rokers bij.

27
Dit betekent dat voor de leerlingen die op 16-jarige leeftijd nog niet zijn begonnen
met roken de kans klein is dat zij dit op 17-jarige leeftijd alsnog gaan doen.

Figuur 3.5 C umulatieve incidentie van eerste keer roken in het voortgezet
onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












JR JR JR JR JR JR JR JR JR

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
1 

zijn gaan roken.

• Op welke leeftijd beginnen scholieren met dagelijks roken?


Bijna geen enkele leerling van het voortgezet onderwijs (1%) zegt op 11-jarige leeftijd
of jonger begonnen te zijn met dagelijks roken; meisjes en jongens verschillen hierin
niet (figuur 3.6). Een beperkt deel van de leerlingen (6%) zegt met dagelijks roken te
zijn begonnen toen zij 13 jaar of jonger waren. Tussen het 13e en 14e jaar verdubbelt dit
percentage naar twaalf procent en stijgt daarna geleidelijk met de leeftijd. Een kwart
(25%) van alle scholieren is op 17 jarige leeftijd of jonger begonnen met dagelijks roken.

28
Figuur 3.6 C umulatieve incidentie van eerste keer dagelijks roken in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












JR JR JR JR JR JR JR JR JR

1 
percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
dagelijks is gaan roken.

• Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het voorkomen van roken?


VMBO-b leerlingen hebben de meeste ervaring met roken; bijna de helft (46%) van
de VMBO-b leerlingen heeft ooit gerookt en bijna één op de vier (23%) nog in de
afgelopen maand (figuur 3.7). Dat is beduidend meer dan op alle andere school-
niveaus (verschil met VMBO-t niet significant). Onder de VWO leerlingen worden
de minste rokers aangetroffen (verschillen in lifetime- en maandprevalentie zijn
significant voor het VMBO-t, maar niet voor de HAVO).

Figuur 3.7 L ifetime- en maandprevalentie van roken naar schoolniveau


en geslacht, 12 t/m 16 jaar 1 (%)

 LIFETIME JONGENS MEISJES  MAAND JONGENS MEISJES

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

29
Ook het percentage dagelijkse rokers is met elf procent het hoogst op het VMBO-b
(verschil met VMBO-t niet significant) (figuur 3.8). Onder de leerlingen van het VWO
bevinden zich de minste dagelijkse rokers (2%), dat is een factor vijf minder dan op
het VMBO-b. Op geen van de schooltypen zijn duidelijke verschillen tussen jongens
en meisjes in het percentage dagelijkse rokers.

Figuur 3.8 Dagelijks roken naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar 1 (%).

 JONGENS MEISJES












6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

• Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het voorkomen van roken?


Marokkaanse scholieren hebben in vergelijking met scholieren van Nederlandse
of een andere etnische afkomst, de minste ervaring met het roken van een sigaret
(figuur 3.9). Dit geldt voor zowel jongens als meisjes. Alle andere etnische groepen
hebben ongeveer net zoveel ervaring met roken als de Nederlandse scholieren.
Het percentage leerlingen dat de afgelopen maand nog heeft gerookt is wederom
het laagst onder Marokkaanse scholieren (9%) maar het verschil is alleen significant
met de scholieren van Nederlandse afkomst (19%) (figuur 3.9).

30
Figuur 3.9 L ifetime- en maandprevalentie van roken in het voortgezet onderwijs
naar etnische afkomst en geslacht (%)

 LIFETIME JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

 MAAND JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

Onder de Marokkaanse scholieren vinden we ook voor het dagelijks roken het
laagste percentage (4%), vooral onder de Marokkaanse meisjes zijn nauwelijks dage-
lijkse rokers (2%). Door de kleine aantallen zijn de verschillen tussen Marokkaanse en
Nederlandse scholieren echter niet significant (figuur 3.10). Het aandeel dagelijkse
rokers is onder Turkse meisjes (15%) hoger dan onder de meisjes van Nederlandse
afkomst (7%). Het verschil tussen Turkse en Nederlandse jongens is niet significant.

31
Figuur 3.10 D agelijks roken in het voortgezet onderwijs naar etnische
afkomst en geslacht (%).

 LIFETIME JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

• Hoeveel scholieren denken in de toekomst te gaan roken?


Van de leerlingen van het voortgezet onderwijs die de afgelopen maand niet hebben
gerookt, denkt ruim de helft (59%) dat in de toekomst ook zeker nooit te zullen gaan
doen; jongens (62%) vaker dan meisjes (57%). Een kwart (25%) zegt waarschijnlijk
nooit te zullen gaan roken (meisjes (26%) en jongens (24%) ongeveer even vaak).
Minder dan één procent van de leerlingen die de afgelopen maand niet heeft
gerookt denkt dat in de toekomst zeker wel te gaan doen, vier procent misschien,
en twaalf procent weet het niet.
Op heb basisonderwijs denkt driekwart (78%) van de leerlingen die de afgelopen
maand niet hebben gerookt dat zij dit waarschijnlijk (20%) dan wel zeker (58%) in
de toekomst ook niet zullen gaan doen. Slechts 0,3 procent zegt zeker wel te zullen
gaan roken, vier procent misschien en zeventien procent weet het niet.

• Hoeveel scholieren hebben een ‘niet roken’ afspraak?


Ruim een kwart (27%) van alle leerlingen van het voortgezet onderwijs zegt met de
ouders een afspraak te hebben om tot een bepaalde leeftijd niet te zullen gaan roken,
één procent zegt een ‘niet roken’ afspraak te hebben met school en drie procent met
iemand anders. Op het basisonderwijs heeft één derde (32%) een ‘niet roken’ afspraak
met de ouders, 0,6 procent met de school en twee procent met iemand anders.

• Hoeveel scholieren roken thuis of zouden het mogen?


Van alle leerlingen van het voortgezet onderwijs zegt vier procent thuis te roken en
zeventien procent zegt het thuis te mogen, maar het niet te doen. Tot de leeftijd van
13 jaar rookt bijna geen enkele scholier thuis, op 14-jarige leeftijd zegt drie procent
thuis te roken en van de 15-jarigen zegt ongeveer één op de vijftien scholieren dit
te doen. Het percentage leerlingen dat thuis rookt is het hoogst onder de VMBO-b
leerlingen (8%) en het laagst onder de VWO leerlingen (1%).

32
3.2 De rokers nader bekeken
In deze paragraaf worden de gegevens van de scholieren die in de maand voorafgaand
aan het onderzoek hadden gerookt (verder aangeduid als ‘actuele gebruikers’ of ‘rokers’)
nader geanalyseerd. De resultaten worden gepresenteerd naar leeftijd, geslacht en
schoolniveau, maar niet naar etnische afkomst. De aantallen gebruikers per etnische
groep bleken namelijk te klein om subgroepanalyses op dit niveau te kunnen doen.

• Hoeveel sigaretten worden gemiddeld gerookt?


Van alle scholieren die de afgelopen maand hebben gerookt, heeft veertig procent
gemiddeld minder dan een sigaret per dag gerookt; evenveel jongens als meisjes
(figuur 3.11). Een op de vijf rokers rookt gemiddeld meer dan tien sigaretten per dag.
De groep overige rokers (40%) zit daar tussen in, dat wil zeggen dat zij gemiddeld
één tot tien sigaretten per dag roken. Op 12-jarige leeftijd rookt vier procent van
de rokende jongens meer dan tien sigaretten per dag, op 16-jarige leeftijd is dit
toegenomen tot 21 procent. Bij de meisjes bedragen deze percentages respectievelijk
vijf en zeventien.

Figuur 3.11 S cholieren die roken (gerookt in de afgelopen maand).


Aantal sigaretten per dag naar leeftijd 1 en geslacht (%).
(zie meisjes pagina 34)

 JONGENSROKERS    SIGARETTEN












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

 MEISJESROKERS    SIGARETTEN












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/
33







JRVervolg JR
Figuur 3.11 JR JR JR  JR 4OT6/

 MEISJESROKERS    SIGARETTEN












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het aantal sigaretten dat wordt gerookt?
Het gemiddeld aantal sigaretten dat wordt gerookt lijkt af te nemen met het stijgen
van het schoolniveau (figuur 3.12). Onder de rokers op VMBO-b zijn aanzienlijk meer
zware rokers (dat wil zeggen gemiddeld meer dan tien sigaretten per dag) dan onder
de rokers op het VWO (en HAVO, maar dit verschil is niet significant).

Figuur 3.12 S cholieren die roken (gerookt in de afgelopen maand).


Aantal sigaretten per dag naar schoolniveau en geslacht (%)

JONGENSROKERS    SIGARETTEN MEISJESROKERS    SIGARETTEN

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

34
• Hoe komen scholieren aan sigaretten?
Op de vraag ‘waar koop je meestal sigaretten/shag?’(meerdere antwoorden moge-
lijk) antwoordt één derde (34%) van de rokers, dat zij het nooit zelf kopen. Eén op de
vijf (20%) zegt sigaretten of shag te kopen bij de supermarkt. Ook de benzinepomp
(19%) en in mindere mate de tabakswinkel (13%) worden vaak genoemd. Slechts een
beperkt aantal rokende scholieren koopt sigaretten of shag in een snackbar (7%) of
café of discotheek (6%).

3.3 Is het roken in de periode 1988-2007 veranderd?


Na een redelijk stabiel beeld in de periode 1988-1999, met als uitzondering een
stijging in 1996 van het aantal meisjes dat ooit heeft gerookt, zien we vanaf 1999
een duidelijke daling van de lifetime-prevalentie (van 55% in 1999 naar 45% in 2003
naar 39% in 2007) (figuur 3.13). Deze daling doet zich bij jongens en meisjes in vrijwel
gelijke mate voor.

Figuur 3.13 Trends in lifetime-prevalentie van roken naar onderzoeksjaar en


geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) (%, 95% betrouwbaarheidsintervallen)

 JONGENS MEISJES









     

De maandprevalentie vertoont een wat wisselend beeld in de periode 1988-2003 en


verschilt voor jongens en meisjes (figuur 3.14). Onder de jongens nam de maand­
prevalentie in 1992 toe, bleef vervolgens stabiel tot 1999, daalde vervolgens sterk van
27 procent naar 18 procent in 2003 en stabiliseert vervolgens in 2007 (19%). Onder
de meisjes zien we een toename van de maandprevalentie in 1996 naar 31 procent,
gevolgd door een licht dalende trend naar een percentage van 22 procent in 2003 en
achttien in 2007.

35
Figuur 3.14 Trends in de maandprevalentie van roken naar onderzoeksjaar
en geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) (%, 95% betrouwbaarheidsintervallen)

 JONGENS MEISJES










     

De prevalentie van dagelijks roken vertoont een piek in 1996, waarna een daling inzet,
die ook in 2007 nog lijkt aan te houden (figuur 3.15 De verschillen tussen jongens en
meisjes zijn in 2007, net als in de voorgaande jaren, klein en niet significant.

Figuur 3.15 Trends in het dagelijks roken naar onderzoeksjaar en geslacht


onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar)
(%, 95% betrouwbaarheidsintervallen)

 JONGENS MEISJES










     

Onder de dagelijkse rokers is het percentage dat gemiddeld meer dan tien siga-
retten per dag rookt in de periode 1992-2007 vrij constant, met name onder de
meisjes (figuur 3.16). Binnen de groep dagelijks rokers, was in 2003 het percentage
dat meer dan tien sigaretten per dag rookt bij de jongens (41%) hoger dan bij de

36
meisjes (31%). In 2007 is dit verschil door een daling bij de jongens en een lichte
stijging bij de meisjes veel kleiner geworden (36% onder de jongens en 34% onder
de meisjes).

Figuur 3.16 S cholieren die dagelijks roken.


Trends in het roken van meer dan tien sigaretten per dag naar
­o nderzoeksjaar en geslacht (%, 95% betrouwbaarheidsintervallen)

 JONGENS MEISJES














    

3.4 De belangrijkste feiten en trends


• De dalende trend in het aantal scholieren dat ooit heeft gerookt heeft zich in
2007 verder voortgezet. Het percentage scholieren dat ervaring heeft met roken
bevindt zich hiermee op het laagste niveau sinds 1988.
• Het aantal scholieren dat de afgelopen maand nog heeft gerookt daalde tussen
1999 en 2003 en stabiliseert zich in 2007 op negentien procent.
• Het aantal scholieren dat dagelijks rookt nam tussen 1999 en 2003 af van dertien
procent naar negen procent en lijkt zich in 2007 te stabiliseren (7%).
• Net als in voorgaande metingen verschillen jongens en meisjes niet of nauwelijks
in de prevalentie van (dagelijks) roken.
• Het roken verschilt tussen de schoolniveaus: onder leerlingen van het VMBO-b
bevinden zich de meeste (dagelijks) rokers, tevens roken zij de meeste sigaretten
per dag.
• Onder leerlingen van Marokkaanse afkomst zijn minder rokers dan onder leer-
lingen van Nederlandse afkomst.
• Dagelijks roken lijkt het meest voor te komen onder Turkse leerlingen, met name
onder de meisjes is het percentage hoog.

37
4 Alcohol

4.1 Alcoholgebruik onder scholieren


• Hoeveel scholieren drinken alcohol?
Van alle leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft 79 procent ooit alcohol
gedronken: ongeveer evenveel meisjes (77%) als jongens (81%) (figuur 4.1). In groep
7 en 8 van de basisschool heeft ruim een derde van de leerlingen (36%) al eens
gedronken: jongens meer dan meisjes (43% versus 28%).
Zoals verwacht doen zich grote leeftijdsverschillen voor. Op 12-jarige leeftijd heeft
ruim de helft van de leerlingen in het voortgezet onderwijs ervaring met het drinken
van alcohol. Gedurende de daaropvolgende jaren neemt het alcoholgebruik sterk
toe, tot op 15-jarige leeftijd 89 procent al eens alcohol heeft gedronken. Vanaf 15 jaar
neemt dit percentage geleidelijk nog iets verder toe.
Verschillen tussen jongens en meisjes zien we alleen bij de jongste leeftijdsgroepen.
Onder kinderen in groep 7 en 8 van de basisschool en 12-jarigen hebben meer
jongens dan meisjes ervaring met alcohol. Bij de oudere leeftijdscategorieën is het
verschil tussen jongens en meisjes niet significant.

Figuur 4.1 L ifetime-prevalentie van alcoholgebruik, basisonderwijs naar geslacht


en voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

39
De helft (51%) van de leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft in de maand vooraf-
gaand aan het onderzoek alcohol gedronken (figuur 4.2). In het basisonderwijs geldt dit
voor bijna één op de tien (9%) leerlingen. Het alcoholgebruik in de afgelopen maand stijgt
sterk tot de leeftijd van 15 jaar. Daarna neemt de stijging iets af.
Net als bij het gebruik ooit in het leven hebben in groep 7 en 8 van de basisschool meer
jongens dan meisjes de afgelopen maand alcohol gedronken. Vanaf de eerste klas van
het voortgezet onderwijs is het verschil tussen jongens en meisjes klein en niet meer
significant.

Figuur 4.2 M aandprevalentie van alcoholgebruik, basisonderwijs naar


geslacht en voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Van alle middelbare scholieren heeft bijna één op de drie (30%) in de afgelopen vier
weken 3 keer of vaker alcohol gedronken; jongens en meisjes verschillen hierin niet
van elkaar. Zes procent van de jongeren heeft in deze periode zelfs 11 keer of vaker
alcohol gedronken. Dit zeer frequente alcoholgebruik komt onder jongens (8%) meer
voor dan onder meisjes (4%).

• Hoeveel scholieren zijn wel eens dronken?


In het basisonderwijs komt dronkenschap nog nauwelijks voor: drie procent van de
leerlingen is ooit dronken of aangeschoten geweest, meer jongens (4%) dan meisjes
(2%) (figuur 4.3). Van de leerlingen van het voortgezet onderwijs is bijna de helft (43%)
tenminste één maal in het leven dronken of aangeschoten geweest, evenveel jongens
en meisjes. Het percentage neemt toe met de leeftijd tot op 17-18 jarige leeftijd 84
procent van de leerlingen wel eens dronken of aangeschoten is geweest.
Van alle middelbare scholieren zegt elf procent in het hele leven meer dan tien keer
dronken of aangeschoten te zijn geweest: meer jongens (13%) dan meisjes (8%). Op de
basisschool blijft dronkenschap bijna altijd beperkt tot één of twee keer in het leven.

40
Figuur 4.3 L ifetime-prevalentie van dronkenschap, basisonderwijs naar
geslacht en voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Ruim één vijfde (22%) van de leerlingen van het voortgezet onderwijs is in de maand
voorafgaand aan het onderzoek dronken of aangeschoten geweest (figuur 4.4).
Net als bij de lifetime-prevalentie is er geen verschil tussen jongens en meisjes.
Alleen op 17-18 jarige leeftijd zijn er meer jongens (63%) in de afgelopen maand
dronken geweest dan meisjes (44%).

Figuur 4.4 M aandprevalentie van dronkenschap in het voortgezet onderwijs


naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

41
• Hoeveel scholieren drinken wel eens 5 glazen of meer bij één gelegenheid
(‘binge drinken’)?
Ruim één derde (36%) van de leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft in de
maand voorafgaand aan het onderzoek wel eens 5 glazen of meer bij één gelegen-
heid gedronken (het zogenaamde binge drinken), ongeveer evenveel meisjes als
jongens (figuur 4.5). Het binge drinken in de afgelopen vier weken stijgt bij zowel
meisjes als jongens sterk tussen de 13 en 15 jaar. Na het 15e jaar blijft het binge
drinken onder jongens sterk stijgen, maar neemt de stijging bij meisjes iets af.
Tot 15 jaar is er geen verschil in binge drinken tussen jongens en meisjes.
Vanaf 16 jaar komt binge drinken echter vaker voor bij jongens dan bij meisjes.

Figuur 4.5 M aandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij
één gelegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs,
naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Hoeveel drinken scholieren?


De scholieren is gevraagd op hoeveel doordeweekse en weekend dagen ze meestal
alcohol drinken en hoeveel glazen ze dan op zo’n dag drinken. Hieruit is het totaal
aantal glazen berekend dat in het weekend, doordeweek en gedurende de hele week
wordt gedronken. Dit wijkt af van het vorige Peilstationsonderzoek (Monshouwer et
al., 2004), waarin het aantal dagen dat alcohol werd gedronken en het aantal glazen
per dag, afzonderlijk werden gerapporteerd.

Het aantal glazen dat in het weekend gedronken wordt neemt sterk toe met het
stijgen van de leeftijd (bijlage, tabel 6). Op 12-jarige leeftijd drinkt negen procent van de
jongeren in het weekend 1 tot 4 glazen alcohol en slechts één procent 5 glazen of meer.
Op 14-jarige leeftijd drinkt al zestien procent 5 glazen of meer in een weekend, en op

42
16-jarige leeftijd is dit gestegen tot bijna de helft van alle jongeren (48%).
Tot en met 14-jarige leeftijd zijn er tussen jongens en meisjes geen verschillen in het
aantal glazen dat in het weekend wordt gedronken (figuur 4.6). Vanaf 15 jaar stijgt
het aantal glazen echter sterker bij jongens dan bij meisjes. Op 16-jarige leeftijd
drinkt achttien procent van de jongens 21 of meer glazen alcohol in het weekend;
bij meisjes geldt dit voor vier procent.
Het grootste deel van het alcoholgebruik vindt plaats in het weekend. De totale
alcoholconsumptie per week is daardoor niet veel hoger dan de consumptie in het
weekend. Jongens drinken wel meer doordeweek dan meisjes, met name op oudere
leeftijd (bijlage, tabel 8 en 9).

Figuur 4.6 G emiddeld aantal glazen dat scholieren in het weekend drinken in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS        OFMEER












JR JR JR JR JR  JR

 MEISJES        OFMEER












JR JR JR JR JR  JR

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

43
• Op welke leeftijd beginnen scholieren met het drinken van alcohol?
Aan de scholieren van het voortgezet onderwijs is gevraagd op welke leeftijd zij voor
het eerst alcohol hebben gedronken. Zestien procent zegt 11 jaar of jonger geweest
te zijn toen zij hun eerste drankje dronken, bijna tweemaal zoveel jongens (20%) als
meisjes (12%) (figuur 4.7). Op 14-jarige leeftijd zijn de aanvankelijke sekseverschillen
verdwenen. De meeste scholieren beginnen met drinken als zij tussen de 11 en 15
jaar oud zijn; 85 procent van de leerlingen heeft op 15-jarige leeftijd, of jonger kennis
gemaakt met alcohol. Vanaf 15 jaar vlakt de curve af, dat wil zeggen dat de kans
afneemt dat jongeren die dan nog niet met drinken zijn begonnen, dat alsnog
gaan doen.

Figuur 4.7 C umulatieve incidentie van alcoholgebruik in het voortgezet


onderwijs naar leeftijd eerste gebruik en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












JR JR JR JR JR JR JR JR JR

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor
1 

het eerst alcohol heeft gedronken.

Aan leerlingen van het voortgezet onderwijs is ook gevraagd op welke leeftijd zij
tenminste elke week alcohol zijn gaan drinken. Er zijn maar weinig scholieren die
aangeven voor het 12e jaar met wekelijks drinken te zijn begonnen (2%) (figuur 4.8).
Vanaf 13 jaar begint het percentage te stijgen. De meeste wekelijkse drinkers zijn
hiermee tussen hun 14e en 16e jaar begonnen. Tussen 16 en 17 jaar vlakt de curve
af, wat wil zeggen dat er op die leeftijd maar weinig nieuwe wekelijkse drinkers
bijkomen.

44
Figuur 4.8 C umulatieve incidentie van wekelijks alcoholgebruik in het voortgezet
onderwijs naar leeftijd eerste gebruik en geslacht (%).

 JONGENS MEISJES












JR JR JR JR JR JR JR JR JR

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
1 

wekelijks is gaan drinken.

Het patroon van de leeftijd waarop leerlingen voor het eerst dronken zijn geworden
komt overeen met dat van wekelijks drinken (bijlage, tabel 12). Het patroon verschilt
alleen in lichte mate op 16-, en 17-jarige leeftijd; het aantal meisjes dat op die leeftijd
of jonger al eens dronken is geweest is wet kleiner dan het aantal meisjes dat al
wekelijks is gaan drinken.

• Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het voorkomen van alcoholgebruik?


Er zijn geen grote verschillen tussen de schoolniveaus in de lifetime- en maand­
prevalentie van alcoholgebruik (figuur 4.9). De prevalenties lijken iets toe te nemen
met het schoolniveau, maar de verschillen zijn niet significant.

45
Figuur 4.9 L ifetime- en maandprevalentie van alcoholgebruik naar
schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar 1 (%)

 LIFETIME JONGENS MEISJES  MAAND JONGENS MEISJES

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

• Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het voorkomen van alcoholgebruik?


Er is een duidelijke samenhang tussen alcoholgebruik en etnische afkomst.
Het percentage scholieren dat ooit in het leven alcohol heeft gedronken is het
laagst onder de scholieren van Marokkaanse afkomst, gevolgd door Turkse scholieren
en scholieren uit de overige niet-westerse landen (figuur 4.10). Scholieren van
Surinaamse, Antilliaans/Arubaanse en overig westerse afkomst verschillen niet van
de Nederlandse scholieren.

Figuur 4.10 L ifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet onderwijs


naar etnische afkomst en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

46
Ook de maandprevalentie van alcoholgebruik is het laagst onder scholieren van
Marokkaanse afkomst, gevolgd door Turkse scholieren en scholieren uit de overige
niet-westerse landen (figuur 4.11). In tegenstelling tot bij de lifetime-prevalentie
hebben ook minder Surinaamse en Antilliaans/Arubaanse scholieren de afgelopen
maand alcohol gedronken dan Nederlandse scholieren. Bij de Surinaamse scholieren
zijn het met name de meisjes waarbij de maandprevalentie lager ligt dan bij
Nederlandse scholieren, terwijl het bij de Antilliaanse/Arubaanse scholieren juist
met name de jongens betreft.

Figuur 4.11 M aandprevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet onderwijs


naar etnische afkomst en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

• Hoeveel scholieren mogen thuis alcohol drinken?


Van de leerlingen van vijftien jaar of jonger in het voortgezet onderwijs mag bijna
één op de vijf (18%) zeker thuis één glas alcohol drinken als de ouders thuis zijn; zes
procent zegt dan zelfs meerdere glazen te mogen drinken (tabel 4.1). Vijftien procent
van de leerlingen mag op een feestje met vrienden zeker alcohol drinken.
Naarmate jongeren ouder worden, worden ouders minder streng. Er zijn hierbij geen
verschillen tussen jongens en meisjes. Op 15-jarige leeftijd mag ruim één derde van
de kinderen (38%) zeker thuis één glas alcohol drinken. Bijna één op de zes (16%)
mag thuis meerdere glazen drinken. Eén derde (36%) mag op deze leeftijd op een
feestje met vrienden alcohol drinken.

47
Tabel 4.1 S cholieren die van de ouders zeker alcohol mogen drinken in
verschillende situaties in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd
en geslacht (%).

12 jr 13 jr 14 jr 15 jr 12 t/m 15 jr
J M J M J M J M J M Tot
Mag één glas thuis drinken, als
ouders thuis zijn 3 5 8 11 18 21 40 36 18 19 18
Mag meerdere glazen drinken,
als ouders thuis zijn 2 1 2 2 5 7 17 15 7 6 6
Mag alcohol drinken op een
feestje met vrienden 3 2 6 4 15 14 40 31 17 13 15

• Hoeveel scholieren hebben met hun ouders een afspraak om geen alcohol te drinken?
Ruim een kwart (28%) van de scholieren in groep 7 en 8 van de basisschool
en ruim één op de vijf scholieren van 12 tot en met 15 jaar op het voortgezet
onderwijs (22%) heeft een afspraak met zijn of haar ouders om tot een bepaalde
leeftijd geen alcohol te zullen drinken. Met het stijgen van de leeftijd van het kind
daalt het aantal kinderen dat een afspraak met de ouders heeft. Op 12-13 jarige
leeftijd heeft een kwart (26%) een dergelijke afspraak, op 14-15 jarige leeftijd is dit
gedaald tot minder dan één op de vijf (18%). Er zijn hierbij geen verschillen tussen
jongens en meisjes.

Bij de scholieren die een afspraak met de ouders hebben om tot een bepaalde
leeftijd geen alcohol te drinken, gaat het in de meeste gevallen om een leeftijd
van 16 jaar of ouder (basisschool 88%, voortgezet onderwijs 81%). De overige
scholieren hebben een afspraak om geen alcohol te drinken tot een leeftijd die
lager is dan 16 jaar.

4.2 De alcoholgebruikers nader bekeken


In deze paragraaf worden de gegevens van de scholieren die in de afgelopen maand
alcohol hadden gedronken (verder aangeduid als ‘actuele drinkers’) nader geanalyseerd.
De resultaten worden gepresenteerd naar leeftijd, geslacht en schoolniveau, maar
niet naar etnische afkomst. De aantallen gebruikers per etnische groep bleken
namelijk te klein om subgroepanalyses op dit niveau te kunnen doen.

• Hoe vaak drinken de actuele drinkers alcohol?


Onder de actuele drinkers uit het voortgezet onderwijs heeft 40 procent de afge-
lopen maand slechts één of twee keer alcohol gedronken, bijna de helft (48%) drie

48
tot tien keer en de overige twaalf procent heeft in de afgelopen maand meer dan
tien keer alcohol gedronken. Het alcoholgebruik in de afgelopen maand blijft op de
basisschool bijna altijd (99%) beperkt tot één of twee keer.
Naarmate de leerlingen ouder worden neemt de frequentie van alcoholgebruik toe
(figuur 4.12). Bovendien drinken jongens vaker alcohol dan meisjes. Dit geldt met
name voor de leeftijd van 16 jaar en ouder, dan drinken tweemaal zoveel jongens
(23%) als meisjes (10%) 10 keer of vaker in de afgelopen maand.

Figuur 4.12 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).


Aantal keren alcohol gedronken in de afgelopen maand, basisonderwijs
naar geslacht en voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENSDRINKERS OF TOT KEER












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

 MEISJESDRINKERS OF TOT KEER













"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren
op HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

49
• Hoeveel drinken de actuele drinkers?
Het aantal glazen dat in het weekend gedronken wordt neemt sterk toe met het
stijgen van de leeftijd. Op 12-jarige leeftijd drinken vier van de tien actuele drinkers
nog niet elk weekend alcohol. Bijna de helft (49%) van de 12-jarige drinkers zegt in
het weekend 1 tot 4 glazen alcohol te drinken en acht procent drinkt 5 glazen of
meer. Op 14-jarige leeftijd drinkt al 33 procent van de drinkers 5 glazen of meer in het
weekend, en op 16-jarige leeftijd is dit gestegen tot bijna twee van de drie drinkende
jongeren (61%) (bijlage, tabel 18).
Tot en met 14-jarige leeftijd zijn er geen verschillen tussen jongens en meisjes in het
aantal glazen dat in het weekend wordt gedronken (figuur 4.13). Vanaf 15 jaar stijgt
het aantal glazen echter sterker bij drinkende jongens dan bij drinkende meisjes.
Op 16-jarige leeftijd drinkt bijna een kwart van de drinkende jongens (23%) 21 of
meer glazen alcohol in het weekend; bij meisjes geldt dit voor zes procent.
Het grootste deel van het alcoholgebruik door actuele drinkers vindt plaats in het
weekend. De totale alcoholconsumptie per week is daardoor niet veel hoger dan de
consumptie in het weekend. Drinkende jongens drinken wel meer doordeweek dan
drinkende meisjes, met name op oudere leeftijd (bijlage, tabel 20 en 21).

Figuur 4.13 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).


Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het weekend drinken in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENSDRINKERS        OFMEER












JR JR JR JR JR  JR

 MEISJESDRINKERS        OFMEER











JR JR JR JR JR  JR
50





JR JR JR JR JR  JR

 MEISJESDRINKERS        OFMEER











JR JR JR JR JR  JR

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Hoe vaak zijn de actuele drinkers dronken of aangeschoten?


Van de actuele drinkers is bijna de helft de afgelopen vier weken dronken of aange-
schoten geweest (44%). Ruim één op de vijf (22%) is 2 keer of vaker dronken geweest,
jongens (26%) vaker dan meisjes (18%). Onder jongens blijft de frequentie van
dronkenschap ook na 14-jarige leeftijd sterk toenemen; bij meisjes is dat veel minder
het geval (figuur 4.14).

Figuur 4.14 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand)


Aantal keer dronken in de afgelopen maand in het voortgezet
onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENSDRINKERS     OFVAKER












JR JR JR JR JR  JR

 MEISJESDRINKERS     OFVAKER








51



JR JR JR JR JR  JR





JR JR JR JR JR  JR

 MEISJESDRINKERS     OFVAKER












JR JR JR JR JR  JR

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Hoeveel van de actuele drinkers drinkt wel eens 5 glazen of meer


bij één gelegenheid (‘binge drinken’) ?
Twee derde (68%) van de actuele drinkers heeft de afgelopen vier weken wel eens
5 glazen of meer gedronken bij één gelegenheid (het zogenaamde binge drinken);
iets meer jongens (71%) dan meisjes (65%) (figuur 4.15).
Het binge drinken in de afgelopen vier weken stijgt bij zowel meisjes als jongens
sterk tot het 15e jaar. Na het 15e jaar blijft het binge drinken onder jongens sterk
stijgen, maar neemt de stijging bij meisjes iets af.

Figuur 4.15 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).


Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één
­g elegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd 1
en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren
op HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

52
• Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in hoe vaak en hoeveel er
door de actuele drinkers gedronken wordt?
Het aantal keren dat actuele drinkers in de afgelopen maand alcohol hebben
gedronken verschilt niet tussen de verschillende schoolniveaus (bijlage, tabel 24).
Ook is er geen duidelijk afwijkend patroon in het gemiddeld aantal glazen dat in het
weekend door actuele drinkers wordt gedronken. Wel zijn er enkele verschillen te
constateren in het drinken van grote hoeveelheden (figuur 4.16). Drinkende jongens
op het VWO drinken minder vaak 21 glazen of meer in het weekend dan op de HAVO
(respectievelijk 6% en 17%; het verschil met jongens op het VMBO-b (16%) is net niet
significant). Drinkende meisjes op het VWO drinken minder vaak 21 glazen of meer in
het weekend (1%) dan op het VMBO-b of VMBO-t (respectievelijk 10% en 6%).

Figuur 4.16 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).


Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het weekend drinken in het
voortgezet onderwijs naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16jaar 1 (%)

JONGENSDRINKERS MEISJESDRINKERS
        OFMEER         OFMEER

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede
vergelijkbaarheid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tenslotte zijn er tussen de schoolniveaus ook verschillen in het voorkomen van


binge drinken, het drinken van 5 of meer glazen bij één gelegenheid. Binge drinken
komt op het VMBO-b vaker voor dan op alle andere schoolniveaus. Tachtig procent
van de actuele drinkers op het VMBO-b zegt de afgelopen vier weken wel eens 5 of
meer glazen bij één gelegenheid te hebben gedronken, tegenover 67 procent op het
VMBO-t, 65 procent op de HAVO en 51 procent op het VWO. Deze verschillen tussen
de schoolniveaus gelden voor zowel jongens als meisjes (figuur 4.17).

53
Figuur 4.17 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één
gelegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs naar
schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16jaar 1 (%)

 JONGENS MEISJES












6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

• Hoe vaak komt indrinken voor onder de actuele drinkers?


Ruim één derde van de actuele drinkers (36%) heeft de afgelopen vier weken wel
eens ingedronken. Op 13-jarige leeftijd heeft zeventien procent van de drinkers de
afgelopen vier weken wel eens ingedronken; op 15-jarige leeftijd is dit gestegen tot
36 procent en op 17-18 jarige leeftijd is dit ruim de helft (54%). Er zijn hierbij geen
significante verschillen tussen jongens en meisjes.

Indrinken vindt voornamelijk plaats bij vrienden thuis of in het eigen huis. Negen
van de tien scholieren die de afgelopen vier weken wel eens hebben ingedronken
(90%) heeft dit bij vrienden thuis gedaan en tweederde (65%) in het eigen huis. Ook
indrinken op straat of op een hangplek (44% van de indrinkers) en in een hok, schuur
of keet (30%) komt regelmatig voor.

• Wat drinken de actuele drinkers?


In het basisonderwijs zijn breezers en andere premixen, mixdrankjes en bier de
populairste alcoholische dranken (tabel 4.2). Onder scholieren uit het voortgezet
onderwijs wordt bier het meest gedronken, gevolgd door breezers en mixdrankjes.
Bier is met 45 procent wekelijkse drinkers ook de meest populaire drank onder de
jongens, op afstand gevolgd door breezers (15% wekelijks) en mixdrankjes
(10% wekelijks). Onder meisjes zijn breezers het meest populair (17% wekelijks),
gevolgd door bier (14% wekelijks), wijn (12% wekelijks) en mixdrankjes (11% wekelijks).
Bij enkele soorten alcohol zijn er duidelijke verschillen in preferenties tussen jongens

54
en meisjes. Bier en sterke drank zijn populairder onder jongens, terwijl wijn popu-
lairder is onder meisjes.
Ten opzichte van de vorige meting in 2003 is het wekelijks drinken van breezers
onder scholieren in het voortgezet onderwijs duidelijk afgenomen. In 2003 dronk
29 procent van de drinkers in het voortgezet onderwijs wekelijks breezers, in 2007 is
dit gedaald tot zestien procent. De daling is zichtbaar bij jongens en meisjes en bij
beide leeftijdsgroepen.

Tabel 4.2 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).


Tenminste wekelijks nuttigen van verschillende soorten alcoholische
dranken, basisonderwijs naar geslacht en voortgezet onderwijs naar
leeftijd 1 en geslacht (%) 2

BO 12-13 14-18 Totaal VO


J M Tot J M J M J M Tot
Bier 4 1 3 11 4 52 16 45 14 30
Breezers/premix 6 3 5 11 8 16 18 15 17 16
Mix (zelf gemixt) 3 4 4 5 3 12 13 10 11 11
Shooter 1 0 1 3 2 8 8 7 7 7
Wijn/champagne 3 1 2 0 2 4 14 3 12 7
Likeur3 0 0 0 1 2 7 8 6 7 6
Sterke drank 0 0 0 1 1 5 3 5 2 3
Sherry/port/martini 0 0 0 0 0 2 2 2 2 2

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
Leerlingen konden meer dan één antwoord aankruisen.
3
Omschreven als Pisang Ambon, Passoa enzovoort.

• Waar drinken de actuele drinkers alcohol?


Op de vraag ‘Onder basisschoolleerlingen vindt het alcoholgebruik meestal thuis of bij
familie of vrienden plaats. Er zijn hierin geen verschillen tussen jongens en meisjes.
Op het voortgezet onderwijs vindt alcoholgebruik meestal plaats in de disco, thuis
of bij anderen thuis en in het café (tabel 4.3). Dit geldt ook voor de jongere leeftijds-
categorieën. Er zijn een aantal locaties waar jongens vaker maandelijks drinken dan
meisjes, namelijk thuis, bij anderen thuis, in een hok, schuur of keet, in een sportkan-
tine en op school. Op de overige locaties wordt door meisjes even vaak maandelijks
alcohol gedronken als door jongens.

55
Tabel 4.3 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
L ocaties waar alcoholgebruik ten minste maandelijks plaatsvindt in
het voortgezet onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%)

12-13 14-15 16-18 Totaal VO


J M J M J M J M Tot
Discotheek of club 10 10 32 38 61 67 41 44 42
Bij anderen thuis 11 10 33 27 63 47 42 32 37
Thuis 20 17 35 24 59 42 43 30 36
Café of bar 9 7 24 28 60 59 37 36 36
Op straat, hangplek 9 12 18 17 19 8 17 13 15
In hok, schuur of keet 8 6 19 13 21 9 18 11 14
Sportkantine 2 1 10 4 29 7 16 5 11
Buurthuis of jeugdhonk 4 4 8 6 7 3 7 4 6
School 2 1 2 1 3 0 2 1 2

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Hoe komen scholieren aan alcohol?


Vier van de tien actuele drinkers in het voortgezet onderwijs koopt meestal zelf zijn
of haar alcohol (tabel 4.4). Dit percentage stijgt met de leeftijd. Van de 12-13 jarige
actuele drinkers koopt negen procent de alcohol meestal zelf, bij de 14-15 jarigen is
dit al 28 procent en bij de 16-18 jarigen 75 procent.
Van alle actuele drinkers zegt 23 procent de alcohol meestal van de ouders te krijgen.
Dit percentage neemt juist af met de leeftijd. Van de 12-13 jarigen krijgt 46 procent
de alcohol meestal van de ouders, bij de 14-15 jarigen is dit nog 25 procent en bij de
16-18 jarigen 13 procent.

56
Tabel 4.4 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
H oe komen scholieren meestal aan alcohol in het voortgezet onderwijs,
naar leeftijd 1 en geslacht (%)?

12-13 14-15 16-18 Totaal VO


J M J M J M J M Tot
Koop het meestal zelf 10 7 31 25 78 70 48 39 44
Meestal van vrienden 25 31 37 43 9 13 23 30 26
Meestal van ouders 47 46 27 23 10 15 23 24 23
Meestal van broer of zus 6 4 2 3 1 0 2 2 2
Overig 12 12 3 5 2 1 4 5 4

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
1

en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Waar kopen scholieren alcohol?


Ongeveer een derde van de actuele drinkers koopt maandelijks alcohol in de disco,
nog eens een derde koopt maandelijks alcohol in een café en een kwart in de super-
markt (tabel 4.5). Op de overige locaties wordt in mindere mate alcohol gekocht.
Jongens kopen vaker dan meisjes alcohol in de supermarkt, de slijterij, de sportkan-
tine, de snackbar en in een hok, schuur of keet. Bij de overige verkooppunten kopen
meisjes even vaak alcohol als jongens.

Tabel 4.5 A ctuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).


L ocatie waar minstens maandelijks alcohol wordt gekocht in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%)

12-13 14-15 16-18 Totaal VO


J M J M J M J M Tot
Discotheek of club 5 7 25 30 58 64 36 39 37
Café of bar 6 3 21 23 58 54 34 31 33
Supermarkt 8 5 22 15 46 27 30 18 24
Sportkantine 2 0 8 3 28 7 16 4 10
Hok, schuur of keet 3 3 13 8 12 3 11 5 8
Slijterij 2 1 6 3 17 7 10 4 7
Buurthuis of jeugdhonk 1 1 5 4 4 1 4 3 3
Snackbar 1 0 5 3 6 1 5 2 3

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

57
4.3 I s het alcoholgebruik in de periode 1988-2007
veranderd?
Het aantal scholieren dat ooit alcohol heeft gedronken is in 2007 gedaald ten
opzichte van 2003, met name bij de meisjes (figuur 4.18). Vergeleken met vijftien jaar
geleden (1992) is het aantal scholieren dat ooit alcohol heeft gedronken nog steeds
significant hoger. Over de afgelopen twintig jaar is echter wel sprake geweest van
kleine fluctuaties. De percentages in 2007 zijn bijvoorbeeld niet significant hoger
dan in 1988 of in 1996.

Figuur 4.18 Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet


onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht (%, 95%
betrouwbaarheidsinterval)

 JONGENS MEISJES












     

Ook het gebruik van alcohol in de afgelopen maand is tussen 2003 en 2007 gedaald,
in dit geval alleen significant onder jongens (figuur 4.19). Bij meisjes is de daling net
niet significant. Wanneer de huidige prevalenties (2007) worden vergeleken met die
van vijftien jaar geleden (1992), dan is het gebruik in de laatste maand onder zowel
jongens als meisjes niet significant verschillend.

58
Figuur 4.19 Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, 95% betrouwbaarheidsinterval)

 JONGENS MEISJES












     

Het aantal scholieren dat ooit dronken is geweest, is tussen 2003 en 2007 stabiel
gebleven onder zowel jongens als meisjes (figuur 4.20).

Figuur 4.20 Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap in het


voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, 95% betrouwbaarheidsinterval)

 JONGENS MEISJES














     

Na een daling in de maandprevalentie van dronkenschap onder jongens in de


periode 1999/2003, is deze in 2007 stabiel gebleven (figuur 4.21). Bij meisjes zette de
stabiele lijn zich voort. De maandprevalentie van dronkenschap onder meisjes heeft
sinds 2003 hetzelfde niveau als bij de jongens. Ten opzichte van vijftien jaar geleden
(1992) is de maandprevalentie van dronkenschap bij zowel jongens als meisjes
significant gestegen.

59
Figuur 4.21 Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, 95% betrouwbaarheidsinterval)

 JONGENS MEISJES









     

De maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één gelegenheid
(binge drinken) kan alleen vergeleken worden met 2003. Voor die tijd werd binge
drinken op een andere wijze gemeten, waardoor de gegevens niet vergelijkbaar zijn.
Sinds 2003 is de maandprevalentie van binge drinken stabiel gebleven onder zowel
jongens als meisjes (figuur 4.22).

Eveneens is gekeken naar de ontwikkeling van het binge drinken onder actuele drin-
kers (scholieren die de afgelopen maand alcohol hebben gedronken). Ook dit is tussen
2003 en 2007 stabiel gebleven onder zowel jongens als meisjes (bijlage, tabel 36).

Figuur 4.22 Trends in de maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen
bij één gelegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht (%)

  












JONGENS MEISJES TOTAAL

60
In figuur 4.23 tot en met 4.26 worden de trends verder uitgesplitst naar leeftijd.

De daling in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in 2007 ten opzichte van


de vorige meting in 2003 blijkt na uitsplitsing naar leeftijd alleen aanwezig in
de jongste leeftijdscategorieën, namelijk 12 tot en met 14 jaar (14 jaar net niet
significant) (figuur 4.23). De daling in deze leeftijdscategorieën vond plaats bij zowel
jongens als meisjes. In de oudere leeftijdscategorieën is geen daling zichtbaar van
het aantal scholieren dat ooit alcohol heeft gedronken.

Figuur 4.23 Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het


voortgezet onderwijs naar onderzoeksjaar, leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS        MEISJES      

 

 

 

 

 

 
           

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Bij het gebruik in de afgelopen maand zien we hetzelfde beeld. De daling sinds 2003
is alleen zichtbaar in de jongste leeftijdscategorieën van 12 tot en met 14 jaar
(figuur 4.24). Ook hier vond de daling plaats bij zowel jongens als meisjes.

61
Figuur 4.24 Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet
onderwijs naar onderzoeksjaar, leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS        MEISJES      

 

 

 

 

 

 
           

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Ook bij de lifetime prevalentie van dronkenschap komt hetzelfde beeld naar voren. Er is
sinds 2003 uitsluitend een daling onder de 12- tot en met 14-jarigen (bij meisjes net niet
significant) (figuur 4.25).
Dronkenschap in de afgelopen maand is stabiel in alle leeftijdsgroepen (bijlage, tabel 35).

Figuur 4.25 Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap in het voortgezet


onderwijs naar onderzoeksjaar, leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS        MEISJES      

 

 

 

 

 

 
           

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

62
De daling onder de 12- tot en met 14-jarigen vinden we ten slotte ook bij de maand­
prevalentie van binge drinken (bij 14-jarige meisjes net niet significant). Onder de
oudere leeftijdsgroepen is het binge drinken vergeleken met 2003 stabiel (figuur 4.26).

Onder de actuele drinkers blijft het binge drinken stabiel, ook na uitsplitsing naar
leeftijd (bijlage, tabel 36).

Figuur 4.26 Trends in de maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen
bij één gelegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs naar
onderzoeksjaar, leeftijd 1 en geslacht (%)

  












JR JR JR JR JR  JR

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
1

en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

4.4 De belangrijkste feiten en trends


Trends
• Het aantal scholieren dat ooit alcohol heeft gedronken is in 2007 gedaald ten
opzichte van 2003.
• Ook het alcoholgebruik in de afgelopen maand is ten opzichte van 2003 gedaald.
• Deze daling in het gebruik van alcohol ooit in het leven en in de laatste maand
is uitsluitend aanwezig onder scholieren in de leeftijd van 12 tot en met 14 jaar.
Bij de oudere leeftijdsgroepen is het alcoholgebruik stabiel.
• Het aantal scholieren dat ooit dronken is geweest, is gedaald onder 12- tot en
met 14-jarigen, maar dronkenschap in de afgelopen maand is stabiel gebleven
ten opzichte van 2003.
• Het aantal scholieren dat in de afgelopen vier weken 5 glazen of meer heeft
gedronken bij één gelegenheid (binge drinken), is ten opzichte van 2003 even-
eens gedaald onder 12- tot en met 14-jarigen. Onder de actuele drinkers is het
binge drinken echter stabiel gebleven.

63
Gebruik in 2007
• Net als in voorgaande metingen verschillen jongens en meisjes niet of nauwelijks
in de prevalentie van alcoholgebruik.
• Van de 15-jarige scholieren heeft 89 procent al ooit alcohol gedronken.
• Ruim één derde van de leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft in de
maand voorafgaand aan het onderzoek wel eens 5 glazen of meer bij één gele-
genheid gedronken (het zogenaamde binge drinken).
• Vanaf 15-16 jaar beginnen jongens grotere hoeveelheden alcohol te drinken dan
meisjes. Er zijn dan meer jongens die binge drinken dan meisjes. Ook drinken
jongens op die leeftijd in het weekend meer glazen alcohol dan meisjes.
• Er zijn geen grote verschillen tussen de schoolniveaus in de lifetime- en maand-
prevalentie van alcoholgebruik. Wel komt onder de actuele drinkers op het
VMBO-b binge drinken vaker voor dan op alle andere schoolniveaus. Dit geldt
voor zowel jongens als meisjes.
• Alcoholgebruik (lifetime en maandprevalentie) komt beduidend minder voor
onder scholieren met een Marokkaanse, Turkse en overige niet-westerse etnische
achtergrond dan onder scholieren van Nederlandse afkomst.
• Op 15-jarige leeftijd mag ruim één derde van de kinderen thuis één glas alcohol
drinken in aanwezigheid van de ouders.
• Slechts een kwart van de scholieren in groep 7 en 8 van de basisschool en ruim
één op de vijf scholieren (tot en met 15 jaar) op het voortgezet onderwijs heeft
een afspraak met zijn of haar ouders om tot een bepaalde leeftijd geen alcohol te
zullen drinken.
• Bier is de meest populaire drank onder jongens, voor meisjes zijn dit breezers.
• De populariteit van breezers is tussen 2003 en 2007 gedaald onder scholieren van
het voortgezet onderwijs.
• Ruim een kwart van de 14-15 jarige actuele drinkers koopt meestal zelf de alcohol.
Van de 12-13 jarige actuele drinkers krijgt bijna de helft de alcohol meestal van
de ouders.
• Als 12-15 jarigen alcohol kopen gebeurt dit meestal in een discotheek, café of
supermarkt en weinig in een slijterij, sportkantine of buurthuis.

64
5 Cannabisgebruik

5.1 Cannabisgebruik onder scholieren


• Hoeveel scholieren gebruiken cannabis?
Van alle leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft bijna één op de zes (17%) ooit
cannabis gebruikt: meer jongens (19%) dan meisjes (14%) (figuur 5.1). In het basisonder-
wijs heeft vrijwel geen enkele leerling ervaring met het gebruik van cannabis (0,2%).
Er doen zich, als verwacht, grote leeftijdsverschillen voor. Onder de 12- en 13-jarigen
heeft een relatief klein deel ervaring met cannabisgebruik. Onder 14-jarigen is sprake
van een forse toename bij zowel de jongens als de meisjes. Deze toename zet zich
vanaf 15 jaar verder voort met het stijgen van de leeftijd, bij de jongens veel sterker dan
bij de meisjes. Uiteindelijk is op 17- en 18-jarige leeftijd ongeveer de helft van de jongens
en bijna één derde van de meisjes met cannabis in aanraking gekomen.

Figuur 5.1 L ifetime-prevalentie van cannabisgebruik, basisonderwijs naar geslacht


en voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Van alle scholieren in het voortgezet onderwijs zegt acht procent in de maand
voorafgaand aan het onderzoek hasj of wiet te hebben gebruikt, meer jongens (10%)
dan meisjes (6%) (figuur 5.2). Ook hier zien we een duidelijke stijging met de leeftijd.
De maandprevalentie neemt toe van twee procent onder de 13-jarigen tot veertien
procent ( jongens) en tien procent (meisjes) onder de 15-jarigen. Bij de jongens neemt
de maandprevalentie vanaf 15 jaar verder toe met de leeftijd terwijl het gebruik bij
de meisjes rond de tien procent blijft schommelen.

65
Figuur 5.2 M aandprevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet onderwijs
naar leeftijd 1 en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Hoe vaak blowen scholieren?


Van alle scholieren in het voortgezet onderwijs heeft één op de 25 (4%) de afgelopen
maand 1 of 2 keer cannabis gebruikt, ongeveer evenveel jongens (5%) als meisjes
(4%) (bijlage, tabel 3). Drie procent van alle scholieren heeft de afgelopen maand
3-10 keer geblowd, meer jongens (5%) dan meisjes (2%). Zeer frequent blowen, dat
wil zeggen meer dan 10 keer in de afgelopen maand komt zowel onder jongens (2%)
als onder meisjes (1%) weinig voor.

• Op welke leeftijd beginnen scholieren met blowen?


Er zijn maar weinig leerlingen die op 13-jarige leeftijd of eerder voor het eerst cannabis
hebben gebruikt (figuur 5.3). Dit geldt voor zowel jongens als meisjes. De meeste
cannabisgebruikers zeggen tussen hun veertiende en zestiende jaar te zijn begonnen:
34 procent van de jongens en 27 procent van de meisjes heeft op 16-jarige leeftijd of
jonger al een keer cannabis gebruikt. Tussen 16 en 17 jaar komen er wat minder nieuwe
gebruikers bij. Met andere woorden voor scholieren die op 16-jarige leeftijd nog nooit
cannabis hebben gebruikt is de kans dat zij dit het komende jaar alsnog gaan doen
kleiner dan voor scholieren van bijvoorbeeld 14 jaar. Het beeld van de aanvangsleeftijd
van cannabisgebruik is tot 14 jaar ongeveer gelijk voor jongens en meisjes, maar vanaf
14 jaar starten meer jongens dan meisjes met het gebruik van cannabis.

66
Figuur 5.3 C umulatieve incidentie van eerste keer cannabisgebruik in
het voortgezet onderwijs naar leeftijd en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












JR JR JR JR JR JR JR

1 
percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
zijn gaan blowen.

Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het aantal scholieren dat cannabis gebruikt?
De opleidingsniveaus verschillen weinig in de prevalentie van cannabisgebruik
(figuur 5.4). Het percentage leerlingen dat ooit heeft gebruikt en het percentage
dat in de afgelopen maand nog heeft gebruikt is op het VMBO-b, VMBO-t, en HAVO
vrijwel gelijk, en iets lager op het VWO (verschillen niet significant).

Figuur 5.4 L ifetime-prevalentie en maandprevalentie van cannabisgebruik


naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar 1 (%)

 LIFETIME JONGENS MEISJES  MAAND JONGENS MEISJES

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

67
• Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het aantal scholieren
dat cannabis gebruikt?
Er is geen sterke samenhang tussen etnische afkomst en het gebruik van cannabis
ooit in het leven (figuur 5.5). Alleen Marokkaanse leerlingen hebben vergeleken met de
andere groepen minder ervaring met het gebruik van cannabis (verschil is significant
met leerlingen van Nederlandse, Surinaamse en overig Westerse afkomst). De lifetime-
prevalentie lijkt voor de jongens hoger dan bij de meisjes (verschil alleen significant
voor de autochtone scholieren). Uitzondering hierop zijn Antilliaanse en Arubaanse
meisjes die, alhoewel niet significant, een hogere prevalentie hebben dan de jongens.

Figuur 5.5 L ifetime-prevalentie van cannabisgebruik in het


voortgezet onderwijs naar etnische afkomst en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

Het gebruik in de afgelopen maand laat net als het gebruik ooit in het leven zien dat
het aandeel gebruikers onder de Marokkaanse leerlingen het kleinst lijkt (verschillen
met andere groepen zijn niet significant) (figuur 5.6). Vooral het actueel gebruik
onder de Marokkaanse meisjes is laag (2%). De Antilliaanse en Arubaanse meisjes
scoren opnieuw hoger dan de jongens (15% versus 9%), maar opnieuw zijn de
verschillen niet significant.

68
Figuur 5.6 M aandprevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs naar etnische afkomst en geslacht (%)

 JONGENS MEISJES












., 3UR !NT!R -AROK 4URKS /V7EST /V.IETWEST

5.2 De cannabisgebruikers nader bekeken


In deze paragraaf worden de gegevens van de scholieren die in de maand vooraf-
gaand aan het onderzoek cannabis hadden gebruikt (verder aangeduid als ‘actuele
gebruikers’ of ‘blowers’) nader geanalyseerd. Hierop is een uitzondering: de cijfers in
tabel 5.2 hebben betrekking op alle scholieren die in het afgelopen jaar nog cannabis
hebben gebruikt. De resultaten worden gepresenteerd naar leeftijd, geslacht en
schoolniveau, maar niet naar etnische afkomst. De aantallen gebruikers per etnische
groep bleken namelijk te klein om subgroepanalyses op dit niveau te kunnen doen.
Dit zelfde geldt voor de 12-jarigen, in deze groep bevond zich geen enkel meisje dat
de afgelopen maand cannabis had gebruikt en slechts zes jongens. Gegevens over
de 12-jarigen ontbreken daarom in de figuren en tabellen waarin de gegevens naar
leeftijd worden gepresenteerd.

• Hoe vaak gebruiken scholieren cannabis en hoeveel gebruiken ze?


Bij ruim de helft (55%) van de scholieren die de afgelopen maand cannabis
gebruikten heeft dit zich beperkt tot één à twee keer; bij meisjes (62%) vaker dan bij
jongens (46%) (figuur 5.7). Veertien procent van de jongeren blowt frequent (>10 keer
in de afgelopen maand), dit betreft beduidend meer jongens (18%) dan meisjes (7%)
De frequentie van gebruik lijkt te stijgen met de leeftijd, maar het beeld is niet erg
duidelijk.

69
Figuur 5.7 S cholieren die cannabis gebruiken (maandgebruik).
Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand in het voortgezet
onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENSGEBRUIKERS OFKEER TM KEER












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

 MEISJESGEBRUIKERS OFKEER TM KEER












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Aan de leerlingen van het voortgezet onderwijs is ook gevraagd naar het gemiddeld
aantal joints dat zij per keer roken. De helft van de leerlingen die de afgelopen
maand had geblowd zegt minder dan één joint per keer te roken: dit betreft meer
meisjes (57%) dan jongens (46%) (verschil niet significant) (figuur 5.8). Het roken
van drie of meer joints per keer lijkt meer voor te komen onder jongens (18%) dan
onder meisjes (11%), maar het verschil is opnieuw niet significant. Het percentage
jongens dat drie of meer joints per keer rookt vertoont een piek bij 15 jaar, maar het
verschil met de 14- en 16-jarigen is niet significant. Bij de meisjes is geen duidelijk
leeftijdspatroon zichtbaar.

70
Figuur 5.8 S cholieren die cannabis gebruiken (maandgebruik).
Aantal joints per keer naar leeftijd 1 en geslacht (%)

 JONGENSGEBRUIKERS  OF OFMEERJOINTS












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

 MEISJESGEBRUIKERS  OF OFMEERJOINTS












JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

• Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in hoe vaak en hoeveel


cannabis gebruikt wordt?
De blowende leerlingen van het VWO lijken dit minder frequent te doen dan die van
de andere schoolniveaus, met name in vergelijking met het VMBO-b (figuur 5.9). Van
de blowende scholieren op het VWO heeft bijvoorbeeld vijf procent tien keer of vaker
geblowd in de afgelopen maand, op het VMBO-b gaat het om negentien procent
van de scholieren. Het hogere gebruik op het VMBO-b vergeleken met het VWO,
geldt voor zowel jongens als meisjes. Op HAVO en VWO is zelfs geen van de cannabis
gebruikende meisjes een frequente blower (>10 keer), (versus 16% op het VMBO-b).

71
Figuur 5.9 S cholieren die cannabis gebruiken (maandgebruik).
Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand naar
schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar 1 (%)

JONGENSGEBRUIKERS MEISJESGEBRUIKERS
 OF TM KEER  OF TM KEER

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Vergeleken met het VWO lijken blowende leerlingen van het VMBO-b gemiddeld
meer joints per keer te roken (figuur 5.10). Op het VMBO-b zegt 22 procent van de
blowende jongeren dat zij gemiddeld 3 of meer joints per keer roken, tegenover
5 procent van de blowers op het VWO. Op het VWO is zelfs geen enkel meisje dat
zegt gemiddeld drie of meer joints te roken, terwijl dit op de andere schoolniveaus
niet ongebruikelijk lijkt (VMBO-b: 16%, VMBO-t: 15% en HAVO: 13%)

Figuur 5.10 S cholieren die cannabis gebruiken (maandgebruik).


Aantal joints per keer naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar 1 (%)

JONGENSGEBRUIKERS MEISJESGEBRUIKERS
  OF OFMEERJOINTS   OF OFMEERJOINTS

 

 

 

 

 

 
6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/ 6-"/ B 6-"/ T (!6/ 67/

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.
72
• Hoe komen scholieren aan cannabis?
Op de vraag ‘Hoe kom je aan je wiet/hasj?’ antwoord tien procent van de gebruikers
dat zij het altijd zelf kopen. Een kwart van de gebruikers zegt het altijd door vrienden
of anderen te laten kopen. Het grootste deel (38%) zegt de wiet of hasj altijd te krijgen
of met anderen mee te roken. Het overige deel van de cannabisgebruikers (27%) geeft
aan dat elk van de drie opties voorkomt (zelf kopen, krijgen of laten kopen).

Op de vraag ‘waar koop je je wiet of hasj’ wordt door veertig procent van de gebrui-
kers de coffeeshop genoemd (Tabel 5.1). Bijna één op de vijf (18%) koopt het buiten
op straat of in een park, één op de zes koopt de wiet thuis bij een dealer, één op de
tien koopt het bij iemand anders thuis en nog eens één op de tien zegt het op of
rond school te kopen. Alle andere plaatsen zoals café en buurthuis worden door de
jongeren nauwelijks genoemd als koopplaatsen van wiet of hasj.

Tabel 5.1 S cholieren die cannabis gebruiken (maandgebruik).


Plaats waar scholieren aan cannabis komen in het voortgezet
onderwijs, naar leeftijd 1 en geslacht (%) 2

12-15 jaar 16-17 jaar 18 jaar Totaal


J M J M J M J M T
Ik koop het nooit 29 41 35 46 15 17 30 42 35
Coffeeshop 39 22 45 42 82 67 46 31 40
Bij een dealer thuis 24 11 18 6 14 35 20 10 16
Bij iemand anders thuis 12 11 9 12 3 0 10 11 10
Op of rond school 14 13 10 3 3 0 11 9 10
Op straat, park etc. 28 12 19 2 11 19 23 9 18
Café 3 3 2 1 3 0 2 2 2
Discotheek 4 2 3 1 3 0 3 2 3
Thee of koffiehuis 1 1 2 0 0 0 1 1 1
Buurthuis,
jongerencentrum 4 2 1 0 3 0 3 1 2
Anders 1 1 1 1 0 0 1 1 1

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
Men kon meerdere antwoorden aankruisen.

Een aanzienlijk deel van de blowende scholieren in de leeftijd tot en met 17 jaar zegt
cannabis in een coffeeshop te kopen. Dit is opvallend omdat de leeftijdsgrens voor
toegang tot een coffeeshop minimaal 18 jaar is. Daarbij moet worden opgemerkt dat
sommige respondenten mogelijk de categorie ‘ik koop het in een coffeeshop’ hebben

73
aangekruist als zij het door anderen voor hen hebben laten kopen in een coffeeshop.
Om beter inzicht te krijgen in het percentage jongeren dat daadwerkelijk zelf wiet of
hasj in een coffeeshop aanschaft is een tweede vraag over dit onderwerp gesteld:
‘Heb je de laatste 12 maanden zelf wiet/hasj in een coffeeshop gekocht’. In tabel 5.2
worden de resultaten weergegeven als percentage van de jongeren die hebben
aangegeven dat zij in het afgelopen jaar wiet of hasj hebben gebruikt. Uit tabel 5.2
blijkt dat van de 12-15 jarige jongens die het afgelopen jaar nog hebben geblowd, één
op vijf tenminste één maal zelf cannabis heeft gekocht in een coffeeshop, onder de
16 en 17 jarigen gaat het om één op de vier jongens. Deze percentages liggen bij de
meisjes iets lager (14, respectievelijk 15%). Als de percentages worden berekend over
de totale populatie leerlingen (dus inclusief de scholieren die het afgelopen jaar niet
hebben geblowd) blijkt dat het maar om een klein deel van de minderjarige jongeren
(d.w.z. 17 jaar of jonger) gaat die weleens cannabis in een coffeeshop kopen, namelijk
drie procent van alle minderjarige jongeren (versus 19% van de minderjarigen die het
laatste jaar nog cannabis hebben gebruikt).

Tabel 5.2 S cholieren die cannabis gebruiken (jaargebruik).


Aantal keren afgelopen 12 maanden zelf wiet of hasj
in een coffeeshop gekocht. (%)

12-15 jaar 16-17 jaar 18 jaar Totaal


J M J M J M J M T
Nee 80 86 75 85 28 43 74 84 78
Ja, 1 keer 8 6 9 6 20 0 9 6 8
Ja, 2-5 keer 6 5 5 5 13 41 6 7 6
Ja, 6-12 keer 2 2 1 2 13 16 2 3 3
Ja, 13 keer of vaker 5 0 7 2 26 0 7 1 5

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
1

en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

5.3 Is het cannabisgebruik in de periode 1988-2007 veranderd?


De stabilisatie dan wel lichte daling van de prevalentie die zich na 1996 heeft ingezet,
continueert ook in 2007 (figuur 5.11). Dit heeft er toe geleid dat de overall lifetime-
prevalentie in 2007 (17%) significant lager is dan in 1996 (22%) (verschil voor jongens
wel, maar voor de meisjes net niet significant). In 2003 werd voor het eerst vast­
gesteld dat evenveel jongens als meisjes ooit cannabis hadden gebruikt. Echter, door
een sterkere daling tussen 2003 en 2007 onder de meisjes, hebben in 2007 opnieuw
meer jongens (19%) dan meisjes (14%) ervaring met het gebruik van cannabis.

74
Figuur 5.11 Trends in de lifetime-prevalentie van cannabisgebruik naar onderzoeks-
jaar en geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) (%, 95% betrouwbaarheidsinterval)

 JONGENS MEISJES












     

Ook de maandprevalentie ligt in 2007 met acht procent onder het niveau van 1996
(11%). De daling was wat sterker onder de jongens (van 14% in 1996 naar 10% in 2007)
dan onder de meisjes (van 8% in 1996 naar 6% in 2007, niet significant) (figuur 5.12).

Figuur 5.12 Trends in de maandprevalentie van cannabisgebruik naar onderzoeks-


jaar en geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) (%, 95% betrouwbaarheidsinterval).

 JONGENS MEISJES











     

75
5.4 De belangrijkste feiten en trends
• De na 1996 ingezette stabilisatie dan wel lichte daling in het aantal
­cannabisgebruikers zet zich in 2007 verder voort.
• Het percentage leerlingen dat ervaring heeft met cannabis ligt door deze trend
duidelijk onder het niveau van 1996.
• Dit geldt ook voor het gebruik van cannabis in de maand voorafgaand aan het
onderzoek, dit percentage ligt in 2007 significant lager dan in 1996.
• In 2007 hebben meer jongens dan meisjes in de maand voorafgaand aan het
onderzoek cannabis gebruikt. De in 2003 geconstateerde trend dat de traditio-
nele verschillen tussen jongens en meisjes leken te verdwijnen zet zich dus in
2007 niet voort.
• De schoolniveaus verschillen weinig wat betreft het aantal gebruikers van
cannabis. Wel blowen de gebruikers op het VMBO-b frequenter en gebruiken ze
meer joints per keer dan de gebruikers op het VWO.
• Marokkaanse leerlingen hebben significant minder ervaring met het gebruik van
cannabis vergeleken met de autochtone leerlingen. De andere etnische groepen
verschillen weinig van elkaar.
• Een groot deel van de gebruikers van cannabis (38%) zegt de cannabis altijd te
krijgen of met anderen mee te roken.
• Onder de minderjarige scholieren die het laatste jaar nog cannabis hebben
gebruikt, zegt bijna één op de vijf (19%) dat ze het laatste jaar wel eens zelf
cannabis in een coffeeshop hebben gekocht.
• Gerekend over de totale populatie minderjarige scholieren is het percentage
jongeren dat het laatste jaar cannabis in een coffeeshop heeft gekocht
echter klein (3%).

76
6 H
 arddrugs en hallucinogene
paddestoeltjes

6.1 G
 ebruik van harddrugs en hallucinogene
paddestoeltjes onder scholieren
• Hoeveel scholieren gebruiken harddrugs en paddo’s?
Met 2,4 procent is XTC de harddrug met de hoogste lifetime-prevalentie onder scho-
lieren (figuur 6.1). Daarna volgen amfetamine (1,9%), cocaïne (1,7%) en heroïne (0,8%).
Bijna één op de 25 scholieren (3,8%) heeft één van deze middelen ooit gebruikt.
Hallucinogene paddestoeltjes (paddo’s) zijn door 2,3 procent van de scholieren ten
minste éénmaal gebruikt. Voor elk van deze middelen geldt dat meer jongens dan
meisjes ooit hebben gebruikt (verschil is alleen significant voor paddo’s). Er is ook
gevraagd naar het gebruik van relatief nieuwe middelen zoals GHB, maar hiermee
hebben zeer weinig scholieren ervaring (lifetime-prevalentie GHB: 0,6%). Het aantal
gebruikers is dan ook te klein voor verdere analyses en deze middelen worden
daarom verder niet besproken.

Figuur 6.1 L ifetime-prevalentie van XTC, Cocaïne, Amfetamine, Heroïne, het gebruik
van enige harddrug en Paddo’s in het voortgezet onderwijs (%)

 JONGENS MEISJES TOTAAL












84# #OCAtNE !MFETAMINE (EROINE %NIGEHARDDRUG 0ADDO´S

De maandprevalentie ligt voor alle harddrugs onder de één procent. Van alle scho-
lieren heeft 1,6 procent in de afgelopen vier weken één van de vier hiergenoemde
harddrugs gebruikt. Het gebruik van paddo’s in de afgelopen maand is met 0,6
procent zeer beperkt.
Voor elk van deze middelen geldt dat meer jongens dan meisjes ze de afgelopen vier
weken hebben gebruikt (verschil voor heroïne en paddo’s niet significant). Ook het

77
gebruik van één of meerdere harddrugs in de afgelopen maand is onder de jongens
(2,2%) hoger dan onder de meisjes (0,9%).

Tabel 6.1 M aandprevalentie van XTC, Cocaïne, Amfetamine, Heroïne, het gebruik
van enige harddrug en paddo’s in het voortgezet onderwijs (%)

Jongens Meisjes Totaal


XTC 1,2 0,4 0,8
Cocaïne 1,1 0,4 0,8
Amfetamine 1,2 0,4 0,8
Heroïne 0,6 0,2 0,4
Enige harddrug 2,2 0,9 1,6
Paddo’s 0,9 0,3 0,6

Tot en met de leeftijd van 14 jaar zijn er nauwelijks leerlingen die ervaring hebben
met het gebruik van harddrugs of paddo’s (zie bijlagen tabel 1 en 2). Vanaf 15 jaar
zien we bij de jongens een lichte toename, terwijl het gebruik onder de meisjes met
het toenemen van de leeftijd nauwelijks verder stijgt.

• Zijn er verschillen tussen schoolniveaus in het gebruik van harddrugs en paddo’s?


Leerlingen van het VWO lijken de minste ervaring te hebben met het gebruik van
harddrugs en paddo’s (tabel 6.2). De verschillen met de andere schoolniveaus zijn
echter niet significant, met uitzondering van een hoger aantal scholieren van het
VMBO-b dat ervaring heeft met XTC (significant verschil met het VWO). Ook het
aantal leerlingen dat ooit tenminste één van de harddrugs (XTC, cocaïne, amfeta-
mine, heroïne) heeft gebruikt lijkt op het VMBO-b hoger dan op het VWO, maar het
verschil is net niet significant.

Tabel 6.2 L ifetime-prevalentie van harddrugs en paddo’s naar schoolniveau,


12 t/m 16 jaar 1 (%)

XTC Cocaïne Amfetamine Heroïne Enige harddrug Paddo’s


VMBO-b 3,0 1,8 2,3 0,8 4,2 2,2
VMBO-t 1,9 1,5 1,9 1,0 3,8 2,2
HAVO 1,7 1,6 1,7 0,7 3,0 1,8
VWO 1,0 1,0 1,2 0,5 2,3 1,7

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

78
Het gebruik in de afgelopen maand van harddrugs en paddo’s verschilt niet veel
tussen de schoolniveaus en is ook in geen enkel geval significant (tabel 6.3).

Tabel 6.3 M aandprevalentie van harddrugs en paddo’s naar schoolniveau,


12 t/m 16 jaar 1 (%)

XTC Cocaïne Amfetamine Heroïne Enige harddrug Paddo’s


VMBO-b 1,0 0,6 1,0 0,3 1,7 0,8
VMBO-t 0,4 0,6 0,6 0,4 1,2 0,5
HAVO 0,7 0,9 0,9 0,3 1,5 0,6
VWO 0,5 0,4 0,6 0,3 1,2 0,5

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

• Zijn er verschillen tussen etnische groepen in het gebruik van harddrugs en paddo’s?
De gegevens lijken te wijzen op samenhang tussen het ervaring hebben met het
gebruik van harddrugs en/of paddo’s en etnische afkomst. Daarbij moet echter
worden opgemerkt dat het aantal respondenten per etnische groep in de steekproef
soms klein is, waardoor de schattingen minder nauwkeurig zijn. De verschillen
zijn dan ook slechts in een enkel geval significant: vergeleken met scholieren van
Nederlandse en Antilliaans/Arubaanse afkomst hebben Surinaamse scholieren meer
ervaring met het gebruik van heroïne. Leerlingen van Marokkaanse afkomst scoren
relatief lage prevalenties, met zelfs geen enkele gebruiker van XTC.

Tabel 6.4 L ifetime-prevalentie van harddrugs en paddo’s in het


voortgezet onderwijs naar etnische afkomst (%)

XTC Cocaïne Amfetamine Heroïne Enige Paddo’s


harddrug
Nederlands 2,3 1,6 1,7 0,7 3,6 2,1
Surinaams 4,6 4,0 3,3 3,3 6,2 3,6
Antilliaans/Arubaans 1,0 1,0 1,0 0 1,0 1,0
Marokkaans 0 0,9 0,9 0,9 0,9 1,6
Turks 3,4 3,7 2,1 2,6 5,5 4,3
Overig westers 3,3 0,9 2,6 0,9 4,8 3,9
Overig niet-westers 3,6 3,6 2,8 1,3 6,7 2,7

Binnen alle etnische groepen heeft slechts een klein deel van de jongeren de
afgelopen maand een harddrug of paddo’s gebruikt. De groep ‘overig niet-westerse’

79
afkomst lijkt het hoogst te scoren op het gebruik van enige harddrug, maar het
verschil met de andere groepen is niet significant. Geen enkele respondent van Antil-
liaanse en Arubaanse afkomst zegt recent XTC, cocaïne, heroïne of paddo’s te hebben
gebruikt en geen enkele Marokkaanse scholier zegt recent XTC gebruikt te hebben.

Tabel 6.5 M aandprevalentie van harddrugs en paddo’s in het


voortgezet onderwijs naar etnische afkomst (%)

XTC Cocaïne Amfetamine Heroïne Enige Paddo’s


harddrug
Nederlands 0,7 0,7 0,7 0,3 1,4 0,5
Surinaams 1,6 1,7 1,1 0,6 2,2 1,2
Antilliaans/Aruba 0 0 1,0 0 1,0 0
Marokkaans 0 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9
Turks 1,2 2,1 1,7 1,3 2,9 1,2
Overig westers 1,4 0,7 0,9 0,7 1,9 1,7
Overig niet-westers 1,2 1,4 1,2 0,3 3,1 1,5

6.2 I s het gebruik van harddrugs en paddo’s


in de periode 1988-2007 veranderd?
Alle harddrugs bereikten een piek in het gebruik in 1996, waarna een geleidelijke
daling werd ingezet (figuur 6.2). Uitzondering op deze trend is heroïne, de lifetime-
prevalentie hiervan schommelt rond de één procent. Het gebruik van paddo’s
vertoont een constante daling sinds het begin van de meting in 1996 en ligt in 2007
significant onder het niveau van 1996 (en 1999). Het percentage leerlingen dat
tenminste één van de harddrugs ooit in het leven heeft gebruikt ligt in 2007 (3.8%)
iets lager dan in 2003 (4.5%), maar het verschil is niet significant.

80
Figuur 6.2 Trends in de lifetime-prevalentie van het gebruik van harddrugs
en paddo’s in het voortgezet onderwijs, 12 t/m 18 jaar
(%, 95% betrouwbaarheidsinterval) 1

 84# #OCAtNE  !MFETAMINE HEROtNE PADDO´S

 
 
 
 
 
 
 
 
           

1
met het oog op de leesbaarheid is de schaal op een maximum van 7 procent gezet.

6.3 Belangrijkste feiten en trends


• Het gebruik van elk van de harddrugs vertoont een piek in 1996, waarna een
geleidelijke daling wordt ingezet. Alleen heroïne vormt hierop een uitzondering,
de lifetime prevalentie van deze harddrug schommelt sinds 1988 rond de één
procent.
• Bijna één op de 25 scholieren heeft tenminste één van de harddrugs
(XTC, cocaïne, amfetamine, heroïne) ooit in het leven gebruikt.
• Van alle harddrugs scoort XTC, net als in 2003, de hoogste lifetime prevalentie.
• Het percentage jongeren dat de afgelopen maand nog heeft gebruikt bedraagt
voor alle harddrugs en paddo’s, minder dan één procent.
• Het percentage leerlingen dat geëxperimenteerd heeft met XTC is op het
VMBO-b significant hoger dan op het VWO. Ook het gebruik van enige harddrug
ooit in het leven lijkt duidelijk hoger op het VMBO-b, maar het verschil met het
VWO is net niet significant.
• Vergeleken met jongeren van Nederlandse afkomst hebben jongeren van
Surinaamse afkomst meer ervaring te hebben met het gebruik van heroïne.

81
7 Gokken

7.1 Spelen op een gokkast onder scholieren


• Hoeveel scholieren spelen er op een gokkast?
Bijna de helft van de scholieren van het voortgezet onderwijs (44%) heeft ooit op
een gokkast gespeeld, meer jongens (51%) dan meisjes (38%) (figuur 7.1). Ook in het
basisonderwijs heeft al een grote groep (31%) kennis gemaakt met gokkasten of
fruitautomaten. De percentages veranderen vrijwel niet tussen de 12 en 17 jaar.
Er is een groot verschil in de lifetime-prevalentie en het spelen op een gokkast in de
afgelopen vier weken; slechts zeven procent van de scholieren heeft ook recent nog op
een gokkast of fruitautomaat gespeeld. Ook hier weer meer jongens (10%) dan meisjes
(5%). Bij de jongens schommelt het percentage tussen de 12 en 17 jaar rond de tien
procent, bij de meisjes lijkt het percentage na het 15e jaar wat te dalen (niet significant)

Figuur 7.1 L ifetime- en maandprevalentie van spelen op een gokkast, basisonderwijs


naar geslacht en voortgezet onderwijs naar leeftijd 1 en geslacht (%) 2

 JONGENSLIFETIME MEISJESLIFETIME JONGENSMAAND MEISJESMAAND












"/ JR JR JR JR JR  JR 4OT6/

1
de maandprevalentie is niet gevraagd aan leerlingen van het basisonderwijs
2
tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Zijn er verschillen tussen de schoolniveaus in het spelen op een gokkast ?


De lifetime-prevalentie van het spelen op een gokkast is het laagst op het VMBO-b
(verschil alleen significant met het VMBO-t) (tabel 7.1). Bij het spelen in de afgelopen
maand zien we ook verschillen. Vergeleken met HAVO en VWO hebben ongeveer
twee keer zoveel leerlingen van het VMBO-b en –t recentelijk nog op een gokkast
gespeeld. De verschillen zijn voor de meisjes groter dan voor de jongens.

83
Tabel 7.1 L ifetime- en maandprevalentie spelen op een gokkast naar
schoolniveau, 12 t/m 16 jaar 1 (%)

Lifetime gokkast Maand gokkast


VMBO-p 39,8 8,7
VMBO-t 46,8 10,0
HAVO 45,0 5,9
VWO 43,7 4,1

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede ­vergelijkbaarheid
alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

• Zijn er verschillen tussen de etnische groepen in het spelen op een gokkast?


De lifetime-prevalentie van spelen op een gokkast is het laagst onder de Turkse en
Marokkaanse scholieren: het percentage is onder scholieren van Nederlandse en
andere etnische afkomst ongeveer twee maal zo groot (tabel 7.2). Het gebruik in
de afgelopen vier weken varieert tussen de vijf en tien procent, maar de verschillen
tussen de etnische groepen zijn niet significant.

Tabel 7.2 L ifetime- en maand-prevalentie van gokken in het voortgezet


onderwijs naar etnische afkomst (%)

Lifetime gokkast Maand gokkast


Nederlands 45,9 7,4
Surinaams 42,2 9,2
Antilliaans/Aruba 36,4 4,7
Marokkaans 23,1 6,5
Turks 21,1 4,6
Overig westers 46,0 9,7
Overig niet-westers 40,0 4,9

7.2 I s het spelen op een gokkast in de periode


1992-2007 veranderd?
Sinds 1992 is de lifetime-prevalentie van spelen op een gokkast of fruitautomaat
gedaald van 61 naar 44 procent in 2007 en daalde de maandprevalentie in dezelfde
periode van zestien naar zeven procent (figuur 7.2).

84
Figuur 7.2 Trends in de lifetime- en maandprevalentie van het spelen op
een gokkast in het voortgezet onderwijs. 12 t/m 18 jaar
(%, 95% betrouwbaarheidsinterval)

 GOKKASTENLIFE TIME GOKKASTENMAAND









    

7.3 Belangrijkste feiten en trends


• Het percentage scholieren dat (recent) ervaring heeft met het spelen op
gokkasten of fruitautomaten is in 2007 gedaald, de dalende trend sinds 1992 zet
zich dus verder voort.
• Iets minder dan de helft van de jongeren maakt kennis met het spelen op een
gokkast of fruitautomaat maar slechts een klein deel van hen heeft recentelijk
nog gespeeld.
• Meer jongens dan meisjes hebben (recent) op een gokkast of fruitautomaat
gespeeld.
• Bij jongens zien we een zekere stabiliteit met een stijgende leeftijd terwijl oudere
meisjes minder snel een gokkast opzoeken. Kennelijk zijn meisjes na een kennis-
making sneller op gokkasten uitgekeken.
• Vergeleken met HAVO en VWO hebben ongeveer twee keer zoveel leerlingen van
het VMBO-b en VMBO–t recentelijk nog op een gokkast gespeeld.
• Scholieren van Turkse- en Marokkaanse afkomst hebben de minste ervaring met
het spelen op een gokkast. De lifetime prevalentie ligt een factor twee lager
vergeleken met de andere groepen.

85
8 Conclusies

Het alcoholgebruik onder de jongste groepen scholieren (12-14 jaar) is sterk afgenomen.
De stijging, die wij bij die groepen in 2003 konden waarnemen, is daarmee ongedaan
gemaakt. Het niveau van alcoholconsumptie onder 12-14 jarige scholieren is daarmee
terug tot het niveau van tien jaar geleden. Dat is goed nieuws. Het lijkt er op dat de
onrust van de afgelopen jaren over het stijgende alcoholgebruik bij deze heel jonge
adolescenten zijn vruchten heeft afgeworpen. Natuurlijk kunnen wij met dit type
onderzoek (cross-sectioneel) geen causale verbanden bewijzen – we kunnen dus niet
onomstotelijk laten zien dat de daling het gevolg is van alle activiteiten gericht op
reductie van alcoholgebruik onder jongeren -, maar de daling van het alcoholgebruik
onder de jongste groepen is opmerkelijk en betreft het speerpunt van de maatschap-
pelijke belangstelling en zorg over de afgelopen jaren. Dat stemt optimistisch over de
mogelijkheden om alcoholgebruik bij jonge kinderen terug te dringen.
Bij jongeren van vijftien jaar en ouder zien we echter geen verschillen met voor-
afgaande jaren. Het niveau van alcoholconsumptie bij deze leeftijdsgroepen blijft
onveranderlijk hoog en daarmee ook onveranderlijk onrustbarend, want vijftien jaar is
voor de hoeveelheden alcohol, die deze leeftijdsgroepen rapporteert, nog veel te jong.
Dit zou te maken kunnen hebben met het feit, dat het alcoholgebruik onder deze
leeftijdsgroepen zich in toenemende mate aan de controle van (professionele) opvoe-
ders – waaronder ook ouders – begint te onttrekken, waarmee dit alcoholgebruik ook
minder goed door opvoeders te sturen is. Jongeren zijn op deze leeftijd zelf in toene-
mende mate verantwoordelijk voor wat zij doen en drinken, thuis en buiten de deur.
Verdere reductie van alcoholgebruik bij deze leeftijdsgroepen vereist vermoedelijk
een andere aanpak en een ander type interventie dan de reductie van alcoholgebruik
bij de jonge adolescenten. Het verdient aanbeveling om de investeringen in beleid
gericht op alcoholreductie bij jongeren te handhaven, en de aanpak voor de wat
oudere leeftijdsgroepen aan te scherpen. Wat verder opvalt is dat de prevalenties van
het VMBO basis/kaderberoepsgerichte leerweg niet veel verschillen van de andere
schooltypen, maar dat als ze gebruiken deze leerlingen dat (veel) vaker en intensiever
doen. Dit geldt niet alleen voor alcohol, maar ook voor tabak en cannabis. Daarnaast
vraagt de trend onder de meisjes aandacht, zij gebruiken weliswaar minder vaak en
intensief, maar in percentage gebruikers doen zij niet meer voor de jongens onder.
Kijken we meer gedetailleerd naar de bevindingen voor de afzonderlijke middelen,
dan ziet het beeld er in het kort als volgt uit.

Roken onder scholieren


De dalende trend in het percentage scholieren dat ooit heeft gerookt heeft zich verder
voortgezet. Minder dan de helft van de Nederlandse scholieren (39%) heeft ooit een

87
sigaret opgestoken. Het niveau van roken bevindt zich nu op het laagste niveau
sinds 1988. Dat is goed nieuws. Sekseverschillen doen zich daarbij niet meer voor.
Het is nog maar een minderheid (rond de twintig procent), die de afgelopen maand
gerookt heeft, en zelfs nog maar een kleine minderheid (7%) die dagelijks rookt. Dat
laatste neemt overigens – begrijpelijk –toe met de leeftijd: op zestienjarige leeftijd
rookt ongeveer één op de tien scholieren dagelijks een sigaret. Dat is nog steeds te
veel, maar in vergelijking met het percentage in de jaren negentig – toen ongeveer
één vijfde van de zestienjarigen dagelijks rookte – is het een duidelijke daling. Sekse-
verschillen zien we ook hierin niet. De trend in andere landen, waar meisjes inmiddels
meer lijken te roken dan jongens, vinden we in Nederland dus niet terug.
Het verschil tussen de opleidingsniveaus blijft daarbij zeer krachtig. Hoe lager het
schoolniveau, hoe meer leerlingen roken. Waar op het VWO inmiddels minder dan
twee procent van de leerlingen dagelijks rookt , daar rookt op het VMBO-basis/
kaderberoepsgerichte leerweg ongeveer twaalf procent van de meisjes dagelijks,
zes keer zo veel dus, en ruim tien procent van de jongens, ook ongeveer zes keer zo
veel als bij jongens op het VWO. Bovendien blijkt dat rokers op het VMBO- basis/
kaderberoepsgerichte leerweg ook de meeste sigaretten per dag roken.

Alcohol onder scholieren


Bijna alle scholieren proberen in de loop van hun middelbare schooltijd wel een
keer alcohol uit. Het percentage scholieren dat op zestienjarige leeftijd nog nooit
alcohol heeft geprobeerd ligt al jaren net onder de tien procent. Ook heeft meer
dan 75 procent van de zestienjarige scholieren in de maand voorafgaand aan het
onderzoek alcohol gedronken. Over de jaren heen is hierin niet zoveel verandering
opgetreden. Jongeren, die drinken, drinken ook nog steeds vaak en veel. Een kwart
van de 16-jarige drinkende jongens heeft bijvoorbeeld de afgelopen maand op
meer dan tien gelegenheden alcohol gedronken. Eén derde van de 16-jarige actuele
drinkers drinkt gemiddeld meer dan tien glazen alcohol in het weekend (één op de
zeven zelfs 21 glazen of meer). Het binge drinken (5 of meer glazen tijdens één gele-
genheid) onder de actuele drinkers is weliswaar niet verder toegenomen, maar het
percentage is hoog. Driekwart van de actuele drinkers van deze leeftijd heeft in de
afgelopen maand gebinged. Deze cijfers vragen dus om intensivering van de aanpak
gericht op deze leeftijdscategorie.
De belangrijkste veranderingen zien we – als boven aangegeven – bij de jongste
groepen. Het alcoholgebruik van de 12-14 jarige scholieren is aanzienlijk afgenomen,
en komt daarmee in de buurt of zelfs iets onder de cijfers van tien jaar geleden. Bij
scholieren van vijftien jaar en ouder is de trend in de tijd relatief stabiel. Verschillen
tussen meisjes en jongens zijn beperkt. Zij doen zich vooral voor bij de wat oudere
adolescenten (vijftien en zestien jaar), en manifesteren zich vooral in de hoeveelheid
alcohol die gedronken wordt. Jongens drinken misschien niet vaker dan meisjes,
maar als ze drinken, dan drinken ze wel (aanzienlijk) meer.

88
Verschillen tussen de verschillende opleidingsniveaus zijn wat het gebruik van
alcohol betreft veel minder uitgesproken dan bij het roken. Scholieren uit de verschil-
lende schooltypen drinken ongeveer even vaak. Maar áls ze drinken, dan drinken de
scholieren uit de laagste opleidingsniveaus, vooral de scholieren uit het VMBO basis/
kaderberoepsgerichte leerweg, wel vaker en meer glazen.

Cannabisgebruik onder scholieren


Na 1996 neemt het gebruik van cannabis systematisch af en deze trend heeft zich
in 2007 duidelijk voortgezet. Steeds minder scholieren proberen cannabis uit. Expe-
rimenteren met cannabis is daarmee onder het niveau van 1996 gedaald. Hetzelfde
geldt voor het gebruik van cannabis in de afgelopen maand. Leek het in 2003 nog
zo, dat meisjes en jongens inmiddels even vaak met cannabis experimenteerden,
in 2007 zijn de jongens toch weer iets in de meerderheid. Iets meer jongens dan
meisjes proberen cannabis, en hebben in de afgelopen maand cannabis gerookt.
Ook zien we sekseverschillen in de zwaarte van het gebruik: jongens, die cannabis
gebruiken, roken per keer (veel) meer joints dan de meisjes, en de zwaarte van het
gebruik blijft bij hen ook na het vijftiende nog steeds stijgen, bij meisjes niet.
Net als bij alcohol zijn er nauwelijks verschillen tussen leerlingen van verschillende
opleidingsniveaus als het gaat om hoe vaak ze cannabis uitproberen. Maar evenals
bij alcohol zien we ook hier dat de cannabisgebruikers van de lagere opleidings­
niveaus gemiddeld nog steeds méér joints opsteken. Ruim een kwart van de
blowende jongens op de basis/kaderberoepsgerichte leerweg van het VMBO steekt
gemiddeld drie of meer joints op, terwijl dat op het VWO slechts door negen procent
van de cannabisrokers gemeld wordt, een aanzienlijk verschil.

Overige drugs
Harddrugs als XTC, cocaïne, amfetamine en vooral heroïne blijven gelukkig nog
steeds weinig populair onder scholieren. Ook gebruik van paddo’s komt heel weinig
voor. Zo’n vier procent van de scholieren probeerde ooit een van de harddrugs uit en
een kleine twee procent gebruikte hier iets van in de afgelopen vier weken. Sekse-
verschillen zijn hier – voor zover ze gevonden worden – nog steeds in de verwachte
richting (gemiddeld meer jongens), en ook blijft hier het gebruik bij de jongens vanaf
vijftien jaar nog steeds toenemen (bij meisjes niet). Het gebruik van andere drugs
zoals GHB komt in de populatie scholieren nauwelijks voor.

Gokken en krasloten
Bijna de helft van de jongeren maakt kennis met gokken (spelen op gokkasten en
fruitautomaten), maar slechts een klein deel van hen lijkt daar mee door te gaan,
want het percentage actuele gebruikers is laag. Verder is het opvallend dat de
patronen die bij het middelen gebruik waarneembaar zijn ook hier in grote lijnen
terugkomen. Jongens gokken meer dan meisjes en blijven dit op later leeftijd doen

89
terwijl dit bij meisjes na hun vijftiende jaar afneemt. Bij het gokken ooit in het
leven is er weinig verschil tussen de schoolniveaus maar het gokken in de afgelopen
maand ligt bij leerlingen van het VMBO wél duidelijk hoger dan onder leerlingen van
HAVO en VWO. Er is een dalende trend bij het spelen op gokkasten sinds 1992.

Opvallende bevindingen
Alles overziend vallen een paar zaken sterk op:
• Roken en cannabisgebruik door scholieren is vanaf 1996 systematisch afge-
nomen. De dalende trend doet zich het meest duidelijk voor bij het roken,
maar ook het cannabisgebruik blijft licht dalen.
• De stijging in alcoholgebruik bij de jongste groepen is ongedaan gemaakt.
Er is een daling in het experimenteren met alcohol, en in het meer regelmatige
gebruik van alcohol, maar deze daling zien we uitsluitend bij de jongste groepen
(12-14 jaar). Het beleid in de afgelopen jaren, dat sterk gericht is geweest op
(professionele) opvoeders en op het niet aanbieden van alcohol aan jongeren
onder de zestien lijkt vruchten af te werpen.
• Er is echter geen daling in het alcoholgebruik bij de vijftien en zestien jarigen.
Dit alcoholgebruik blijft onveranderlijk hoog en daarmee zorgwekkend. Nog steeds
drinken jongeren op te jonge leeftijd te vaak en te veel alcohol. Het verdient aan-
beveling om beter na te gaan hoe deze leeftijdsgroepen bereikt kunnen worden.
• De kennismaking met de verschillende middelen laat nog maar weinig
verschillen tussen meisjes en jongens zien. Meisjes lopen bij het gebruik van
bijna alle middelen hun traditionele achterstand op jongens in: evenveel meisjes
als jongens hebben de verschillende middelen gebruikt. Zelfs dronkenschap is
niet meer exclusief aan jongens voorbehouden. Meisjes worden in 2007 even
vaak dronken als de jongens.
• Sekseverschillen blijven wél heel pregnant als we naar het zwaardere gebruik
van de verschillende middelen kijken. Rokende jongens roken meer sigaretten per
dag, drinkende jongens drinken vaker en veel meer glazen per keer, bovenmatig
alcoholgebruik (meer dan elf glazen per avond) komt bij jongens veel vaker voor,
cannabis rokende jongens roken aanzienlijk meer joints per keer, en het gebruik
van harddrugs komt ook bij jongens vaker voor.
• Ook blijven zich duidelijke verschillen voordoen tussen jongens en meisjes in
de leeftijdscurven van het zwaardere gebruik: vanaf hun vijftiende jaar zien de
patronen van het gebruik er bij meisjes relatief stabiel uit. Bij jongens neemt
de zwaarte van het gebruik van de verschillende middelen (sigaretten, alcohol,
cannabis) na het vijftiende jaar nog steeds systematisch toe. Het gebruikers-
patroon is bij jongens op die leeftijd nog steeds sterk in ontwikkeling, terwijl zich
dat bij meisjes meer gestabiliseerd lijkt te hebben.
• Het verschil tussen de opleidingsniveaus is voor alle middelen zichtbaar, vooral
als we de ernst van het middelengebruik tot maatstaf nemen. Leerlingen van

90
het laagste opleidingsniveau (VMBO basis/kaderberoepsgerichte leerweg) roken
vaker dagelijks, als zij cannabis roken, dan roken zij meer joints per gelegenheid
en hun neiging om te experimenteren met harddrugs is groter. Er lijkt bij deze
groep scholieren minder een rem op het gebruik van deze middelen te staan.
Als zij gebruiken, dan is hun neiging om veel te nemen groter dan bij de hoger
opgeleide scholieren, die zichzelf wat dit betreft wat meer in de hand lijken te
kunnen houden.
• Ten slotte verdienen de allochtone scholieren, met name van Marokkaanse en
Turkse afkomst, aandacht in positieve zin. Bij dit type risicogedragingen vertonen
zij een veel gunstiger profiel dan de autochtone scholieren. Het middelengebruik
onder allochtone scholieren, met name Marokkanen, is over de hele linie lager
dan bij de autochtone scholieren. Dat was al eerder aangetoond, en wordt in deze
studie opnieuw bevestigd. Enige uitzonderingen nagelaten roken, drinken en
blowen zij veel minder dan de autochtone scholieren.

Implicaties van de bevindingen


De gegevens laten opnieuw zien dat zich in vier jaar tijd aanzienlijke verschuivingen
voor kunnen doen in het middelengebruik van jongeren in Nederland. Veel van
de hier genoemde resultaten zullen in toekomstige analyses meer gedetailleerd
bekeken moeten worden om beter te begrijpen wat er precies aan de hand is.
Verklaringen voor de hier genoemde fenomenen zijn immers snel bedacht, maar veel
minder snel gestaafd. Wij zullen beter moeten begrijpen waarom het alcoholgebruik
bij de jongste groepen zo sterk is afgenomen, maar ook waarom het drankpatroon
van de vijftien en zestienjarigen eigenlijk nauwelijks op de recente aandacht voor
alcohol bij jongeren heeft gereageerd. We moeten beter weten waarom meisjes hun
achterstand op jongens hebben ingelopen als het gaat om het aantal gebruikers,
maar jongens toch zo veel frequenter en intensiever blijven gebruiken dan meisjes.
Die informatie is noodzakelijk als we de preventieactiviteiten gericht op overmatig
middelengebruik onder jongeren willen verbeteren en de effectiviteit hiervan willen
optimaliseren.
Speciale aandacht zou er ook moeten zijn voor de forse verschillen tussen jongeren
van verschillende opleidingsniveaus. De bevinding dat scholieren in het VMBO
basis/kaderberoepsgerichte leerweg over de hele linie vaker veel roken, drinken
en cannabis gebruiken laat zien, dat bij preventieactiviteiten een sterkere nadruk
op de lagere opleidingsniveaus wenselijk zou zijn. De resultaten maken duidelijk
dat niet zozeer het experimenteren met de verschillende middelen in het VMBO
basis/kaderberoepsgerichte leerweg meer voorkomt, maar vooral het overgaan van
experimenteren tot frequent of bovenmatig gebruik. Hier zou speciale aandacht aan
besteed moeten worden.
Onze resultaten laten tevens zien, dat gebruikspatronen vooral sterk in ontwikkeling
zijn bij de jongste groepen, met name de 12-14 jarigen. Na een sterke stijging in

91
2003, zien we nu in elk geval voor alcohol bij deze groepen een duidelijke daling,
die de stijging weer ongedaan heeft gemaakt. Het zoeken van mogelijkheden tot
beïnvloeding van gebruikspatronen is in de afgelopen jaren voor gericht geweest op
deze leeftijdsgroep. Oudere leeftijdsgroepen komen vooral in het vizier als het gaat
om een ontwikkeling naar zwaarder gebruik (meer sigaretten, meer drank en meer
joints). Onze resultaten laten zien, dat het niet alleen belangrijk is om ons op de
jongste groepen en hun opvoeders te richten – die aandacht lijkt effectief geweest
te zijn – maar vooral ook na te denken over de mogelijkheden om het stabiel forse
gebruik bij de oudere groepen terug te dringen, want die lijken zich nog aan de
effecten van het beleid te onttrekken.

92
Bijlage Roken

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 3.1) Lifetime-prevalentie, naar onderwijstype, leeftijd


en geslacht
Tabel 2 (bij figuur 3.2) Maandprevalentie naar onderwijstype, leeftijd
en geslacht
Tabel 3 (bij figuur 3.3) Dagelijks roken, naar onderwijstype, leeftijd en
geslacht
Tabel 4 (bij figuur 3.4) Het gemiddeld aantal sigaretten per dag in
de afgelopen maand
Tabel 5 (bij figuur 3.5 en 3.6) Cumulatieve incidentie van eerste keer roken en
eerste keer dagelijks roken, naar leeftijd en geslacht
Tabel 6 (bij figuur 3.7) Lifetime-prevalentie, naar schoolniveau en geslacht
Tabel 7 (bij figuur 3.7) Maandprevalentie, naar schoolniveau en geslacht
Tabel 8 (bij figuur 3.8) Dagelijks roken, naar schoolniveau en geslacht
Tabel 9 (bij figuur 3.9) Lifetime-prevalentie, naar etnische afkomst en geslacht
Tabel 10 (bij figuur 3.9) Maandprevalentie, naar etnische afkomst en geslacht
Tabel 11 (bij figuur 3.10) Dagelijks roken, naar etnische afkomst en geslacht

Scholieren die roken (gerookt in de afgelopen maand)

Tabel 12 (bij figuur 3.11) Aantal sigaretten per dag in de afgelopen maand,
naar leeftijd en geslacht
Tabel 13 (bij figuur 3.12) Aantal sigaretten per dag in de afgelopen maand,
naar schoolniveau en geslacht

93
Trendgegevens

Tabel 14 (bij figuur 3.13) Trends in de lifetime-prevalentie in het voortgezet


onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 15 (bij figuur 3.14) Trends in de maandprevalentie in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 16 (bij figuur 3.15) Trends in de prevalentie van dagelijks roken in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onder-
zoeksjaar en geslacht
Tabel 17 (bij figuur 3.16) Trends in de prevalentie meer dan tien sigaretten per
dag in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht
Tabel 18 Trends in de lifetime-prevalentie, naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht
Tabel 19 Trends in de maandprevalentie, naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht
Tabel 20 Trends in de prevalentie van dagelijks roken, naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 21 Trends in de lifetime-prevalentie in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 22 Trends in de maandprevalentie in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 23 Trends in de prevalentie van dagelijks roken in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onder-
zoeksjaar en geslacht

94
Tabel 1 (bij figuur 3.1)
Lifetime-prevalentie van roken naar onderwijstype, leeftijd1 en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 8.1 5.9 11.1 4.7 3.4 6.5 6.5 5.0 8.3

12 jaar 16.1 12.3 21.0 13.9 10.7 17.9 15.0 12.4 18.1

13 jaar 28.3 24.7 32.2 25.5 22.1 29.3 26.9 24.0 30.0

14 jaar 35.4 31.8 39.3 42.6 37.4 48.0 39.0 35.4 42.7

15 jaar 47.0 42.7 51.3 51.6 46.4 56.7 49.3 45.5 53.1

16 jaar 51.5 47.2 55.7 51.5 46.2 56.7 51.5 47.9 55.1

17-18 jr 62.6 55.2 69.4 62.1 55.0 68.8 62.4 57.1 67.3

Tot VO 38.8 36.3 41.3 39.3 36.5 42.3 39.0 36.8 41.3

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2 (bij figuur 3.2)


Maandprevalentie van roken naar onderwijstype, leeftijd1 en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 0.8 0.4 1.6 0.6 0.3 1.2 0.7 0.4 1.3

12 jaar 4.6 2.3 8.9 3.8 2.5 5.9 4.2 2.7 6.5

13 jaar 9.3 7.1 12.1 10.3 8.1 13.1 9.8 8.1 11.8

14 jaar 15.3 12.5 18.5 22.0 17.3 27.4 18.6 15.5 22.0

15 jaar 26.4 22.9 30.1 24.9 20.9 29.3 25.6 22.4 29.1

16 jaar 26.9 23.1 31.1 24.8 20.5 29.6 25.8 22.7 29.3

17-18 jr 36.2 30.0 42.8 30.5 24.2 37.7 33.9 28.9 39.2

Tot VO 18.6 16.7 20.6 18.4 16.4 20.7 18.5 16.9 20.3

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

95
Tabel 3 (bij figuur 3.3)
Dagelijks roken naar onderwijstype, leeftijd1 en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 0 0 0 0 0 0 0 0 0

12 jaar 0.5 0.2 1.7 0.2 0.0 1.4 0.4 0.1 1.0

13 jaar 1.6 0.9 3.0 2.0 1.2 3.2 1.8 1.2 2.7

14 jaar 5.6 4.2 7.6 8.0 5.7 11.2 6.8 5.2 8.9

15 jaar 11.7 9.2 14.8 11.6 8.9 15.0 11.7 9.5 14.2

16 jaar 12.3 9.2 16.2 9.8 7.1 13.4 11.1 8.6 14.2

17-18 jr 20.1 16.2 24.6 12.9 8.7 18.7 17.2 13.7 21.3

Tot VO 7.8 6.7 9.1 6.9 5.7 8.3 7.4 6.4 8.5

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 4 (bij figuur 3.4)


Gemiddeld aantal sigaretten per dag in de afgelopen vier weken
naar leeftijd1 en geslacht onder alle scholieren (%)

Jongens Meisjes
0 <1 1-10 >10 0 <1 1-10 >10
sigaretten sigaret sigaretten sigaretten sigaretten sigaret sigaretten sigaretten
12 jaar 95.4 3.1 1.4 0.2 96.2 2.9 0.8 0.2
13 jaar 90.7 5.4 3.4 0.5 89.7 4.7 4.9 0.7
14 jaar 84.7 6.0 6.5 2.8 78.1 9.3 8.8 3.9
15 jaar 73.6 11.1 8.2 7.1 75.1 8.3 10.1 6.5
16 jaar 73.0 9.5 11.7 5.8 75.2 9.4 11.2 4.3
17-18 jr 63.8 10.5 14.4 11.4 69.5 12.1 12.2 6.2
Tot. VO 81.4 7.4 7.1 4.1 81.6 7.4 7.7 3.4

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

96
Tabel 5 (bij figuur 3.5 en 3.6)
Cumulatieve incidentie van eerste keer roken en eerste keer dagelijks roken
in het voortgezet onderwijs naar leeftijd en geslacht (%)1

Eerste sigaret Eerste keer dagelijks roken


Leeftijd Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal
9 jaar 4.3 2.7 3.5 0.1 0.1 0.1
10 jaar 7.5 5.2 64 0.4 0.4 0.4
11 jaar 11.5 8.4 10.0 0.9 1.1 1.0
12 jaar 18.3 16.6 17.4 2.4 3.0 2.7
13 jaar 25.7 27.1 26.4 5.0 7.3 6.1
14 jaar 35.1 36.7 35.9 10.0 14.4 12.2
15 jaar 43.8 47.3 45.5 15.7 20.0 17.8
16 jaar 49.7 55.2 52.5 19.8 23.8 21.8
17 jaar 52.6 58.0 55.3 24.5 25.7 25.2

1 
percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
heeft gerookt/dagelijks rookt.

Tabel 6 (bij figuur 3.7)


Lifetime-prevalentie van roken naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar1
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 42.1 36.6 47.8 48.6 42.5 54.8 45.5 40.9 50.1

VMBO-t 38.0 34.0 42.1 39.7 34.4 45.1 38.8 34.9 42.7

HAVO 35.3 30.4 40.4 33.2 28.5 38.2 34.2 30.1 38.5

VWO 27.8 23.6 32.4 28.5 23.4 34.2 28.2 24.3 32.4

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

97
Tabel 7 (bij figuur 3.7)
Maandprevalentie van roken naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar1
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 21.4 16.8 26.9 25.2 20.7 30.2 23.4 19.7 27.5

VMBO-t 17.4 14.5 20.7 18.9 15.4 23.1 18.1 15.3 21.3

HAVO 15.9 12.8 19.6 14.4 11.2 18.2 15.1 12.5 18.1

VWO 11.1 8.4 14.5 11.6 8.6 15.3 11.3 8.9 14.3

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 8 (bij figuur 3.8)


Dagelijks roken naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar1
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 10.4 7.7 13.8 11.7 9.0 15.0 11.1 8.9 13.7

VMBO-t 7.4 5.6 9.8 7.5 5.4 10.3 7.4 5.7 9.6

HAVO 5.7 4.0 7.9 4.5 2.9 6.9 5.1 3.8 6.8

VWO 1.5 0.8 2.7 2.0 1.0 3.7 1.7 1.0 3.0

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

98
Tabel 9 (bij figuur 3.9)
Lifetime-prevalentie van roken in het voortgezet onderwijs
naar etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 38.9 36.2 41.6 39.3 36.3 42.3 39.1 36.7 41.5

Surinaams 45.9 34.3 58.1 40.1 30.6 50.4 42.9 35.7 50.5

Antilliaans/ 29.4 17.5 45.1 43.2 28.5 59.1 37.6 27.6 48.9

Arubaans
Marokkaans 16.9 9.7 27.7 18.4 9.5 32.8 17.6 11.6 26.0

Turks 36.8 28.3 46.3 38.9 29.5 49.2 37.9 31.7 44.5

Overig Westers 43.7 36.8 50.8 42.5 35.1 50.2 43.2 37.6 48.9

Ov. niet West. 39.0 31.7 46.9 42.9 34.4 51.7 41.0 34.5 47.8

Tabel 10 (bij figuur 3.9)


Maandprevalentie van roken in het voortgezet onderwijs
naar etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 19.0 17.0 21.2 18.5 16.4 20.9 18.8 17.1 20.6

Surinaams 12.0 6.0 22.6 18.9 12.1 28.3 15.5 10.5 22.3

Antilliaans/ 12.1 4.7 27.6 22.5 10.6 41.5 18.3 1.0 31.1

Arubaans
Marokkaans 10.0 4.8 19.6 8.2 2.9 21.2 9.1 5.0 16.2

Turks 17.4 11.1 26.3 18.8 12.1 27.9 18.1 12.9 24.9

Overig Westers 21.0 15.8 27.3 19.0 13.6 25.9 20.1 16.1 25.0

Ov. niet West. 16.7 11.3 24.0 17.0 11.9 23.6 16.9 12.6 22.2

99
Tabel 11 (bij figuur 3.10)
Dagelijks roken in het voortgezet onderwijs
naar etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 7.9 6.7 9.3 6.8 5.6 8.3 7.4 6.4 8.5

Surinaams 5.4 2.4 11.9 6.3 2.8 13.3 5.9 3.4 9.9

Antilliaans/ 8.8 3.0 23.5 5.1 1.3 17.6 6.6 2.8 14.7

Arubaans
Marokkaans 5.9 2.2 14.7 1.6 0.2 10.6 3.8 1.6 8.9

Turks 11.0 6.6 17.8 14.5 8.4 24.0 12.8 8.3 19.2

Overig Westers 8.7 5.4 13.8 8.2 5.2 12.8 8.5 6.0 12.0

Ov. niet West. 3.7 1.6 8.4 4.8 2.3 9.7 4.2 2.3 7.5

Tabel 12 (bij figuur 3.11)


Scholieren die roken in het voortgezet onderwijs
(gerookt in de afgelopen maand)
Gemiddeld aantal sigaretten per dag in de afgelopen vier weken
naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
<1 1-10 >10 <1 1-10 >10
sigaret sigaretten sigaretten sigaret sigaretten sigaretten
12 jaar 66.5 29.4 4.1 75.1 19.9 5.0
13 jaar 58.4 36.6 5.0 45.6 47.8 6.6
14 jaar 39.3 42.5 18.1 42.2 40.2 17.6
15 jaar 42.1 31.0 26.8 33.4 40.7 26.0
16 jaar 35.2 43.4 21.3 37.8 45.0 17.2
17-18 jr 28.8 39.6 31.6 39.7 40.1 20.3
Tot. VO 40.0 38.0 22.1 40.0 41.7 18.3

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

100
Tabel 13 (bij figuur 3.12)
Scholieren die roken in het voortgezet onderwijs, 12 t/m 16 jaar1
(gerookt in de afgelopen maand)
Gemiddeld aantal sigaretten per dag in de afgelopen vier weken
naar schoolniveau en geslacht (%)

Jongens Meisjes
<1 1-10 >10 <1 1-10 >10
sigaret sigaretten sigaretten sigaret sigaretten sigaretten
VMBO-b 33.1 38.2 28.6 26.2 49.9 23.9
VMBO-t 38.4 41.1 20.5 41.2 40.2 18.6
HAVO 48.2 35.1 16.7 46.0 39.5 14.5
VWO 63.3 31.3 5.4 60.3 31.4 8.3

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 14 (bij figuur 3.13) : Trends in de lifetime-prevalentie van roken in het


voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 56.5 53.0 60.0 52.7 49.2 56.3 54.6 51.5 57.8

1992 57.4 54.7 60.1 52.3 49.4 55.2 54.9 52.7 57.1

1996 58.5 55.9 61.1 58.9* 56.4 61.3 58.7 56.5 60.9

1999 56.9 54.0 59.8 54.0 50.9 57.1 55.4 52.8 58.0

2003 44.9* 41.8 47.9 45.5* 42.1 48.9 45.2* 42.4 47.9

2007 38.8* 36.3 41.3 39.3 36.5 42.3 39.0* 36.8 41.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

101
Tabel 15 (bij figuur 3.14)
Trends in de maandprevalentie van roken in het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 21.0 18.6 23.5 25.1 21.7 28.6 23.0 20.4 25.7

1992 27.4* 25.3 29.5 25.1 22.7 27.5 26.3 24.6 28.0

1996 28.4 26.5 30.2 31.1* 28.1 34.1 29.7 27.6 31.7

1999 26.6 23.6 29.6 27.4 23.9 31.0 27.0 24.4 29.7

2003 17.7* 15.2 20.2 22.1 19.7 24.5 19.9* 17.8 21.9

2007 18.6 16.7 20.6 18.4 16.4 20.7 18.5 16.9 20.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 16 (bij figuur 3.15)


Trends in de prevalentie van dagelijks roken in het voortgezet onderwijs
(12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 11.0 8.9 13.1 13.1 10.9 15.3 12.0 10.3 13.8

1992 15.5* 14.0 17.0 13.7 12.0 15.3 14.7 13.3 16.0

1996 16.6 14.9 18.3 17.5 15.1 20.0 17.1 15.5 18.6

1999 14.2 11.5 16.9 13.7 11.2 16.2 13.9 11.7 16.1

2003 8.3* 6.7 10.0 10.2 8.1 12.3 9.2* 7.7 10.8

2007 7.8 6.7 9.1 6.9 5.7 8.3 7.4 6.4 8.5

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

102
Tabel 17 (bij figuur 3.16)
Trends in de prevalentie van meer dan 10 sigaretten per dag door dagelijkse
rokers in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en
geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 31.8 27.9 35.7 28.5 24.4 32.7 30.1 26.9 33.3

1996 38.1 33.0 43.3 28.0 23.5 32.5 33.1 29.6 36.5

1999 38.9 32.0 45.7 27.6 22.5 32.7 33.1 28.7 37.5

2003 40.9 34.0 47.8 31.1 24.5 37.7 35.7 31.0 40.3

2007 22.1 18.9 25.8 18.3 15.7 21.4 20.3 18.0 22.7

Tabel 18
Trends in de lifetime-prevalentie van roken naar leeftijd1,
geslacht en onderzoeksjaar (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 32.6 37.8 39.7 39.7 23.3 16.1 26.9 23.6 27.9 29.2 22.3 13.9
13 jaar 45.1 48.4 51.8 49.1 37.5 28.3 35.4 38.3 52.6 43.7 31.7 25.5
14 jaar 54.3 53.1 57.7 56.9 49.2 35.4 48.0 54.1 64.9 55.0 48.4 42.6
15 jaar 62.5 63.1 68.4 62.8 51.1 47.0 62.4 61.4 67.0 66.9 57.6 51.6
16 jaar 67.6 67.4 66.1 64.7 58.3 51.5 70.2 69.1 70.5 68.2 61.5 51.5
17-18 jr 67.5 70.1 64.9 71.3 64.4 62.6 65.7 63.1 68.9 66.3 60.6 62.1

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

103
Tabel 19
Trends in de maandprevalentie van roken naar leeftijd1,
geslacht en onderzoeksjaar (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 7.0 11.2 11.1 10.9 6.1 4.6 8.7 7.1 10.6 12.4 5.0 3.8
13 jaar 13.5 17.0 20.5 17.1 11.2 9.3 11.9 15.8 26.4 17.5 12.2 10.3
14 jaar 18.2 20.8 26.3 26.0 16.9 15.3 20.8 26.9 34.4 28.3 24.0 22.0
15 jaar 22.4 33.9 35.6 34.1 24.1 26.4 31.4 30.5 36.6 37.0 31.4 24.9
16 jaar 27.0 39.4 39.3 36.4 28.1 26.9 38.6 36.8 40.0 38.5 35.5 24.8
17-18 jr 33.1 38.8 37.5 38.0 31.2 36.2 34.8 31.3 38.5 35.1 29.2 30.5

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 20
Trends in dagelijks roken naar leeftijd1, geslacht en onderzoeksjaar (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 0.3 1.8 2.3 1.7 0.4 0.5 0.6 1.3 3.2 3.3 1.0 0.2
13 jaar 2.5 5.3 6.8 6.2 3.3 1.6 2.7 5.3 8.8 6.1 3.0 2.0
14 jaar 7.7 11.1 14.1 12.8 7.6 5.6 9.4 13.2 17.9 12.9 10.5 8.0
15 jaar 12.0 20.4 23.9 21.8 12.7 11.7 17.4 17.2 21.6 20.1 15.9 11.6
16 jaar 18.0 26.9 25.7 21.3 16.6 12.3 23.8 24.6 27.8 23.9 18.5 9.8
17-18 jr 22.3 24.6 28.2 23.3 18.0 20.1 21.6 19.3 28.9 20.8 16.8 12.9

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

104
Tabel 21
Trends in de lifetime-prevalentie van roken in het voortgezet onderwijs
(12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 54.2 50.1 58.3 50.3 46.4 54.2 52.3 48.8 55.7

1992 55.1 52.2 58.1 50.6 47.3 54.0 52.9 50.5 55.3

1996 57.6 54.7 60.5 57.6* 55.0 60.3 57.6 55.3 59.9

1999 55.2 51.8 58.6 52.7 49.5 55.9 53.9 51.0 56.9

2003 43.1* 40.0 46.2 44.2* 40.7 47.6 43.6* 40.8 46.5

2007 36.1 33.6 38.6 37.7 34.7 40.8 36.9 34.6 39.2

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 22
Trends in de maandprevalentie van roken in het voortgezet onderwijs
(12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 18.5 15.9 21.2 23.3 19.7 26.9 20.9 18.1 23.7

1992 25.3* 23.0 27.6 24.1 21.5 26.7 24.8 23.0 26.6

1996 27.0 25.2 28.9 30.2* 27.1 33.2 28.6 26.4 30.7

1999 25.2 22.2 28.3 26.6 23.1 30.2 26.0 23.3 28.7

2003 16.5* 13.9 19.1 21.5 19.0 23.9 18.9* 16.8 21.0

2007 16.6 14.8 18.6 17.6 15.5 19.9 17.1 15.4 18.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

105
Tabel 23
Trends in prevalentie van dagelijks roken in het voortgezet onderwijs
(12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 8.7 6.3 11.1 11.5 9.0 14.0 10.1 8.0 12.1

1992 13.9* 12.2 15.6 12.8 11.0 14.5 13.4 12.0 14.8

1996 14.9 13.5 16.3 16.1 13.7 18.5 15.5 14.1 17.0

1999 13.1 10.5 15.7 12.9 10.5 15.4 13.0 10.9 15.2

2003 7.4* 5.9 9.0 9.6 7.7 11.5 8.5* 7.0 10.0

2007 6.4 5.3 7.6 6.5 5.3 8.0 6.5 5.5 7.6

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

106
Bijlage Alcohol

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 4.1) Lifetime-prevalentie van alcoholgebruik, naar onder-


wijstype, leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij figuur 4.2) Maandprevalentie van alcoholgebruik, naar onder-
wijstype, leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij figuur 4.3) Lifetime-prevalentie van dronkenschap, naar onder-
wijstype, leeftijd en geslacht
Tabel 4 (bij figuur 4.4) Maandprevalentie van dronkenschap in het voort-
gezet onderwijs, naar leeftijd en geslacht
Tabel 5 (bij figuur 4.5) Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer
glazen bij één gelegenheid (binge drinken) in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd en geslacht
Tabel 6 Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het
weekend drinken in het voortgezet onderwijs, naar
leeftijd
Tabel 7 (bij figuur 4.6) Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het
weekend drinken in het voortgezet onderwijs, naar
leeftijd en geslacht
Tabel 8 Gemiddeld aantal glazen dat scholieren doordeweek
drinken in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd en
geslacht
Tabel 9 Gemiddeld aantal glazen dat scholieren per week
drinken in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd en
geslacht
Tabel 10 (bij figuur 4.7) Cumulatieve incidentie van alcoholgebruik in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd eerste gebruik en
geslacht.
Tabel 11 (bij figuur 4.8) Cumulatieve incidentie van wekelijks alcoholgebruik
in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd eerste
wekelijkse gebruik en geslacht
Tabel 12 Cumulatieve incidentie van dronkenschap in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd eerste keer
dronken en geslacht
Tabel 13 (bij figuur 4.9) Lifetime-prevalentie van alcoholgebruik, naar school-
niveau en geslacht, 12-16 jaar

107
Tabel 14 (bij figuur 4.9) Maandprevalentie van alcoholgebruik, naar school-
niveau en geslacht, 12-16 jaar
Tabel 15 (bij figuur 4.10) Lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het voort-
gezet onderwijs, naar etnische afkomst en geslacht
Tabel 16 (bij figuur 4.11) Maandprevalentie van alcoholgebruik in het voort-
gezet onderwijs, naar etnische afkomst en geslacht

Scholieren die drinken (maandgebruik)

Tabel 17 (bij figuur 4.12) Aantal keren alcohol gedronken in de afgelopen


maand naar onderwijstype, leeftijd en geslacht
Tabel 18 Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het
weekend drinken in het voortgezet onderwijs, naar
leeftijd
Tabel 19 (bij figuur 4.13) Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het
weekend drinken in het voortgezet onderwijs, naar
leeftijd en geslacht
Tabel 20 Gemiddeld aantal glazen dat scholieren doordeweek
drinken in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd en
geslacht
Tabel 21 Gemiddeld aantal glazen dat scholieren per week
drinken in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd en
geslacht
Tabel 22 (bij figuur 4.14) Aantal keer dronken in de afgelopen maand in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd en geslacht
Tabel 23 (bij figuur 4.15) Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer
glazen bij één gelegenheid (binge drinken) in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd en geslacht
Tabel 24 Aantal keren alcoholgebruik in de afgelopen maand,
naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar
Tabel 25 (bij figuur 4.16) Gemiddeld aantal glazen dat scholieren per week
drinken in het voortgezet onderwijs, naar schoolni-
veau en geslacht, 12 t/m 16 jaar
Tabel 26 (bij figuur 4.17) Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer
glazen bij één gelegenheid (binge drinken) in het
voortgezet onderwijs, naar schoolniveau en geslacht,
12 t/m 16 jaar

108
Trendgegevens

Tabel 27 (bij figuur 4.18) Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik


in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht
Tabel 28 (bij figuur 4.19) Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht
Tabel 29 (bij figuur 4.20) Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht
Tabel 30 (bij figuur 4.21) Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in
het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onder-
zoeksjaar en geslacht
Tabel 31 (bij figuur 4.22
en figuur 4.26) Trends in de maandprevalentie van het drinken van
5 of meer glazen bij één gelegenheid (binge drinken)
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 32 (bij figuur 4.23) Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 33 (bij figuur 4.24) Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 34 (bij figuur 4.25) Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 35 Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in
het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onder-
zoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 36 Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen
maand). Trends in de maandprevalentie van het
drinken van 5 of meer glazen bij één gelegenheid
(binge drinken) in het voortgezet onderwijs (12 t/m
18 jaar), naar onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht
Tabel 37 Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht

109
Tabel 38 Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht
Tabel 39 Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap
in het voortgezet onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar
onderzoeksjaar en geslacht
Tabel 40 Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in
het voortgezet onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onder-
zoeksjaar en geslacht

110
Tabel 1 (bij figuur 4.1)
Lifetime-prevalentie van alcoholgebruik, naar onderwijstype, leeftijd1
en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 42.7 37.2 48.4 28.2 24.1 32.6 35.6 31.3 40.1

12 jaar 63.2 58.6 67.5 48.2 42.6 53.8 55.7 52.0 59.3

13 jaar 68.6 64.6 72.4 63.7 59.5 67.6 66.1 63.3 68.9

14 jaar 82.3 78.9 85.2 79.2 74.0 83.7 80.8 77.2 83.9

15 jaar 89.1 86.2 91.4 89.6 87.2 91.7 89.4 87.2 91.2

16 jaar 94.4 91.6 96.3 91.8 88.4 94.2 93.1 90.9 94.8

17-18 jr 96.1 93.5 97.7 94.5 90.8 96.8 95.4 93.6 96.8

Tot VO 81.3 79.0 83.4 76.5 73.6 79.2 79.0 76.6 81.1

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2 (bij figuur 4.2)


Maandprevalentie van alcoholgebruik, naar onderwijstype, leeftijd1
en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 10.9 8.7 13.6 6.7 5.3 8.3 8.8 7.4 10.5

12 jaar 19.6 15.0 25.0 12.7 9.6 16.7 16.1 13.1 19.6

13 jaar 27.4 23.9 31.1 26.9 23.3 30.8 27.1 24.4 30.0

14 jaar 44.3 39.6 49.2 48.0 42.4 53.6 46.1 41.8 50.6

15 jaar 68.0 64.0 71.7 67.3 62.4 71.8 67.6 64.1 71.0

16 jaar 80.3 75.7 84.2 75.2 70.1 79.6 77.7 74.3 80.8

17-18 jr 86.4 80.9 90.5 82.4 75.7 87.6 84.8 80.1 88.5

Tot VO 52.0 48.2 55.8 48.9 45.0 52.9 50.5 46.9 54.1

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

111
Tabel 3 (bij figuur 4.3)
Lifetime-prevalentie van dronkenschap, naar onderwijstype, leeftijd1
en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 4.4 3.2 6.1 1.9 1.2 3.0 3.2 2.5 4.1

12 jaar 9.4 7.0 12.5 7.2 4.9 10.6 8.3 6.4 10.7

13 jaar 19.6 16.5 23.2 20.7 17.6 24.1 20.2 17.8 22.8

14 jaar 35.0 30.8 39.4 39.9 34.5 45.5 37.4 33.3 41.7

15 jaar 61.6 57.6 65.4 59.6 54.5 64.5 60.6 57.2 63.9

16 jaar 72.7 68.2 76.8 69.8 64.6 74.5 71.3 67.7 74.6

17-18 jr 88.3 82.5 92.4 77.4 73.3 81.1 83.9 80.0 87.2

Tot VO 44.6 40.9 48.2 42.3 38.5 46.1 43.4 40.1 46.9

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 4 (bij figuur 4.4)


Maandprevalentie van dronkenschap in het voortgezet onderwijs,
naar leeftijd1 en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.2 0.4 3.3 1.7 0.8 3.3 1.4 0.8 2.5

13 jaar 4.2 2.8 6.3 6.8 4.7 9.7 5.5 4.1 7.4

14 jaar 13.7 11.1 16.7 18.5 14.7 23.0 16.1 13.4 19.2

15 jaar 31.4 28.0 34.9 29.5 25.6 33.7 30.4 27.5 33.5

16 jaar 45.6 41.5 49.7 37.6 32.4 43.0 41.6 37.9 45.5

17-18 jr 63.0 56.4 69.1 44.3 35.3 53.7 55.4 48.9 61.8

Tot VO 23.3 20.4 26.4 20.4 17.9 23.2 21.9 19.4 24.6

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

112
Tabel 5 (bij figuur 4.5)
Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één gelegenheid
(binge drinken) in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 10.2 7.5 13.8 6.7 4.4 9.9 8.4 6.4 11.1

13 jaar 17.2 14.2 20.7 13.3 10.4 16.9 15.3 12.9 17.9

14 jaar 26.0 21.8 30.8 32.0 26.5 38.0 28.9 24.6 33.7

15 jaar 50.2 45.7 54.7 47.2 42.3 52.2 48.7 45.0 52.4

16 jaar 64.7 59.7 69.5 53.6 48.2 59.0 59.2 55.2 63.1

17-18 jr 77.4 71.0 82.7 61.7 54.2 68.7 71.1 65.3 76.3

Tot VO 38.1 34.6 41.7 32.9 29.6 36.4 35.6 32.4 38.8

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 6
Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het weekend drinken in
het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 (%)

0 1-4 5 -10 11-20 21 of meer


12 jaar 89.4 9.2 1.1 0.1 0.2
13 jaar 77.5 17.4 3.3 1.6 0.3
14 jaar 57.8 26.6 10.3 3.5 1.9
15 jaar 34.2 29.8 19.1 10.3 6.7
16 jaar 23.4 28.4 22.6 14.8 10.8
17-18 jr 17.2 20.3 25.7 22.0 14.9
Tot VO 53.6 22.3 12.2 7.2 4.7

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

113
Tabel 7 (bij figuur 4.6)
Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het weekend drinken in
het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
0 1-4 5 -10 11-20 21 of 0 1-4 5-10 11-20 21 of
meer meer
12 jaar 87.3 11.6 0.9 0.2 0 91.3 7.0 1.3 0 0.4
13 jaar 78.1 16.2 3.4 1.8 0.6 77.0 18.5 3.1 1.4 0
14 jaar 60.0 25.5 9.4 3.4 1.7 55.5 27.6 11.1 3.6 2.1
15 jaar 34.2 26.8 18.0 12.4 8.7 34.2 32.9 20.2 8.1 4.7
16 jaar 22.5 22.6 20.2 17.0 17.7 24.3 34.0 24.9 12.6 4.2
17-18 jr 17.3 12.8 23.6 25.9 20.5 17.0 31.3 28.8 16.2 6.7
Tot VO 53.0 20.0 11.6 8.6 6.8 54.2 24.7 12.9 5.7 2.5

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 8
Gemiddeld aantal glazen dat scholieren doordeweek drinken in
het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
0 glazen 1-4 5 of meer 0 glazen 1-4 5 of meer
glazen glazen glazen glazen
12 jaar 98.5 1.3 0.2 98.7 1.3 0
13 jaar 96.5 2.4 1.1 97.6 1.7 0.6
14 jaar 94.2 4.0 1.8 97.3 1.6 1.1
15 jaar 90.0 6.8 3.2 93.1 5.1 1.9
16 jaar 81.9 11.2 6.9 94.1 5.1 0.9
17-18 jr 74.0 17.1 8.8 93.1 5.8 1.1
Tot VO 90.6 6.2 3.2 96.0 3.1 0.9

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

114
Tabel 9
Gemiddeld aantal glazen dat scholieren per week drinken in
het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
0 1-4 5 -10 11-20 21 of 0 1-4 5 -10 11-20 21 of
meer meer
12 jaar 86.9 11.7 1.2 0.2 0 91.1 6.8 1.5 0.2 0.4
13 jaar 77.8 15.9 3.6 2.1 0.7 77.0 18.1 2.9 1.8 0.3
14 jaar 59.9 24.6 9.2 4.2 2.1 55.3 27.6 11.0 3.9 2.2
15 jaar 34.0 26.1 17.8 12.1 10.0 34.1 32.4 20.2 8.2 5.3
16 jaar 22.5 22.0 19.0 17.0 19.5 24.1 34.1 24.2 13.1 4.6
17-18 jr 17.3 12.4 22.0 24.0 24.3 16.4 31.9 27.7 17.4 6.7
Tot VO 52.8 19.5 11.2 8.6 7.8 54.0 24.5 12.7 6.0 2.8

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 10 (bij figuur 4.7)


Cumulatieve incidentie van eerste keer alcoholgebruik in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


9 jaar 5.8 3.0 4.4
10 jaar 12.0 5.8 9.0
11 jaar 20.2 12.2 16.3
12 jaar 35.8 27.4 31.7
13 jaar 52.3 48.3 50.3
14 jaar 70.6 69.8 70.2
15 jaar 85.2 85.5 85.3
16 jaar 91.7 91.6 91.6
17 jaar 91.7 92.0 91.8

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder
1 

voor het eerst alcohol hebben gedronken.

115
Tabel 11 (bij figuur 4.8)
Cumulatieve incidentie van eerste keer wekelijks alcoholgebruik in
het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 gebruik en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


9 jaar 0.3 0.1 0.2
10 jaar 0.7 0.2 0.5
11 jaar 1.2 0.5 0.8
12 jaar 3.0 1.8 2.4
13 jaar 6.4 5.6 6.5
14 jaar 17.1 15.1 16.1
15 jaar 40.3 34.6 37.5
16 jaar 64.3 56.9 60.7
17 jaar 72.2 65.8 69.1

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
1 

wekelijks alcohol is gaan drinken.

Tabel 12
Cumulatieve incidentie van eerste keer dronkenschap in het
voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht (%)

Leeftijd Jongens Meisjes Totaal


9 jaar 0.3 0.2 0.2
10 jaar 0.6 0.4 0.5
11 jaar 1.5 0.6 1.1
12 jaar 4.0 2.8 3.4
13 jaar 9.6 8.5 9.1
14 jaar 21.8 19.7 20.8
15 jaar 44.3 37.1 40.7
16 jaar 62.5 50.4 56.5
17 jaar 67.9 58.9 63.5

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
1 

dronken is geweest.

116
Tabel 13 (bij figuur 4.9)
Lifetime-prevalentie van alcoholgebruik, naar schoolniveau en
geslacht, 12-16 jaar1 (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 72.9 67.4 77.8 72.8 67.2 77.7 72.8 68.1 77.1

VMBO-t 81.9 78.0 85.3 73.5 67.8 78.6 78.1 74.0 81.6

HAVO 81.0 76.5 84.8 76.2 70.4 81.2 78.6 74.1 82.4

VWO 81.0 75.9 85.2 79.2 73.6 83.9 80.1 75.2 84.2

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 14 (bij figuur 4.9)


Maandprevalentie van alcoholgebruik, naar schoolniveau en geslacht,
12-16 jaar1 (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 43.5 36.3 50.9 44.6 38.5 50.8 44.1 38.4 49.9

VMBO-t 47.4 41.6 53.2 42.0 36.1 48.3 44.9 39.6 50.3

HAVO 52.5 45.4 59.5 50.4 43.0 57.7 51.4 44.8 58.0

VWO 47.5 39.2 55.9 49.7 41.8 57.5 48.5 41.1 56.0

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

117
Tabel 15 (bij figuur 4.10)
Lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet onderwijs,
naar etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 84.2 81.9 86.3 79.4 76.3 82.2 81.8 79.4 84.0

Surinaams 82.3 68.7 90.8 83.0 68.3 91.7 82.7 73.3 89.2

Antilliaans/Arubaans 69.0 53.8 80.9 74.7 59.5 85.5 72.4 61.0 81.5

Marokkaans 17.3 10.0 28.3 13.9 6.5 27.5 15.7 9.9 23.9

Turks 58.6 50.0 66.7 35.6 25.6 46.9 46.9 39.5 54.4

Overig westers 83.7 78.6 87.7 82.5 75.0 88.1 83.2 78.7 86.9

Overig niet westers 63.4 53.8 72.0 62.0 54.2 69.2 62.6 56.6 68.3

Tabel 16 (bij figuur 4.11)


Maandprevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet onderwijs,
naar etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 54.8 50.8 58.8 52.4 48.3 56.5 53.6 49.9 57.3

Surinaams 44.9 30.3 60.4 33.8 25.0 43.9 39.0 30.8 47.8

Antilliaans/Arubaans 31.0 17.7 48.3 42.6 29.1 57.3 38.0 27.5 49.8

Marokkaans 10.0 4.8 19.5 5.0 1.6 14.7 7.6 4.1 13.7

Turks 26.2 18.4 35.7 12.4 7.5 20.0 19.1 14.0 25.4

Overig Westers 55.5 47.7 63.0 49.6 41.0 58.3 53.0 46.2 59.6

Overig niet Westers 35.5 27.9 44.0 33.4 25.0 43.0 34.5 28.6 40.9

118
Tabel 17 (bij figuur 4.12)
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Aantal keren alcohol gedronken in de afgelopen maand, naar
onderwijstype, leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1-2 keer 3-10 keer > 10 keer 1-2 keer 3-10 keer >10 keer
BO 77.1 21.6 1.3 88.1 12.0 0
12 jaar 68.2 30.8 1.1 72.2 26.4 1.5
13 jaar 61.6 32.2 6.2 64.8 31.2 4.0
14 jaar 54.1 37.1 8.8 52.3 43.3 4.4
15 jaar 36.4 51.9 11.7 42.3 49.5 8.2
16 jaar 21.3 55.4 23.3 33.5 56.3 10.3
17-18 jr 16.3 59.2 24.5 23.0 64.8 12.2
Tot VO 36.7 48.2 15.1 43.6 48.7 7.7

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 18
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand). Gemiddeld aantal
glazen dat scholieren in het weekend drinken in het voortgezet onderwijs,
naar leeftijd1 (%)

02 1-4 5 -10 11-20 21 of meer


12 jaar 42.7 49.4 5.7 0.8 1.5
13 jaar 29.6 50.1 12.5 6.7 1.2
14 jaar 18.3 48.5 20.7 8.2 4.4
15 jaar 9.6 38.3 27.8 14.6 9.9
16 jaar 6.3 32.6 28.0 18.9 14.3
17-18 jr 3.5 22.9 30.1 26.4 17.2
Tot VO 13.1 38.1 24.2 14.8 9.7

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
De 0 geeft het percentage scholieren aan dat de afgelopen maand alcohol heeft gedronken, maar
nog niet wekelijks drinkt.

119
Tabel 19 (bij figuur 4.13)
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand). Gemiddeld aantal
glazen dat scholieren in het weekend drinken in het voortgezet onderwijs,
naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
02 1-4 5 -10 11-20 21 of 02 1-4 5 -10 11-20 21 of
meer meer
12 jaar 36.0 56.9 5.8 1.3 0 51.6 39.3 5.6 0 3.5
13 jaar 31.9 45.3 13.0 7.5 2.4 27.4 54.7 12.1 5.9 0
14 jaar 18.9 48.7 20.1 8.2 4.2 17.8 48.3 21.2 8.2 4.6
15 jaar 10.4 33.3 26.6 17.0 12.7 8.7 43.2 29.0 12.1 7.0
16 jaar 6.4 24.8 24.5 21.4 22.9 6.2 40.3 31.5 16.4 5.6
17-18 jr 3.3 14.4 27.9 30.7 23.7 3.7 35.6 33.5 19.9 7.4
Tot VO 13.1 32.9 22.8 17.3 13.9 13.0 43.7 25.8 12.2 5.3

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
De 0 geeft het percentage scholieren aan dat de afgelopen maand alcohol heeft gedronken, maar
nog niet wekelijks drinkt.

Tabel 20
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand). Gemiddeld aantal
glazen dat scholieren doordeweek drinken in het voortgezet onderwijs, naar
leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
0 glas2 1-4 glazen 5 of meer 0 glas2 1-4 glazen 5 of meer
glazen glazen
12 jaar 93.1 5.7 1.2 88.8 11.2 0
13 jaar 87.1 8.2 4.8 90.0 7.4 2.6
14 jaar 85.4 10.0 4.6 94.0 3.4 2.5
15 jaar 85.6 10.0 4.5 90.2 7.4 2.5
16 jaar 76.3 14.7 9.0 92.0 6.8 1.1
17-18 jr 70.0 19.8 10.2 91.5 7.2 1.3
Tot VO 81.0 12.5 6.5 91.5 6.6 1.9

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op HAVO
en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
De 0 geeft het percentage scholieren aan dat de afgelopen maand alcohol heeft gedronken, maar
nog niet wekelijks drinkt.

120
Tabel 21
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand). Gemiddeld aantal
glazen dat scholieren per week drinken in het voortgezet onderwijs, naar
leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
02 1-4 5 -10 11-20 21 of 02 1-4 5 -10 11-20 21 of
meer meer
12 jaar 34.6 56.7 7.4 1.3 0 49.8 37.4 7.3 2.0 3.5
13 jaar 30.6 44.1 13.5 8.8 3.0 27.4 53.0 11.1 7.4 1.1
14 jaar 18.7 46.4 19.6 10.0 5.3 17.1 48.3 20.8 8.9 4.8
15 jaar 10.2 32.3 26.4 17.0 14.1 8.7 42.4 28.8 12.4 7.7
16 jaar 6.4 23.9 22.9 21.4 25.3 5.9 40.4 30.5 17.0 6.2
17-18 jr 3.3 14.0 26.0 28.4 28.3 3.0 36.3 32.0 21.3 7.4
Tot VO 12.8 31.8 22.1 17.3 16.0 12.7 43.4 25.2 13.0 5.8

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
De 0 geeft het percentage scholieren aan dat de afgelopen maand alcohol heeft gedronken, maar
nog niet wekelijks drinkt.

Tabel 22 (bij figuur 4.14)


Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand). Aantal keer
dronken in de afgelopen maand in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1
en geslacht (%)

Jongens Meisjes
0 keer 1 keer 2-4 keer 5 keer of 0 keer 1 keer 2-4 keer 5 keer of
vaker vaker
12 jaar 94.3 3.6 1.1 1.1 86.4 9.1 4.5 0
13 jaar 84.6 8.9 5.4 1.0 75.5 17.4 6.3 0.9
14 jaar 68.7 18.8 9.6 2.9 61.3 23.6 13.8 1.3
15 jaar 54.1 20.0 19.2 6.7 56.4 25.8 13.9 3.9
16 jaar 42.6 23.2 26.1 8.1 50.0 27.9 17.8 4.3
17-18 jr 27.5 25.0 34.7 12.9 46.5 27.2 22.9 3.5
Tot VO 54.4 19.4 19.6 6.6 58.1 24.4 14.7 2.9

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

121
Tabel 23 (bij figuur 4.15)
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één gelegenheid
(binge drinken) in het voortgezet onderwijs, naar leeftijd1 en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 46.4 35.5 57.7 48.8 36.9 60.9 47.4 38.6 56.3

13 jaar 54.8 47.1 62.2 46.4 38.6 54.3 50.5 44.9 56.1

14 jaar 56.9 50.0 63.4 63.7 56.6 70.3 60.4 54.5 66.0

15 jaar 71.4 66.1 76.1 67.9 63.1 72.4 69.6 65.9 73.1

16 jaar 80.4 75.6 84.4 70.5 64.9 75.6 75.6 71.7 79.2

17-18 jr 88.9 85.2 91.8 73.7 65.9 80.3 83.0 78.4 86.7

Tot VO 71.1 68.0 74.0 65.1 62.0 68.0 68.2 65.7 70.6

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 24
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Aantal keren alcoholgebruik in de afgelopen maand, naar schoolniveau
en geslacht, 12 t/m 16 jaar1 (%).

Jongens Meisjes
1-2 keer 3-10 keren >10 keer 1-2 keer 3-10 keren >10 keren
VMBO-b 34.1 49.0 16.9 44.3 45.4 10.3
VMBO-t 45.8 42.2 12.0 47.8 47.1 5.1
HAVO 35.6 49.8 14.6 44.7 48.5 6.9
VWO 47.5 43.1 9.4 50.6 43.2 6.2

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

122
Tabel 25 (bij figuur 4.16)
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Gemiddeld aantal glazen dat scholieren in het weekend drinken in het
voortgezet onderwijs, naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes
02 1-4 5 -10 11-20 21 of 02 1-4 5 -10 11-20 21 of
meer meer
VMBO-b 12.0 31.3 24.3 16.2 16.2 12.4 43.4 23.0 11.3 10
VMBO-t 12.7 41.5 22.0 13.7 10.1 12.5 43.7 26.6 11.3 5.9
HAVO 13.7 30.2 22.9 16.6 16.6 13.2 43.3 27.8 11.0 4.7
VWO 18.7 42.2 20.7 12.3 6.1 16.3 47.4 24.8 10.2 1.3

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.
2
De 0 geeft het percentage scholieren aan dat de afgelopen maand alcohol heeft gedronken, maar
nog niet wekelijks drinkt.

Tabel 26 (bij figuur 4.17)


Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één gelegenheid
(binge drinken) in het voortgezet onderwijs, naar schoolniveau en geslacht,
12 t/m 16 jaar1 (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 83.4 79.1 86.9 77.6 72.6 81.9 80.3 77.0 83.2

VMBO-t 68.4 63.2 73.2 65.1 59.7 70.1 66.9 62.9 70.8

HAVO 67.6 61.2 73.5 62.2 56.5 67.7 65.0 60.2 69.5

VWO 51.3 45.6 56.9 51.5 43.9 59.1 51.4 45.7 57.1

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

123
Tabel 27 (bij figuur 4.18)
Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 80.9 77.9 83.8 77.3 74.1 80.6 79.1 76.4 81.8

1992 70.9* 67.9 74.0 67.7* 64.8 70.6 69.3* 66.7 72.0

1996 82.4* 79.1 85.8 75.6* 70.8 80.5 79.1* 75.1 83.1

1999 78.0 73.4 82.5 70.0 65.0 75.0 73.8 69.4 78.3

2003 85.7* 83.0 88.4 83.4* 80.5 86.3 84.6* 82.1 87.1

2007 81.3 79.0 83.4 76.5* 73.6 79.2 79.0* 76.6 81.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 28 (bij figuur 4.19)


Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 55.5 51.2 59.8 52.1 48.4 55.9 53.8 50.3 57.3

1992 47.4* 44.1 50.8 42.8* 39.7 45.8 45.2* 42.4 47.9

1996 59.2* 55.0 63.5 51.4 45.7 57.0 55.4* 50.6 60.2

1999 58.9 54.6 63.2 49.7 44.6 54.8 54.2 49.7 58.6

2003 60.1 56.6 63.7 56.6 52.5 60.7 58.4 54.9 61.9

2007 52.0* 48.2 55.8 48.9 45.0 52.9 50.5* 46.9 54.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

124
Tabel 29 (bij figuur 4.20)
Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 33.9 29.8 38.0 27.0 23.4 30.7 30.6 27.4 33.7

1992 38.5 36.1 41.0 32.3 29.6 35.0 35.4 33.4 37.5

1996 46.2* 42.4 49.9 39.2* 35.2 43.2 42.8* 39.1 46.4

1999 48.7 44.5 53.0 40.1 36.2 44.1 44.2 40.5 48.0

2003 47.8 43.9 51.7 46.9 42.7 51.1 47.4 43.6 51.1

2007 44.6 40.9 48.2 42.3 38.5 46.1 43.4 40.1 46.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 30 (bij figuur 4.21)


Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 14.4 12.0 16.8 9.6 7.9 11.3 12.0 10.3 13.8

1992 17.4 15.3 19.4 11.2 9.8 12.7 14.3 12.9 15.7

1996 23.6* 21.0 26.3 17.9* 15.3 20.5 20.8* 18.5 23.2

1999 28.3 24.4 32.1 19.7 16.8 22.7 23.8 20.9 26.8

2003 21.2* 18.2 24.1 21.2 18.3 24.2 21.2 18.7 23.7

2007 23.3 20.4 26.4 20.4 17.9 23.2 21.9 19.4 24.6

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

125
Tabel 31 (bij figuur 4.22 en figuur 4.26)
Trends in de maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één
gelegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


2003 2007 2003 2007 2003 2007
12 jaar 19.8 10.2* 14.9 6.7* 17.5 8.4*
13 jaar 28.6 17.2* 22.5 13.3* 25.7 15.3*
14 jaar 40.1 26.0* 37.4 32.0 38.8 28.9*
15 jaar 52.3 50.2 49.8 47.2 50.9 48.7
16 jaar 62.2 64.7 53.3 53.6 57.8 59.2
17-18 jr 77.5 77.4 48.7 61.7 63.5 71.1
Tot VO 42.5 38.1 36.6 32.9 39.6 35.6

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
* significant verschil tussen 2003 en 2007

Tabel 32 (bij figuur 4.23)


Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 67.8 45.7 64.1 55.7 73.4 63.2* 48.8 32.5 46.7 37.8 68.4 48.2*
13 jaar 74.4 54.8 74.5 67.5 81.4 68.6* 60.3 49.5 66.8 56.6 77.5 63.7*
14 jaar 75.6 68.0 83.1 77.4 88.2 82.3 75.0 67.9 80.9 71.4 86.5 79.2
15 jaar 84.5 75.9 90.8 85.5 90.5 89.1 85.6 78.9 82.9 86.6 88.9 89.6
16 jaar 88.8 87.6 86.9 91.8 92.8 94.4 90.7 84.8 86.8 86.4 90.2 91.8
17-18 jr 89.6 89.0 93.7 92.7 95.3 96.1 95.6 90.6 89.8 88.6 93.5 94.5

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
* significant verschil tussen 2003 en 2007

126
Tabel 33 (bij figuur 4.24)
Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 26.4 13.6 27.3 24.4 35.7 19.6* 20.2 6.1 15.0 15.9 25.4 12.7*
13 jaar 36.5 23.4 41.4 39.1 44.9 27.4* 28.9 18.8 34.0 27.9 40.8 26.9*
14 jaar 44.8 37.7 57.5 58.5 63.6 44.3* 42.1 37.0 54.3 48.5 60.9 48.0*
15 jaar 60.4 53.9 72.3 70.9 71.0 68.0 60.2 54.6 65.6 69.7 69.8 67.3
16 jaar 73.5 71.7 76.5 82.5 78.2 80.3 73.3 67.5 69.6 72.3 77.1 75.2
17-18 jr 79.7 77.3 80.0 82.1 88.7 86.4 79.9 72.3 71.3 78.0 76.1 82.4

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
* significant verschil tussen 2003 en 2007

Tabel 34 (bij figuur 4.25)


Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 8.0 10.2 14.7 13.8 18.4 9.4* 3.3 3.3 8.4 6.4 13.7 7.2
13 jaar 13.7 17.5 26.4 29.2 29.8 19.6* 8.4 13.0 20.5 18.8 27.9 20.7
14 jaar 23.3 23.6 41.4 44.1 48.7 35.0* 17.5 24.7 36.8 39.3 49.6 39.9
15 jaar 35.8 44.2 59.9 60.8 61.6 61.6 30.5 40.8 52.8 56.9 64.1 59.6
16 jaar 50.7 59.0 65.0 74.2 73.2 72.7 44.1 55.2 60.5 63.5 68.1 69.8
17-18 jr 64.5 74.0 74.8 82.3 85.5 88.3 54.6 57.2 61.3 72.9 72.2 77.4

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
* significant verschil tussen 2003 en 2007

127
Tabel 35
Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 1.6 2.5 3.2 3.9 2.7 1.2 0.8 0.6 2.8 3.0 2.9 1.7
13 jaar 3.1 3.4 7.7 9.5 7.3 4.2 1.3 3.1 6.1 7.3 7.9 6.8
14 jaar 7.2 6.8 17.6 22.2 16.2 13.7 6.8 8.0 15.4 16.7 20.6 18.5
15 jaar 15.9 19.5 33.8 39.0 32.7 31.4 12.3 13.7 25.4 29.5 32.6 29.5
16 jaar 23.8 30.0 41.1 48.4 41.3 45.6 16.2 24.2 30.1 32.8 37.3 37.6
17-18 jr 31.0 41.9 44.1 55.4 54.0 63.0 18.2 18.1 32.4 40.7 36.1 44.3

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
* significant verschil tussen 2003 en 2007

Tabel 36
Actuele drinkers (alcohol gebruikt in de afgelopen maand).
Trends in de maandprevalentie van het drinken van 5 of meer glazen bij één
gelegenheid (binge drinken) in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jaar), naar
onderzoeksjaar, leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


2003 2007 2003 2007 2003 2007
12 jaar 53.0 46.4 56.1 48.8 54.2 47.4
13 jaar 58.4 54.8 51.8 46.4 55.4 50.5
14 jaar 62.5 56.9 59.3 63.7 61.0 60.4
15 jaar 72.1 71.4 69.3 67.9 70.6 69.6
16 jaar 77.7 80.4 68.1 70.5 73.0 75.6
17-18 jr 88.1 88.9 63.6 73.7 77.1 83.0
Tot VO 68.7 71.1 62.7 65.1 65.9 68.2

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
* significant verschil tussen 2003 en 2007

128
Tabel 37
Trends in de lifetime-prevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 79.1 76.2 82.0 74.0 70.6 77.3 76.6 73.9 79.2

1992 67.7* 64.5 71.0 64.2* 61.1 67.3 66.0* 63.1 68.8

1996 80.9* 77.3 84.4 73.9* 68.6 79.2 77.4* 73.1 81.7

1999 76.2 71.4 80.9 68.0 62.9 73.1 71.9 67.3 76.5

2003 84.8* 82.0 87.7 82.5* 79.5 85.4 83.7* 81.0 86.4

2007 79.6* 77.3 81.8 75.2* 72.3 78.0 77.5* 75.2 79.6

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 38
Trends in de maandprevalentie van alcoholgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 50.3 46.2 54.4 46.9 43.1 50.8 48.6 45.3 52.0

1992 42.0* 38.4 45.6 38.3* 35.3 41.3 40.2* 37.3 43.0

1996 56.2* 51.9 60.6 48.9* 43.2 54.6 52.6* 47.7 57.5

1999 56.1 51.4 60.7 46.7 41.6 51.8 51.2 46.6 55.8

2003 57.5 53.9 61.1 54.8 50.6 59.1 56.2 52.5 59.9

2007 48.0* 44.4 51.6 46.5* 42.7 50.3 47.2* 43.8 50.7

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

129
Tabel 39
Trends in de lifetime-prevalentie van dronkenschap in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 27.6 23.3 31.9 22.0 18.0 25.9 24.8 21.6 28.1

1992 32.1 29.9 34.4 28.5* 26.0 31.0 30.3* 28.5 32.2

1996 42.2* 38.5 45.8 36.6* 32.7 40.4 39.4* 35.8 43.0

1999 44.7 40.2 49.3 36.6 32.8 40.5 40.5 36.7 44.3

2003 44.3 40.5 48.3 44.6 40.2 49.1 44.5 40.7 48.4

2007 39.6 36.3 43.0 39.7 36.1 43.4 39.6 36.5 42.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 40
Trends in de maandprevalentie van dronkenschap in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar), naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 10.9 8.3 13.6 8.0 6.1 9.9 9.5 7.6 11.3

1992 13.0 11.3 14.6 10.2 8.9 11.5 11.6 10.6 12.6

1996 20.8* 18.2 23.3 16.2* 13.8 18.6 18.5* 16.3 20.7

1999 24.9 20.7 29.1 17.5 14.5 20.6 21.0 17.9 24.1

2003 18.3 15.7 20.8 19.9 16.7 23.0 19.0 16.6 21.5

2007 18.7 16.5 21.2 18.6 16.3 21.2 18.7 16.6 21.0

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

130
Bijlage Cannabis

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 5.1) Lifetime-prevalentie naar onderwijstype, leeftijd en


geslacht
Tabel 2 (bij figuur 5.2) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand
naar leeftijd en geslacht
Tabel 4 (bij figuur 5.3) Cumulatieve incidentie van eerste keer cannabisge-
bruik naar leeftijd en geslacht
Tabel 5 (bij figuur 5.4) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 6 (bij figuur 5.4) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 7 (bij figuur 5.5) Lifetime-prevalentie naar etnische afkomst en
geslacht
Tabel 8 (bij figuur 5.6) Maandprevalentie naar etnische afkomst en geslacht

Scholieren die cannabis gebruiken (maandgebruik)

Tabel 9 (bij figuur 5.7) Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand


naar leeftijd en geslacht
Tabel 10 (bij figuur 5.8) Aantal joints per keer naar leeftijd en geslacht
Tabel 11 (bij figuur 5.9) Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand
naar schoolniveau en geslacht
Tabel 12 (bij figuur 5.10) Aantal joints per keer naar schoolniveau en geslacht

131
Trendgegevens

Tabel 13 (bij figuur 5.11) Trends in de lifetime-prevalentie in het voortgezet-


onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 14 (bij figuur 5.12) Trends in de maandprevalentie in het voortgezet-
onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 15 Trends in de lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht
Tabel 16 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht
Tabel 17 Trends in de lifetime-prevalentie in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en
geslacht
Tabel 18 Trends in de maandprevalentie in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en
geslacht

132
Tabel 1 (bij figuur 5.1)
Lifetime-prevalentie van cannabisgebruik naar onderwijstype, leeftijd1
en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 0.2 0.0 0.7 0.2 0.0 0.8 0.2 0.0 0.5

12 jaar 3.1 1.9 5.0 1.6 0.8 3.1 2.3 1.6 3.4

13 jaar 5.5 3.7 8.2 4.2 3.0 5.9 4.9 3.8 6.3

14 jaar 12.6 10.0 15.7 12.3 9.6 15.6 12.4 10.2 15.0

15 jaar 24.3 20.8 28.3 19.4 15.7 23.8 21.9 18.7 25.4

16 jaar 33.7 29.4 38.2 26.7 22.8 31.1 30.2 26.9 33.7

17-18 jr 51.6 43.3 59.7 30.5 23.3 38.7 43.1 36.0 50.5

Tot VO 19.3 17.0 21.9 13.9 12.1 16.0 16.7 14.8 18.7

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2 (bij figuur 5.2)


Maandprevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet onderwijs
naar leeftijd1 en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.2 0.5 2.8 0.0 0.0 0.0 0.6 0.2 1.4

13 jaar 2.4 1.4 4.3 2.0 1.3 3.2 2.2 1.5 3.2

14 jaar 6.5 4.8 8.8 6.2 4.4 8.8 6.4 4.9 8.3

15 jaar 13.5 10.7 16.9 9.8 7.1 13.4 11.6 9.2 14.6

16 jaar 15.3 12.4 18.7 11.6 9.1 14.7 13.5 11.3 16.0

17-18 jr 28.2 22.2 35.1 9.5 6.5 13.7 20.7 16.0 26.3

Tot VO 9.9 8.4 11.6 6.2 5.1 7.4 8.1 6.9 9.3

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

133
Tabel 3
Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand naar leeftijd en geslacht (%)

Jongens Meisjes
0 keer 1-2 3-10 > 10 0 keer 1-2 3-10 >10
keer keer keer keer keer keer
12 jaar 98.8 0.8 0 0.4 100 0 0 0
13 jaar 97.6 1.4 0.8 0.2 98.0 1.5 0.6 0
14 jaar 93.5 3.1 2.6 0.8 93.8 4.3 1.7 0.2
15 jaar 86.6 5.4 5.8 2.3 90.2 5.6 3.1 1.2
16 jaar 84.7 7.7 4.9 2.7 88.4 7.2 3.9 0.6
17-18 jr 71.8 12.5 9.3 6.4 90.5 5.3 3.1 1.1
Tot VO 90.1 4.5 3.5 1.8 93.8 3.8 1.9 0.5

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 4 (bij figuur 5.3)


Cumulatieve incidentie van eerste keer cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


11 jaar 1.0 0.2 0.6
12 jaar 2.3 1.2 1.7
13 jaar 5.1 4.1 4.6
14 jaar 13.3 10.2 11.8
15 jaar 24.5 18.4 21.5
16 jaar 34.4 27.3 30.9
17 jaar 39.1 29.6 34.4

percentages geven aan hoeveel procent van de scholieren op die leeftijd of eerder voor het eerst
1 

cannabis heeft gebruikt.

134
Tabel 5 (bij figuur 5.4)
Lifetime-prevalentie van cannabisgebruik naar schoolniveau en geslacht,
12 t/m 16 jaar1 (%, betrouwbaarheidinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 15.2 12.1 18.9 15.0 11.3 19.7 15.1 12.0 18.8

VMBO-t 15.7 12.4 19.6 11.5 8.7 15.0 13.8 11.1 16.9

HAVO 17.6 13.8 22.2 12.7 9.7 16.6 15.2 12.1 18.9

VWO 13.3 10.2 17.2 11.6 8.7 15.2 12.4 9.8 15.7

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 6 (bij figuur 5.4)


Maandprevalentie van cannabisgebruik naar schoolniveau en geslacht,
12 t/m 16 jaar (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 7.9 5.9 10.5 7.4 5.0 10.8 7.7 5.8 10.1

VMBO-t 7.7 5.9 10.2 5.4 3.6 8.0 6.7 5.0 8.9

HAVO 8.6 6.2 11.6 5.6 4.0 7.9 7.1 5.3 9.5

VWO 6.4 4.4 9.0 5.5 3.7 8.1 5.9 4.4 7.9

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

135
Tabel 7 (bij figuur 5.5)
Lifetime-prevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet onderwijs naar
etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 19.2 16.7 22.0 13.8 11.9 15.9 16.5 14.6 18.7

Surinaams 24.4 15.6 35.9 16.4 10.1 25.5 20.3 14.7 27.4

Antilliaans/Arubaans 8.9 2.8 25.0 19.5 9.7 35.1 15.2 8.4 25.9

Marokkaans 9.5 4.6 18.8 6.6 2.4 16.9 8.1 4.4 14.5

Turks 19.0 12.3 28.3 12.0 7.1 19.5 15.5 10.9 21.5

Overig westers 23.1 17.6 29.7 17.4 12.4 23.9 20.7 16.4 25.7

Overig niet westers 20.0 14.1 27.6 14.3 9.5 21.1 17.1 13.0 22.2

Tabel 8 (bij figuur 5.6)


Maandprevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet onderwijs naar
etnische afkomst en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
Nederlands 9.9 8.3 11.7 6.2 5.1 7.4 8.1 6.9 9.4

Surinaams 14.2 7.8 24.6 5.4 2.2 12.7 9.7 5.9 15.6

Antilliaans/Arubaans 8.9 2.8 25.0 14.8 7.0 28.6 12.4 6.7 21.8

Marokkaans 6.7 2.7 15.3 1.8 0.2 12.0 4.3 1.9 9.5

Turks 8.3 4.2 15.7 5.2 2.3 11.2 6.7 4.1 10.8

Overig westers 10.9 7.1 16.3 7.5 4.4 12.3 9.4 6.4 13.6

Overig niet westers 8.5 4.5 15.4 4.8 2.2 10.1 6.6 3.7 11.5

136
Tabel 9 (bij figuur 5.7)
Scholieren die cannabis gebruiken
(geblowd in de afgelopen maand, voortgezet onderwijs)
Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand
naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1-2 keer 3-10 keer > 10 keer 1-2 keer 3-10 keer >10 keer
12 jaar2 - - - - - -
13 jaar 57.7 32.3 10.0 72.5 27.5 0
14 jaar 47.1 40.3 12.6 69.4 26.9 3.7
15 jaar 40.0 43.3 16.7 56.9 31.1 12.0
16 jaar 50.7 31.7 17.6 61.6 33.2 5.2
17-18 jr 44.3 33.1 22.6 56.2 32.7 11.2
Tot VO 46.1 35.8 18.1 61.9 30.7 7.3

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
Aantal laatste maand gebruikers onder de 12-jarigen te klein voor verdere analyses

Tabel 10 (bij figuur 5.8)


Scholieren die cannabis gebruiken
(geblowd in de afgelopen maand, voortgezet onderwijs)
Aantal joints per keer naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
<1 1 of 2 3 joints <1 1 of 2 3 joints
joint joints of meer joints joints of meer
12 jaar2 - - - - - -
13 jaar 47.6 47.7 4.7 71.8 21.9 6.3
14 jaar 56.3 30.2 13.6 52.0 36.1 11.9
15 jaar 39.3 34.2 26.4 52.8 35.8 11.4
16 jaar 50.5 34.2 15.4 60.5 25.1 14.3
17-18 jr 43.7 40.6 15.7 58.4 34.5 7.1
Tot VO 45.5 36.7 17.8 56.8 31.8 11.4

1 Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.
2
Aantal laatste maand gebruikers onder de 12-jarigen te klein voor verdere analyses

137
Tabel 11 (bij figuur 5.9)
Scholieren die cannabis gebruiken (geblowd in de afgelopen maand)
Aantal keren cannabisgebruik in de afgelopen maand naar schoolniveau
en geslacht, 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes
1-2 keer 3-10 keer > 10 keer 1-2 keer 3-10 keer >10 keer
VMBO-b 37.0 40.1 22.9 46.9 37.3 15.8
VMBO-t 50.3 37.6 12.1 55.9 35.0 9.1
HAVO 43.2 37.3 19.5 69.2 30.9 0
VWO 58.6 31.6 9.9 87.0 13.0 0

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 12 (bij figuur 5.10)


Scholieren die cannabis gebruiken (geblowd in de afgelopen maand)
Aantal joints per naar schoolniveau en geslacht, 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes
<1 1 of 2 3 of meer <1 1 of 2 3 of meer
VMBO-b 37.4 34.9 27.7 48.1 35.5 16.4
VMBO-t 50.9 31.8 17.3 54.8 29.8 15.4
HAVO 37.3 42.6 20.1 62.7 24.2 13.1
VWO 62.5 28.9 8.6 63.5 36.5 0

1
Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

138
Tabel 13 (bij figuur 5.11)
Trends in de lifetime-prevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 10.1 8.2 11.9 7.1 5.9 8.4 8.6 7.4 9.9

1992 18.6* 16.7 20.5 11.5* 9.6 13.3 15.2* 13.6 16.7

1996 25.2* 22.2 28.2 18.0* 15.6 20.3 21.6* 19.4 23.9

1999 23.4 21.1 25.6 15.8 13.7 17.9 19.5 17.6 21.4

2003 20.3 17.7 22.9 17.1 14.7 19.5 18.7 16.6 20.8

2007 19.3 17.0 21.9 13.9 12.1 16.0 16.7 14.8 18.7

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 14 (bij figuur 5.12)


Trends in de maandprevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 18 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 4.9 3.8 6.0 2.4 1.7 3.0 3.7 3.0 4.3

1992 9.1* 7.8 10.5 4.2* 3.4 5.0 6.8* 5.8 7.7

1996 14.1* 11.8 16.3 8.0* 6.3 9.7 11.1* 9.6 12.6

1999 12.4 10.4 14.4 6.5 4.9 8.0 9.3 7.8 10.8

2003 10.2 8.9 11.4 7.0 5.7 8.3 8.6 7.7 9.5

2007 9.9 8.4 11.6 6.2 5.1 7.4 8.1 6.9 9.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

139
Tabel 15
Trends in de lifetime-prevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs naar onderzoeksjaar, leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 0.3 2.9 3.3 3.9 2.5 3.1 0.3 1.0 2.6 2.3 1.7 1.6
13 jaar 1.6 6.6 12.5 9.2 8.2 5.5 0.8 3.0 6.8 6.2 5.3 4.2
14 jaar 4.0 9.6 20.9 18.3 21.0 12.6 4.2 9.1 18.2 12.9 16.4 12.3
15 jaar 11.2 20.9 35.4 29.7 25.2 24.3 7.9 15.3 23.4 21.4 24.7 19.4
16 jaar 15.5 30.2 38.5 38.6 36.9 33.7 11.9 20.4 29.9 28.0 31.3 26.7
17-18 jr 25.1 40.2 43.2 52.6 51.1 51.6 16.6 19.7 30.8 35.7 35.9 30.5

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 16
Trends in de maand-prevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs naar onderzoeksjaar, leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes
1988 1992 1996 1999 2003 2007 1988 1992 1996 1999 2003 2007
12 jaar 0 1.3 1.1 0.7 0.9 1.2 0 0.6 0.9 0.6 0.5 0
13 jaar 0.6 2.6 5.8 3.3 3.7 2.4 0.2 0.9 3.7 2.3 2.0 2.0
14 jaar 2.2 5.2 12.9 10.3 10.0 6.5 2.0 3.3 8.4 5.5 8.8 6.2
15 jaar 4.5 9.6 20.0 17.5 13.0 13.5 3.3 5.5 11.0 11.3 11.9 9.8
16 jaar 10.8 17.3 23.8 21.8 21.1 15.3 4.2 9.0 14.4 11.9 9.8 11.6
17-18 jr 10.6 18.2 21.6 24.6 24.2 28.2 4.0 5.8 9.9 8.8 10.8 9.5

1 Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

140
Tabel 17
Trends in de lifetime-prevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 7.0 4.8 9.1 5.3 4.2 6.4 6.2 4.8 7.5

1992 14.8* 12.9 16.6 10.2* 8.5 11.9 12.5* 11.0 14.0

1996 22.6* 19.8 25.4 16.4* 13.8 19.0 19.5* 17.2 21.9

1999 19.9 17.3 22.5 13.7 11.5 15.9 16.7 14.5 18.9

2003 17.4 15.2 19.7 15.4 13.2 17.7 16.5 14.5 18.4

2007 15.6 13.7 17.7 12.7 11.0 14.6 14.2 12.6 15.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 18
Trends in de maand-prevalentie van cannabisgebruik in het voortgezet
onderwijs (12 t/m 16 jaar) naar onderzoeksjaar en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 3.8 2.7 4.9 2.1 1.4 2.8 2.9 2.2 3.6

1992 7.5* 6.3 8.8 4.0* 3.2 4.7 5.8* 5.0 6.6

1996 13.0* 10.8 15.2 7.8* 6.1 9.5 10.4* 8.9 12.0

1999 10.9 8.7 13.0 6.2 4.5 7.9 8.5 6.8 10.2

2003 8.9 7.7 10.1 6.7 5.4 8.0 7.8 6.9 8.7

2007 7.7 6.5 9.1 6.0 4.9 7.3 6.9 5.8 8.0

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

141
Bijlage XTC

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 6.1) Lifetime-prevalentie in het voortgezet onderwijs naar


leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij tabel 6.1) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 6.2) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 6.3) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5) Lifetime- en maandprevalentie naar etnische afkomst
en geslacht

Trends

Tabel 6 (bij figuur 6.2) Trends in de life time prevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voorgezet onder-
wijs , 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voortgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar

143
Tabel 1 (bij figuur 6.1)
Lifetime-prevalentie van XTC naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 0.7 0.3 1.9 0.6 0.2 1.7 0.7 0.3 1.4

13 jaar 1.1 0.5 2.5 0.7 0.3 1.4 0.9 0.5 1.6

14 jaar 1.7 1.0 2.7 2.1 1.2 3.5 1.9 1.3 2.7

15 jaar 2.9 1.8 4.7 3.1 2.1 4.5 3.0 2.2 4.2

16 jaar 3.2 2.0 5.1 2.7 1.6 4.5 3.0 2.0 4.3

17-18 jr 9.7 5.9 15.5 4.5 2.3 8.9 7.6 4.4 12.7

Tot VO 2.7 2.1 3.7 2.0 1.6 2.6 2.4 1.9 3.0

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2
Maandprevalentie van XTC naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0

13 jaar 0.4 0.1 1.1 0.1 0.0 0.8 0.2 0.0 0.6

14 jaar 0.3 0.1 1.1 0.6 0.2 1.7 0.5 0.2 1.0

15 jaar 1.5 0.7 3.2 0.5 0.2 1.3 1.0 0.5 1.9

16 jaar 1.8 0.9 3.3 1.1 0.5 2.5 1.4 0.9 2.3

17-18 jr 4.4 2.4 8.1 0.0 0.0 0.0 2.6 1.3 5.1

Tot VO 1.2 0.8 1.8 0.4 0.3 0.7 0.8 0.6 1.1

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

144
Tabel 3 (bij tabel 6.2)
Lifetime-prevalentie van XTC naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-p 2.2 1.3 3.7 3.6 2.5 5.3 3.0 2.1 4.1

VMBO-t 1.7 1.0 3.0 2.0 1.3 3.2 1.9 1.3 2.8

HAVO 2.2 1.3 3.7 1.2 0.7 2.3 1.7 1.1 2.8

VWO 1.5 0.7 3.1 0.4 0.2 1.3 1.0 0.5 1.9

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 6.3)


Maandprevalentie van XTC naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-p 1.1 0.5 2.2 1.0 0.5 2.0 1.0 0.6 1.7

VMBO-t 0.4 0.1 0.9 0.4 0.2 1.1 0.4 0.2 0.8

HAVO 1.1 0.4 2.6 0.4 0.1 1.2 0.7 0.3 1.6

VWO 0.9 0.4 1.8 0.1 0.0 1.0 0.5 0.3 1.0

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

145
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5)
Lifetime- en maandprevalentie van XTC naar etnische afkomst (%)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 2.3 1.8 2.9 0.7 0.5 1.1

Surinaams 4.6 2.4 8.5 1.6 0.5 4.9

Antilliaans/Aruba 1.0 0.1 6.4 0.0 0.0 0.0

Marokkaans 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0

Turks 3.4 1.7 6.6 1.2 0.4 3.9

Ov Westers 3.3 2.0 5.5 1.4 0.7 3.1

Ov niet West. 3.6 1.7 7.1 1.2 0.3 5.5

Tabel 6 (bij figuur 6.2)


Trends in de lifetime-prevalentie van XTC naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 4.7 3.8 5.6 2.1 1.7 2.5 3.4 2.8 4.0

1996 7.1* 5.9 8.4 4.4* 3.3 5.6 5.8* 4.9 6.7

1999 4.7 3.5 6.0 2.8 2.1 3.4 3.8* 3.0 4.5

2003 3.5 2.8 4.2 2.2 1.5 2.9 2.9 2.4 3.3

2007 2.7 2.1 3.7 2.0 1.6 2.6 2.4 1.9 3.0

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

146
Tabel 7
Trends in de maandprevalentie van XTC naar onderzoeksjaar en geslacht
onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 1.4 0.8 2.0 0.7 0.4 0.9 1.0 0.7 1.4

1996 3.0* 2.3 3.7 1.5 0.9 2.1 2.3* 1.7 2.8

1999 2.1 1.4 2.9 0.7 0.3 1.1 1.4 1.1 1.9

2003 1.5 1.1 1.9 0.8 0.5 1.1 1.2 0.9 1.4

2007 1.2 0.8 1.8 0.4 0.3 0.7 0.8 0.6 1.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie van XTC naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 4.4 3.5 5.4 2.1 1.7 2.6 3.3 2.7 3.9

1996 6.6* 5.6 7.7 4.2* 3.2 5.3 5.5* 4.6 6.3

1999 4.1* 2.8 5.4 2.2* 1.4 3.0 3.2* 2.3 4.0

2003 2.8 2.1 3.6 2.0 1.3 2.7 2.4 1.9 2.9

2007 1.9 1.5 2.5 1.9 1.4 2.5 1.9 1.5 2.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

147
Tabel 9
Trends in de maandprevalentie van XTC naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 1.2 0.6 1.8 0.7 0.4 1.0 0.9 0.6 1.3

1996 3.0* 2.3 3.7 1.5 1.0 2.1 2.3* 1.7 2.8

1999 1.9 1.2 2.7 0.7 0.3 1.1 1.3 0.9 1.7

2003 1.3 0.8 1.7 0.7 0.4 1.0 1.0 0.7 1.3

2007 0.8 0.5 1.2 0.5 0.3 0.8 0.7 0.5 0.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

148
Bijlage Cocaïne

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 6.1) Lifetime-prevalentie in het voortgezet onderwijs naar


leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij tabel 6.1) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 6.2) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 6.3) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5) Lifetime- en maandprevalentie naar etnische afkomst
en geslacht

Trends

Tabel 6 (bij figuur 6.2) Trends in de lifetime prevalentie naar onderzoeksjaar


en geslacht, alle leerlingen van het voorgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voortgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar

149
Tabel 1 (bij figuur 6.1)
Lifetime-prevalentie van cocaïne naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.4 0.6 3.1 0.6 0.2 1.7 1.0 0.5 1.9

13 jaar 0.8 0.4 1.9 0.8 0.4 1.7 0.8 0.5 1.4

14 jaar 1.2 0.7 2.1 1.5 0.8 2.8 1.3 0.8 2.1

15 jaar 2.3 1.2 4.5 1.6 0.9 2.9 2.0 1.2 3.4

16 jaar 2.9 1.8 4.7 2.0 1.1 3.7 2.5 1.7 3.6

17-18 jr 5.7 3.6 8.8 1.0 0.2 4.0 3.8 2.2 6.2

Tot VO 2.0 1.6 2.7 1.3 0.9 1.7 1.7 1.4 2.1

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2 (bij tabel 6.1)


Maandprevalentie van cocaïne naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 0.6 0.1 2.5 0.0 0.0 0.0 0.3 0.0 1.3

13 jaar 0.5 0.2 1.3 0.5 0.2 1.2 0.5 0.2 0.9

14 jaar 0.3 0.1 1.0 0.7 0.3 1.4 0.5 0.3 1.0

15 jaar 1.4 0.5 3.6 0.4 0.1 1.3 0.9 0.4 2.0

16 jaar 1.6 0.8 3.1 0.4 0.0 1.6 1.0 0.6 1.8

17-18 jr 3.2 1.9 5.5 0.4 0.0 3.0 2.1 1.2 3.6

Tot VO 1.1 0.8 1.6 0.4 0.3 0.7 0.8 0.6 1.1

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

150
Tabel 3 (bij tabel 6.2)
Lifetime-prevalentie van cocaïne naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 1.6 0.9 2.9 2.1 1.3 3.3 1.8 1.2 2.8

VMBO-t 1.8 1.1 2.8 1.2 0.6 2.2 1.5 1.0 2.2

HAVO 2.0 1.2 3.4 1.2 0.7 2.2 1.6 1.0 2.6

VWO 1.3 0.7 2.5 0.8 0.4 1.6 1.0 0.6 1.7

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 6.3)


Maandprevalentie van cocaïne naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 0.9 0.4 2.0 0.3 0.1 1.0 0.6 0.3 1.3

VMBO-t 0.8 0.4 1.6 0.3 0.0 1.0 0.6 0.3 1.0

HAVO 1.2 0.5 2.7 0.7 0.3 1.4 0.9 0.5 1.8

VWO 0.5 0.2 1.2 0.4 0.1 1.2 0.4 0.2 0.9

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

151
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5)
Lifetime- en maandprevalentie van cocaïne naar etnische afkomst (%)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 1.6 1.2 2.0 0.7 0.5 1.0

Surinaams 4.0 2.0 7.7 1.7 0.6 5.2

Antilliaans/Aruba 1.0 0.1 6.4 0.0 0.0 0.0

Marokkaans 0.9 0.1 6.2 0.9 0.1 6.2

Turks 3.7 1.8 7.8 2.1 0.9 4.7

Ov Westers 0.9 0.3 2.3 0.7 0.2 2.1

Ov niet West. 3.6 1.8 7.0 1.4 0.5 3.6

Tabel 6 (bij figuur 6.2)


Trends in de lifetime-prevalentie van cocaïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 1.5 0.9 2.1 0.8 0.4 1.3 1.2 0.8 1.5

1992 2.0 1.5 2.5 1.1 0.8 1.5 1.6 1.2 1.9

1996 3.5* 2.7 4.3 2.5* 1.8 3.2 3.0* 2.5 3.5

1999 4.0 3.0 5.0 1.7 1.3 2.1 2.8 2.2 3.4

2003 2.8 2.0 3.6 1.6 1.2 2.0 2.2 1.8 2.7

2007 2.1 1.6 2.7 1.3 0.9 1.7 1.7 1.4 2.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

152
Tabel 7
Trends in de maandprevalentie van cocaïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.6 0.2 0.9 0.2 0.0 0.4 0.4 0.2 0.6

1992 0.4 0.2 0.6 0.3 0.1 0.4 0.4 0.2 0.5

1996 1.4* 0.8 1.9 0.8* 0.5 1.1 1.1* 0.8 1.4

1999 1.8 1.1 2.5 0.5 0.2 0.8 1.2 0.8 1.5

2003 1.2 0.8 1.6 0.5 0.3 0.7 0.8 0.8 1.1

2007 1.1 0.8 1.6 0.4 0.3 0.7 0.8 0.6 1.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie van cocaïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 1.0 0.6 1.5 0.7 0.2 1.1 0.9 0.5 1.2

1992 1.7 1.2 2.2 1.1 0.7 1.4 1.4 1.1 1.7

1996 3.3* 2.5 4.0 2.4* 1.7 3.1 2.8* 2.3 3.3

1999 3.7 2.8 4.6 1.6 1.1 2.0 2.6 2.0 3.2

2003 2.4 1.7 3.2 1.6 1.2 2.1 2.0 1.6 2.5

2007 1.7 1.3 2.2 1.3 1.0 1.8 1.5 1.2 1.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

153
Tabel 9
Trends in de maandprevalentie van cocaïne naar onderzoeksjaar
en geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.5 0.1 0.9 0.2 0.0 0.4 0.3 0.1 0.6

1992 0.3 0.2 0.5 0.3 0.1 0.5 0.3 0.2 0.5

1996 1.4* 0.9 1.9 0.8 0.5 1.1 1.1* 0.8 1.4

1999 1.8 1.1 2.5 0.4 0.1 0.8 1.1 0.7 1.5

2003 1.1 0.7 1.4 0.4 0.3 0.6 0.8 0.5 1.0

2007 0.9 0.6 1.4 0.4 0.3 0.7 0.7 0.5 0.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

154
Bijlage Amfetamine

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 6.1) Lifetime-prevalentie in het voortgezet onderwijs naar


leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij tabel 6.1) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 6.2) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 6.3) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5) Lifetime- en maandprevalentie naar etnische afkomst
en geslacht

Trends

Tabel 6 (bij figuur 6.2) Trends in de lifetime prevalentie naar onderzoeksjaar


en geslacht, alle leerlingen van het voorgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voortgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar

155
Tabel 1 (bij figuur 6.1)
Lifetime-prevalentie van amfetamine naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.2 0.5 3.0 0.8 0.3 2.0 1.0 0.5 1.9

13 jaar 1.0 0.4 2.3 0.7 0.3 1.7 0.8 0.5 1.5

14 jaar 1.8 1.1 2.9 1.4 0.6 3.1 1.6 0.9 2.6

15 jaar 3.4 2.2 5.3 2.9 1.9 4.3 3.2 2.2 4.4

16 jaar 3.2 2.0 5.1 1.4 0.7 2.7 2.3 1.5 3.5

17-18 jr 4.2 2.7 6.4 1.4 0.5 3.8 3.0 2.0 4.6

Tot VO 2.3 1.8 2.9 1.4 1.1 1.9 1.9 1.5 2.3

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2
Maandprevalentie van amfetamine naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.0 0.3 3.0 0.2 0.0 1.5 0.6 0.2 1.6

13 jaar 0.6 0.2 2.0 0.0 0.0 0.0 0.3 0.0 1.0

14 jaar 1.0 0.5 2.0 0.7 0.2 2.1 0.9 0.5 1.7

15 jaar 1.3 0.6 2.6 0.4 0.1 1.3 0.9 0.5 1.5

16 jaar 1.7 1.0 3.2 0.6 0.2 1.7 1.2 0.7 2.0

17-18 jr 1.8 0.9 3.7 0.4 0.0 3.0 1.2 0.6 2.4

Tot VO 1.2 0.8 1.7 0.4 0.2 0.7 0.8 0.6 1.1

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

156
Tabel 3 (bij tabel 6.2)
Lifetime-prevalentie van amfetamine naar schoolniveau en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 2.7 1.7 4.3 1.9 1.1 3.1 2.3 1.7 3.2

VMBO-t 2.0 1.3 3.1 1.7 1.1 2.8 1.9 1.4 2.6

HAVO 2.3 1.3 4.0 1.0 0.5 2.2 1.7 0.9 2.9

VWO 1.3 0.6 2.6 1.1 0.6 2.1 1.2 0.7 2.2

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 6.3)


Maandprevalentie van amfetamine naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 1.5 0.8 2.7 0.5 0.2 1.2 1.0 0.6 1.6

VMBO-t 0.8 0.4 1.8 0.3 0.1 1.0 0.6 0.3 1.1

HAVO 1.2 0.6 2.4 0.6 0.2 1.9 0.9 0.4 1.8

VWO 1.0 0.5 2.2 0.1 0.0 0.8 0.6 0.3 1.3

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

157
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5)
Lifetime- en maandprevalentie van amfetamine naar etnische afkomst (%)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 1.7 1.4 2.2 0.7 0.5 1.0

Surinaams 3.3 1.6 7.1 1.1 0.3 4.1

Antilliaans/Aruba 1.0 0.1 6.5 1.0 0.1 6.5

Marokkaans 0.9 0.1 6.2 0.9 0.1 6.2

Turks 2.1 0.9 5.2 1.7 0.6 4.6

Ov Westers 2.6 1.4 4.7 0.9 0.3 2.4

Ov niet West. 2.8 1.4 5.6 1.2 0.5 3.3

Tabel 6 (bij figuur 6.2)


Trends in de lifetime-prevalentie van amfetamine naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 1.6 1.1 2.1 0.7 0.3 1.2 1.2 0.8 1.5

1992 2.9* 2.4 3.5 1.5 1.1 2.0 2.2* 1.9 2.6

1996 7.1* 5.9 8.3 3.5* 2.5 4.6 5.3* 4.4 6.3

1999 3.8* 2.8 4.8 1.7* 1.2 2.2 2.8* 2.1 3.4

2003 2.6 2.1 3.1 1.8 1.2 2.5 2.2 1.9 2.6

2007 2.3 1.8 2.9 1.4 1.1 1.9 1.9 1.5 2.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

158
Tabel 7
Trends in de maandprevalentie van amfetamine naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.7 0.3 1.1 0.2 0.0 0.3 0.4 0.2 0.6

1992 0.9 0.5 1.3 0.3 0.1 0.5 0.6 0.4 0.8

1996 2.6* 1.9 3.3 1.2* 0.7 1.8 1.9* 1.4 2.5

1999 1.3* 0.9 1.8 0.7 0.4 1.1 1.1* 0.8 1.3

2003 1.0 0.7 1.3 0.7 0.3 1.1 0.8 0.6 1.1

2007 1.2 0.8 1.7 0.4 0.2 0.7 0.8 0.6 1.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie van amfetamine naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 1.3 0.8 1.8 0.6 0.2 1.1 1.0 0.6 1.4

1992 2.7* 2.1 3.3 1.4 0.9 1.9 2.0* 1.7 2.4

1996 6.8* 5.6 7.9 3.3* 2.3 4.4 5.1* 4.1 6.0

1999 3.4* 2.5 4.4 1.4* 0.9 1.9 2.4* 1.8 3.0

2003 2.2 1.7 2.7 1.8 1.0 2.5 2.0 1.6 2.3

2007 2.1 1.6 2.7 1.4 1.1 2.0 1.8 1.4 2.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

159
Tabel 9
Trends in de maandprevalentie van amfetamine naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.5 0.1 0.9 0.2 0.0 0.4 0.4 0.2 0.5

1992 0.8 0.4 1.2 0.2 0.1 0.4 0.5 0.3 0.8

1996 2.5* 1.8 3.2 1.2* 0.7 1.8 1.9* 1.3 2.4

1999 1.2* 0.8 1.7 0.7 0.3 1.1 1.0 0.6 1.3

2003 0.8 0.5 1.1 0.6 0.2 1.1 0.7 0.5 1.0

2007 1.1 0.8 1.6 0.4 0.2 0.7 0.8 0.5 1.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

160
Bijlage Heroïne

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 6.1) Lifetime-prevalentie in het voortgezet onderwijs naar


leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij tabel 6.1) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 6.2) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 6.3) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5) Lifetime- en maandprevalentie naar etnische afkomst
en geslacht

Trends

Tabel 6 (bij figuur 6.2) Trends in de lifetime prevalentie naar onderzoeksjaar


en geslacht, alle leerlingen van het voorgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voortgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar

161
Tabel 1 (bij figuur 6.1)
Lifetime-prevalentie van heroïne naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 0.4 0.0 2.3 0.4 0.1 1.6 0.4 0.1 1.3

13 jaar 0.4 0.1 1.1 0.3 0.1 1.0 0.3 0.2 0.8

14 jaar 0.7 0.3 1.6 1.3 0.6 2.8 1.0 0.6 1.7

15 jaar 1.5 0.7 3.4 0.7 0.3 1.8 1.1 0.6 2.1

16 jaar 1.2 0.6 2.7 0.7 0.3 1.8 1.0 0.5 1.8

17-18 jr 1.8 0.9 3.7 0.4 0.0 2.4 1.2 0.6 2.6

Tot VO 0.9 0.6 1.4 0.7 0.5 1.0 0.8 0.6 1.1

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2
Maandprevalentie van heroïne naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 0.2 0.0 1.4 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.7

13 jaar 0.4 0.1 1.1 0.0 0.0 0.0 0.2 0.0 0.6

14 jaar 0.3 0.1 1.1 0.2 0.0 0.9 0.3 0.1 0.7

15 jaar 0.6 0.2 2.0 0.4 0.1 1.2 0.5 0.2 1.1

16 jaar 1.1 0.4 2.5 0.2 0.0 1.3 0.6 0.3 1.4

17-18 jr 1.1 0.4 2.7 0.0 0.0 0.0 0.7 0.3 1.6

Tot VO 0.6 0.3 1.0 0.2 0.0 0.3 0.4 0.2 0.6

Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
1 

HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

162
Tabel 3 (bij tabel 6.2)
Lifetime prevalentie van heroïne naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 0.8 0.4 1.7 0.9 0.4 1.9 0.8 0.5 1.5

VMBO-t 1.1 0.6 2.0 0.9 0.5 1.7 1.0 0.6 1.6

HAVO 0.8 0.2 2.5 0.6 0.2 1.8 0.7 0.2 2.0

VWO 0.7 0.3 1.5 0.4 0.1 1.1 0.5 0.3 1.0

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 6.3)


Maandprevalentie van heroïne naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 0.6 0.2 1.4 0.0 0.0 0.7 0.3 0.1 0.7

VMBO-t 0.4 0.2 1.0 0.4 0.2 1.1 0.4 0.2 0.8

HAVO 0.6 0.2 2.0 0.0 0.0 0.0 0.3 0.1 1.0

VWO 0.4 0.1 1.2 0.1 0.0 0.8 0.3 0.0 0.7

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

163
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5)
Lifetime- en maandprevalentie van heroïne naar etnische afkomst (%)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 0.7 0.5 1.0 0.3 0.2 0.5

Surinaams 3.3 1.6 6.7 0.6 0.0 3.8

Antilliaans/Aruba 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0

Marokkaans 0.9 0.1 6.1 0.9 0.1 6.1

Turks 2.6 1.1 6.3 1.3 0.4 4.2

Ov Westers 0.9 0.4 2.4 0.7 0.2 2.1

Ov niet West. 1.3 0.5 3.5 0.3 0.0 2.2

Tabel 6 (bij figuur 6.2)


Trends in de lifetime-prevalentie van heroïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.8 0.4 1.3 0.6 0.1 1.0 0.7 0.4 1.1

1992 0.9 0.5 1.2 0.5 0.2 0.7 0.7 0.5 0.9

1996 1.4 0.9 1.9 0.8 0.5 1.1 1.1 0.8 1.4

1999 1.0 0.7 1.4 0.5 0.2 0.9 0.8 0.6 1.0

2003 1.5 1.0 1.9 0.7 0.5 0.9 1.1 0.9 1.3

2007 0.9 0.6 1.4 0.7 0.5 1.0 0.8 0.6 1.1

164
Tabel 7
Trends in de maandprevalentie van heroïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.5 0.2 0.8 0.2 0.0 0.3 0.3 0.2 0.5

1992 0.2 0.0 0.4 0.1 0.0 0.3 0.2 0.1 0.3

1996 0.7 0.4 1.0 0.3 0.1 0.4 0.5 0.3 0.7

1999 0.5 0.3 0.7 0.2 0.0 0.4 0.4 0.2 0.5

2003 0.8 0.5 1.1 0.3 0.1 0.4 0.5 0.4 0.7

2007 0.6 0.3 1.0 0.2 0.0 0.3 0.4 0.2 0.6

Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie van heroïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.8 0.3 1.3 0.5 0.1 1.0 0.7 0.3 1.1

1992 0.8 0.5 1.2 0.4 0.1 0.8 0.7 0.4 0.9

1996 1.5 0.9 2.0 0.9 0.5 1.2 1.2 0.9 1.5

1999 1.0 0.6 1.5 0.6 0.2 0.9 0.8 0.5 1.1

2003 1.4 1.0 1.8 0.7 0.5 1.0 1.1 0.8 1.3

2007 0.9 0.6 1.3 0.7 0.5 1.1 0.8 0.6 1.1

165
Tabel 9
Trends in de maandprevalentie van heroïne naar onderzoeksjaar en
geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1988 0.4 0.1 0.7 0.2 0.0 0.4 0.3 0.1 0.4

1992 0.2 0.0 0.4 0.2 0.0 0.3 0.2 0.1 0.3

1996 0.8 0.4 1.1 0.3 0.1 0.4 0.5 0.3 0.7

1999 0.5 0.3 0.7 0.2 0.0 0.5 0.4 0.2 0.5

2003 0.8 0.5 1.1 0.3 0.1 0.5 0.5 0.4 0.7

2007 0.5 0.3 0.9 0.2 0.0 0.4 0.3 0.2 0.5

166
Bijlage: Gebruik van één of meerdere
harddrugs (XTC, Amfetamine, Heroïne of Cocaïne)

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 6.1) Lifetime-prevalentie in het voortgezet onderwijs naar


leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij tabel 6.1) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 6.2) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 6.3) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5) Lifetime- en maandprevalentie naar etnische afkomst
en geslacht

Trends

Tabel 6 Trends in de lifetime prevalentie naar onderzoeksjaar


en geslacht, alle leerlingen van het voorgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voortgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar

167
Tabel 1 (bij figuur 6.1)
Lifetime-prevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne en heroïne)
naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 2.2 1.2 4.0 1.6 0.9 2.9 1.9 1.2 2.9

13 jaar 2.2 1.2 3.8 1.7 1.1 2.8 1.9 1.3 2.8

14 jaar 3.3 2.3 4.6 3.2 2.1 4.9 3.3 2.4 4.3

15 jaar 5.1 3.4 7.5 4.7 3.4 6.3 4.9 3.7 6.4

16 jaar 5.4 3.7 7.9 4.4 2.9 6.7 4.9 3.7 6.5

17-18 jr 11.0 7.1 16.7 5.0 2.6 9.4 8.6 5.3 13.6

Tot VO 4.4 3.6 5.4 3.2 2.7 3.9 3.8 3.3 4.5

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2
Maandprevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne en heroïne)
naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.2 0.5 3.1 0.2 0.0 1.5 0.7 0.3 1.7

13 jaar 1.2 0.6 2.5 0.5 0.2 1.2 0.8 0.5 1.5

14 jaar 1.4 0.8 2.6 1.4 0.7 2.8 1.4 0.9 2.3

15 jaar 2.5 1.4 4.5 0.8 0.4 1.7 1.6 1.0 2.6

16 jaar 2.8 1.7 4.8 1.7 0.9 3.2 2.3 1.5 3.4

17-18 jr 5.6 3.4 9.0 0.4 0.0 3.0 3.5 2.0 6.0

Tot VO 2.2 1.7 2.9 0.9 0.6 1.2 1.6 1.2 2.0

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

168
Tabel 3 (bij tabel 6.2)
Lifetime- prevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne en heroïne)
naar schoolniveau1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 3.7 2.5 5.3 4.7 3.3 6.5 4.2 3.2 5.4

VMBO-t 4.2 3.0 5.7 3.3 2.4 4.6 3.8 2.9 4.9

HAVO 3.7 2.4 5.7 2.2 1.5 3.4 3.0 2.0 4.3

VWO 2.4 1.4 4.1 2.3 1.6 3.3 2.3 1.7 3.3

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 6.3)


Maandprevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne en heroïne)
naar schoolniveau1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 2.0 1.2 3.4 1.3 0.7 2.3 1.7 1.1 2.5

VMBO-t 1.6 0.9 2.7 0.7 0.3 1.5 1.2 0.8 1.9

HAVO 1.8 1.0 3.4 1.1 0.6 2.3 1.5 0.8 2.5

VWO 1.8 1.1 3.2 0.5 0.2 1.3 1.2 0.7 2.0

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

169
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5)
Lifetime- en Maandprevalentie van naar etnische afkomst (%)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 3.6 3.0 4.3 1.4 1.1 1.8

Surinaams 6.2 3.7 10.4 2.2 0.8 5.7

Antiliaans/Arubaans 1.0 0.1 6.4 1.0 0.1 6.4

Marokkaans 0.9 0.1 6.1 0.9 0.1 6.1

Turks 5.5 2.9 10.4 2.9 1.4 5.8

Ov Westers 4.8 3.2 7.3 1.9 0.9 3.6

Ov niet West. 6.7 4.2 10.5 3.1 1.4 6.4

Tabel 6 (bij figuur 6.2)


Trends in de lifetime-prevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne
en heroïne) naar onderzoeksjaar en geslacht onder alle leerlingen van het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr) (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
2003 5.4 4.6 6.2 3.5 2.5 4.5 4.5 3.9 5.1

2007 4.4 3.6 5.4 3.2 2.7 3.9 3.8 3.3 4.5

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 7
Trends in de maandprevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne
en heroïne) naar onderzoeksjaar en geslacht onder alle leerlingen van het
voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr) (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
2003 2.3 1.8 2.9 1.3 0.8 1.9 1.9 1.5 2.2

2007 2.2 1.7 2.9 0.9 0.6 1.2 1.6 1.2 2.0

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

170
Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne
en heroïne) naar onderzoeksjaar en geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16
jaar in het voortgezet onderwijs (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
2003 4.6 3.8 5.5 3.3 2.3 4.3 4.0 3.3 4.6

2007 3.6 2.9 4.4 3.1 2.6 3.8 3.4 2.9 3.9

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 9
Trends in de maandprevalentie van enige harddrug (XTC, amfetamine, cocaïne
en heroïne) naar onderzoeksjaar en geslacht onder leerlingen van 12 t/m 16
jaar in het voortgezet onderwijs (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
2003 2.0 1.5 2.4 1.1 0.8 1.5 1.5 1.2 1.8

2007 1.8 1.4 2.4 0.9 0.7 1.3 1.4 1.1 1.7

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

171
Bijlage Paddo’s

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 6.1) Lifetime-prevalentie in het voortgezet onderwijs naar


leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij tabel 6.1) Maandprevalentie in het voortgezet onderwijs naar
leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 6.2) Lifetime-prevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 6.3) Maandprevalentie naar schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5) Lifetime- en maandprevalentie naar etnische afkomst
en geslacht

Trends

Tabel 6 (bij figuur 6.2) Trends in de life time prevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voorgezet onder-
wijs , 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar
en geslacht, alle leerlingen van het voortgezet onder-
wijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in lifetime-prevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie naar onderzoeksjaar,
leeftijd en geslacht, leerlingen voortgezet onderwijs,
12 t/m 16 jaar

173
Tabel 1 (bij figuur 6.1)
Lifetime-prevalentie van paddo’s naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 1.2 0.5 3.0 0.2 0.0 1.3 0.7 0.3 1.6

13 jaar 1.7 1.0 2.8 0.5 0.2 1.3 1.1 0.7 1.8

14 jaar 2.2 1.4 3.6 1.8 1.0 3.1 2.0 1.3 3.0

15 jaar 4.3 2.9 6.2 1.5 0.9 2.7 2.9 2.0 4.1

16 jaar 4.6 3.1 6.8 1.8 0.9 3.6 3.2 2.2 4.7

17-18 jr 8.2 5.3 12.6 1.4 0.5 4.0 5.5 3.5 8.5

Tot VO 3.4 2.7 4.2 1.2 0.9 1.7 2.3 1.9 2.8

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2 (bij tabel 6.1)


Maandprevalentie van paddo’s naar leeftijd1 en geslacht (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 jaar 0.4 0.0 2.7 0.0 0.0 0.0 0.2 0.0 1.4

13 jaar 0.6 0.2 1.4 0.0 0.0 0.0 0.3 0.1 0.7

14 jaar 0.5 0.2 1.2 0.9 0.4 2.3 0.7 0.3 1.4

15 jaar 1.2 0.5 3.0 0.5 0.2 1.3 0.8 0.4 1.9

16 jaar 1.4 0.6 3.2 0.1 0.0 1.0 0.8 0.3 1.9

17-18 jr 2.0 1.0 3.9 0.0 0.0 0.0 1.2 0.6 2.4

Tot VO 0.9 0.6 1.4 0.3 0.2 0.7 0.6 0.4 1.0

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

174
Tabel 3 (bij tabel 6.2)
Lifetime prevalentie van paddo’s naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 3.0 1.8 4.8 1.5 0.8 2.8 2.2 1.4 3.5

VMBO-t 2.8 2.0 4.0 1.4 0.9 2.3 2.2 1.7 2.9

HAVO 2.8 1.8 4.3 0.9 0.4 2.0 1.8 1.2 2.9

VWO 2.5 1.5 4.2 0.8 0.4 1.8 1.7 1.0 2.7

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 6.3)


Maandprevalentie van paddo’s naar schoolniveau en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar1 (%)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 0.9 0.4 2.0 0.6 0.3 1.3 0.8 0.4 1.4

VMBO-t 0.7 0.3 1.6 0.2 0.0 0.8 0.5 0.2 1.0

HAVO 0.8 0.3 2.4 0.4 0.0 1.9 0.6 0.2 2.0

VWO 0.8 0.4 1.7 0.1 0.0 0.8 0.5 0.2 0.9

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

175
Tabel 5 (bij tabel 6.4 en 6.5)
Lifetime- en maandprevalentie van paddo’s naar etnische afkomst (%)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 2.1 1.7 2.6 0.5 0.3 0.8

Surinaams 3.6 1.7 7.4 1.2 0.3 4.4

Antilliaans/Aruba 1.0 0.1 6.5 0.0 0.0 0.0

Marokkaans 1.6 0.4 6.5 0.9 0.1 6.2

Turks 4.3 1.9 9.7 1.2 0.4 4.0

Ov Westers 3.9 2.4 6.3 1.7 0.7 3.7

Ov niet West. 2.7 1.4 5.1 1.5 0.6 3.5

Tabel 6 (bij figuur 6.2)


Trends in de lifetime-prevalentie van paddo’s naar onderzoeksjaar en geslacht
onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1996 6.1 4.9 7.3 2.8 1.9 3.6 4.5 3.7 5.2

1999 5.4 4.2 6.6 2.3 1.6 2.9 3.8 3.0 4.6

2003 4.4 3.5 5.2 1.7 1.0 2.4 3.1 2.5 3.6

2007 3.4 2.7 4.2 1.2 0.9 1.7 2.3 1.9 2.8

Tabel 7
Trends in de maandprevalentie van paddo’s naar onderzoeksjaar en
geslacht onder alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1996 2.1 1.3 2.9 1.1 0.5 1.7 1.6 1.0 2.2

1999 1.8 1.2 2.5 0.5 0.2 0.8 1.2 0.8 1.5

2003 1.3 0.9 1.7 0.3 0.1 0.4 0.8 0.6 1.0

2007 0.9 0.6 1.4 0.3 0.2 0.7 0.6 0.4 1.0

176
Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie van paddo’s naar onderzoeksjaar en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1996 5.5 4.4 6.6 2.6 1.9 3.4 4.1 3.4 4.8

1999 4.6 3.4 5.8 2.0 1.3 2.7 3.3 2.4 4.1

2003 3.5 2.9 4.2 1.6 1.1 2.1 2.6 2.1 3.1

2007 2.8 2.2 3.5 1.2 0.8 1.7 2.0 1.6 2.5

Tabel 9
Trends in de maandprevalentie van paddo’s naar onderzoeksjaar en geslacht
onder leerlingen van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1996 1.9 1.2 2.7 1.0 0.5 1.4 1.5 1.0 1.9

1999 1.7 1.1 2.3 0.5 0.1 0.8 1.1 0.7 1.5

2003 1.2 0.8 1.6 0.3 0.1 0.5 0.7 0.5 1.0

2007 0.8 0.5 1.3 0.3 0.2 0.7 0.6 0.4 0.9

177
Bijlage Gokken

Prevalentie

Tabel 1 (bij figuur 7.1) Lifetime-prevalentie van spelen op gokkasten naar


onderwijstype, leeftijd en geslacht
Tabel 2 (bij figuur 7.1) Maandprevalentie van spelen op gokkasten in het
voortgezet onderwijs naar leeftijd en geslacht
Tabel 3 (bij tabel 7.1) Lifetime-prevalentie van spelen op gokkasten naar
schoolniveau en geslacht
Tabel 4 (bij tabel 7.1) Maandprevalentie van spelen op gokkasten naar
schoolniveau en geslacht
Tabel 5 (bij tabel 7.2) Life time- en maandprevalentie van spelen op
gokkasten in het voortgezet onderwijs naar etnische
afkomst

Trends

Tabel 6 (bij figuur 7.2) Trends in de lifetime-prevalentie spelen op een


gokkast naar onderzoeksjaar en geslacht in het voort-
gezet onderwijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 7 (bij figuur 7.2) Trends in de maandprevalentie spelen op een gokkast
naar onderzoeksjaar en geslacht in het voortgezet
onderwijs, 12 t/m 18 jaar
Tabel 8 Trends in de lifetime-prevalentie spelen op een
gokkast naar onderzoeksjaar en geslacht in het voort-
gezet onderwijs 12 t/m 16 jaar
Tabel 9 Trends in de maandprevalentie spelen op een gokkast
naar onderzoeksjaar en geslacht in het voortgezet
onderwijs, 12 t/m 16 jaar

179
Tabel 1 (bij figuur 7.1)
Lifetime-prevalentie van spelen op gokkasten naar onderwijstype, leeftijd1
en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
BO 35.8 31.5 40.3 25.6 22.2 29.4 30.8 27.6 34.2

12 49.3 42.9 55.7 33.4 29.2 37.8 41.4 37.2 45.7

13 51.3 47.9 54.7 40.4 36.9 44.0 45.8 43.2 48.5

14 49.2 44.8 53.6 40.1 35.5 45.0 44.7 41.0 48.5

15 51.1 47.1 55.1 37.3 33.2 41.5 44.2 41.0 47.4

16 50.0 44.8 54.3 35.4 31.3 40.0 42.5 39.3 45.7

17-18 53.7 48.0 59.3 37.9 31.9 44.3 47.3 42.4 52.4

Tot VO 50.6 48.4 52.7 37.8 35.7 40.0 44.3 42.5 46.1

1 
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

Tabel 2 (bij figuur 7.1)


Maandprevalentie van spelen op gokkasten in het voortgezet onderwijs
naar leeftijd1 en geslacht (%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
12 8.4 6.1 11.5 5.4 3.9 7.4 6.9 5.3 8.9

13 10.6 8.4 13.2 5.0 3.8 6.6 7.7 6.4 9.3

14 11.1 9.0 13.6 6.2 4.6 8.4 8.7 7.1 10.5

15 8.3 6.2 11.0 5.1 3.7 6.9 6.7 5.3 8.4

16 9.8 7.3 12.9 2.8 1.8 4.4 6.3 4.9 8.1

17-18 10.7 8.1 14.1 2.6 1.2 5.7 7.4 5.7 9.7

Tot VO 9.9 8.6 11.3 4.8 4.1 5.6 7.4 6.5 8.3

1
Tot en met 16 jaar zijn de cijfers representatief voor Nederlandse jongeren, door meer leerjaren op
HAVO en VWO bestaat de groep 17-18 jarigen voornamelijk uit deze hogere schoolniveaus.

180
Tabel 3 (bij tabel 7.1)
Lifetime-prevalentie van spelen op gokkasten naar schoolniveau en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 46.3 41.5 51.1 33.7 30.2 37.4 39.8 36.4 43.3

VMBO-t 52.5 48.7 56.2 40.2 36.1 44.4 46.8 43.7 50.0

HAVO 51.9 47.0 56.7 38.2 33.7 42.8 45.0 41.1 49.0

VWO 48.7 44.1 53.3 38.5 34.0 43.1 43.7 40.2 47.3

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

Tabel 4 (bij tabel 7.1)


Maandprevalentie van spelen op gokkasten naar schoolniveau en geslacht
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
VMBO-b 11.9 9.3 15.1 5.8 4.4 7.6 8.7 7.1 10.6

VMBO-t 11.8 9.3 14.8 8.0 6.6 9.5 10.0 8.4 11.9

HAVO 8.2 6.2 10.9 3.6 2.5 5.1 5.9 4.6 7.5

VWO 6.4 4.6 8.8 1.7 1.1 2.8 4.1 3.1 5.3

Omdat niet elk schoolniveau hetzelfde aantal leerjaren heeft zijn voor een goede vergelijkbaar-
1 

heid alleen leerlingen van 12 t/m 16 jaar in deze analyses opgenomen.

181
Tabel 5 (bij tabel 7.2)
Lifetime- en maandprevalentie van spelen op gokkasten in het voortgezet
onderwijs naar etnische afkomst (%, betrouwbaarheidsinterval)

Lifetime 95% BI Maand 95% BI


Nederlands 45.9 43.9 47.9 7.4 6.5 8.4

Surinaams 42.2 33.9 50.9 9.2 5.2 15.7

Antiliaans/Arubaans 36.4 26.8 47.1 4.7 1.8 11.9

Marokkaans 23.1 15.8 32.4 6.5 2.8 14.6

Turks 21.1 16.0 27.3 4.6 2.5 8.4

Ov Westers 46.0 41.1 51.1 9.7 7.2 13.0

Ov niet Westers 40.0 34.3 45.9 4.9 2.9 8.1

Tabel 6 (bij figuur 7.2)


Trends in lifetime-prevalentie spelen op een gokkast naar onderzoeksjaar
en geslacht in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 69.4 66.9 72.0 52.6 49.7 55.5 61.2 59.0 63.3

1996 64.5 61.7 67.3 47.6 44.0 51.1 56.2* 53.5 58.9

1999 59.2 56.2 62.2 42.0 39.7 44.2 50.4* 48.0 52.8

2003 53.2* 50.3 56.1 44.0 41.3 46.7 48.7 46.2 51.2

2007 50.6 48.4 52.7 37.8* 35.7 40.0 44.3* 42.5 46.1

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

182
Tabel 7 (bij figuur 7.2)
Trends in de maandprevalentie spelen op een gokkast naar onderzoeksjaar
en geslacht in het voortgezet onderwijs (12 t/m 18 jr)
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 23.3 21.4 25.1 7.8 6.7 9.0 15.6 14.3 16.9

1996 18.1* 16.5 19.7 7.1 5.8 8.5 12.7* 11.6 13.9

1999 18.7 16.6 20.9 7.5 6.0 9.1 13.0 11.5 14.5

2003 13.2* 11.8 14.5 8.2 6.9 9.4 10.7 9.6 11.9

2007 9.9* 8.6 11.3 4.8* 4.1 5.6 7.4* 6.5 8.3

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

Tabel 8
Trends in de lifetime-prevalentie spelen op een gokkast naar onderzoeksjaar
en geslacht in het voortgezet onderwijs, 12 t/m 16 jaar
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 67.9 65.3 70.6 52.1 48.8 55.3 60.0 57.6 62.4

1996 63.2 60.1 66.3 46.7 42.9 50.4 55.0 52.1 57.9

1999 58.1 54.9 61.4 41.4 39.0 43.7 49.5* 47.0 52.1

2003 52.9 50.1 55.7 43.9 41.2 46.6 48.5 46.0 51.0

2007 50.3 48.0 52.5 37.8* 35.6 40.1 44.2 42.3 46.0

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

183
Tabel 9
Trends in de maandprevalentie spelen op een gokkast naar
onderzoeksjaar en geslacht in het voortgezet onderwijs, 12 t/m 16 jaar
(%, betrouwbaarheidsinterval)

Jongens Meisjes Totaal


% 95% BI % 95% BI % 95% BI
1992 21.7 19.8 23.5 7.8 6.6 9.0 14.7 13.4 16.0

1996 17.2* 15.8 18.6 7.1 5.7 8.4 12.2* 11.1 13.2

1999 17.9 15.6 20.3 7.4 5.8 8.9 12.5 10.9 14.1

2003 13.1* 11.7 14.4 8.4 7.0 9.8 10.8 9.6 11.9

2007 9.8* 8.4 11.3 5.0* 4.3 5.8 7.4* 6.5 8.4

* significant verschil met meting van het voorgaande Peilstationsonderzoek

184
Publicatielijst

Peilstationsonderzoek scholieren en the European School Survey


on Alcohol use and other Drugs (ESPAD)

Wetenschappelijke artikelen
Bogt, T. ter, Dorsselaer, S. van., Monshouwer, K., Verdurmen, J.E.E., Engels, R.C.M.E.,
Vollebergh, W.A.M. (2006) Body mass index and body weight perception as risk
factors for internalizing and externalizing problem behavior among adolescents.
Journal of Adolescent Health, 39 (1), 27-34.
Hibell, B., Andersson, B., Ahlström, S., Balakireva, O., Bjarnason, T., Kokkevi, A. &
Morgan, M. (2000) The 1999 ESPAD Report, The European School Survey Project
on Alcohol and Other Drugs: Alcohol and Other Drug use Among Students in 30
European Countries, CAN, Stockholm, Sweden.
Hibell, B., Andersson, B., Bjarnasson,T., Ahlström, S., Balakireva, O., Kokkevi, A. &
Morgan, M. (2004) The 2003 ESPAD Report, Alcohol and Other Drug use Among
Students in 35 European Countries, CAN, Stockholm, Sweden.
Knibbe, R.A., Joosten, J., Derickx, M., Choquet, M., Morin, D., Monshouwer, K. &
Vollebergh, W. (2005) Perceived availability of substances, substance use and
substance-related problems: a cross national study among French and Dutch
adolescents, Journal of Substance Use, 10, 151-163.
Knibbe, R.A., Joosten, J., Choquet, M., Delphine, M., Derickx, M., Monshouwer, K &
Vollebergh, W. (2006) Association of adolescent substance use with peer group
and deviancy. Sucht, 52, 245-252. (DOI 10.1463/2006.04.04)
Knibbe, R.A., Joosten, J., Choquet, M., Derickx, M., Morin, D., Monshouwer, K. (2007)
Culture as an explanation for substance-related problems: A cross-national study
among French and Dutch adolescents. Social Science and Medicine, 64, 604-616.
Monshouwer, K. en Smit F. (2002) Alcohol-,- tabak- en cannabisgebruik bij scholieren
naar etnische achtergrond TSG, 3, 172-177
Monshouwer, K., Smit, F., De Graaf, R., Van Os, J. & Vollebergh, W. (2005) First
cannabis use: does onset shift to younger ages? Findings from 1988 to 2003 from
the Dutch National School Survey on Substance Use, Addiction, 100, 963-970.
Monshouwer, K., Smit, F., De Zwart, W.M., Spruit, I. & Van Ameijden, E.J.C.(2003)
Progress from a first drink to first intoxication: age of onset, time-windows and
risk factors in a Dutch national sample of secondary school students. Journal of
Substance Use, 8 (3)155-163.
Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., Van Os, J., Drukker, M., De Graaf, R., Ter Bogt, T.,
Verdurmen, J, Vollebergh, W. (2007) Ethnic composition of schools affects episodic
heavy drinking only in ethnic-minority students, Addiction, 102, 722-729.

185
Smit, F. De Zwart, W.M., Spruit, I., Monshouwer, K. & Van Ameijden E.J.C. (2002)
Monitoring Substance Use in Adolescents: School- or Household Survey? Drugs:
education prevention and policy, 9, 3, 267-274
Smit F., Monshouwer K, Verdurmen J. (2002) Polydrug use among secondary school
students: combinations, prevalences and risk-profiles. Drugs: education, preven-
tion and policy. 9 (4): 355-365.

Rapporten
Kuijpers, S.B.M., Mensink, C., Zwart, W.M. de (1993). Jeugd en riskant gedrag 1992:
roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder scholieren vanaf tien jaar. Utrecht:
Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD).
Kuijpers, S.B.M., Stam, H., Zwart, W.M. de (1997). Jeugd en riskant gedrag 1996.
Roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder scholieren vanaf tien jaar.
Trimbos-instituut, Utrecht.
Plomp, H.N., Kuipers, H., van Oers, M.L. (1991). Smoking, alcohol consumption and the use
of drugs by schoolchildren from the age of 10. Amsterdam: VU University Press.
Monshouwer, K. van Dorsselaer S. Gorter, A. Verdurmen, J., Vollebergh, W. (2004)
Jeugd en riskant gedrag 2003. Roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder
scholieren vanaf 10 jaar. Trimbos-instituut, Utrecht.
Stam, H., Mensink, C. Zwart, W.M. de (1998) Jeugd en riskant gedrag 1997. Roken,
drinken, drugsgebruik en gokken en het voortgezet speciaal onderwijs en
spijbelopvangprojecten. Trimbos-instituut, Utrecht.
Zwart, W.M. de, Monshouwer, K. & Smit, F. (2000) Jeugd en riskant gedrag 1999.
Roken, drinken, drugsgebruik en gokken onder scholieren vanaf tien jaar.
Trimbos-instituut, Utrecht.

Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)1

Wetenschappelijke artikelen
Bogt T. ter, Schmid H. Nic Gabhainn S. , Fotiou A., Vollebergh W. (2006) Economic
and cultural correlates of cannabis use among mid-adolescents in 31 countries,
Addiction, 101, 241–251
Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., Verdurmen, J., Ter Bogt, T., De Graaf, R. & Volle-
bergh, W. (2006) Cannabis use and mental health in secondary school children.
Findings from the Dutch 2001 Health Behaviour in School-aged Children Survey’
The British Journal of Psychiatry, 188, 148-153.
Mulder, J., Ter Bogt, T., Raaijmakers, Q. Vollebergh, W. (2007) Adolescent music prefe-
rences and problem behavior. Journal of Youth and Adolescence. 36, 313-324.

1
Alleen de publicaties over alcohol, roken en drugs zijn vermeld.

186
Schmid, H., Ter Bogt, T., Godeau, E., Hublet, A., Dias, S.F., Fotiou, A. (2003). Drunkenness
among young people: a cross-national comparison. Journal of Studies on Alcohol,
64, 650-661.
Schmid, H., & Ter Bogt, T. (2003). Cross national differences in alcohol use. Journal of
Studies on Alcohol, 64, 5, 650-661.
Schmid, H., & Ter Bogt, T. (2004). Cross national comparison of cannabis use among
adolescents - Does context make a difference? Psychology & Health, 19, 153-154.
Verdurmen J, Monshouwer K, Dorsselaer S van, Bogt T ter, Vollebergh W. (2005)
Alcohol use and mental health in adolescents: interactions with age and gender.
Findings from the Dutch 2001 Health Behaviour in School-aged Children Survey.
Journal of Studies on Alcohol, 66/5; 605-609
Vollebergh, W.A.M., Dorsselaer, S. van, Monshouwer, K., Verdurmen, J., Ende, J. van der,
Bogt, T. ter. (2006) Mental health problems in early adolescents in the Nether-
lands. Differences between school and household surveys. Soc Psychiatry Psychiatr
Epidemiol, 41, 156-163.

Rapporten
Bogt, T ter, Dorsselaer S van, Vollebergh W. Psychische gezondheid, risicogedrag en welbe-
vinden van Nederlandse scholieren HBSC 2002. Utrecht, Trimbos-instituut, 2003
Dorsselaer S. van, Zeijl E, van den Eeckhout S, ter Bogt T, Vollebergh W. HBSC 2005:
Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht, Trimbos-instituut, 2007

187