You are on page 1of 57

Samenvatting

Gezondheidspsychologie
door
Caressa111
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en
nog veel meer..
www.stuvia.com
Samenvatting Gezondheidspsychologie
Deel 1 Gezond zijn en blijven

Hoofdstuk 1 Wat is gezondheid?
Er is al lang een brede opvatting over gezondheid, waarin geestelijke en lichamelijke aspecten waren
opgenomen. In dit hoofdstuk worden de verschillende manieren bestudeerd waarop mensen
gezondheid definiren.
Er wordt een historisch overzicht gegeven van enkele veranderingen die het begrip gezondheid
heeft ondergaan. Vervolgens worden de verschillende opvattingen over gezondheid aan de hand
van leeftijd, cultuur en de belangrijkste interessegebieden van het vakgebied uiteengezet.

1.1 Wat is gezondheid? Veranderende perspectieven
1.1.1 Modellen van gezondheid en ziekte
Opvattingen over gezondheid:
Biomedisch model van ziekte (diagnose-receptmodel)
Aangenomen dat een symptoom van een ziekte een achterliggende pathologie heeft die
hopelijk via medische interventie kan worden genezen. (direct causaal verband) Hier word
het feit genegeerd dat mensen op verschillende wijze reageren op eenzelfde ziekte
(persoonlijk en cultureel)
Biopsychosociaal ziektemodel
Deze voegt wel de subjectieve/belevingskant van gezondheid toe. Oftewel het standpunt dat
ziekten en symptomen door een combinatie van lichamelijke, sociale, culturele en
psychologische factoren kunnen worden verklaard.

Er is altijd al een spanning tussen dualisten (geest en lichaam afzonderlijk) en monisten (als eenheid).
Tegenwoordige ligt het op de wederzijdse relatie tussen lichaam en geest. Mede door Freud is er veel
onderzoek gedaan naar het onbewuste. .

1.1.2 Gedrag en gezondheid
Mondiaal gezien zijn de belangrijkste doodsoorzaken hartaandoeningen, kanker, ongelukken en
aandoeningen van de ademhalingsorganen. Veranderingen in de gezondheidskunde; Gezondheid
was eerst onverbrekelijk gekoppeld aan geschiktheid om te werken, nu word er ook andersom
gekeken (beroepsstress). Een tweede verandering is dat mensen meer kritisch zijn tegenover de
geneeskunde, we nemen niet meer aan dat de geneeskunde ons van alle ziekten kan en zal genezen.

1.2 Individuele, culturele en leeftijd gerelateerde perspectieven op gezondheid
1.2.1 Lekentheorien over gezondheid en ziekte
Gezondheid is volgens de mens gerelateerd aan;
- Gevoel
- Gerichtheid op symptomen
- Presentaties

Sociale representaties van gezondheid
Gezondheid is mogelijk nog complexer dan eerst werd gedacht. Zo waren er een paar categorien
van gezondheid;
Gezondheid als niet ziek, gezondheid als bezitting, gezondheid als gedrag, gezondheid als lichamelijke
fitheid, gezondheid als psychosociaal welzijn en gezondheid als functie.
Deze dimensies van gezondheid zijn tamelijk robuust, maar laat wel zien dat gezondheid meer is dan
alleen lichamelijk. Ook laat dit zien dat een subjectieve beoordeling van gezondheid word bereikt via
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
vergelijking met anderen. Gezondheid is een relatieve staat van zijn. Zo kijkt iedereen vanuit zijn
eigen beroep ook anders naar het begrip gezondheid.

1.2.2 Crossculturele perspectieven op gezondheid
Wat word beschouwd als een normale gezondheid verschilt per cultuur en tijdperk. Als gedrag als
ziekte word benoemd of als afwijkend, kan dit verschillende gevolgen hebben. Zo is er een groot
verschil tussen westers en niet-westers. Westerse gebieden delen alle stukjes op (psych, lichaam).
Ook het verschil in een collectivistische (onderling afhankelijk zelf) of individualistische (onafhankelijk
zelf) cultuur is groot. Bij een holistische benadering, zoals in sommige stammen in Afrika, word het
hele wezen het welzijn ervan in beschouwing genomen.

1.2.3 Levensduur, ouder worden en aannamen over gezondheid
Het ontwikkelingsproces is een functie van de interactie tussen drie factoren:
1. leren; verandering van kennis, vaardigheden
2. ervaring; wat we doen, zien, horen, voelen, denken
3. rijping; gedachten, gedrag of lichamelijke groei die niet word toegeschreven aan ervaring

Erikson beschreef 8 levensfasen met betrekking op verschillende dimensies:
- cognitief en intellectueel functioneren bv mate waarin mensen instructies begrijpen
- taal- en communicatievaardigheden bv mensen maken geen melding van pijn of zorgen
door gebrekkig communicatievaardigheden
- inzicht in ziekte
- gezondheidszorg en verzorgingsgedrag
Piaget heeft met zijn stadiums (sensomotrisch, preoperatief, concrete bewerkingen en abstracte
bewerkingen) helaas niet onvoldoende steun gekregen, daarom gaat dit boek er niet verder op in.

Leeftijd zegt wel iets over hoe je gezondheid ziet:
- ziekteconcept op de leeftijd van 3 tot 13 jaar; er zijn een aantal stappen:
Onbegrip -kind geeft irrelevante antwoorden of ontwijkt vragen, (2) Fenomenalisme weinig
begrip oorzaak en gevolg (3) aangestoken woorden ziekte is iets wat niet aangeraakt kan
worden
- Ziekteconcept op de leeftijd van 8 tot 11 jaar; kinderen zien het concreter en met oorzaak,
gevolg;
Besmetting kinderen in deze fase begrijpen dat je ziekten van anderen kan krijgen (2)
internalisatie ziekte bevind zich in lichaam, maar het proces waardoor symptomen zich
voordoen is nog lastig te begrepen. Kinderen begrijpen in deze leeftijd wel dat behandeling
nuttig is. Ouders moeten een evenwicht zien te vinden tussen controleren van gezondheid
en overmatig beschermende houding anderzijds.
- Ziekteconcept vanaf de puberteit; altijd nog een abstract begrip
Fysiologisch ziekten definiren in termen van lichamelijke organen of functies (2)
psychofysiologisch tijdens de latere puberteit begrijpen veel mensen dat lichaam en geest
interactie vertonen.
- Ziekteconcept van 17 jaar en ouder (volwassenheid)
De risicos dat ze risicovormend gedrag gaan vertonen is kleiner. Het geven van voorlichting
moet hier gericht worden op praktische toepassingen.
- Ziekteconcept van ouderen/bejaarden
Het zelfconcept is bij het ouder worden relatief stabiel. Met het ouder worden krijgen veel
ouderen op 1 of andere wijze lichamelijke beperkingen. Veel ouderen onderschatten
mogelijk hun eigen lichamelijke vermogens.
Zoals we kunnen zien is de jeugd een belangrijke periode voor de ontwikkeling van opvattingen over
gezondheid.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Onderzoeksthema; opvattingen van kinderen over gezondheid hoe complex zijn deze?
Onderzoek bij kinderen van 5 tot 12 jaar met betrekking tot gezondheid in het dagelijks leven.
Criteria van goede gezondheid volgens deze kinderen:
1. Functioneel zijn (sport beoefenen)
2. Geestelijke gezondheid (welzijn, er gezond uitzien, zich goed voelen over zichzelf)
3. Gedrag ten aanzien van leefwijze (gezonde voeding, goede hygine, goed slapen)
Factoren ten aanzien van leefwijze werden door alle leeftijden als de sleutel tot een goede
gezondheid beschouwd. Vooral kinderen denken dat gezondheid betekent dat je in staat ben te
functioneren door dingen te doen die je wilt doen en in geringere mate dat je een goede geestelijke
gezondheid hebt.
Uit dit onderzoek blijkt duidelijk dat kinderen vanaf het 5
e
levensjaar een multidimensionaal concept
van gezondheid hebben. Het bevat dan een dimensie van de geestelijke gezondheid, wat in
tegenspraak was met eerdere resultaten. Dit onderzoek vormt aanleiding om aan te nemen dat
kinderen opvattingen van gezondheid bezitten die zijn benvloed door hun persoonlijke ervaringen
en door hun socialisatie. Geslachtsverschillen waren er niet gevonden (misschien is dit pas later van
toepassing?)

Let op want gezondheid is een continum; ziekte <-> optimale welzijn, meestal word gezondheid als
vanzelfsprekend beschouwd totdat door ziekte in gevaar word gebracht (!)

1.3 Wat is gezondheidspsychologie?
Het doel van psychologie is het beschrijven, verklaren en voorspellen van gedragsmatige en
geestelijke processen. Zodat goede interventies kunnen worden ontwikkeld.
Gezondheidspsychologie is het bestuderen van gezondheid, ziekte en praktijken uit de
gezondheidszorg (professioneel en persoonlijk).
Wetenschappelijke methoden:
1 we nemen iets waar
2 we definiren een probleem
3 we verzamelen gegevens
4 we analyseren de gegevens
5 we ontwikkelen een theorie
6 we onderzoeken de theorie door opnieuw gegevens te verzamelen
Meeste onderzoek door gezondheidspsychologen: vragenlijsten, vraaggesprekken en
psychometrische tests

1.3.1 Wat is het verband tussen psychologie en gezondheid?
Mensen hebben aannames over gezondheid, zijn heir vaak emotioneel over en hebben ze een
gedragsmatige rol te spelen bij het in stand houden van hun gezondheid.
Doelstellingen van gezondheidspsychologie;
- de bevordering en het in stand houden van de gezondheid
- het verbeteren van de systemen voor gezondheidszorg en het gezondheidsbeleid
- de preventie en behandeling van ziekte
- de oorzaken van ziekte

Gezondheidspsychologie word steeds vaker gecombineerd met andere wetenschappen (bv sociaal).
Contrasten met andere wetenschappen;
medische psychologie (verschillende stelsels)
gedragsgeneeskunde (interdisciplinair gebied psychologie, sociologie,
gezondheidsonderwijs - behavioristisch)
psychosomatische geneeskunde (lichaam en geest betrokken bij ziekte, Freud, nu ook een
mix, DSM-II)
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
medische sociologie (nauwe relatie tussen psychologie en sociologie)
gezondheidspsychologie (word wel bekritiseerd doordat dit vak te individualistisch van aard
is, niet sociaal genoeg, het groeit wel hard en onlangs is gesuggereerd dat zich tegelijkertijd 4
benaderingen voor de gezondheidspsychologie hebben ontwikkeld:
1. klinische gezondheidspsychologie
2. gezondheidspsychologie met betrekking tot de volksgezondheid
3. gezondheidspsychologie van bepaalde groepen (gebruik gemaakt methoden van pr.
Onderzoek
4. kritische gezondheidspsychologie vinden dat de modellen beter moeten worden
onderscheiden, er is meer aandacht nodig voor sociaal aspect en cultuur)

De gezondheidspsychologie bied een meer holistische, maar in wezen psychologische benadering van
onderwerpen ten aanzien van gezondheid, ziekte en gezondheidszorg.

Hoofdstuk 2 Sociale verschillen in ziekte en gezondheid
In dit hoofdstuk bespreken we verschillen in gezondheid die niet het gevolg zijn van individueel
gedrag, maar van de sociale context waarin we leven. De grootste doodsoorzaak in de wereld is
armoede. Mensen die niet in armoede leven zijn andere subtielere sociale en psychologische
factoren op invloed van de gezondheid. Leven mensen uit welgestelde milieus langer dan degene die
minder welgesteld zijn? Waarom overlijden mensen uit etnische minderheden op jongere leeftijd
dan mensen van de meerderheidsgroepering? In dit hoofdstuk worden
de verschillen in gezondheidstoestand die het gevolg zijn van de sociaaleconomische status (SES)
bestudeerd.

Oorzaak van ziekte over de gehele wereld:
1. Armoede en sociaaleconomische status (2.3)
2. Deel uitmaken van een sociale minderheid, ondervinden van vooroordeel leid tot stress (2.4)
3. Het geslacht, biologisch en door hormoonconcentraties (2.5)
4. Ook werk en werkeloosheid kan tot stress en ziekte leiden (2.6)

2.1 Leefwijze
Het ouder worden van mensen in stedelijke omgeving met voldoende of zelfs te veel voedsel doet op
dit moment andere ziekten verschijnen, ook psychische stoornissen lijken fors toe te nemen. In
vergelijking met de laatst overlevende jagers-verzamelaars leven we meestal langer, maar we
hebben het niet makkelijke door alle eisen die aan ons worden gesteld. Informatie word steeds meer
en de eisen steeds strenger. De hoeveelheid stress neemt toe, ondanks de welvaart.

2.2 Gezondheidsverschillen
Er is steeds meer bewijs dat de invloed van omgevingsfactoren en culturele en sociale factoren op
onze gezondheid even groot is, zo niet groter is, dan individuele risicofactoren (!). de SES, het
geslacht, de werkomstandigheden en de etniciteit zijn met elkaar vervlochten, in het boek worden ze
los besproken.
(Tabel 2.1 waar word je gemiddeld het oudst? Japan, San Marino, Zwitserland en wanneer sterf je
gemiddeld het vroegst? Mozambique, Mali, Tsjaad)

2.2.1 Bewijs voor verschillen in gezondheid
Met enkele uitzonderingen geldt dat een bevolking van een land langer leeft naarmate het land rijker
is. Verschillen in macht, geld en middelen staan aan de basis van gezondheidsachterstanden.

De maatschappelijke determinanten van gezondheid duiden op zowel de individuele
sociaaleconomische positie als op de sociaaleconomische en politieke context.
De maatschappelijke determinanten:
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal













Determinanten:
- Sociaaleconomische status opleiding, beroep of inkomen en etniciteit. De lagere
sociaaleconomische status en hun gebrek aan middelen veroorzaakt
gezondheidsachterstanden
- De omgeving waarin mensen worden geboren, opgroeien, leven, werken.
- Fysieke omgeving en materile omstandigheden woonomstandigheden/ financile status.
De fysieke omgeving kan de gezondheid schaden of bevorderen.
- Sociale omgeving en psychosociale omstandigheden sociale netwerken/steun.
- Gezondheidszorg de toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg is goed.
- Leefstijl en stress Stress word veroorzaakt door negatieve gebeurtenissen

Waarom is het rijkste land ter wereld niet het land met de gemiddelde leeftijd (70 jaar) en staat het
daarmee op de 24
e
plek?
Sommige sociale klassen in de VS hebben een buitengewoon slechte gezondheid
Grote groepen en met name arme mensen zijn niet verzekerd voor ziektekosten
De hiv-epidemie veroorzaakte een grotere sterfte
In de VS komt het grootste aantal gevallen van vormen van kanker als gevolg van roken voor
Het aantal geweldsmisdrijven in de VS is groot, vooral moord
In het volgende hoofdstuk zie je enkel van deze hypothesen.

2.3 Rijk tegenover arm: de invloed van armoede
Armoede vormt misschien wel de belangrijkste sociale en economische invloed op de gezondheid.
Een groot probleem is malaria, HIV en aids.

2.3.1 Zelfs bij de rijken komen gezondheidsverschillen voor
Er is een lineair verband tussen inkomen en gezondheid.

2.3.2 Verklaring voor ongelijkheid met betrekking tot gezondheid tussen sociaaleconomische klassen
1. verklaring gezondheidsverschillen; een sociale verklaring word tegenover een meer individuele
geplaatst. Sociaal: lage SES gezondheidsproblemen veroorzaakt <-> individueel: mensen bij wie een
gezondheidsprobleem ontstaat zijn niet in staat hun baan te behouden, daardoor dalen ze op de
sociaaleconomische ladder (omgekeerd). Oftewel: het SES heeft invloed op onze gezondheid.
- Verschillen in gezondheidsgedrag: Mensen in lagere sociale klassen leven vaak ongezonder, dit is
niet de volledige verklaring voor de gezondheidsverschillen.
- Maatschappelijke ongelijkheid en gezondheid: met geld kun je gezondheid kopen, toch blijkt de
vergelijking met anderen tot een hoop stress te leiden (je kunt beter weinig verschillen hebben)
- letsel als gevolg van de omgeving: lagere sociaaleconomische klassen werken vaker in gevaarlijke
omgevingen
- stress, spanning en depressie: sociale vergelijking is een bijzonder goed beoordelingsmechanisme,
Sociaal
economisch
& politiek
Sociale
hirarchie
Materieel,
sociaal,
leefstijl en
gezondheid
szorg
gezondheid
sachterstan
den
Maatschappelijke determinanten
van gezondheidsachterstanden
Maatschappelijke determinanten
van gezondheid
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- toegang tot gezondheidszorg: en als er toegang is, is deze vaak ook duur. Problemen en verschillen
hierin kunnen etnische en economische redenen hebben.

2.4.2 Andere minderheden
Homos HIV

2.5 Geslacht en gezondheid
Vrouwen maken vaker melding van lichamelijke symptomen. Mannen hebben een hoger percentage
ziekten.

2.5.1 Biologische verschillen
Biologische verschillen gaan hierover vooral over het afweerstelsel (vrouwen beter beschermd tegen
ziektes dan mannen) en geslachtshormonen. Oestrogeen gaat stolling namelijk tegen en bij
testosteron word dit juist verhoogd. Een 2
e
biologische oorzaak is dat mannen een sterkere
fysiologische reactie op stress vertonen dan vrouwen. Door deze reacties neemt het risico op
aandoeningen van de kransvaten toe. Of dit biologisch of door de omgeving is is niet duidelijk.

2.5.2 Verschillen in gedrag
Mannen vertonen meer riskant gedrag dan vrouwen. Ook zoeken ze minder snel medische hulp. Dit
heeft waarschijnlijk een sociale factor, ze willen hun niet zwak tonen. Ziekte is bedreigend voor
mannelijkheid.

2.5.3 Sociaaleconomische verschillen
Vrouwen zitten meer thuis en sociaal isolement komt meer bij vrouwen voor.

2.6 Werk en gezondheid
De werkomstandigheden zijn flink verbeterd door de Arbo-wet, alsnog zijn er bouwplaatsen waar
een aanzienlijk risico bestaat op verwonding.

2.6.1 Werkstress
Er is een consistent bewijs dat de werkomgeving op mannen en vrouwen verschillend worden
uitgewerkt.
Er is een invloedrijk model voor het systematisch bestuderen van elementen van de werkomgeving
die bijdragen aan werkstress. Drie belangrijke factoren die meedragen aan werkstress:
1. De eisen van het werk
2. De mate van vrijheid om beslissingen te nemen over de wijze waarop deze eisen het beste
kunnen worden vervuld (werkautonomie)
3. De mate waarin sociale ondersteuning beschikbaar is
Vrouwen hebben naast hun baan ook nog het huishouden, wat ze vaak stress opleveren.

2.6.2 Werkloosheid
Werkloosheid heeft een negatief effect op de geestelijke en lichamelijke gezondheid, althans op de
korte termijn. De financile onzekerheid die gepaard gaat met werkeloosheid geeft een grote stress.

*Sociaaleconomische verschillen in levensverwachting voor mannen groter dan voor vrouwen,
vrouwen leven gemiddeld 5 jaar langer dan mannen
- Laagste SES-groep wijkt het meeste af
- Ook op oudere leeftijd nog SES-verschillen in levensverwachting
- Sociaaleconomische sterfteverschillen op middelbare leeftijd het grootst
- Risicofactoren en selectie leiden tot gezondheidsverschillen
- Trends in sociaaleconomisch verschillen nog onduidelijk

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Hoofdstuk 3 Ongezond gedrag
Er wordt in dit hoofdstuk een overzicht geboden van verschillende gedragingen waarvan is
aangetoond dat ze het risico op ziekte verhogen, zoals ongezonde voeding, roken, overmatig
alcoholgebruik en onveilig vrijen.

3.1 Wat is gezondheid gerelateerd gedrag?
Of het nu opzettelijk is of niet, met gezondheidsgerelateerd gedrag kunnen ziekten worden
voorkomen en kan tevens worden verhinderd dat een aanwezige ziekte verergert.
De 7 gezondheidsfactoren van Alameda:
1. Zeven tot 8 uur per nacht slapen
2. Niet roken
3. Niet meer dan 1 tot 2 alcoholische drankjes per dag nuttigen
4. Regelmatig bewegen
5. Niet eten tussen maaltijden in
6. Ontbijten
7. Niet meer dan tien procent overgewicht hebben
Hoe meer van deze gedragingen, hoe langer de levensduur van het individu.
Deze gedragingen zijn helaas wel lastig te bepalen, omdat sociale wenselijkheid een factor is. Als
directe waarnemingen niet mogelijk zijn, zoals bloedonderzoek, moeten onderzoekers afgaan op
zelfrapportage. De volgende gedragingen zijn gedragsmatige pathogenen (gedrag dat schadelijk is
voor de gezondheid). Gedragingen die de gezondheid verbeteren worden gedragsmatige
immunogenen genoemd.

3.3.1 Gezondheidsbedreigend gedrag
De WHO (world health report) vermeldt de top tien van de belangrijkste wereldwijde risicofactoren
(verantwoordelijk voor 30 procent van alle sterfgevallen wereldwijd):
- Ondergewicht
- Onveilig vrijen
- Hoge bloeddruk
- Tabaksgebruik (hoge mortaliteit)
- Alcoholgebruik (hoge mortaliteit)
- Onveilige watervoorziening
- ijzertekort
- Rook binnenshuis van bv koolstofmonoxide
- Hoog cholesterolgehalte
- Overgewicht

3.2 Ongezonde voeding
3.2.1 Vetopname en cholesterol kanker en aandoeningen kransaders
LDL is de slechte cholesterol, wat zorgt voor plaque in de slagaderen. En HDL zijn de goede
cholesterol, omdat dit de omzetting en verwijdering van LDL door de lever lijken te bevorderen. Een
te hoog cholesterol duid op een grote inname van verzadigd vet, wat schadelijk is voor de
gezondheid. Een doelstelling van de gezondheidsinterventies is niet voor niks vermindering van
vetinname.

3.2.2 Zout
Het eten van een teveel aan zout zorgt voor een hardnekkig hoge bloeddruk, oftewel hypertensie.

3.3 Overgewicht - hypertensie, diabetes, hartaandoeningen, pijn, gering gevoel eigenwaarde
(ook al is dit geen gedrag). Het word wel behandeld in dit boek omdat er een toenemende
bezorgdheid is. Overgewicht: weinig beweging + slechte voeding.
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

3.3.1 Hoe wordt overgewicht gedefinieerd?
Overgewicht word meestal bepaald aan de hand van BMI-index.

3.3.2 Negatieve gevolgen van overgewicht voor de gezondheid
Ondergewicht is wereldwijd de grootste doodsoorzaak, desondanks lopen steeds meer mensen het
risico op het tegenovergestelde probleem.

3.3.3 Prevalentie (totaal aantal zieken van een bep gebied) van overgewicht
Overgewicht is de meest voorkomende aandoening bij kinderen in Europa.

3.3.4 Oorzaken van overgewicht
Energie-inname veel groter is dan energieverbruik (eenvoudig gezegd). Ook is het een erfelijk
component (bleek uit tweelingonderzoek). De primaire (causale) reden is nog niet bekend. Maar let
op; ook extreem dieetgedrag en het aantal eetstoornissen neemt toe. Dit komt omdat
ontevredenheid over het eigen lichaam toeneemt.

3.4 Alcoholgebruik- levercirrose, kanker, hypertensie, hartaandoeningen en infarcten
Alcohol hoort bij veel levensgebeurtenissen, bruiloften/verjaardagen.

3.4.1 Negatieve effecten op de gezondheid door overmatig alcoholgebruik
Alcohol is de op een na meest gebruikte psychoactieve stof in de wereld, na coffene.
Gezondheidsproblemen ontstaan niet alleen als gevolg van alcoholverslaving, ze kunnen ook
ontstaan bij acute en langdurige episodes van zwaar drinken.

Levercirrose
Wat is het? Overbelaste en ontstoken lever. De ontstoken cellen sterven af en worden vervangen
door bindweefsel. De lever word daardoor groter. Omdat de lever niet meer in staat is om
afbraakproducten op de juiste manier af te voeren word de concentratie van deze stoffen in het
bloed steeds hoger. Vaak komen leverafwijkingen pas jaren later aan het licht.
Klachten?
- Vaak moe
- Weinig eetlust
- Rode vlekken op handen
- Bij mannen vergroting van borsten
- Je kunt geelzucht krijgen (galkleurstoffen worden niet voldoende verwijderd)
- Pijn in bovenbuik en opgezet
- Er kunnen bloedingen ontstaan (een van de voornaamste doodsoorzaken bij levercirrose)
Gevolgen?
In een vergevorderd stadium maakt de lever de giftige stoffen niet meer onschadelijk, hierdoor
worden de hersens aangetast wat ten slotte bewusteloosheid veroorzaakt.

3.4.2 Aanbevelingen voor alcoholgebruik
Het is lastig om een veilig niveau van alcoholgebruik te bepalen, omdat het voor iedereen anders is.

3.4.3 Prevalentie van alcoholgebruik bij jongeren
Het aanbevelen van breezerdrankjes heeft geleid tot meer alcoholisch drankgebruik onder jongeren.
Wie niet drinkt hoort er niet bij.

3.4.4 Heeft het drinken van alcohol ook positieve effecten?
Het is echter niet duidelijk bij welke mate van consumptie alcohol schadelijk wordt.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
3.4.5 Waardoor krijgen sommige mensen een drankprobleem?
Belangrijkste aspecten:
- erfelijkheidsfactoren en een familiegeschiedenis van alcoholmisbruik
- aanwezigheid van geesteszieken; stemmingsstoornissen, sensatiezoekers
- sociaal leren; alcoholmisbruik word positief bekrachtigd
Patronen van zwaar drinken die tijdens de late jeugd en vroege volwassenheid ontstaan, zetten zich
tijdens de volwassenheid meestal voort. Preventie richt zich op twee dingen: voorkomen van
kinderen en jongeren van alcoholmisbruik, door gevolgen te vertellen en als tweede
gedragsverandering bij mensen die al zwaar drinken.

3.5 Roken
Sigaretten verschaft veel tabaksfabrieken en veel regeringen (door accijnzen) veel geld. Het
verminderen van rookgedrag vormt nog steeds een hoge prioriteit voor de volksgezondheid.

3.5.1 Negatieve effecten van roken op de gezondheid trombose, COPD
Door nicotine moet het hart harder werken, doordat de bloeddruk word verhoogd en de hartslag
word versneld. Dit zorgt voor een vernauwing van de slagaders en vergroten ze de kans op trombose.
Door teer word het ademhalingsstelsel beschadigd.

3.5.2 Prevalentie van roken
De daling van het aantal rokers is samengegaan met een daling van het percentage gevallen van
longkanker, maar de voordelen van een reductie van rokers zullen pas veel later te zien zijn. Het
percentage oude mensen die roken blijft hoog omdat deze mensen zijn begonnen toen de medische
wetenschap dit allemaal nog niet wist.

3.5.3 Roken als verslaving
Roken werkt als zelfbekrachtiger. Want onthoudingssymptomen worden dan voorkomen.

3.5.4 Waarom roken mensen?
Slechts een relatief klein gedeelte van de rokers begint pas tijdens de vroege volwassenheid met
roken.
Belangrijkste redenen om te beginnen met roken:
- Voorbeeld volgen
- Sociale druk, sociaal leren en bekrachtiging
- Gewichtsbeheersing
- Geslachtsverschillen in de attitude tegenover roken kunnen tijdens de puberteit ontstaan
- Het roken als deel van een grotere reeks risicovolle gedragingen

Belangrijkste redenen om door te gaan met roken:
- Plezier of genot als gevolg van het gedrag
- Roken uit gewoonte
- Roken als gevolg van zelfmanagement
- Ontbreken van de overtuiging dat de betrokkene in staat is om te stoppen

Zelfs bij mensen die tussen het vijftigste en zestigste levensjaar stoppen, kan het risico op het latere
ontstaan van longkanker of andere, aan roken gerelateerde ziekten grotendeels verdwijnen. Meestal
wil de meerderheid van de rokers wel stoppen. Het is makkelijker stoppen als je geen deel uitmaakt
van een netwerk van rokers.

3.6 Onbeschermd seksueel gedrag

3.6.1 Negatieve effecten van onveilig vrijen op de gezondheid
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Ongewenste zwangerschap, infecties en hiv. Seksueel gedrag is natuurlijk niet individueel. Seks is
sociaal gedrag. Het feit dat aids steeds beter behandeld kan worden, zorgt er voor dat mensen
laconieker worden. Het mensen men chlamydia groeit.

3.6.2 Seksueel gerag en het gebruik van condooms
Uit dergelijke onderzoeken blijkt dat veilig vrijen niet alleen word benvloed door zorgen over hiv,
maar ook door het type en het aantal seksueel actieve relaties dat iemand heeft.
Er zijn nog altijd barrires voor het gebruik van condooms. Van invloed op de beslissing zijn
interpersoonlijke, intrapersoonlijke, culturele en contextuele factoren. Voorbeelden van barrires
zijn:
- Verwacht bezwaar van de man tegen de vrouw die voorstelt een condoom te gebruiken
- Problemen/verlegenheid bij het ter sprake brengen van condoomgebruik
- Bang dat die ander denkt dat hij/zij een soa heeft
- Gebrek aan handigheid
Seks is een complexe interactie.

Hoofdstuk 4 Gezond gedrag
In dit hoofdstuk wordt een overzicht geboden van verschillende gedragingen waarvan is aangetoond
dat ze de gezondheid juist bevorderen, zoals gezonde voeding, sporten, medische controles
en immunisatie. De factoren die van invloed zijn op het uitvoeren en handhaven van specifiek
gedrag worden toegelicht

Sommige gedragingen beschermen ons tegen ziekte. Dit gezondheidsverbeterend gedrag is een
gezamenlijk doel van voorlichtingsprogrammas.

4.1 Gezonde voeding
Voeding heet een direct en indirect verband met ziekten. Daarom stellen regeringsinstanties en
medische autoriteiten richtlijnen op over gezonde voeding.

4.1.1 De gezondheidsvoordelen van het eten van fruit en groente
Dit is belangrijk voor bescherming tegen kanker en het heeft positieve invloed op de gezondheid/

4.1.2 Waarom eten mensen niet voldoende fruit en groente?
Helaas lijkt lekker eten verbonden te zijn aan suiker en vetgehalte. Er zijn ook vooroordelen over
gezond voedsel die verhinderen dat mensen een gezonde voedselkeuze maken. Waar komt deze
voedselvoorkeur vandaan?
- Ouders spelen een belangrijke rol (vooral bij eetpatronen)
- De bereidingswijze
- Producten
- Smaak
- Textuur
- Ingredinten
(het stimuleren werkt wel degelijk). Het is nu aanbevolen om 5 (of meer) porties fruit en groenten
per dag te eten.

4.2 Lichaamsbeweging

4.2.1 De voordelen van bewegen voor de lichamelijke gezondheid
Regelmatige lichamelijke activiteit verkleint de kans op aandoeningen van de kransvaten.
Lichaamsbeweging bied ook bescherming tegen het ontstaan van osteoporose, een ziekte die word
gekenmerkt door een afname van de botdichtheid als gevolg van verlies van calcium (botsterkte
neemt af). Lichaamsbeweging is in het algemeen een geaccepteerd middel voor het verkleinen van
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
het risico op uiteenlopende aandoeningen. Door beweging word de hartspier sterker en dit verhoogd
de efficintie van het hart en de ademhaling. Evenwicht energie-inname <-> energieverbruik.

4.2.2 De psychologisch voordelen van lichaamsbeweging
Ook zorgt beweging voor stemmingsverbetering. Veel lichaamsbeweging gaat gepaard met
vermindering van een vermindering van angst, ook is het gevoel van eigenwaarde goed en sociaal
gedrag. Dit heeft als oorzaak een aantal verschillende biologische mechanismen;
- Afgifte van opiaten in het bloed bij beweging, geven een natuurlijke kick
- Stimulatie van natuurlijke stoffen verminderen stress en verbeteren de stemming (dit is wel
een complexe relatie)
- Door spierontspanning
Tijdens een intensieve lichaamsbeweging is de stemming vaak negatief, maar daarna positief. Matige
regelmatige beweging leid tot een bevordering van het welzijn. (slanke mensen worden vaak
positiever beoordeeld dan dikke mensen) Ook zorgt sporten ervoor dat dementie word uitgesteld.
NB: gedacht word dat regelmatig porten gunstig is voor lichamelijke en psychologische gezondheid
en mogelijk zelfs voor overleven, matiging is wellicht noodzakelijk.

4.2.3 De negatieve gevolgen van lichaamsbeweging
Je kan helaas ook geobsedeerd worden door lichaamsbeweging. Als mensen altijd sporten en dat kan
een keer niet, zijn ze prikkelbaar en gaat de stemming achteruit. De lichamelijke gevolgen op lange
termijn van lichaamsbeweging bestaan uit verlies van spiermassa en gewichtsverlies. Oftewel; matig.

4.2.4 Aanbevelingen voor lichaamsbeweging
Alhoewel er al veel meer bekend is over lichaamsbeweging, is het niveau in sommige delen van
Europa nog steeds gering. Ook zijn er (logisch) verschillen tussen leeftijd en cultuur.

4.2.5 Waarom sporten mensen?
Meest genoemde redenen om wl te sporten;
- Gewenste lichamelijke fitheid
- De wens gewicht te verliezen
- De wens het zelfbeeld te verbeteren
- Stressreductie
- Als sociale activiteit

Meest genoemde redenen om niet te sporten:
- Tijdgebrek
- Kosten
- Gebrek aan juiste faciliteit
- Gene
- Gebruik aan zelfvertrouwen of sportmaatje

4.3 Gedrag ten aanzien van medische controles
Twee doelstellingen van medische controles:
1. Ontdekken van vroege tekenen van ziekte, zodat deze kunnen worden behandeld
2. Identificeren van risicofactoren voor ziekte, zodat een gedragsverandering kan worden
teweeggebracht

4.3.1 Screening voor het detecteren van ziekten
Bekendste voorbeelden van deze medische controles zijn:
- Test op borstkanker (mammografie)
- Test op baarmoederhalskanker (uitstrijkje)
- Prenatale test (bv voor down)
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
4.3.2 Screening op risicofactoren
Dit is gebaseerd op het principe van vatbaarheid. Dit is om te kijken hoeveel risico mensen hebben
op een bepaalde ziekte, om advies en info te bieden.
Bekendste voorbeelden van deze medische controles zijn:
- Test op het risico op hart- en vaatziekten
- Oogonderzoeken om te testen op diabetes, staar of verziendheid
- Prenataal genetisch onderzoek
- Prenatale screening
Wanneer iemand een grote kans heeft op iets, kunnen alvast preventieve maatregelen worden
gedaan. Het voorspellen van gedragsveranderingen is lastig (zie H5) en daarom gaan interventies
vaak met veel problemen gespaard. Een specifieke vorm van dit testen is het testen van genetische
aanleg voor aandoeningen. Door de vooruitgang van deze technologie roept het ook veel
gewetensvragen op.

4.3.3 De kosten en baten van screening
Zijn de voordelen voor de betrokken even groot als voor de maatschappij in het geheel? In een
poging om dit wel zo te krijgen, zijn sommige onderzoekers criteria voor effectieve screening op te
stellen waaraan volgens deze onderzoekers dient te worden voldaan. Deze criteria zijn goed
toepasbaar op alle ziektedetectie:
- De aandoening dient een belangrijk gezondheidsprobleem te zijn
- De aandoening dient n een vroeg stadium herkenbaar te zijn
- Er dient een geschikte test met een goede mate van gevoeligheid beschikbaar te zijn
- De test is voor de gehele bevolking acceptabel
- De kosten dienen te worden overwogen
Het is lastig te bepalen of het er aan voldoet. Soms zijn er ook screenings voor ziektes waaraan niks
kan worden gedaan (bv huntington). Het individu krijgt vaak geen duidelijke informatie. Genetisch
onderzoek is een controversieel onderwerp.

4.3.4 Zelfonderzoek
Zelfonderzoek krijgt meer aandacht, 90% van borstkanker word zelf ontdekt. Vandaar dat
zelfonderzoek bevorderd word.

4.3.5 Acceptatie van medische controle
Factoren die gerelateerd zijn aan het niet deelnemen aan screening of voor zelfonderzoek:
- Lager opleidingsniveau en lager inkomen
- Leeftijd
- Gebrek aan kennis over aandoening
- Gebrek aan kennis over screening
- Verlegenheid
- Angst dat er iets slechts zal worden ontdekt
Er bestaat weinig kennis over zelfonderzoek en kanker. Hierdoor word het vaak verkeerd gedaan.

4.4 Immunisatiegedrag (inenting)
4.4.1 Het doel van inenting
Vaccinatie is de oudste vorm; prik waarbij iemand immuun gemaakt word door een kleine
hoeveelheid antigeen in het lichaam te brengen, zo ontstaat er vorming van anti-stoffen.
Immunisatie is vooral gericht op kinderziektes. Het percentage van deze immunisatie verschilt per
land en zelfs in het land. Er is een toenemende bezorgdheid dat ziektes zoals kinkhoest en de
mazelen weer terugkomen, omdat er niet genoeg verzadiging is.

4.4.2 Kosten en baten van immunisatie
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
De voordelen van jeugdvaccinatie zijn duidelijk geworden. Kinderen gaan niet meer vroeg dood aan
ziektes zoals difterie en polio.

Hoofdstuk 5 modellen voor het voorspellen van gezondheidsgedrag
Alhoewel ons inzicht nog steeds onvolledig is over de manier waarop we mensen kunnen aanzetten
tot gezond gedrag, worden vanuit het onderzoek in dit hoofdstuk verschillende modellen
gepresenteerd die de belangrijkste modificeerbare factoren laten zien van menselijk
gezondheidsgedrag. (intelligentie, waarden, normen, verwachtingen enz spelen allemaal een
belangrijke rol)

5.1 Invloeden op gezondheidsgedrag
Gedrag voorspellen: Distaal/statisch (verder weg gelegen, lastig te veranderen bv etniciteit,
geslacht) en proximaal/dynamisch (dichterbij- bv opvattingen en attitudes). Invloeden op de
besluitvormingsprocessen, attitudes en gedrag veranderen tijdens de jaren. Er zijn veel modellen
voor gezondheidsgedrag opgesteld. Deze onderzoeken individuele attitudes en opvattingen over de
gezondheid.

Welke factoren hebben een algemene invloed op gedrag?:
5.1.1 Persoonlijkheidskenmerken
Persoonlijkheidskenmerken zijn karakteristieke gevoelens, denkwijzen en gedragingen die het ene
mens van het andere onderscheid.
Belangrijkste onderzoeken naar persoonlijkheidskenmerken;
1. Driefactorenmodel van Eysenck:
- Extraversie Introversie
- Neuroticisme (angstig, zorgelijke aard) Emotionele stabiliteit (ontspannen)
- Psychoticisme (egocentrisch, agressieve aard)- Zelfbeheersing (vriendelijk)
Deze 3 persoonlijkheidsfactoren hebben veel ondersteuning gekregen vanuit onderzoek.

2. The big five van McCrae en Costa
- Neurocitisme, extraversie, openstaan, inschikkelijkheid, nauwgezetheid
Deze kenmerken zijn relatief stabiel over kortere periodes. Ook hebben ze relaties met hoe
kinderen zijn en is er een relatie met gezondheidsgedrag. Let op; deze
persoonlijkheidskenmerken zijn geen oorzaak voor risicovol of gezond gedrag. Een ander aspect
van de persoonlijkheid is de lotus of control. Hierna kwam de health locus of control de
perceptie dat iemands gezondheid onder persoonlijke controle is; gereguleerd dor
gezaghebbende anderen (medisch personeel bv) of onder de controle van externe factoren zoals
noodlot. (oftewel schuld kan intern, extern of bij gezaghebbende anderen liggen)
Gedacht word dat mensen die geen waard hechten aan hun gezondheid, dat de kans klein is dat ze
gedrag zullen vertonen waardoor de gezondheid wordt beschermd. Risicovol gedrag (ook seksueel)
ging vaak samen met verwaarlozing, middelengebruik (drank en drugs), schooluitval en psychische
problemen zoals ADHD en CD (conduct disorder).

5.1.2 Sociale normen, familie en vrienden
Mensen zijn sociale wezens en worden gevormd door de algemene cultuur en de omgeving. Door het
gedrag van anderen ontstaat een subjectieve sociale norm, die een goedkeuring van bepaald gedrag
suggereert. Bij het beginnen van roken of alcohol speelt de omgeving een grote rol, zo ook de
ouders. Er is consistent bewijs waaruit blijkt dat de geloofwaardigheid, de overeenkomst en de
aantrekkelijkheid van de informatiebron van invloed zijn op de vraag of de attitude of het gedrag als
gevolg van de info verandert.

5.1.3 Attitudes
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Attitudes zijn representaties die mensen erop na houden in relatie tot voorwerpen, mensen en
gebeurtenissen. Attitudes bestaan uit 3 componenten:
- Cognitief; bv sigaretten roken is een teken van zwakheid
- Emotioneel; gevoelens t.o.v object; bv sigaretten roken is weerzinwekkend
- Gedragsmatig; voorgenomen handeling; bv ik ga niet roken
Mensen kunnen soms tegenstrijdige attitudes erop na houden, dit kan dissonantie teweeg brengen.
Dit kan weer opgelost worden door dissonantiereductie. Soms is er dus een conflict tussen attitudes,
dit word ook wel ambivalentie genoemd.

5.1.4 Risicopercepties en onrealistisch optimisme
Mensen vertonen risicovol gedrag omdat ze denken dat ze zelf geen risico lopen, of omdat ze hun
eigen risico niet nauwkeurig bepalen. Dit is onrealistisch optimisme. 4 factoren die hieraan
gerelateerd zijn:
- Een gebrek aan persoonlijke ervaring met het desbetreffende probleem
- De opvatting dat het probleem door individuele handelingen kan worden voorkomen
- De opvatting dat het onwaarschijnlijk is dat het probleem zich in de toekomst zal voordoen
als dit nog niet eerder is gebeurd
- De opvatting dat het probleem zelden voorkomt

5.1.5 Doelstellingen en motivatie voor gedrag
Volgens de sociale cognitietheorie word gedrag gemotiveerd door resultaatverwachtingen en
doelstellingen, het proces van zelfregulatie is hieraan gekoppeld. Door doelstellingen worden onze
gedragingen gericht. Ongezond gedrag kan ook een copingfunctie hebben.
5 functies voor coping:
- Probleemoplossing
- Zich beter voelen
- Vermijding
- Rustpauze
- Preventie
De eisen in de Nederlandse maatschappij zijn hoog, dit zorgt voor langdurige stress.

5.1.6 Zelfredzaamheid (self-efficacy)
Het geloof in het eigen vermogen tot het organiseren en realiseren van de bronnen van handeling die
nodig zijn om toekomstige situaties aan te sturen. Succes bij het verwezenlijken van en doel koppelt
ook terug en bevordert het gevoel van zelfredzaamheid. Het volhouden van verandering is
persoonlijk gedrag belangrijk; zelfredzaamheid is een voorspellende factor. Ook is het belangrijk bij
tegenslag.

5.1.7 Mensen zijn inconsequent
Mensen vinden zichzelf alleen niet inconsequent, dit komt door dissonantiereductie. Vaak
veranderen motivaties van mensen ook in de loop van de tijd. Inconsequenties kunnen worden
verklaard door:
- De houding tegenover gezondheidsgedrag varieert binnen en tussen individuen
- Verschillende gezondheidsgedragingen worden door externe factoren gereguleerd
- Binnen 1 individu kan gezondheidsgedrag door verschillende verwachtingen worden
gemotiveerd
- Mensen verschillen wat betreft hun motivaties en doelstellingen
- Motiverende factoren kunnen in de loop van de tijd veranderen

Uiteenlopende theorien en modellen die zijn ontwikkeld als poging om gedrag te verklaren en
daarmee te voorspellen:
5.2 Modellen voor gezondheidsgedrag
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Let wel op; als we gezond leven betekend dit niet dat we altijd gezond elven, gedrag is niet de enige
factor die ziekte veroorzaakt. Alle onderzoeken zijn dus op populatieniveau.

5.2.1 Gedragsverandering
Oude theorien (naef):
Informatie attitudeverandering gedragsverandering
Nieuwe modellen worden grofweg onderscheiden in modellen van continue gedragsverandering
(5.3) en modellen van gefaseerde gedragsverandering (5.4)

5.3 Continue modellen van gedragsverandering

5.3.1 Het health belief model dit is een cognitief model (ontleend aan theorien over subjectief
nut)
Volgens het HBM is de kans dat iemand gezondheidsgedrag gaat vertonen afhankelijk is van
demografische factoren. Deze kunnen bv sociale klasse, sekse en leeftijd zijn. Deze onderdelen
hangen samen;
- Veronderstelde bedreiging (ik denk dat ik te zwaar ben, mogelijke kwetsbaarheid)
- Gedragsevaluatie (als ik afval, zal mijn gezondheid vooruitgaan, mogelijke voordelen)
- Cues voor handelen (extern of intern, ik ben vaak kortademig, dus miss moet ik wel afvallen)
- Gezondheidsmotivatie (het is belangrijk voor mij om mijn gezondheid in stand te houden)
NB: in sommige gevallen wegen sommige onderdelen meer/minder zwaar.
Uit onderzoek is gebleken dat publiekscampagnes weinig uitmaken, misschien komt dit door
onrealistisch optimisme en/of dissonantiereductie.
Persoonlijkheid en ervaringen uit het verleden zijn basisvariabelen die niet in het HBM voorkomen.

Bij de volgende modellen wordt aangenomen dat sociaal gedrag niet eenvoudigweg door individuele
cognities of attitudes wordt bepaald, maar door individuele opvattingen over gedrag binnen een
bepaalde sociale context en door sociale percepties en opvattingen:

5.3.2 De theory of reasoned action en de theory of planned behaviour sociale cognitiemodellen
De theorie of reasoned action (theorie van beredeneerd gedrag):
Bij de theorie van beredeneerd gedrag wordt aangenomen dat individuen zich op doelgerichte
wijze gedragen en dat de implicaties van hun handelingen (verwachte uitkomsten) op rationele wijze
worden afgewogen voordat wordt besloten of het gedrag wordt overgenomen of niet. Het doel van
dit model is een verkenning en ontwikkeling te geven van de psychologische processen die een rol
spelen bij het leggen van verbanden tussen attitude en gedrag; in deze theorie zijn bredere sociale
invloeden en de noodzaak tot intentievorming opgenomen. Beperkingen van de TRA: hij beperkt zich
alleen tot bewust gedrag (en gedrag is dit niet altijd), het gedrag is zelf mogelijk op de attitudes van
invloed (hier is geen rekening mee gehouden)

De theorie of planned behavior (theorie van gepland gedrag):
Bij deze theorie is het vermeende controle over gedrag ook opgenomen. Deze controle heeft invloed
op de intentie, die op zijn beurt weer invloed heeft op gedrag. Vermeende controle over het gedrag
en attitude waren beide voorspellende factoren voor intentie terwijl dit verrassend genoeg niet gold
voor de subjectieve norm. Deze word veel meer gebruikt dan de theory of reasoned action, maar is
wel ter discussie gesteld. Er zijn namelijk nog andere factoren die de intentie bepalen:
- Morele normen: een gedraging wordt niet alleen door subjectieve normen benvloed,
zoals in de TPB, maar erkend wordt dat sommige intentie en gedragingen deels door morele
normen kunnen zijn gemotiveerd, vooral bij gedragingen waarbij anderen direct zijn
betrokken
- Geanticipeerde spijt: aangetoond is dat het feitelijke gedrag wordt benvloed wanneer wordt
verwacht dat een bepaalde beslissing door spijt zou worden gevolg.
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Zelfidentiteit: de wijze waarop iemand zichzelf waarneemt en het etiket dat iemand zichzelf
opplakt, is mogelijk een veel sterkere invloed op de intenties en sterker dan het effect van de
belangrijkste TPB-variabelen.
- Intentie tot implementatie (II): gedacht wordt dat het formuleren van een intentie deel
uitmaakt van het omzetten van deze intentie tot een handeling, dat wil zeggen van het
overbruggen van de kloof tussen intentie en gedrag.
Alleen de intentie tot het gedrag is niet voldoende, ze moeten over gaan naar de implementiefase.
Bv:
Doelintentie: ik ben van plan op dieet te gaan.
Intentie tot implementatie: ik ben van plan maandag na het feestweekend op dieet te gaan.

Over het algemeen wordt het bereiken van het doel benvloed door de waarde die aan het
verwachte resultaat wordt toegekend; door het geloof dat het doel via handelingen van de
betrokkene haalbaar is, dat wil zeggen door de zelfredzaamheid; en door het ontvangen van
feedback over gemaakte vorderingen.

Oftewel: statische modellen zoals hierboven worden componenten beschreven waarbij opvattingen
in combinatie worden toegepast om te voorspellen waar iemand zich bevindt op een continum van
variabelen ten aanzien van een intentie of gedrag.

5.4 Modellen van gefaseerde gedragsverandering
Bij deze modellen word gedacht dat mensen zich in een discreet geordende fase bevinden. Een
gefaseerde theorie heeft 4 stappen:
1. Een classificatiesysteem om de fasen te definiren
2. Rangschikken van de fasen mensen moeten alle fasen doorlopen om het eindpunt van
handelen of handhaving te bereiken, vaak worden deze stappen niet zo precies gelopen
3. Er zijn veelvoorkomende barrires voor verandering waar mensen in dezelfde fase mee te
maken krijgen
4. Verschillende barrires voor verandering in verschillende fasen de barrires wisselen per
fase

5.4.1 Het transtheoretisch model (TTM)
Veelgebruikt model, hier in NL veel door GGZ. Dit model berust op 2 aannames:
- Dat mensen veranderingsfasen doormaken
- Bij elke fase spelen verschillende processen een rol
Veranderingsfasen van het TTM gaat over motivationele bereidheid:
Precontemplatie; Als je nog niet aan het probleem denkt en nog geen intentie hebt
er iets aan te veranderen (vaak ontkenning of gering geloof in zelfredzaamheid)
Contemplatie: Je weet dat er iets aan moet gebeuren en je overweegt om het te gaan doen
(meestal toegekend wanneer het binnen de komende zes maanden gaat gebeuren, mensen
zoeken sneller naar info en zien ze groter voordeel verandering)
Voorbereiding: iemand is klaar voor verandering en stelt doelen (begin kleine
gedragsveranderingen, motivatie en zelfredzaamheid zijn noodzakelijk)
Handelen: iemand begint met het veranderende gedrag, waarneembare gedragsverandering
(noodzakelijk om een realistisch doel te stellen, sociale ondersteuning is belangrijk)
In stand houden: houd de verandering vol, bied weerstand (door zelfreflectie en
bekrachtiging worden bevorderd)
Er zijn nog 2 anderen die minder worden genoemd:
Beindiging: gedragsverandering is zo lang volgehouden dat de betrokkene geen verleiding
voelt
Terugvallen: terugvallen naar vorige fase, dit kan in elke fase gebeuren
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
De overgang naar een volgende fase verloopt meestal niet soepel en een terugval komt veel voor.
Het relatieve gewicht tussen de voor en nadelen word het beslissingsevenwicht genoemd. Is dit
model wel een goede voorspeller van gedrag? Beperkingen van het TTM:
- Gedrag in het verleden heeft een sterke voorspellende factor voor pogingen tot toekomstige
gedragsveranderingen
- Er word mogelijk onvoldoende rekening gehouden met sociale aspecten van veel
gezondheidsgedrag
- Suggesties voor een tijdsperiode aan de hand waarvan zij mensen in de contemplatiefase
onderscheidden van mensen in de voorbereidingsfase; er is echter weinig empirisch bewijs
dat deze groepen kwalitatief verschillen of verschillen met betrekking tot de attitudes of
intenties van mensen in een bepaalde fase.
- Sommige auteurs hebben vraagtekens gezet bij de validiteit van vijf onafhankelijke fasen
van bereidheid tot verandering op basis van gegevens waarmee niet alle deelnemers bij
n specifieke fase konden worden ingedeeld.

5.4.2 Het model van het precaution adoption process model (PAPM, initiren van
voorzorgsmaatregelen)
Gebruikt als raamwerk voor het begrijpen van bewuste handelingen die worden ondernomen om
gezondheidsrisicos te verminderen en was bedoeld om te voldoen aan de criteria voor een theorie
over fasen die beschreven zijn. Dit is een aanpassing op het TTM, dit model word echter niet veel
toegepast. Ook deze zegt (net als het TTM) dat er geen bepaalde tijd is voor een fase, het PAPM
besteed meer aandacht aan de mensen die zich in de prehandelingsfasen bevinden. Model van
veranderingsfasen:
Precontemplatie niet bewust van probleem
Contemplatie niet betrokken, hier is ook sprake van onrealistisch optimisme
Voorbereiding overweegt al dan niet te handelen (overwegingsfase)
Handelen besluit niet te handelen ontkenningsfase, belangrijke fase(verlaat het model)
Instandhouding - besluit te handelen (overgaan naar volgende fasen) + in stand houden

5.4.3 De health action process approach (HAPA, procesmodel voor gezondheidsactie)
Dit model probeert de kloof tussen intentie en gedrag te overbruggen door nadruk te leggen op de
rol van zelfredzaamheid en actieplannen. De fasen:
- Motivatiefase; zelfredzaamheid en resultaatverwachtingen zijn belangrijke factoren voor
intentie. Het is dus belangrijk om een succesvol resultaat te visualiseren
- Volitiefase (bewuste keuze maken); zodra de intentie er is, moet er een proces van planning
plaatsvinden om de intentie in handelen om te zetten
Deze word gewaardeerd omdat er sprake is van een pre en een postintentie.
Kritiek op bestaande modellen:
- Verschillende factoren kunnen van belang zijn in relatie tot bepaalde gedragingen maar niet tot
andere.
- Het belang van bepaalde factoren kan afhankelijk zijn van de leeftijd.
- Cultuur en religie kunnen een significante invloed hebben op iemands opvattingen over
gezondheid en ziektepreventie.

Hoofdstuk 6 Het risico op ziekte verkleinen (individuele aanpak)
In dit hoofdstuk komen de verschillende strategien die mensen individueel aanzetten tot gezonder
leven aan bod. De belangrijkste principes en resultaten van het motiveringsgesprek,
voorlichtingsprogrammas, leren via modelling en cognitieve benaderingen worden besproken.

6.1 Het bevorderen van de individuele gezondheid
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Doordat veel bevolkingen steeds ongezonder gaan leven is er een grote financile investering in
programmas die zijn opgezet om ziekte te voorkomen en de bevolking in haar geheel fitter en
gezonder te maken. Een gezondere leefwijze is de kern van de meeste programmas. Er zijn globaal 2
aanpakken:
1. Informeren van mensen over hun risico op bepaalde aandoeningen ertoe zal leiden dat ze
een duurzaam, preventief gedrag gaan vertonen
2.

6.2 Screeningsprogrammas
Deze tests zijn bv testen van vrouwen op borstkanker en eierstokkanker (bv mammografie).

6.2.1 Erfelijkheidsonderzoek
Er zijn genen gedentificeerd die met een aantal ernstige ziekten in verband worden gebracht. Voor
borstkanker en eierstokkanker zijn dat de genen BRCA1 en BRCA2. Slechts 4 tot 5 % van de gevallen
is het gevolg van deze mutaties. Zo worden vrouwen via erfelijkheidsonderzoek een brief gestuurd
die kans hebben op kanker (als het vermoed word) een brief gestuurd. Zij moeten hierin de medische
geschiedenis van hun familie noteren, medici kijken dan naar de vragenlijst en geven een indicatie
van het risiconiveau. Vrouwen met een hoog risico worden uitgenodigd voor nader advies (bloed
afgenomen en gekeken naar mutaties van genen hierboven). Vrouwen met een matig risico word
een jaarlijkse mammografie aangeboden.
Het lijkt erop dat er een langdurige bezorgdheid over de gezondheid ontstaat zodra bepaalde
mensen bewust worden gemaakt over het feit dat ze een potentieel risico op kanker lopen.

6.2.2 Ziektedetectie het voorbeeld van mammografie
Door mammografie zijn het aantal gevallen met borstkanker met wel 30 % verminderd. Ondanks de
voordelen brengt het ook een groot aantal zorgen mee, vooral voor vrouwen die vinden dat ze en
groot risico op borstkanker hebben. Na een onduidelijke mammografie kan je opgeroepen worden
voor een echografie. Als er een bultje word gevonden kun je een kleine operatie ondergaan,
fijnenaaldaspiratie of een biopsie om te kijken of het goed (vals-positief)- of kwaadaardig (juist-
positieve uitslag) is. Dit brengt allemaal een hoop stress met zich mee. Uit onderzoeken is gebleken
dat counseling noodzaak is om aan te bieden, maar alleen aan degenen die dit nodig hebben of
wensen. Alsnog zijn er vrouwen die niet meedoen aan een screeningsprogramma, er lijkt nog altijd
een grote aarzeling te zijn.

6.2.3 Verandering van risicogedrag
Duurzame gedragsveranderingen zijn moeilijk te verwezenlijken. Het veranderen van hardnekkige
gedrag vereist mogelijk een intensievere en meer gespecialiseerde interventie. Counseling of
complexere interventies vormen een nuttige uitbreiding op screeningsprogrammas.

6.3 Strategien voor het veranderen van risicogedrag
Uit de resultaten hierboven komt naar voren dat veel mensen niet zullen proberen hun gedrag te
veranderen of niet in staat zullen zijn zulke veranderingen vol te houden. Sommige mensen zullen
wel veranderen zodra ze weten dat ze in gevaar zijn.
Interventies:
- Individuele therapie, gericht op mensen die relatief gemotiveerd zijn om hun gedrag te
veranderen, dit werk niet altijd- mensen zijn nu eenmaal verschillend in mate van motivatie.
Dit is gericht op het model van veranderingsfasen. (5.4.2) Let op want fasetheorien zijn wel
bekritiseerd, zowel op theoretisch als op empirische grond. Je kan namelijk mensen niet
indelen in dezelfde fase (niet alle zware drinkers zitten in dezelfde fase). Door deze en
andere critici kwamen ze ertoe te suggereren dat motivatie tot verandering het best als een
continum gezien kan worden. Toch is dit model belangrijke geweest voor interventies. (welk
type interventie past bij welke fase?)
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

6.3.1 Motiveringsgesprek
Het doel van deze interventie is het versterken van de motivatie om een verandering te overwegen
en niet om te laten zien op welke wijze deze verandering tot stand zou moeten worden gebracht.
Deze gesprekken worden in uiteenlopende situaties toegepast. Ze maken gebruik van cognitieve
dissonantie door de positieve attitude concreet te maken. Dit gesprek is bewust niet confronterend.
Het motiveringsgesprek is veel minder stressvol dan een confronterende methode. Motivering
strategien kunnen dus een gedragsverandering bevorderen. Bij complexere gedragsveranderingen
zijn vaak meerdere interventies nodig (onthoud dit)

6.3.2 Informatieverstrekking
Het effect van alle info over wat te veranderen, aanzienlijk kan worden verbeterd door de patint te
informeren over de wijze waarop dit kan worden veranderd. Plannen worden benadrukt. Aantal
benaderingen waarmee we de effectiviteit van eenvoudige info kunnen worden bevorderd:

6.3.3 Benaderingen via probleemoplossing
Probleemgerichte interventies kunnen het beste worden toegepast op mensen die bereid zijn te
veranderen, maar niet weten hoe. Counseling is bv probleemgericht. Het proces is gericht op het
hier en nu en heeft 3 fasen:
1 Probleemverkenning en verheldering verkregen door; open directe vragen, prompting,
empathische feedback (begrip)
2 Formuleren van een doel welk doel wil je bereiken? (SMART), als het nodig is ook subdoelen
3 Facilitatie van handeling overdenken van de wijze waarop ze doelen moeten halen

Sommige mensen hoeven niet alle fasen te doorlopen. Het is echter belangrijk om de fasen in de
juiste volgorde en grondig te doorlopen. Bij veel andere programmas zijn elementen van
probleemidentificatie- en oplossing aanwezig. Bv bij stoppen met roken. Wat mis je als je stopt met
roken?:
- Het verlies van een middel met sterkte invloed op de stemming en het
concentratievermogen
- Onthoudingsverschijnselen als gevolg van biologische afhankelijkheid van nicotine
- De drang om te roken als gevolg van cues uit de omgeving
De beste stop-programmas richten zich op deze 3 problemen. Hoe leer je ermee omgaan?
Een strategie is bv behandeling met nicotinevervangers, helaas raak je hier ook weer verslaafd aan.
Tegenwoordig is het vaak nicotinevervangers + benadering via probleemoplossing.

6.4 Verandering modelleren
Voor veel mensen is het lastig om een verandering te verwezenlijken, door te weinig vaardigheden of
omdat ze niet vertrouwen dat het ze gaat lukken. Een manier om dit op te lossen is door
vaardigheden aan te leren via het observeren van anderen die dit al beheersen, indirect leren dus. De
effectiviteit hiervan kan door een aantal dingen worden benvloed. Waar complexere vaardigheden
worden aangeleerd, kan het gedrag worden geleerd en bijgeschaafd door de observatie van het
progressieve leren van vaardigheden door de voorbeelden. Dit kan bv met een video, wat nog
uitgebreid kan worden met andere technieken voor gedragsverandering. Het is niet duidelijk hoe
duurzaam de effecten van winst van de gecombineerde interventies zijn. Soms kan een interventie
ook als een prime dienen.

6.5 Gedrag in de praktijk
Een nadere uitbreiding van of alternatief voor strategien voor probleemoplossing bestaat uit een
praktische oefening met het nieuwe gedrag. Zo word de complexere interventie het meest effectief.

6.6 Cognitieve strategien ontleend aan de cognitieve gedragstherapie
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
De interventies hierboven zijn allemaal gedragsinterventies (gedrag direct benvloeden). Ze kunnen
ook tot een cognitieve verandering leiden, waarbij de betrokkene meer vertrouwen krijgt enz, maar
dit is een indirect effect. Bij cognitieve strategien probeer je slechte gedachtes te belemmeren.
Principe bij deze therapie: gedachten staan centraal bij reguleren van gedrag. Cognitieve interventies
kunnen van nut zijn in gevallen waarin de gedragsverandering door gedachten word belemmerd
(zoals ik heb een borrel nodig om de dag door te komen). De rol van cogn. Therapie is het individu te
leren de overtuigingen als hypothesen te zien en niet als feiten; bekijk het op een andere manier
(nieuwe denkwijze). Dit kan op verschillende manieren. Bv via een socratisch dialoog, hierbij worden
meningen onttrokken en hierover gediscussieerd. Dit kan door het uitdagen van de clint of het
instellen van huiswerkopdrachten waardoor vraagtekens worden gezet bij alle ongewenste
cognitieve overtuigingen. Deze opdrachten moeten wel realistisch zijn. Deze therapie word weinig
toegepast bij preventie omdat het complex is. Voor veel stoornissen is deze methode de
belangrijkste psychologische benadering. Het is bij gedragsverandering mogelijk niet effectiever dan
bovenstaande interventies.

Hoofdstuk 7 Populatiebenadering voor de volksgezondheid
De meest voor de hand liggende manier om gehele bevolkingsgroepen te benvloeden is misschien
wel de mediacampagne. Echter blijkt uit onderzoek dat het effect van deze campagnes erg klein is.
In dit hoofdstuk worden de voor- en nadelen van het toepassen van massamedia op de gezondheid
bestudeerd. Andere benaderingen zullen worden besproken waaronder voorlichting in bedrijven,
op scholen en via peergroups. De technieken en effectiviteit van deze interventies worden
toegelicht.

7.1 Het bevorderen van de volksgezondheid
Geen enkele regering heeft genoeg middelen voor individuele interventie, ook niet zou iedereen van
de bevolking mee willen doen. De interventies voor individuen zullen als geslaagd kunnen worden
beschouwd. Ze zijn helaas wel duur en het brengt relatief weinig verandering terecht. Daarom word
er nu gekeken naar wat er op grote groepen individuen gedaan kan worden. Dergelijke interventies
kunnen potentieel zijn. Gezondheidsboodschappen zijn niet populair (logisch), daarom moeten ze
belangrijk worden gemaakt. Ook moeten mensen overtuigd worden dat ze het kunnen.

7.2 Het gebruik van massamedia
Het meest gebruikte is waarschijnlijk het opzetten en uitvoeren van campagnes. Wat overtuigend is
voor de ene, is dat helaas voor de andere niet. Als je iemand ziet met een aandoening, doet dat meer
dan een normaal iemand of zelfs een deskundige. Dit heeft wss als oorzaak dat het zien van de
gevolgen van een aandoening niet alleen cognitief maar ook emotioneel verwerkt worden (denk aan
het ELM-model). Toch worden mediacampagnes vaak toegepast, dit maximaliseert de effectiviteit:
- Het afstemmen van de communicatie
- Het gebruik van angstberichten
- Doelgericht maken van interventies en vergroten van exposure
- Het aanbieden van nieuw gedrag en nieuwe info
- Gebruik maken van rolmodellen

7.2.1 Het afstemmen van de communicatie en het vergroten van de blootstelling aan de boodschap
(exposure)
Volgens het ELM zijn mensen meer geneigd om info centraal te verwerken (evalueren, conclusies
trekken en beoordelen) als ze gemotiveerd zijn een argument te ontvangen wanneer:
- De info congruent is met hun bestaande opvattingen
- De info voor hen van persoonlijk belang is
- Ontvangers de intellectuele capaciteit hebben de inhoud te begrijpen
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Mensen die niet via de centrale, bewuste route denken, verwerken via de perifere route. Mensen die
niet genteresseerd zijn in de kwestie van mediacampagne, moeten via deze route bereikt worden.
Dit zal plaatsvinden wanneer individuen:
- Niet openstaan voor een argument
- Een geringe betrokkenheid hebben bij probleem
- Incongruente opvattingen hebben
Het beste is om deze routes te combineren. Campagnes moeten daarom getest worden hoe ze
aanslaan. Wat een probleem is bij het ELM en andere attitude-handeling-theorien is dat attitudes
niet altijd in handelingen worden omgezet, omdat het ook door vele andere factoren word
benvloed.

7.2.2 Gebruikmaken van angst en een agressieve boodschap
Hier moet wel mee opgepast worden want een hoge mate van bedreiging word relatief ineffectief
gezien bij het teweegbrengen van verandering. De meest overtuigende informatie:
- Wekt angst op
- Het gevoel van bedreiging versterkt wanneer er geen verandering word aangebracht
- Het vermogen van het individu van het individu benadrukt om het gevreesde resultaat te
voorkomen

Gezondheidsinfo kan negatief of positief geformuleerd worden. Uiteindelijk kunnen we uit alle
gegevens niet zeggen welk type formulering dat op bepaalde populaties van invloed zou zijn het
beste uit. Hieruit zien we weer dat het getest moet worden.

7.2.3 Afstemmen op het publiek en vergroten van de blootstelling aan de doelgroep (exposure)
Als je een bericht op een gehele bevolking richt moet je het zo algemeen mogelijk maken, daardoor
hebben ze weinig relevantie. Duidelijk is dus dat je het op het publiek moet afstemmen, bv op
geslacht, leeftijd en sociaaleconomische status. Door een specifieke groep te bereiken kun je ook de
blootstelling vergroten.

7.2.4 Gebruikmaken van rolmodellen
7.2.5 Verspreiding van innovaties en aanbieden van nieuw gedrag of nieuwe informatie
Nieuw gedrag aanleren is makkelijker dan oud gedrag afleren. Elk nieuw gedrag blijkt door
verschillende groepen individuen in de maatschappij worden overgenomen;
1. Vernieuwers; hoge status en belangstelling ideen (kleine groep)
2. Mensen die het idee vroeg overnemen; betrekkelijk grotere groep, opinieleiders, dienen als
rolmodel acceptatie van deze groep is belangrijk voor de rest van de groep
3. Vroege meerderheid; nemen snel over, maar hebben niet de macht van de mensen die het
idee overnemen
4. Late meerderheid; nemen de innovatie redelijk snel over, laten innovaties testen door
andere groep
5. Treuzelaars; de laatste groep mensen die en innovatie overnemen (of helemaal niet)

7.3 Omgevingsinvloeden op gezondheidsgedrag
Een omgeving die gezond gedrag stimuleert dient:
- Cues tot gezond handelen te bieden of cues tot ongezond gedrag te verwijderen
- Gezond gedrag mogelijk te maken door de kosten en barrires te minimaliseren die hiermee
gepaard gaan
- De nadelen te verhogen van het gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid

7.3.1 Cues tot handelen
Het onderbreken van de volgorde van gewoontes, waardoor het mogelijk is of men zelfs gedwongen
is over het gedrag na te denken. De waarschuwingen op pakjes sigaretten zijn ook cues en laten ons
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
nadenken over de gevolgen van ongezond gedrag. Helaas kunnen cues ook aanzetten tot ongezond
gedrag.

7.3.2 De kosten van gezond gedrag minimaliseren
Het veiliger maken van de omgeving zodat gezonde activiteiten worden bevorderd, is een probleem
voor ambtenaren van ruimtelijke ordening en voor overheden.

7.3.3 De kosten van ongezond gedrag verhogen
Wanneer ongezond gedrag niet meer aantrekkelijk is door hoge kosten, word er sneller voor gezond
gedrag gekozen. Dit werkt vooral op drank en tabak. Vooral op jonge mensen heeft het effect, dit
moet afgewogen worden tegen pogingen om deze kosten te omzeilen. Soms is het juist verkeerd, en
ontstaat er bv meer misdaad. Ook kan het aantal huisstokerijen toenemen. Door het antirookbeleid
zijn er minder mensen gaan roken, ook werden rokers ineens een minderheid ipv de norm.
Restaurants en cafs zijn bang dat de winst daalt.

7.3.4 Programmas voor gezondheidsbevordering
Hoe worden deze benaderingen toegepast op doelgroepen:

7.3.5 Aandoeningen van de kransvaten aanpakken
Er werden 3 interventieniveaus gebruikt (motivatie, hoe te veranderen, vol houden van gedrag).
Helaas ontbrak er een succes en dit werd bij veel grote interventies hierna herhaald. Het word steeds
moeilijker om nog iets aan de bestaande informatie toe te voegen en daarmee het risico op
aandoeningen van de kransvaten significant te verkleinen. Er zijn veel factoren waardoor een
campagne niet aanslaat (mensen slaan info niet op enz.)

7.3.6 Het risico op hiv-infectie verminderen
In vergelijking met interventies die gericht zijn op het verminderen van de aandoeningen van de
kransvaten, heeft deze interventie iets meer succes gehad. Deze positieve resultaten zijn verkregen
door peer-voorlichting. Door mensen in te zetten die bekend zijn en worden gerespecteerd, krijgt
een boodschap meer betekenis. Waarom interventies mbt dit gebied beter aan zijn geslagen dan bij
kransvaten, is niet duidelijk. Misschien komt het door de peers (groepsgenoten) of het feit dat de
gevolgen van kransvaten op langere termijn zijn en je het nu dus kunt bagatelliseren. De risicos van
onbeschermde seks zijn veel opvallender. Er zijn uit verschillende onderzoeken dit naar voren
gekomen;
- Het promoten van veilige seks alleen is niet voldoende er moet ook uitgelegd worden over
de impact van HIV
- De redenen voor onbeschermde anale seks zijn complex, de sociale omgeving speelt een
belangrijke rol
- Het aantal hiv-doden in NL is weer aan het stijgen

7.3.7 Gezondheidsbevordering op het werk
Vaak worden de gezondheidsverzekering door de werkgever betaald; daar hebben de werkgever en
nemer beide baat bij. De werkomgeving een ruime gelegenheid bied voor interventies, word hierbij
gebruikgemaakt van verschillende formats, waarbij sommige heel innovatief zijn. Technieken zijn
onder meer:
- Screenen op risicofactoren voor ziekte (verschilt niet met andere omgevingen)
- Gezondheidsvoorlichting bieden
- Gezonde keuzes bieden, zoals gezond voedsel in kantine
- Rookvrije ruimten instellen
- Sociale ondersteuning benvloeden om een verandering van individueel risicogedrag te
faciliteren
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Ook kan het werk een sociale steun bieden voor mensen die een gedragsverandering willen
aanbrengen. Ook beloning/straf (met geld) is een goed middel om gedragsverandering te
ondersteunen.

7.3.8 Interventies op school
Gedurende het laatste decennium is er een belangrijke ontwikkeling geweest van wat de gezondheid
bevorderende school word genoemd. Deze gezondheidsleer bevat onder andere:
- Het ontwikkelen van beleid voor gedrag op school ivm veiligheid
- Het opzetten van een lichamelijk en sociaal veilige gezonde omgeving
- Het onderwijzen van gezondheidsgerelateerde vaardigheden
- Het bieden van medische diensten binnen school
- Counseling of een psychologieprogramma op school
- Programma voor lichamelijke opvoeding
Benadering: het aanleren van de juiste vaardigheden en het bieden van een omgeving waarin het
toepassen van deze vaardigheden word ondersteund (net als bij de volwassenen dus). Er is nog
weinig onderzoek hierover, omdat het concept vrij nieuw is.

7.3.9 Buitenschoolse activiteiten
Zoals smokebusters waarbij niet-rokers als de norm word beschouwd en rokers als een minderheid.

7.3.10 Voorlichting door leeftijdsgenoten
Peervoorlichting, dit verschilt erg soms geven ze les aan een grote groep en soms weer aan
individuen. Peers kunnen gezondheidsonderwerpen acceptabeler maken voor schoolleerlingen dan
docenten. Helaas kunnen peers ook elkaar op subtiele manieren negatief benvloeden

Deel 2 Ziek worden

Hoofdstuk 8 Ziek zijn: Perceptie en interpretatie van symptomen en reacties daarop
Mensen met meer sociale steun, betekenisgeving en autonomie voelen zich minder vaak ziek, waar
ligt dat aan en geldt dat voor iedereen? Als toekomstig gezondheidspsycholoog of hulpverlener is
het belangrijk inzicht te krijgen in de wijze waarop mensen omgaan met ziekte en welke verschillen
er zijn ten aanzien van het inroepen van medische hulp.

8.1 Waar merken we het aan dat we ziek zijn?
Ziekte veroorzaakt veranderingen van de lichamelijke- of geestelijke signalen en functies die iemand
zelf kan waarnemen of waar de betrokkene mogelijk door andere op word gewezen. Terwijl sommige
ziekten zichtbare symptomen hebben, hebben sommige dat niet; die hebben weer een algehele
subjectief waargenomen lichamelijke en geestelijke reacties (bv misselijkheid, vermoeidheid en pijn).
Veel mensen hebben deze symptomen, maar er is een groot verschil in aandacht eraan te besteden.
Mening van mensen over gezondheid hangt af van gevoel van welzijn, eerdere ervaring met ziekte en
door hun inzicht in medische kennis (h1). Ziekte kan mensen op fundamenteel niveau voor
problemen zorgen.

8.1.1 Kwaal of ziekte?
Kwaal; de ervaring van zich niet helemaal lekker voelen, wat de betrokkene ervaart. Ziekte; afwijking
van de functie van organen, cellen of weefsels (diagnose). Daarnaast hebben veel ziekten een
psychologische achtergrond. Door het geven van medicijnen/behandeling markeren artsen daarom
de binnenkomst van iemand in de gezondheidszorg. Hoe weet je dat je ziek bent?:
- Waarnemen van symptomen
- Symptomen als ziekte interpreteren
- Actie plannen en ondernemen
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

8.1.2 Symptomen waarnemen
De meeste symptomen zijn kortstondig en over zijn voordat we er erg in hebben. Ook weten we zelf
niet of de symptomen wel of niet op een ziekte wijzen. Er zijn verschillende modellen over
symptoomperceptie;
1. Attentionele model (Pennebaker) concurrentie tussen prikkels word aan de orde gesteld,
deze stelt ook dat dezelfde prikkel in bepaalde context niet word opgemerkt en in een
andere wel
2. Cognitief-perceptuele model (Cioffi) concentreert zich meer op de interpretaties van
lichamelijke signalen en de attributie daarvan als een symptoom, ook hier word de rol van
selectieve aandacht erkend.
Ook word er vaak onderscheid gemaakt tussen top-down invloeden (onder invloed staan van
attentionele processen/stemming) en bottom-up (onder invloed staan van fysieke eigenschappen
van een lichamelijk signaal)

8.1.3 Kenmerken van lichamelijke signalen die de kans op symptoompercepties verhogen
Symptomen zijn meestal het gevolg van fysiologische of psychologische veranderingen met
lichamelijke eigenschappen, maar de betrokkene zal er slechts enkele ontdekken. Verschijnselen die
de aandacht krijgen zijn;
- Pijnlijke, verstorende processen en/of zwelling en functie-uitval: als dingen uitvallen (bv
gezichtsuitval)
- Nieuwe verschijnsel: word vaak als teken van iets zeldzaams en ernstigs beschouwd. (juist als
je al in een rotstemming bent)
- Hardnekkigheid: Als het langer aanhoud word het vaker als een symptoom gezien
- Reeds aanwezige chronische ziekte: als mensen al een ziekte hebben, worden de gemelde
symptomen groter
Symptomen alleen zijn onbetrouwbare indicatoren voor de noodzaak tot medische hulp.

8.1.4 Attentionele toestand en symptoomperceptie
Mensen hebben een beperkt vermogen tot concentratie, zodat interne en externe stimuli om
aandacht moeten concurreren. Een hoge mate van aandacht verhoogd de gevoeligheid voor nieuwe
of andere lichamelijke signalen. Dit is vaak onterecht. Als er in de media veel over gesproken word
kan dit leiden tot een zogenoemde massale psychogene ziekte.

8.1.6 Individuele verschillen die van invloed zijn op symptoomperceptie
De motivatie om aandacht te besteden aan een symptoom hangt af van de context. Wat betreft
verdragen of uiten hangt het ook veel van de situatie af (bv thuis en schoolomgeving). Verschillen:
- Sekse; mannen zijn zo gesocialiseerd dat ze niet horen te klagen en daarom gaan ze ook veel
minder naar de dokter. Er is dus echt een seksesocialisatie hoe mannen en vrouwen word
toegestaan om op hun lichamelijke signalen te reageren.
- Emoties en welzijn; Gebleken is als mensen positief gestemd zijn, ze zichzelf gezonder
beoordelen. Door een negatieve emotionele toestand kan de symptoomperceptie
toenemen. Er zijn ook mensen met een negatieve affectiviteit; neiging tot een hardnekkig
negatieve stemming. Neuroten en mensen met NA maken eerder melding van ernstige
symptomen. Ook angst is van invloed op stemming en symptoomperceptie.
- Cognities en stijl van coping; mensen die hun werk ontzettend goed willen doen hebben
minder last van symptomen, dit komt waarschijnlijk omdat ze zich sterk concentreren op het
werk. Doordat ze de controle willen hebben, gaan ze bij een sterke aanwezigheid van ziekte
wel meteen langs. Ook mensen die verdringen voelen minder vaak symptomen.

8.1.7 Invloeden van de levensloop op symptoomperceptie
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Het lijkt erop dat oudere mensen de waargenomen symptomen anders gaan interpreteren en hier
anders op reageren. Kinderen kijken natuurlijk weer heel anders tegen ziekte aan (vaak lastig door
taal).

8.2 Ziekteperceptie
Als een symptoom is waargenomen, beschouwen mensen dit vaak niet als een afzonderlijk gegeven
maar combineren ze het meteen met andere aspecten van hun ervaring en met hun bredere
concepten van ziekte.

8.2.1 Ziekterepresentaties (IR) en het gezond-verstand-model van ziekte
Ziekterepresentaties (IR) zijn georganiseerde concepties van afzonderlijke ziekten die afkomstig zijn
van de media, persoonlijke ervaring en vrienden en familie. Deze hebben invloed op de coping en
kunnen gedetailleerd of onnauwkeurig zijn. Een bekend ziektemodel is het zelfregulatiemodel van
ziekte en ziektegedrag; ziekte is volgens dit model een eigen impliciete gezondverstandovertuiging
van de patint zelf omtrent de ziekte. Dit model zegt ook dat je copingreacties moet uittesten.
Ziekterepresentaties ontstaan zodra iemand een symptoom ervaart of een diagnostisch etiket
ontvangt. Er zijn 5 consistente themas ontdekt in de inhoud van de gemelde ziekterepresentaties:
1. Identiteit; variabelen waarmee de aan- of afwezigheid van de ziekte kan worden
gedentificeerd
2. Gevolgen; het vermeende effect van de ziekte op het leven (kort, lang, emotioneel,
lichamelijk)
3. Oorzaak; de vermeende oorzaak(en) van de ziekte (biologisch, emotioneel, psychologisch,
genetisch of omgeving, gevolg eigen gedrag)
4. Tijdsduur; de verwachte tijdsduur voor de ontwikkeling en de duur van ziekte (acuut of
episodisch)
5. Geneesbaarheid of beheersbaarheid; hoe de ziekte/symptomen tegen te gaan
Deze dimensies zijn gentrigeerd in een vragenlijst. Er zijn onderlinge relaties tussen de dimensies.

8.3 Symptoominterpretatie
Een symptoom is niet allen een medische classificatie van ziekten. Symptomen gaan niet altijd aan
ziekte vooraf, soms is een symptoom dat de betrokkene zelf of anderen mensen waar nemen, een
ogenschijnlijke indicatie van ziekte en soms behoren ze bij het aannemen van het gedrag van de
ziekte.

8.3.1 Culturele invloeden op symptoominterpretatie
Sommige culturen geloven in bovennatuurlijke oorzaken van ziekte. Deze aannames zijn van invloed
op de copingreacties (verschilt per cultuur). Denk ook weer aan collectivistisch of individueel. Er
bestaan dus culturele verschillen in het gebruik van gezondheidszorg maar ook ten aanzien van de
mate waarin mensen op lichamelijke ziekte reageren. Er word gesteld dat dergelijke culturele
variaties tijdens de socialisatie worden aangeleerd. Pijnperceptie en expressie verschillen en hebben
een sociale functie met betrekking tot invloed op de behandelingsverwachting en zelfs wat betreft de
reactie van anderen.

8.3.2 individuele invloeden en symptoominterpretatie
Er zijn individuele verschillen ten aanzien van de wijze waarop symptomen worden genterpreteerd
en verschillen in waargenomen autonomie bij mensen. Sommige symptomen zijn gewoon het gevolg
van een ziekte die heerst geeft aan dat we er soms te laconiek over zijn. Een eigen interpretatie aan
de ziekte geven is ziekteprototype. Deze prototypen helpen bij het organiseren en beoordelen van
informatie over lichamelijke signalen die ander mogelijk niet interpreteerbaar zijn. De herkenning
van symptomen kan dus belemmerd worden door deze prototypen en verwachtingen van hoe een
ziekte zal zijn.
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
De zelforganisatietheorie legt de nadruk op de sociale identiteit (student/partner/dochter). Dit zegt
dat symptomen op verschillende manieren word genterpreteerd afhankelijk van je sociale identiteit.
Ook attributies van oorzaken laat zien dat mensen verschillend op ziekte reageren. Dit is ook van
invloed op de wijze waarop iemand op de eigen ziekte reageert. Naast deze invloeden is er ook nog
een invloed van leeftijd. Jonge kinderen hebben bv een ander ziektegedrag doordat ze in een ander
ontwikkelingsfase zitten en omdat ze nog niet zoveel levenservaring hebben.

8.4 planning en actie ondernemen: op symptomen reageren
De 1
e
stap in de richting van het inroepen van medische hulp begint als de betrokkene erkent dat
deze symptomen van een ziekte heeft en het kan enige tijd duren voordat deze stap wordt gezet.
Veel mensen gaan niet graag naar een arts onmiddellijk nadat ze een symptoom hebben ontdekt en
vragen eerst advies van een lekenverwijzingssysteem (vrienden, familie, collegas). Zodra ze er wel
een etiket opplakken hebben ze de volgende keuzen:
- De symptomen negeren en hopen dat ze overgaan
- Advies van anderen vragen
- Medische hulp inroepen
Zelfs bij ernstige symptomen kan onze reactie uit enig uitstel bestaan, waarbij word gekeken of we
de situatie door zelfzorg word verbeterd.

8.4.1 Uitstelgedrag
Dit is eigen uitstel en niet uitstel door bv wachtlijsten. Safer en Jackson ontwikkelden een model
voor uitstelgedrag, zodra deze fasen zijn doorlopen word er pas aan behandeling gedaan;
1. Ben ik ziek? Nee, tijd die verstrijkt totdat de symptomen als een teken van ziekte worden
genterpreteerd. BEOORDELINGSUITSTEL. Zo ja, volgende stap.
2. Heb ik professionele hulp nodig? Nee, tijd die verstrijkt tussen het erkennen dat iemand ziek
is en besluit medische hulp in te roepen. ZIEKTE-UITSTEL. Zo ja, volgende stap.
3. Is de zorg de kosten waard? Nee, tijd die verstrijkt tussen de beslissing medische hulp te
zoeken en deze daadwerkelijk te verkrijgen. HANDELINGSUITSTEL. Zo ja, volgende stap.
4. Hulp inroepen
De duur van elke stap verschilt waarschijnlijk per ziekte.
Waarom stellen mensen het zoeken van hulp uit?
- Sociale klasse en opleidingsniveau (hoe lager, hoe meer uitstel) financile redenen
- Leeftijd
- Geslacht (mannen vaker dan vrouwen)
- Onbekend zijn met de betekenis van symptomen, gewend raken eraan
- Zich onkwetsbaar voelen
- Dissonantiereductie
- Angst (!)
Symptomen die zichtbaar, pijnlijk, belemmerend, frequent en hardnekkig zijn leiden meestal tot
actie. De effecten zijn ook belangrijk. Bv als de omgeving in gevaar is. Ook de plaats is belangrijk,
sommige delen van het lichaam worden gemakkelijker besproken dan anderen. Ziekten die veel
voorkomen worden meestal minder ernstig beschouwd. Ziektewinst betekend dat je na de diagnose
in de rol van ziekte te vluchten. Het gevolg is vaak dat adviezen niet worden opgevolgd.
Uitstelgedrag:
Sommige mensen willen de diagnose niet horen wegens sociaal gedrag (werk, feestjes,
financieel enz.) Dit zijn financile redenen van uitstel.
Er zijn ook culturele invloeden op uitstelgedrag, veel mensen met een traditionele culturele
stellen uit omdat die sneller geneeswijzen inschakelen en niet medische hulp.
Jongeren en ouderen maken meer gebruik van de gezondheidszorg dan andere
leeftijdsgroepen. Ouderen hebben de behoefte om onzekerheid weg te nemen. Bij kinderen
word het vaak door de ouders ingeroepen, alhoewel dit wel veranderd in de puberteit.
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Vrouwen maken eerder gebruik van gezondheidszorg dan mannen. Elke verklaring hiervoor
heeft meerdere facetten. Waarschijnlijk komt het doordat de twee geslachten een
verschillende betekenis toekennen aan gezond. Ook word er gesuggereerd dat vrouwen
meer kennis hebben over ziekten, grotere bereidheid hebben implicaties van symptomen
onder ogen te zien en zich meer zorgen maken over hun gezondheid. Ook het ouderschap
heeft een rol (uitstellen van diagnose zodat de ouderlijke rol niet kan worden verstoord)
Veel mensen ondernemen echter alleen actie wanneer ze daartoe tot anderen worden
aangezet. Het kan nuttig zijn om anderen over je symptomen te praten. Hiermee ontdek je
bv de familiegeschiedenis ziektes.
Ook de kennis over behandelingen verteld ons iets over het wel of niet uitstellen van
medische gezondheid.
Emotie zelf is onvoldoende om te voorspellen of mensen zelf medische hulp in zullen roepen
(bv angst).
Een eigen herkenbaarheid van een aandoening kan ook een rol spelen bij het zoeken van
hulp. Een paar psychiatrische aandoeningen word bijvoorbeeld onderverdeeld in egodystone
(er zelf last van ondervinden) en egosyntone (zelf geen last van ondervinden, maar omgeving
vaak wel).

Hoofdstuk 9 Het consult en daarna
In dit hoofdstuk worden de factoren besproken die bijdragen aan de kwaliteit van het consult bij
een arts. Het proces, de zaken die bepalen of een consult goed of fout is geweest en de
communicatie zijn hierbij belangrijk. Wat draagt ertoe bij dat patinten zich gaan houden aan de
medische voorschriften die tijdens het consult zijn geboden?

9.1 Het consult
9.1.1 De aard van de ontmoeting
Het consult is een belangrijke periode om informatie te verkrijgen voor het nemen van beslissingen
over diagnose en behandeling. Dit zijn de belangrijkste doelstellingen van het consult:
- Het opbouwen van een goede relatie tussen zorgverlener en patint
- Het uitwisselen van relevante informatie
- Het nemen van relevante beslissingen
Een gemiddeld consult kent 5 fasen:
1 De arts legt een relatie met de patint
2 De arts probeert te achterhalen wat de reden is van het consult
3 De arts onderzoekt de patint via een gesprek, een lichamelijk onderzoek of beide
4 De arts, of arts en patint, of de patint (in volgorde van wss) bespreekt of bespreken de
aandoening
5 De arts (en soms de patint) bespreekt verdere behandeling of het vervolgonderzoek
We zullen later zien dat de inhoud van elk van deze fasen aanzienlijk kan veranderen.
Er zijn een paar dimensies gedentificeerd die belangrijk worden beschouwd voor een effectief
medisch consult:
De arts of zorgverlener is goed op de hoogte van medisch onderzoek en is in staat deze aan
de patint over te brengen
Het leggen van een goede relatie met de patint
Het vaststellen van de aard van het medische probleem van de patint
Begrijpen in welke mate de patint inzicht heeft in het probleem en in de gevolgen ervan
Het betrekken van de patint bij een besluitvormingsproces; niet zomaar behandeling kiezen
maar overleggen
Het indelen van de tijd, zodat wezenlijke belangstelling voor de patint in het gesprek tot zijn
recht komt

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
9.1.2 Wie heeft de macht?
Zowel arts als patint kunnen bijdragen aan het communicatie en besluitvormingsproces. De arts
heeft meestal meer controle dan de patint. Patinten durven vaak geen vraagtekens te zetten bij
besluiten van de arts.
Kenmerken van de benadering waarbij de zorgverlener centraal staat, zijn onder meer:
- De zorgverlening houd de leiding over het gesprek
- De zorgverlener stelt vragen om info te verkrijgen
- De zorgverlener neemt de beslissing
- De patint accepteert deze beslissing passief
Kenmerken van de benadering waarbij de patint centraal staat, zijn onder meer:
- De zorgverlener identificeert e bedoelingen van de patint en houd hier rekening mee,
evenals met zijn eigen bedoelingen
- De zorgverlener luistert actief naar de patint en reageert op juiste wijze
- De communicatie word gekenmerkt doordat de zorgverlener de patint tot betrokkenheid
aanzet
- De patint neemt actief aan het proces deel
Geleidelijk aan verschuift het naar de tweede benadering, gezamenlijke besluitvorming. De meeste
mensen zijn hier het meest tevreden mee. De belangrijkste kenmerken van gezamenlijke
besluitvorming zijn dus:
Bij een gedeelde beslissing zijn ten minste twee (vaak meer) deelnemers betrokken
Beide partijen ondernemen stappen om in het proces van besluitvorming over de
behandeling te participeren
Het delen van info is een vereiste voor een gezamenlijke besluitvorming
Een beslissing over de behandeling wordt genomen en beide partijen stemmen met de
beslissing in
Het is onduidelijk waarom bij ernstige ziekten minder mensen bij de besluitvorming over de
behandeling willen worden betrekken (laten het over aan arts). Waarschijnlijk omdat ze willen de
kans willen vergroten dat de juiste beslissing word gemaakt en ten tweede is het mogelijk vermijden
van het risico op spijt en schuldgevoel op de lange termijn, indien zou blijken dat ze de onjuiste
behandeling hadden gekozen. Een ander probleem is dat artsen niet altijd zo open zouden zijn tegen
patinten en hun onzekerheid verbergen om de patinten wel als klant te houden. Er is sprake van
een gezamenlijke besluitvorming als die uit de volgende stappen bestaat:
1. De ideen van de patinten onderzoeken over de aard van het probleem en mogelijke
behandelingen
2. Vaststellen hoeveel info de patint zou willen hebben en info op deze behoeften afstemmen
3. Nagaan of de patint inzicht heeft in ideen, angsten en verwachtingen over potentile
behandelingen
4. Informeren naar de besluitvormingsvoorkeur van de patint en diens geprefereerde modus
overnemen
5. Beslissingen nemen, bespreken of uitstellen
6. Vervolgafspraak maken
Vaak zorgt dit voor een hogere tevredenheid bij patint, een groter vertrouwen in de arts en
verbetering van de zelfzorg en het welzijn.

9.2 Factoren die van invloed zijn op het verloop van het consult
9.2.1 Factoren met betrekking tot zorgverleners
Op het gedrag van zorgverleners kunnen veel factoren van invloed zijn. Dit zijn dingen zoals het type
gesprek, de patint (wel of niet aardig), doelstellingen zorgverlener/patint. Door dit laatste word er
soms 'langs elkaar heen gepraat. Mensen zijn tevredener over de arts wanneer zijn
communicatiestijl; of de arts inzicht probeert te krijgen standpunt patint, of hij kundig is, de
kwaliteit van het persoonlijke contact met de arts. Artsen met slechtere communicatievaardigheden
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
bleken zich minder bewust of de patint wel of niet tevreden is. (subtiele verschillen in vaardigheden
en persoonlijke eigenschappen) andere factoren:

9.2.2 Het type zorgverlener
De stijl van interactie verschilt op zichzelf al. Het schijnt dat artsen het moeilijker vinden om
emotioneel betrokken te zijn dan verpleegsters. Daarom zijn verpleegsters vaker psychosociaal
betrokken bij patinten.

9.2.3 Sekse van de zorgverlener
Patinten spreken meer met vrouwelijke artsen, ook meer persoonlijke info en meer positievere
beweringen. Dit kan ook liggen aan de vrouwelijke arts zelf, die ook meer vraagt en actievere
pogingen doen tot betere relatie. Beide factoren leiden tot een grotere openheid dan anders het
geval zou zijn.

9.2.4 De wijze waarop informatie word gegeven
Of info negatief of positief word gebracht heeft ook invloed. Des te positiever, des te meer riskante
oplossingen werden genomen.

9.2.5 De bijdrage van patinten
Een hoge mate van angst en onzekerheid, een gebrek aan bekendheid met besproken info leid tot
een minimaal betrokkenheid bij het gesprek.

9.2.6 Slecht nieuws brengen
Een type consult wat veel aandacht heeft gekregen is het slechtnieuwsgesprek. Deze zijn voor beiden
partijen lastig. Volgens de huidige mening hebben patinten het recht om hun prognose te weten
(vroeger kreeg alleen fam het te horen). Protocol slechtnieuwsgesprek:
1 Geef het slechte nieuws zelf, onder 4 ogen, met genoeg tijd en zonder onderbrekingen
2 Stel vast wat de patint over zijn diagnose weet
3 Stel vast wat de patint wil weten
4 Deel de informatie; begin met een waarschuwingsschot en geef dan een kleine hoeveelheid info in
eenvoudige taal in een tempo dat de patint aankan.
5 Reageer op de gevoelens van de patint, en erken en heb begrip voor zijn emotionele reactie op
het nieuws.
6Planning en nazorg: bestaat uit het plannen van de volgende stappen; vat samen wat er gezegd is,
identificeer bronnen van steun en maak een vervolgafspraak binnen korte tijd na dit onderhoud.

Het betrokken zijn van de arts is belangrijker dan de info die word gegeven. Het is noodzakelijk om
training te geven in slechtnieuwsgesprekken geven. Het is natuurlijk wel zwaar voor beiden partijen.
Ook artsen hebben veel stress.

9.3 Overgang naar de periode na het consult
Overgang naar de periode na het consult; bekeken van het gedeelte rond de zorgverlener en rond de
patint:

9.3.1 Medische besluitvorming
Medische beslissingen kunnen door zaken buiten het consult worden benvloed, ze kunnen worden
vertekend door de verwachtingen van de zorgverlener over de patint en doordat in korte tijd een
beslissing genomen moet worden, vaak zonder dat alle info beschikbaar is. Sommige artsen nemen
ook alleen patinten aan die zelf bereid zijn een actieve rol te vervullen. Een belangrijk terrein van de
medische besluitvorming heeft betrekking op het diagnosticeren van de ziekte waaraan de patint
lijdt. Zonder een accurate diagnose zal de patint geen juiste prognose krijgen. Een aantal manieren
hoe artsen tot een diagnose komen:
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Hypothese toetsen; Hierbij word een logische volgorde gevolgd van het opstellen en toetsen
van hypothesen over de aard van de diagnose (hypothesen worden getest, vervangen en
getoetst) goed bij lastige beslissingen
Patroonherkenning; patronen van symptomen vergelijken met ziekteprototypen.
Herzien van mening (of heuristiek van vertekening); hierbij worden beslissingen genomen op
basis van gedeeltelijke aanwijzingen als gevolg van het gebruik van vuistregels (minst
betrouwbaar)
Soms is een verkeerde diagnose onvermijdelijk, omdat er vaak snel moet worden besloten zonder
veel info. Dan zijn artsen gedwongen om een kortere weg te nemen (omdat we weinig kunnen
onthouden), een vuistregel of heuristiek. Vuistregels voor de geneeskunde zijn mogelijk snel en
sober. Daarom kosten heuristieken minder cognitieve belasting. Een belangrijk probleem bij het
gebruik van vuistregels is dat hierdoor het overdenken van alle diagnostische mogelijkheden word
beperkt en dat deze door een aantal factoren worden vertekend:
Beschikbaarheid; ziektes die veel media-aandacht krijgen, komen vaker voor Deze kan dan
ten onrechte vastgesteld worden
Representativiteit; een groep symptomen met een prototypische verzameling symptomen en
met 1 of 2 aandoeningen word vergeleken. Hierbij word geen rekening gehouden met de
mogelijkheid dat beide aandoeningen aanwezig zijn.
De potentiele winst van verschillende diagnosen; als een diagnose onduidelijk is, kan de
toegewezen diagnose die met de minste lasten en de grootste voordelen voor de betrokkene
zijn.
Er zijn een paar factoren die een onjuiste toepassing van vuistregels vergroten:
- Stressoren van de arts; waaronder haastig of afgeleid
- Factoren van het zorgverleningsproces; met inbegrip van een vroegtijdige beindiging van
het diagnostisch proces
- Patintenfactoren; met inbegrip van misleidende normale bevindingen
- Artsenfactoren; met in begrip van een gebrek aan kennis

9.3.2 Het opvolgen van medisch advies
Voor een effectieve behandeling van vele lichamelijke aandoeningen is het nodig dat de patint een
actieve rol op zich neemt in het behandelingsprogramma. De meest voorkomende eis is het innemen
van de medicijnen. Dit is niet altijd eenvoudig. Soms veroorzaken de medicijnen meer symptomen
dan deze lijkt te voorkomen, zodat het middel erger lijkt dan de kwaal. Gezien het belang van het
adequaat innemen van deze geneesmiddelen, vraagt men zich af waarom patinten zich niet aan het
voorschrift houden. Vaak is het zo dat mensen het vergeten of dat het te ingewikkeld is. Andere
redenen verdienen mogelijk meer aandacht. Namelijk; veel mensen hebben van nature bedenkingen
tegen het innemen van geneesmiddelen. En (andere factoren voor therapietrouw):
- Sociale factoren waaronder laag opleidingsniveau, werkeloosheid
- Psychologische factoren waaronder een hoog niveau van angst en depressie, emotioneel
gerichte copingsstrategien
- Behandelingsfactoren waaronder misverstanden over de behandeling, complexiteit van de
behandeling, grote aantallen bijwerkingen, slechte relatie patint en arts
Het benadrukken van de rol van de patint kan met opdrachten/huiswerkoefeningen, goed overleg
met patint van effecten korte en lange termijn. Een slechte gezinsdynamiek word ook met
therapietrouw in verband gebracht. Een ander verklaring is ontkenning van ziekte of de verwachting
deze zonder medische interventie zal genezen. Ziekten die als onbeduidend worden beschouwd en
waarvan word gedacht dat ze kort duren en vanzelf genezen, kunnen ertoe leiden dat minder gebruik
word gemaakt van een actieve behandeling dan het geval is bij aandoeningen die als chronisch
worden beschouwd en waarvan wordt gedacht dat ze door behandeling kunnen worden verbeterd.
Vaak maken mensen dus een evaluatie van voor en nadelen.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
9.3.3 Het verbeteren van de therapietrouw
- Een regime van medicatie opstellen waarover de patint volledig is genformeerd. Hierdoor wordt
de therapietrouw (mogelijk) verhoogd:
1. Tevredenheid over het behandelingsprogramma maximaliseren
Er zijn al meerdere tevredenheid-factoren genoemd dit hoofdstuk. Maar ook voldoende tijd voor het
consult, dezelfde zorgverlener en een goede toegankelijkheid van zorgverlener.
2Inzicht in de aandoening en de behandeling ervan maximaliseren
Veel mensen verlaten een consult zonder de info die ze willen. Soms heeft de patint geen
gelegenheid om vragen te stellen, of durft hij/zij dat niet. Effectiviteit van het consult te
maximaliseren:
- Bedenk van te voren wat u tegen de zorgverlener over u probleem wilt zeggen
- herhaal in uw eigen woorden wat de arts zegt
- Maak aantekeningen over wat er aan de hand is en wat u moet doen
- Vraag om eenvoudige definities als u een woord niet kent
- Wees eerlijk tegen de arts als sommige aspecten onaangenaam zijn van het gesprek
- Bespreek alle factoren waardoor symptomen worden verlicht of verergerd
3. Onthouden van de gegeven info maximaliseren
Info dat word gegeven, word verbazingwekkend slecht onthouden. Hoe onthoud je het wel beter?
Als de info gestructureerd word gegeven (ik ga u nu drie dingen vertellen;), als de belangrijkste info
vroeg word gegeven (primacy), herhaling van aspecten, samen vatten. Let ook op het type taal.
Daarnaast is het ook slim om schriftelijke info mee te geven. Dit moet net zo duidelijk zijn als de
mondelinge info.

Na het consult:
Mensen moeten gemotiveerd blijven en hun medicatie innemen. De meeste effectieve interventies
zijn complex en bevatten combinaties van de volgende aspecten;
- Gemakkelijk schema voor het innemen van het geneesmiddel
- Relevante info
- Geheugensteuntjes voor innemen medicijnen
- Zelf toezicht houden
- Beloning voor innemen juiste medicijnen
- Gezinstherapie

Ten slotte moet aandacht besteed worden aan de toepassing van strategien om de naleving van
zorgverleners aan professionele zaken te verhogen, waaronder het gebruik van gestandaardiseerde
medische behandelingsprotocollen. Evenals bij sommige patinten kan het gedrag van zorgverleners
moeilijk te benvloeden blijken.

Hoofdstuk 10 Stress, gezondheid en ziekte: theorie
De drie belangrijkste manieren waarop iemand stress ervaart worden besproken; namelijk als
interactie tussen de stresserende prikkel en de wijze waarop de prikkel wordt beoordeeld met een
biologische en fysiologische reactie tot gevolg. De invloed van deze reacties op onze gezondheid
worden besproken.

10.1 Concepten van stress
10.1.1 Stress als stimulans
Wanneer stress als stimulus word gezien, concentreren onderzoekers zich op de stressvolle
gebeurtenis zelf en op de externe omgeving. Dus ze schrijven de stress toe aan gebeurtenis (bv
huwelijk). De nabijheid (volgende week of volgende week) is daarbij ook belangrijk. Onderzoekers
hebben uiteenlopende stressoren bestudeerd, waaronder catastrofale gebeurtenissen (zoals
aardbeving, overstroming) en vaker belangrijke levensgebeurtenissen (zoals werkeloos worden, een
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
nieuwe baan, trouwen, een kind). Deze kunnen dus positief als negatief zijn en vraagt om een
aanpassing.
Theorie levensgebeurtenissen (life events) Holmes en Rahe:
Holmes en Rahe zeiden dat levensgebeurtenissen niet op zichzelf staande gevolgen hebben, maar
ook cumulatieve effecten; hoe meer levensgebeurtenissen iemand heeft meegemaakt, hoe meer
problemen er in de lichamelijke gezondheid kunnen ontstaan. Ook kunnen specifieke typen
gebeurtenissen elkaar nadelig benvloeden. Holmes en Rahe hebben een sociale
heraanpassingsschaal gemaakt. Dit is intensiteit en de tijdsduur die nodig is om zich aan een
levensgebeurtenis aan te passen, ongeacht de wenselijkheid van een gebeurtenis. In vergelijking met
ander onderzoek kan de hypothese worden ondersteund dat een levensverandering een
verslechtering van de gezondheid kan veroorzaken. Gebeurtenissen die meestal het meeste indruk
achterlaten; overlijden van partner, echtscheiding, overlijden nabij familielid, persoonlijke ziekte,
huwelijk.
- Beperkingen:
Mensen die al ziek zijn, tonen aan dat er een zwakke relatie is tussen levensgebeurtenissen en de
ziekte. Ook komen gebeurtenissen niet op elke leeftijd voor (echtscheiding), of kunnen
gebeurtenissen vervlochten worden. Ook een belangrijke beperking is dat ze ervan uit gaan dat
iedereen op dezelfde manier met de gebeurtenissen om zal gaan, dit is natuurlijk niet zo. Voor de
ene is een echtscheiding positief, voor de ander juist zeer negatief. De benadering van stress via
levensgebeurtenissen vormt dus geen systematische aanpak van de vele factoren (intern en extern)
waardoor de relatie tussen stressvolle gebeurtenissen en ziekten mogelijk worden gemodereerd.
- Dagelijkse beslommeringen:
Behalve op grote levensgebeurtenissen, is bij onderzoek nadruk gelegd op de stresssvolle aard van
dagelijkse ergernissen (frustrerende, irritante, beangstigende eisen die in enige mate kenmerkend
zijn voor dagelijkse interactie met de omgeving). Hieronder valt bv niet genoeg geld hebben voor
nieuwe kleding, dingen verliezen, dwaze praktische vergissingen maken of ruzie met een partner. Als
deze frequenter op gaan treden, heeft dit een invloed. Na onderzoek blijkt weer dat rekening
gehouden moet worden met de individuele variatie in reacties op gebeurtenissen, hun gezondheid
kan dus op verschillende wijzen worden benvloed.

10.1.2 Stress als interactie
Psychologische theorien over stress; dat de beoordeling centraal staat bij de vraag of een
gebeurtenis al dan niet als stressor word beleefd. Belangrijk is de inbreng van Lazurus.
Cognitieve, transactionele stressmodel Lazarus
Beoordelingsprocessen vormden een compensatie voor de stressreactie. Volgens hem is stresss een
gevolg van een interactie tussen iemands eigenschappen en beoordeling, de externe of interne
gebeurtenis en de interne of externe hulpmiddelen waarover iemand beschikt. (motivationeel en
cognitief is belangrijkst). Mensen beginnen met een beoordeling:
1. Primaire beoordelingsprocessen; overdenkt iemand de kwaliteit en de aard van de stimulus
Typen mogelijke stressoren:
1) Stressoren die schade berokkenen (verlies of mislukking)
2) Stressoren die een bedreiging vormen (verwachting van toekomstige schade)
3) Stressoren die een uitdaging vormen (kans op groei of waarvan de betrokkene
vertrouwen heeft dat hij ermee om kan gaan)
Bij mogelijke stressoren kunnen ook fysiologische reacties ontstaan, zoals we verderop zullen
zien.
2. Secundaire beoordelingsprocessen; tegelijkertijd met het uitvoeren van een primaire
beoordeling word begonnen met een secundaire beoordelingsproces. Hierbij worden de
hulpmiddelen (intern zoals kracht of extern zoals geld) en het vermogen om met de stressor
om te gaan beoordeeld (vermogen tot coping). Let op; stress is een dynamisch proces(!)
- Ontwikkelingen in het model van Lazarus;
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Lazarus nam in zijn primaire beoordeling een beoordeling van egobetrokkenheid op, waarbij
beoordelingen van de bedreiging van het zelfgevoel of van de sociale waardering woede zou
opwekken; gebeurtenissen waarbij iemands morele codes worden geschonden, in schuldgevoel
zouden resulteren. Eerst werd vaak over het hoofd gezien dat een beoordeling aan emoties is
gerelateerd, maar het is logisch als een gebeurtenis bedreigend is dat deze door de emotie angst
word gevolgd (waar verdriet uit voorkomt). In navolging van Smith werd de secundaire beoordeling
complexer:
1. Intern/externe verantwoordelijkheid; schuld woede (extern) en schuldgevoel (intern)
2. Vermogen tot probleemgerichte coping; Als de situatie niet veranderbaar is, zullen de
emoties angst en nervositeit opwekken.
3. Vermogen tot emotiegerichte coping; als het individu meent dat hij niet tot coping in staat is,
gaat dit gepaard met angst en nervositeit.
4. Toekomstige verwachting met betrekking tot verandering van de situatie; als word gedacht
dat de situatie onveranderbaar is, gaat dit gepaard met droefheid.
(lazarus nam 2 en 3 samen en noemde dit vermogen tot coping). Emoties en cognities worden hierbij
gekoppeld, dynamische interactie.
- Kritieke op het raamwerk van Lazarus
De benadering van Lazarus sluit aan op biologische en sociale modellen; er word rekening gehouden
met rol van stimulus, met emotionele en gedragsmatige reacties, met individuele verschillen en met
de externe omgeving. In de psychologie is er veel ondersteunend bewijs voor dit onderzoek (let wel;
er is geen 1 theorie ontsnapt aan kritische kanttekeningen). Er is weinig onderzoek gedaan naar
interactie tussen primaire en secundaire beoordelingen.
- Welke factoren zijn van invloed op de beoordeling?
Aspecten van de stimulus zelf; gebeurtenissen die spoedig zullen plaatsvinden, gebeurtenissen die op
een onverwacht moment in het leven voordoen, gebeurtenissen die onvoorspelbaar van aard zijn,
gebeurtenissen die ongewenst zijn, gebeurtenissen waarover je geen controle lijkt te hebben,
gebeurtenissen die een grote mate van levensverandering met zich meebrengen. Bepaalde
kenmerken van gebeurtenissen vergroten de kans dat deze als stressvol worden beleefd. Veel van de
gebeurtenissen (zoals chronische lichamelijke, langdurige fysiologische en psychosociale stressoren)
bestaan uit meer elementen dan alleen de gebeurtenis of stimulus.

10.2 Typen stress
10.2.1 Stress en verlies van hulpmiddelen (hulpbronnen/reserves)
Stress zal ontstaan wanneer er sprake is van een feitelijk of dreigend verlies van hulpmiddelen of van
het ontbreken van winst nadat hulpmiddelen zijn genvesteerd. Bij dit model blijven veel vragen
achter, omdat constructs verlies en hulpmiddelen niet bijzonder goed zijn gedefinieerd en ook niet
goed gemeten kunnen worden. Hoe permanent moet een verlies bv zijn voordat iemand stress
ervaart. Hobfoll ontdekte dat snelle en omvangrijke uitputting van gewaardeerde hulpmiddelen
gepaard ging met traumatische stressreacties.

10.2.2 Acute stress
Zeldzaam, rampzalige stimuli <-> veelvoorkomende acute stressoren (examens)
- Rampen
Er is na een ramp veel psychologisch en fysiologisch reacties; aanvankelijke paniek, nervositeit,
fobische angst, kwetsbaarheid, isolement. Teruggetrokkenheid enz.
Sommige mensen krijgen hierna een posttraumatische stressstoornis. Stressoren die acuut beginnen
kunnen chronische effecten kunnen hebben op het psychologisch welzijn.
- Examenstress
Het geheim van een goede presentatie leveren is dat de arousal niet te hoog (dat je het ineens niet
weet) of te laag ligt. Examens leveren soms zoveel stress op dat de bloeddruk verhoogd en dat de
vatbaarheid voor ziekten word verhoogd. Dit komt doordat de werking van het afweerstelsel door de
stress word onderdrukt.
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

10.2.3 Chronische stress
- Beroepsstress
De werkomgeving is heel geschikt om de chronische effecten van stress te bestuderen, hoewel ook
veelandere externe situaties zijn bestudeerd, bv verkeershinder, geluidshinder en drukte in het ov.
Gedacht word dan een burn-out het gevolg is van chronische, langdurige beroepsstress, deze
mensen zijn gewoon uitgeput. Waarom zijn bepaalde banen zo stressvol?
- Aanpassingsgraad suggereren dat stress onstaat doordat de omgevingsvariabelen niet
overeenkomen met persoonlijke variabelen. Beroepskenmerken die stress veroorzaken;
Belasting, controleerbaarheid, voorspelbaarheid, ambivalentie. Het lijkt erop dat belasting en
controle onafhankelijke en directe effecten hebben op de stress die uiteindelijk ontstaat. Bij
sommige modellen voor beroepsstress zijn ook persoonlijke eigenschappen, cognities en
ondersteunende reserves (met succes) gentegreerd met kenmerken van de omgeving.
We hebben nog niet beschreven wat er na cognitieve of emotionele processen plaatsvind.
Volgens het transactionele stressmodel van Lazarus leiden beoordelingen en de daarmee verbonden
emoties tot pogingen tot cognitieve en gedragsmatige coping. Behalve psychologische stressreacties
ontstaan er ook biologische en fysiologische reacties:

10.3 Stress als fysiologische reactie
Reactiemodel; eerst moet een gebeurtenis worden beoordeeld via het CZS. Gebleken is dat
gebeurtenissen die als onvoorspelbaar worden beoordeeld van invloed zijn op verschillende vormen
van fysiologische activering.

10.3.1 Vroege studies naar de stressreactie
Een van de eerste onderzoekers deed onderzoek naar flight-or-fight reacties. Dit is adaptief, maar
ook schadelijk (functioneren word verstoord). Bij chronische stress is het helaas niet adaptief. Selye
heeft toen het algemeen aanpassingssyndroom opgezet, de reactie op stress moet in evenwicht
(homeostase) blijven, dat gebeurd zo:
1. Alarmfase; arousal eerst laag, daarna super hoog
2. Weerstandfase; lichaam probeert zich aan stressor aan te passen die ondanks pogingen tot
afweer niet is afgenomen, arousal is nog steeds hoger dan normaal
3. Uitputtingsfase; wanneer de weerstandsfase te lang duurt, reserves en energie van het
lichaam raken uitgeput. Ziekten is in deze fase het grootste kans.

10.3.2 Recentere studies naar de stressreactie
Er is steeds meer bewijs dat ongunstige gebeurtenissen fysiologische veranderingen teweegbrengt.
Typische stressreacties (sneller ademen, versnelde hartslag, zweten) is het gevolg van het systeem
hypofyse-voorkwab-bijnierschors (Selye), maar ook het autonome zenuwstelsel (sympatisch en
parasympathisch). Deze twee delen verkeren in een toestand van spanning. Deze gecombineerde
reacties in het autonome zenuwstelsel en het hormoonstelsel bereiden ons lichaam voor om te
kunnen voldoen aan de eisen van onze omgeving. Het AZS is noodzakelijk voor elementaire
menselijke reacties. Er is dus een noodzaak voor een gecombineerd psychologisch en fysiologisch
inzicht in stress. Een paar onderzoekers hebben de theorie van Selye en de theorie van Lazarus
gecombineerd.

10.3.3 Stress en ontregeling van de immuun functie
Afname of veranderingen van de imuunfunctie zijn vaak in verband gebracht met de ervaring van
stressvolle levensgebeurtenissen. Het immuunsysteem is de verdediging van het lichaam tegen
ziekte. Immuuncellen (witte bloedcellen); lymfocyten (vormen antistoffen) en fagocyten (bij
chemische signaalstoffen). Celtypen, NK-, B- en T- werken samen en helpen elkaar bij het gevecht
tegen infectie of de groei van afwijkende cellen. Psychologische stress verstoort de werking van het
lichaam. Vroeger werd natuurlijk gedacht dat lichaam en geest onafhankelijk werkte, dus dit was een
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
omslag in denken. In de loop van dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat stress geen eenvormig
fysiologisch proces is, maar juist zeer complex is. Het meten van stress is daarom ook heel complex.

10.4 Het verband tussen stress en ziekte
Er zijn verschillende manieren om de relatie tussen stress en ziekte te bekijken:

10.4.1 De directe route
Als stress fysiologische veranderingen teweeg brengen ten aanzien van de functie van het
immuunsysteem, deze veranderingen kunnen tot (chronische) ziektes lijden.

10.4.2 De indirecte route
- door gedragsmatige reacties op stress (zoals roken, eten enz), maken mensen zichzelf kwetsbaarder
voor ziektes
- als gevolg van bep. Persoonlijkheidskenmerken hebben bep. Mensen een grotere kans op ziekte
door de wijze waarop ze op stress reageren
- Stress veroorzaakt symptomen, maar deze symptomen zeggen nog niet dat iemand ziek is
Er bestaat een zwakke relatie tussen stress en ziekte. Enkele ziektes die in verband staan met stress;

10.4.3 Stress en gezondheid van de mantelzorger
Verzorgers van mensen met chronische aandoeningen hebben vaak last van stress, omdat er hoge
eisen zijn aan het verzorgen van deze mensen.

10.4.4 Stress en verkoudheid
Vermeende stress en negatief affect vormden een voorspellende factor voor infectie, negatieve
levensgebeurtenissen op zichzelf geen voorspellende factor. Er bestaat wel een beetje bewijs dat
stress bij zieke personen mogelijk van invloed is op een verergering van de symptomen of van de
aandoening.

10.4.5 Stress en aandoeningen van de kransvaten van het hart
Aandoeningen van de kransvaten vormen een ziekte van het cardiovasculaire stelsel (hart en
bloedvaten) die in de loop van de tijd ontstaan in reactie op uiteenlopende factoren, zoals
familiegeschiedenis en leefwijze. In situaties van acute stress leid activering van het sympathisch zs
tot een vernauwing van de bloedvaten naar het hart. Zo neemt de bloeddruk toe, als dit lang is word
gezegd dat iemand hypertensie heeft (hoge bloeddruk), dit draagt bij aan het ontstaan van
aandoeningen aan de kransvaten. Stress kan dus bijdragen aan een verergering van de symptomen
of van de aandoening.

10.4.6 Stress en kanker
Evenals hartaandoeningen, ontstaat kanker langzaam; de aandoening begint met de mutatie van
cellen en het ontstaan van overwegend ondetecteerbaar neoplasma, die zich uiteindelijk ontwikkelt
tot tumor (die zich kunnen uitzaaien). Er zijn heel veel verschillende soorten kanker, dus is het niet te
verwachten dat stress een uniform effect heeft. Ze weten niet eens zeker of stress enig effect heeft
op kanker. Ook is er (natuurlijk) een sterk biologische inslag.

10.4.7 Stress en darmaandoeningen
Er zijn 2 darmaandoeningen onderzocht i.c.m. stress, hierbij werd stress gezien als verergerde factor.
Dit is prikkelbaredarmsyndroom. Dit word gekenmerkt door buikpijn en langdurige periode van
diarree of obstipatie, door stress neemt dit toe. Een andere ziekte is de inflammatoire darmziekte.
Deze kan worden verdeeld in de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Deze aandoeningen worden
gekenmerkt door pijn en diarree die beurtelings verergert en verbetert. Hierbij is minder bewijs dat
stress een rol speelt bij het ontstaan.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
10.4.8 Stress en hiv/aids
Gedurende de laatste twintig jaar heeft aids zich over de hele wereld verspreid. HIV is een retrovirus,
het bevat RNA en het werkt traag. Het kan jaren duren voordat iemand met HIV aids krijgt. Het leven
met het virus is super-stressvol. Er zijn aanwijzingen dat stress van invloed is op de progressie van
een ziekte.
- HIV
Dat het virus langzaam genoemd word is omdat er een lange tijd tussen kan zitten van de
aanvankelijke infectie en het verschijnen van ernstige symptomen (soms wel 10 jaar of langer). Het
tast het immuunsysteem aan.

Hoofdstuk 11 Omgaan met stress
Niet alle mensen die aan stressvolle gebeurtenissen worden blootgesteld, worden ziek. In dit
hoofdstuk worden onderzoeksresultaten gepresenteerd waaruit blijkt welke factoren bepalen hoe er
met stressvolle prikkels word omgegaan, dit noemen we coping. Stress kan gezien worden gezien als
een objectieve en als een subjectieve ervaring.

11.1 Stress en coping
In dit hoofdstuk onderzoeken we indirecte mechanismen zoals persoonlijkheden, opvattingen en
emoties van een individu. Enige mate van stress is goed voor ons maar als we stress negatief
beoordelen ontstaat meestal de wens deze gedachtes en gevoelens te verzwakken zodat het
evenwicht hersteld word. Het transactionele model van Lazarus heeft het meeste invloed gehad op
coping. Hierin word gesteld dat wanneer er een spanningsveld is tussen de persoon en zijn omgeving
(draagkracht voor situatie is niet groot genoeg). Individuen moeten dan de stressor veranderen of
anders interpreteren, dit is coping. Coping is een dynamisch proces. Coping is alles wat iemand doet
om de invloed van een vermeende of feitelijke stressor te verminderen poging tot het bereiken van
aanpassing. (wat je kunt doen? Aanleren nieuwe vaardigheden, stressor te verdragen, deze opnieuw
te beoordelen of te minimaliseren. Er zijn 3 dimensies van coping: taakgerichte, emotiegerichte
coping en vermijdingsgerichte coping.

11.1.1 Wat is adaptieve coping
Lazarus heeft 5 belangrijek functies voor coping beschreven (die elk bijdrage aan een succesvolle
aanpassing aan een stressor:
1. Het effect van schadelijke externe omstandigheden verminderen
2. Het tolereren van of het zich aanpassen aan negatieve gebeurtenissen
3. Het behouden van een positief zelfbeeld
4. Het behouden van emotioneel evenwicht en het verminderen van emotionele stress
5. Het behouden van een bevredigende relatie met de omgeving of met anderen

Aanpassing is niet altijd blijven en afhankelijk van de context en de aard van de stressor. Om effectief
te copen, moet het omgaan met stress flexibel zijn. Veranderingen worden gebaseerd op
herbeoordeling en hierbij word gekeken of de vorige coping effectief was. Vechtlust (ik overleef
deze ziekte) verbeterd de prognose.

11.1.2 Stijlen van coping en strategien voor coping
Stijl van coping is de algemene neiging die individuen vertonen om een bepaalde wijze op
gebeurtenissen te reageren. Zoals vermijdingsgericht, controlegericht, monitors (aandacht aan
stressor) en blunters (mensen die zich ongevoelig maken). Soms is je stijl niet passend bij de context.

11.2.3 Functies van coping
Waarom kiezen mensen voor een bepaald type coping? Meestal houd dit verband met eerdere
ervaringen met coping. Ook is coping een motivationeel proces (geanticipeerde effecten). Het
algemene doel van coping is een situatie zo aansturen dat dit weinig psychisch lijden veroorzaakt.
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Coping is meer dan aanpassing; het is het nastreven van menselijke groei, talent en differentiatie
waardoor we ons in een steeds veranderende wereld kunnen ontwikkelen.

11.2 Stress, persoonlijkheid en ziekte
Persoonlijkheid: dynamische organisatie binnen het individu van die psychische en fysieke systemen
die bepalend zijn voor het karakteristieke gedrag en gedachten. Hierbij word iemand zijn
persoonlijkheid bekeken in termen van stabiele en duurzame dimensies. Er zijn verschillende
mogelijke modellen waarop persoonlijkheidsvariabelen aan ziekte en gezondheid kunnen zijn
gerelateerd:
- In sommige gevallen vormt de persoonlijkheid een voorspellende factor op het ontstaan van
ziekte (reactiepatronen)
- Soms word waargenomen dat de persoonlijkheid als gevolg van een ziekte verandert
(chronische aandoeningen bv depressie)
- Bij sommige persoonlijkheidstypen kan ongezond gedrag worden bevorderd dat een
voorspellende factor is voor ziekte
- De persoonlijkheid speelt mogelijk een rol bij de ziekteprogressie of prognose, doordat deze
van invloed is op de wijze warop mensen met symptomen omgaan

11.2.1 De persoonlijkheidsdimensies van de Big Five
Vijf dimensies:
O openheid (open voor nieuwe ervaringen)
C conscientieusheid (verantwoordelijk)
E extraversie (sociaal)
A agreaableness (inschikkelijkheid)
N neuroticisme (gespannen, nerveus)

11.2.2 Type-A-gedrag en persoonlijkheid
Type-A gedrag is een multidimensioneel concept waarin handelingen en emotie zijn gecombineerd,
het gedrag manifesteert zich in de volgende aspecten:
- Competitiegeest
- Gehaast gedrag
- Gemakkelijk gergerd/ vijandigheid (belangrijke voorspeller ziekte)
(vijandige mensen vertonen gedrag dat gezondheidsrisicos met zich meebrengt, vijandige
mensen kunnen minder van psychosociale middelen of steun profiteren psychosociale
kwetsbaarheidshypothese, vijandige mensen reageren sterker op stress, weinig buffer)
- Ongeduldigheid
- Prestatiegericht gedrag
- Een krachtig spraakpatroon
Oppervlaktecognities (H12) die gerelateerd zijn aan type-A zijn dringende gedachten en vijandige
gedachten. Diepere (onbewuste) schemas zijn: ik kan nee zeggen tegen haar verzoek of ik zal
incompetent lijken en haar respect verliezen/ mensen respecteren je alleen voor wat je voor hen
doet, niet voor wie je bent enz.
Van het A-type is gebleken dat ze een verhoogde kans hebben op aandoeningen van de kransvaten.
Het type-B is precies het tegenovergestelde van bovenstaande aspecten.

11.2.3 Persoonlijkheid type C
Na onderzoek is gebleken dat er een sterk verband bestaat tussen een passieve en huleeploze stijl
van coping en een slechte ziekteprognose. Ze beschreven een persoonlijkheidstype C met de
volgende aspecten:
- Coperatief en vergevingsgezind
- Inschikkelijk en passief
- Stocijns
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Subassertief en geneigd tot zelfopoffering
- Neiging om negatieve emoties te onderdrukken, met name boosheid
Van het C-type is gebleken dat ze een verhoogde kans hebben op kanker.

11.2.4 Persoonlijkheid type D
Het persoonlijkheidstype D word gekenmerkt door een hoge mate van negatief affect en sociale
geremdheid. Deze kan het best worden beschreven als angstig persoonlijkheid en heeft een negatief
effect voor de prognose en de uitkomst bij cardiovasculaire (bloeddruk, hartslag) aandoeningen.
Deze beleven negatieve emoties, maar onderdrukken deze, terwijl ze ook sociaal contact mijden. Dit
persoonlijkheidstype moet nog verder worden onderzocht.
Van het bestaan van al deze types zijn we niet meer zo zeker.

11.2.5 Neuroticisme
Dit kan met behulp van een vragenlijst onderzocht worden. Mensen met een hoge score op
neuroticisme worden gekenmerkt door angstige opvattingen en gedrag dat niet in verhouding staat
tot de situatie.
Een verwant construct is negatief affect (NA), dit is een persoonlijkheidsdimensie waarbij individuen
worden gekenmerkt door een gegeneraliseerde negatieve visie, een sombere gedrukte stemming en
geringe eigendunk. De verbanden tussen persoonlijkheid en ontwikkeling van bep ziekten heeft
uiteindelijk niet stand gehouden tegen kritiek. Deze bovenstaande persoonlijkheidsconcepten
hebben een negatief effect op de gezondheid. Aspecten van de persoonlijkheid waardoor negatieve
gevolgen van stressvolle ervaringen mogelijk worden verminderd:

11.2.6 Weerbaarheid
Weerbaarheid komt tot uitdrukking in gevoelens van betrokkenheid, controle en uitgedaagd worden.
Dit word men door een basis van rijke, gevarieerde en belonende ervaringen tijdens de jeugd.
Mensen die uitgedaagd worden zien het als groei of juist bedreiging van de veiligheid. Deze mensen
zijn iets beter bestand tegen stress.

11.2.7 Optimisme
Dit wil zeggen een overwegend positieve opvatting en positieve verwachtingen over de afloop van
een levensgebeurtenis. Deze mensen maken sneller interne, stabiele en globale attributies. (stress is
veranderbaar). Optimisme levert dus voordeel op, zowel voor gezonde populatie die met stressvolle
gebeurtenissen worden geconfronteerd en voor de patintenpopulaties. Optimistische opvattingen
hebben een verschillend effect, afhankelijk van de context en beheersbaarheid van de ziekte.
Optimisme is wel stabieler dan onrealistisch optimisme.

11.3 Stres en cognities
11.3.1 Vermeende controle
Construct controle als persoonlijkheidskenmerk gezien, denk daarbij aan locus of control. Volgens
Rotter zouden interne individuen verantwoordelijkheid nemen voor wat er met hen gebeurt. Ze
gebruiken vaker probleemgerichte inspanningen. Externe individuen zijn eerder van mening dat het
leven aangestuurd word door externe krachten. Wallston hebben locus of control met specifiekere
effecten in verband gebracht, hiervoor hebbenz e het MHLC opgezet (multidimensional health locus
of control scale). Deze kan vast stellen in welke mate iemand gelooft dat hij zelf, externe factoren of
invloedrijke anderen verantwoordelijk is of zijn voor de eigen gezondheid en voor
gezondheidsprocessen. De MHLC is veel gebruikt. Het versterken van aannamen over interne
controle is een nuttige benadering voor interventie wanneer sprake is van een lichamelijke prognose.
De vermeende controle is geen voorspellende factor voor het beloop op de ziekte. Helaas is niet alles
te controleren en mensen met een interne controle worden dan depressief of hulpeloos omdat ze
denken dat ze er wel controle over zouden moeten hebben. Er zijn verschillende typen controle:
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
1. Gedragsmatig; de opvatting dat iemand beschikt over gedragingen waardoor de negatieve
invloed van de stressor word verminderd
2. Cognitief; de opvatting dat iemand beschikt over bepaalde gedachteprocessen of strategien
waardoor de negatieve invloed van de stressor word verminderd
3. Via beslissingen; de gelegenheid te hebben kiezen uit opties
4. Informationeel; de gelegenheid info over de stressor te vinden, kennis vergaren
5. Retrospectief; attributies van oorzaak of controle over een gebeurtenis nadat deze heeft
plaatsgevonden (betekenis zoeken)
Door deze typen controle kan een gebeurtenis minder stressvol worden gemaakt. Controle over
aspecten zijn gunstig voor aanpassing, maar zegt niks over de prognose.

11.4 Stress en emoties
11.4.1 Depressie en angst
De rol van depressie bij het verhogen van de incidentie van of kans op ziekte is controversieel en
hangt af van de ziekte. Een depressieve stemming is mogelijk een reflectie van een achterliggende
toestand van negatief affect. Er zijn meerdere aanwijzingen dat depressie invloed heeft op de
prognose. Ook is gebleken dat depressie is gerelateerd aan het gedrag dat iemand gaat vertonen bij
het omgaan met een stressvolle gebeurtenis zoals ziekte. Depressieve mensen hebben meer schijt
aan alles (minder therapietrouw en nog steeds slecht gedrag). Er komt steeds meer onderzoek dat
wijst op het belang van positief denken en handelen.

11.4.2 Emotionele openheid
Emotionele openheid is een reactie van coping en die krijgt de laatste jaren steeds meer aandacht.
Dit is het tegenovergestelde van emotionele onderdrukking (die meestal een negatieve invloed op de
gezondheid blijkt te hebben). Het vertellen heeft daarentegen wel een positief nut, maar moet niet
verward worden met het uiten van emoties. Door emotioneel open te zijn heb je een coherent
verhaal over de gebeurtenis(sen) en heb je minder psychisch lijden. Dit onderzoeksterrein vereist nog
meer onderzoek.

11.5 Sociale ondersteuning en stress
Dit is een potentieel hulpmiddel, maar helaas niet voor iedereen beschikbaar. Gebleken is dat sociale
ondersteuning een sterk verband vertoont met effecten op gezondheid en ziekte. Het blijkt dat
mensen met een groot netwerk langer leven.

11.5.1 Definities, typen en functies van sociale ondersteuning
Wat word onder sociale ondersteuning verstaan?
Sociale ondersteuning kan feitelijk of vermeend zijn. Sociale ondersteuning is een hulpmiddel dat van
invloed is op de wijze waarop mensen gebeurtenissen beoordelen en erop reageren. Mensen met
een groot netwerk beschouwen gebeurtenissen als minder stressvol (als buffer dus). Typen
ondersteuning;
- Emotionele ondersteuning; empathie, verzorging <-> geruststelling, gevoel van troost
- Ondersteuning door respect; respect, positieve vergelijking <-> bouwt gevoel van
eigenwaarde op
- Tastbare/instrumentele ondersteuning; directe hulp, financile hulp <-> vermindert
spanning/tobben
- Informationele ondersteuning; advies, suggesties <-> communicatie/gevoel van eigenwaarde
- Netwerkondersteuning; welkom heten, gedeelde ervaringen <-> gevoel van verwantschap
Er word aangenomen dat al deze types heilzaam zijn.

11.5.2 Sociale ondersteuning en moraliteit
Netwerken zijn een voorspellende factor voor moraliteit.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
11.5.3 Sociale ondersteuning en ziekte
Sociale ondersteuning kan de ondervinding van stress benvloeden. Gesteld is wel dat sociale relaties
bijzonder belangrijk zijn bij ziekten waarbij sprake is van lichamelijke afhankelijkheid van anderen.

11.5.4 Welke invloed heeft sociale ondersteuning op de gezondheidstoestand?
We hebben allemaal steun nodig. Psychisch lijden word door sociale ondersteuning verminderd. Het
ontbreken van ondersteuning heeft een sterker effect op de incidentie van aandoeningen dan
stressvolle levensgebeurtenissen. 2 hypothesen opgesteld over de wijze waarop sociale
ondersteuning zou kunnen werken:
- Hypothese over directe effecten; sociale ondersteuning is gunstig, ongeacht de hevigheid van
de stress.
- Bufferingshypothese; sociale ondersteuning beschermt de betrokkene tegen negatieve
effecten van hevige stress. Sociale ondersteuning werkt als buffer doordat deze steun (1) van
invloed is op de cognitieve beoordeling van een situatie of (2) doordat deze steun de reactie
voor coping wijzigt, nadat deze stressvol is beoordeeld.
Ook heeft ondersteuning fysiologisch effect, namelijk op het cortisolgehalte (zie H10)

Er zijn sommige gevallen waarin veel mantelzorg nadelig kan werken. Overmatige verzorging bv kan
ervoor zorgen dat de ontvanger van de zorg te sterk afhankelijk word van de verzorger en te passief
wat betreft het eigen herstel. Ook kunnen patinten hun verzorger als opdringerig en bemoeizuchtig
zien. Het bieden van onjuiste of overbodige steun houd de betrokkene in een afhankelijkheidspositie.
Deze onderzoeken zijn wel gebaseerd op zelfrapportage, omdat steun iets subjectiefs is.

Hoofdstuk 12 Stressmanagment
In dit hoofdstuk komen de wijzen waarop mensen om kunnen leren gaan met stress expliciet aan
bod. Interventies worden vanuit verschillende perspectieven bekeken. Ook het omgaan met een
PTTS staat centraal.

12.1 Preventie van stress
12.1.1 Het aanleren van strategien voor stressmanagment
De eenvoudigste manier om stress te verminderen, is door technieken van stressmanagment aan te
leren. Het probleem is hoe we al die mensen kunnen bereiken. Gezondheidspsychologen hebben
naar methoden gezocht om te proberen de stress van een groot publiek te verlichten.

12.1.2 Stressmanagment op het niveau van organisatie
Door de arbowet moeten werkgevers beter opletten op het welzijn van hun werknemers. Bij de
meeste publicaties over inspanningen om stress te verminderen, was sprake van het organiseren van
training op het werk, dit bleek effectief te zijn. Alleen bereikt dit niet alle mensen, en is het dus niet
een groot voordeel. Dus is het beter om de oorzaak van stress aan te pakken. Stressoren op het werk
kunnen veel oorzaken hebben (NB stress is niet hetzelfde als werkbelasting). Ook hebben veel
overige dingen die niets met werk te maken hebben, wel invloed op de belasting (slechte sfeer,
elkaar niet helpen enz.) Een arbodienst kan de volgende stappen doorlopen om verhoogde stress op
te lossen;
- Het identificeren van oorzaken van stress in de werkomgeving
- Vaststellen hoe deze stress kan worden opgelost voor de mensen die er het meeste last van
hebben
- Het ontwikkelen van een veranderingsproces om de genoemde problemen op te lossen
Als er oorzaken zijn gedentificeerd worden ze in groepen ingedeeld en in een document gebracht,
basis vorm voor de volgende fase van interventie. Oplossingen kunnen in 3 groepen ingedeeld
worden:
Heeft waarschijnlijk een minimaal effect, maar relatief gemakkelijk uitvoerbaar
Heeft waarschijnlijk een groot effect, maar moeilijker uitvoerbaar
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Heeft waarschijnlijk een groot effect, maar onmogelijk uitvoerbaar
Meeste oorzaken; bedrijfsvoering, organisatiecultuur en integriteit, dit maakt het ook zo lastig op te
lossen. Een groot probleem bij foutenculturen (sfeer behouden kosten wat het kost) is nadruk op
prestatie en grote machtsverschillen. Organisatieverandering is vaak een van de meest lastige
interventies om uit te voeren. Zon reorganisatie breng ook weer turbulentie met zich mee. Het
inlassen van meer pauze zijn er minder psychische problemen, terwijl de productiviteit niet omlaag
ging.

12.2 Werken met individuen
12.2.1 Stresstheorie kort overzicht
Stressmanagmenttraining zijn gebaseerd op cognitief-behavioristische theorien over stress. Stress =
omgevingsprocessen en cognitieve processen. Methoden zijn gebaseerd op twee theorien van Beck
en Ellis, die zeggen dat onze stemming word bepaald door onze cognitieve reactie op
gebeurtenissen. Stress is het resultaat van misinterpretatie van gebeurtenissen in de omgeving.
Volgens Beck hebben we cognitieve schemas. Hij bedacht ook een paar categorien gedachten die
leiden tot negatieve emoties:
- Catastrofaal denken; een gebeurtenis als volledig negatief beschouwen en mogelijk
rampzalig
- Overmatige generalisering; het trekken van een algemene (negatieve) conclusie op basis van
1 enkel incident
- Arbitraire interferentie; het trekken van een conclusie zonder voldoende bewijs om deze te
ondersteunen
- Selectieve abstractie; het zich concentreren op een detail dat uit de context word gerukt
Gebeurtenis-stress-proces (Beck);
Extreme gebeurtenis cognitieve reactie Gedragsmatige reactie
Fysiologische reactie
Emotionele reactie

12.2.2 Stressmanagmenttraining
Reeks factoren die kunnen worden gewijzigd om de individuele stress te verminderen. Dit zijn onder
meer:
- Gebeurtenissen in de omgeving die de stressreactie veroorzaken of een reeks oorzaken van
chronische stress
- Ongeschikte gedragsmatige, fysiologische of cognitieve reacties die plaatsvinden in reactie
op deze gebeurtenis
De meest effectieve manier om met stress om te gaan is te voorkomen dat stress ontstaat, dit word
vaak niet gedaan. Vaak word er gedachten of ontspanningstechnieken aangebracht. Let op;
Oorzaken kunnen via strategien voor probleemoplossing worden gedentificeerd en
aangepast, hier is geen standaardinterventie voor. Egan heeft het model van
probleemgerichte counseling opgericht, bestaande uit 3 fasen:
Probleemexploratie (wat zijn de oorzaken van stress, precies duidelijk krijgen wat de problemen
zijn van clint dmv open vragen, aanmoediging en empathische feedback), doelen vaststellen
(hoofd en evt subdoelen, laat patint nieuwe oplossingen verkennen), het handelen faciliteren
(plannen van manieren om doel te verwezenlijken)
Cognitieve vertekeningen kunnen via een aantal cognitieve technieken worden
gedentificeerd en gewijzigd (bv via cognitieve herstructurering)
Een hoge mate van spierspanning en andere tekenen kunnen via ontspanningstechnieken
worden verminderd.
Gestresseerd gedrag kan via het overdenken en repeteren van alternatieve gedragsmatige
reacties worden veranderd.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

(aangeleerde )vaardigheden om met stress om te gaan:
12.2.3 Ontspanningstraining
Evenals lichamelijke voordelen leidt een effectieve toepassing van ontspanningstechnieken tot een
toename van de feitelijke en vermeende controle over de stressreactie. Ontspanning kan het best via
drie fasen worden aangeleerd:
1. Het aanleren van elementaire ontspanningsvaardigheden (oefen ze onder optimale
omstandigheden, ze moeten goed geoefend worden, ontspanningstechniek van Jacob bv
spant en ontspant spieren omstebeurten)
2. Het registeren van spanning in het dagelijks leven (bv via dagboek)
3. Het gebruiken van ontspanning in tijden van stress (beginnen ontspanning in het dagelijks
leven te integreren)

12.2.4 Cognitieve interventies
Voor het veranderen van cognities worden vaak 2 technieken toegepast;
- De zogenoemde zelfinstructietraining; gericht op oppervlaktecognities stressvolle
gedachtes worden onderbroken en vervangen door tevoren gerepeteerde stressreducerende
gedachten (zelfspraak). Dit doe je door geheugensteuntjes te gebruiken en door te denken
dat eerdere zelfspraak nuttig was voor het tegengaan van stress.
- De cognitieve herstructurering; identificeren van stressvolle gedachten en deze worden
vervolgens vraagtekens bij gezet. Dit word via therapiesessies aangeleerd, waarbij verstand
en gevoel een rol spelen

12.2.5 Gedragsmatige interventies
Het doel hiervan is het individu te helpen zodanig met stress om te gaan dat hij maximaal effectief
met de oorzaak kan omgaan, zodat minimale stress ontstaat. Sommige gedragingen kunnen relatief
eenvoudig zijn. Maar soms is er ook oefening nodig. Een goede oefening is bv tot 10 tellen.

12.2.6 Stressinoculatietraining
Meichenbaum suggereerde dat de verschillende vormen van cognitieve therapie die hierboven zijn
beschreven zodanig zouden kunnen worden gecombineerd dat mensen die met een stressor worden
geconfronteerd, zich op de volgende zaken kunnen concentreren:
- Controleren of het gedrag past bij de omstandigheden
- Ontspannen blijven
- Zichzelf de juiste zelfspraak geven

12.3 Mensen met trauma helpen omgaan
12.3.1 Posttraumatische stressstoornis

Mensen die de diagnose PTSS krijgen hebben een gebeurtenis beleefd of getuige zijn geweest van
een gebeurtenis waarbij sprake was van feitelijk overlijden eb waarbij de onmiddellijk reactie
bestond uit intenste angst, hulpeloosheid en vrees. Op de langere termijn moet de betrokkene de
volgende drie groepen symptomen hebben gehad:
- Zich opdringende herinneringen; flashbacks, nachtmerries.
- Ontwijking; dingen zoals niet in staat zijn zich aspecten van het trauma te herinneren,
emotionele gevoelloosheid of afstand nemen van anderen.
- Arousal; hardnekkige gevoelens van overmatige arousal die mogelijk tot uiting komen in
prikkelbaarheid, makkelijk schrikken, slapeloosheid. Dit komt vaak door een verhoogd
cortisolniveau.
Symptomen kunnen geleidelijk verdwijnen, maar ze kunnen terugkeren als gevolg van verdere
traumatisering of gebeurtenissen zoals herdenkingen. PTSS heeft niet alleen negatieve invloed op de
betrokkene zelf, maar ook op familie en vrienden. Vanwege de ernstige chronische invloed die PTSS
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
kan hebben is er veel onderzoek gedaan naar het voorkomen van PTSS. De meest toegepaste
benadering word psychologische debriefing genoemd. Meestal is dit een gesprek kort na de
traumatische gebeurtenis. Dit is emotioneel het trauma te verwerken. De effectiviteit hiervan is
enigszins twijfelachtig. Debriefing schijnt geen significante meerwaarde te zijn ten opzichte van
natuurlijk herstel. Misschien is het juist wel goed om even afstand van het trauma te doen, om zo te
verwerken. Het Nederlandse Instituut voor psychotrauma heeft een stappenplan geschreven om
mensen te helpen. Je gaat ze meer helpen zodra ze meer symptomen gaan krijgen. Dit is ook nog niet
bewezen dat het heel effectief is.

Het behandelen van PTTS
De patint word herhaaldelijk aan herinnering aan de gebeurtenis blootgesteld. Zo raken de
herinneringen gesoleerd en zullen ze zich niet langer meer voordoen. Dit heet blootstellingstherapie
en kan in het begin lijden aan erger psychisch lijden. Daarom moet het geleidelijk gaan. Deze
methode kan met uiteenlopende cognitief-behavioristische technieken worden uitgebreid, zoals
ontspanningstraining of herstructurering.

Desensibilisering en herkadering via oogbewegingen
Herinneringen worden visueel teruggehaald, dit koppelt de patint aan negatief affect en beoordeeld
de ernst. Dan moet de patint de vinger van onderzoeker volgen en zo moet hij de emotie los laten.
Dit is effectiever dan geen behandeling, maar niet minder of meer effectief dan
blootstellingstherapie.

12.4 Het minimaliseren van stress in ziekenhuisomgevingen
12.4.1 Voorbereiding op een operatie

Een operatie ondergaan is een stressvolle gebeurtenis, ongeacht groot of klein. Bij veel onderzoeken
is aangetoond dat we in potentieel stressvolle omstandigheden minder angst voelen als we meer
controle over de situatie hebben. Dit word gedaan door mensen voortdurend info te geven over wat
er gebeurd. Er zijn 2 soorten info:
- Procedurele info; aan patinten vertellen over de gebeurtenissen die voor en na de operatie
zullen plaatsvinden (zoals infuus in arm hebben enz.)
- Sensorische info: aan patinten vertellen wat ze zullen voelen voor en na de operatie; bv dat
het normaal is als ze een beetje pijn hebben enz.
De optimale interventie lijkt mogelijk een combi van beiden te zijn, 1 is iig niet beter dan de
ander.

Voldoen aan de behoeftes van patint
Het type interventie moet ook aangepast worden aan de copingstijl van de patinten. Als
mensen namelijk meestal dingen uit de weg gaan, hebben ze ook minder behoefte aan info.
Informatie geven is wel een makkelijke en goedkope interventie.

Werken met kinderen en ouders
Uit onderzoeken van kinderen zijn uiteenlopende technieken naar voren gekomen die van
nut zijn. Zo ook het geven van informatie, ook 2 weken een praatje door een verpleegster
helpt om de angst te reduceren (placebo-interventie). Moeders en kinderen die
stressmanagment ontvangen zijn ook beter aangepast. Het lijkt er opnieuw op dat een
combinatie van interventies met inbegrip van voorlichting en het aanleren van strategien
voor coping de optimale interventie vormt.

Deel 3 Ziek zijn
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Hoofdstuk 13 De invloed van ziekte op de kwaliteit van leven
In de vorige hoofdstukken hebben we gezien dat er vele individuele en sociale factoren invloed
hebben op de reacties op een stressvolle ervaring. In dit hoofdstuk wordt de aandacht gericht op de
invloed van ziekte op het emotionele welzijn, het aanpassingsvermogen en functioneren van een
persoon, oftewel op zijn of haar kwaliteit van leven.

13.1 Ziekte en kwaliteit van leven
Het welzijn van de patint kan alleen worden beoordeeld door zijn/haar mening te vragen. Hoe stel
je de kwaliteit van het leven vast? Een van de doelstellingen is te bepalen hoeveel invloed een ziekte
heeft op het functioneren van het individu.

13.1.1 Waardoor wordt kwaliteit van het leven bepaald?
Er zijn een hoop factoren die de kwaliteit van het leven benvloeden:
- Demografische factoren; ras, leeftijd etc.
- De aandoening zelf; symptomen, pijn, neurologische beschadigingen, emotionele
beperkingen of cognitieve beperkingen etc.
- Behandeling; beschikbaarheid, aard, omvang etc.
- Psychosociale factoren; emoties (angst), coping, sociale context, ondersteuning etc.

- Leeftijd en kwaliteit van leven
Het bekijken van de kwaliteit van jeugd en kinderen is lastig, maar wel belangrijk. Omdat dit ook
effecten zijn die cummulatief zijn en een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling. Als dit vroeg
word ontdekt kunnen interventies plaatsvinden zodat latere problemen kunnen worden voorkomen.
Onderzoek toont aan dat er een brede reeks invloeden is op de kwaliteit van leven van jonge
mensen. Door te tijdsduur waarin de ziekte aanwezig was geweest, leek de invloed van ernstige
toevallen op de kwaliteit van leven niet te worden verminderd. Verbazingwekkend maar gebleken is
dat kwaliteit van het leven bij kinderen minder door de gezondheidstoestand word benvloed
(chronische ziekte bv) alswel door sociaaleconomische factoren. Het word dus vooral bepaald door
inkomen, opleidingsniveau, beroepsstatus enz. Leeftijd waarop de ziekte openbaart is geen
voorspeller op de kwaliteit van het leven. Door de vergrijzing is het sportief houden van de ouderen
belangrijk. Het doel is hierbij de afhankelijkheid te minimaliseren. Bij ouderen zijn de volgende
levensdomeinen van belang: lichamelijk functioneren, relaties met anderen en behoud van
gezondheid en sociale activiteit. Ouderen maken vaker melding van onafhankelijkheid of angst
hierover. Het type ziekte is niet zon grote voorspeller dan invaliditeit of beperking. Het blijven
functioneren is dus belangrijk.

- Cultuur en kwaliteit van leven
Westerse culturen zijn vaak individualistischer en Oosterse culturen vaak collectivistischer. Cultuur is
van invloed op reacties op pijn, toepassing van traditionele versus westerse geneesmiddelen, het
omgaan met afhankelijkheid en communicatie. Culturele verschillen zijn ook van invloed op de wijze
waarop de kwaliteit van leven kan worden beoordeeld (13.2)

- Aspecten van ziekte en kwaliteit van leven
De bevinding van de ernst van de symptomen is geen consistent voorspellende factor is voor de
kwaliteit van leven, dit bevestigd nog eens de subjectieve aard van dit concept. Veel domeinen
worden door ziekte verstoord. Een geringe kwaliteit van leven komt vaak tot uiting in depressie,
invaliditeit en gebruik van gezondheidszorg. Met andere woorden, de ernst van de ziekte is niet
consistent gerelateerd aan een gering gezondheid gerelateerde kwaliteit van leven. Neurologische
ziektes (bv dementie) kunnen ook het psychosociaal en fysieke functioneren verstoren. Deze mensen
kunnen geen zinvolle beoordeling van de kwaliteit van het leven geven.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Aspecten van de behandeling en kwaliteit van leven
De behandeling is op zichzelf ook van invloed op de kwaliteit van leven. Dit onderzoeksgebied breid
zich wel steeds verder uit. Bij ingrijpende behandelingen bv kan later nog steeds last van zijn. Zoals
belemmeringen op werk en hobby, sneller vermoeid en meer problemen bij seksuele en sociale
relaties. Effecten van het doormaken van een ernstige ziekte op kinderleeftijd houd niet altijd tot in
de volwassen leeftijd aan, kinderen zijn veerkrachtig.

- Psychosociale invloeden op de kwaliteit van het leven
De aanwezigheid van angst of angststoornis tast de kwaliteit van het leven aan. Ook bij mensen met
een lichamelijke ziekte is gebleken dat emotionele reacties van invloed zijn op kwaliteit van leven.
Angst en depressie zijn beiden gerelateerd. Pijn is van invloed op veel aspecten van het psychosociaal
functioneren, pijn is een belemmering in het dagelijks leven. Bij patinten die hun pijn accepteerden
waren veel indicatoren van de kwaliteit van leven hoger. Er is niet 1 bepaalde strategie voor coping
die beter is dan de andere (H11). Mantelzorg en de effecten op kwaliteit van leven is een onderwerp
van discussie, ook moet hierop nog een grotere steekproef worden uitgevoerd.

- Doelstellingen en kwaliteit van het leven
Mogelijk zijn doelstellingen direct op invloed op de effecten op de kwaliteit van leven doordat ze de
betekenis veranderen die iemand aan ziekte toekent. Let op want bij onderzoek hierna speelt
dissonantiereductie en neerwaartse vergelijking ook een rol.

13.2 Het meten van de kwaliteit van leven
Verschillende redenen waarom het beoordelen van de kwaliteit van leven in klinische praktijk van
nut is:
1. Meetinstrumenten om behandelvooronderstellingen te toetsen; het is niet altijd zo dat
gezond zijn, beter is dan ziek zijn. Ook hebben medicijnen veel bijwerkingen
2. Meetinstrument voor informatieverstrekking; inzicht vergroten in alle aspecten van invloed
op ziekte en in de factoren die aan deze invloed bijdragen
3. Meetinstrumenten om de alternatieven te evalueren; klinische controle
4. Meetinstrument voor communicatiebevordering;
Naast de meetinstrumenten hierboven zijn er ook ziektespecifieke meetinstrumenten, deze hebben
allemaal hun voor- en nadelen. Meetinstrumenten meten vaak minder betrouwbaar en valide bij
specifieke groepen.

13.2.1 Gendividualiseerde meetinstrumenten voor kwaliteit van leven
Respondenten kunnen de dimensies en problemen kiezen die voor hun relevant en waardevol zijn
(dus niet ziektespecifiek). Met dit instrument vertellen respondenten hoe tevreden ze zijn met
allerlei aspecten van hun leven (zoals geluk, financin, gezin, religie). Deze methoden zijn helaas wel
tijdrovend.

13.2.2 Bruikbaarheid van meetinstrumenten
Bij de meeste onderzoeken word gebruikgemaakt van verschillende meetinstrumenten, als de
omstandigheden dit toelaten. Het is ook belangrijk dat onderzoekers rekening mee houden dat
mensen niet een heleboel vragenlijsten kunnen krijgen. Er worden ook indirecte meetinstrumenten
gebruikt, deze worden later besproken. Al met al zijn er veel meetinstrumenten beschikbaar voor het
bepalen van de kwaliteit van leven, de keuze hangt af van het doel. Bij het ontwikkelen van nieuwe
meetinstrumenten moet er ook nog naar de cultuur en leeftijd gekeken worden van de patint:
Cultuur
Veel instrumenten zijn in het engels gemaakt, bij de vertaling zouden er wel eens onderdelen
verloren kunnen gaan. Woorden en begrippen hebben in verschillende culturen een andere
betekenis.
Leeftijd
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Het omwerken van vragenlijsten voor volwassenen naar een versie voor kinderen mist belangrijke
aspecten van de ontwikkeling en het functioneren van kinderen en adolescenten. Kinderen hebben
nog cognitieve beperkingen en vaak vullen ouders ze daarom in. Het blijft een feit dat sommige
domeinen van de kwaliteit van leven niet zijn onderzocht. Vaak melden ouders dat hun kinderen
meer problemen hadden dan de kinderen zelf. In de context van een kind met een aandoening, kan
de over of onderschatting van de probleemgebieden van een kind implicaties hebben voor het
zorggedrag van ouders.

Hoofdstuk 14 De invloed van ziekte op patinten en hun gezin
In dit hoofdstuk worden niet alleen de negatieve effecten van ziekte op een mens besproken, maar
ook de potentile positieve effecten ervan. Daarnaast komen de effecten van ziekte in een
partnerrelatie aan bod.

14.1 Ziekte, emotie en aanpassing
Ziekte stelt mensen voor vele problemen die in de loop van de tijd veranderen afhankelijk van
behandeling, gedachten, gedrag enz. Gedacht word dat individuen die met een ziekte worden
geconfronteerd, met de volgende aspecten te maken krijgen:
1. Onzekerheid
2. Verstoring; als patint te horen krijgt dat hij ernstige ziekte heeft. Intense stress en door een
sterke afhankelijkheid van zorgverleners.
3. Streven naar herstel; men probeert dmv actieve coping een vorm v controle over de ziekte
probeert te krijgen
4. Herstel van welzijn; betrokkene bereikt een nieuw emotioneel evenwicht op basis van
acceptatie ziekte
Dit lijkt een beetje op de stadia van verliesverwerking van Kbler-Ross: ontkenning, woede,
marchanderen, depressie en aanvaarding. Met betrekking tot kanker geld ook een vergelijkbaar
reeks fasen:
- Aanvankelijke reactie; ongeloof, ontkenning, verdediging of schok
- Dysforie; kan 1 tot 2 weken duren, komen geleidelijk met realiteit in het reine. Wel veel
verdriet en daarna (hopelijk) hoop en optimisme. Deze gevoelens strijden weer met
verontrustende gedachten.
- Aanpassing; deze periode kan weken tot maanden duren; patint ontwikkeld
copingsstrategien
Niet elke patint verloopt dit natuurlijk gladjes en bereikt aan het einde acceptatie en adaptie.
Religie en spiritualiteit zijn vaak belangrijke factoren bij het handhaven van hoop. De zekerheid van
het overlijden brengt meestal een emotionele crisis met zich mee. Vaak zijn de fasen wel te
herkennen, maar bij iedereen gebeurt het anders. Het leven met een chronische ziekte, ook als dit
niet meteen de dood voortbrengt, brengt op zichzelf vaak al psychisch lijden mee.

14.1.1 Negatieve emotionele reactie op ziekte
- Reacties op de diagnose
Reacties zijn vaak ingrijpend en sterk emotioneel. Ook komt er vaak depressie bij kijken en/of een
verhoogde angst. Dit is een normale reactie op levensbedreigende aandoeningen.
- Emotionele reacties op aandoeningen en de behandeling daarvan
Meest voorkomende levensbedreigende aandoeningen (kanker, hiv, hartaanval, herseninfarct en
diabetes). Psychisch lijden verergert als mensen op resultaten wachten en wanneer men de laatste
fase heeft bereikt (uitbehandeld). Evenals depressie bij gezonde mensen word de depressie
verergerd door: een hoge mate van achtergrondstress, een geringe mate van pers. Reserves, gebrek
aan sociale ondersteuning en gebrekkige vaardigheden voor coping. Voor dingen zoals vetzucht en
verslaving geld niet dat die mensen een zwakke wil hebben. Het is een samengaan van erfelijke,
situationele variabelen en een negatieve balans tussen draagkracht en draaglast. De problemen van
chronische ziekte hebben te maken met behoud en verlies, niet alleen van het zelf maar ook van
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
een manier van leven. Stoornissen bv die een grote belasting zijn voor de omgeving (zoals borderline)
ontmoet vaak weinig begrip. Het DSM ligt de laatste jaren onder vuur.
- Reacties aan het einde van de behandeling en nazorg
Soms ontstaat er aan het einde een ambivalentie; ze zijn blij dat het erop zit maar ze hebben ook een
band opgebouwd met verzorgers en voelen zich nu verwaarloosd. Een belangrijk punt hierbij is dat in
het huidige medische systeem nazorg meestal niet of slecht is geregeld.
- Het effect van negatieve emotionele reactie op ziekte
Gedragsveranderingen worden door depressie of angst belemmerd, net zoals deelname aan
behandeling of aan revalidatie. Onder mensen met een lichamelijke ziekte is depressie een
belangrijke oorzaak van overlijden, invaliditeit en verkorting van de levensduur. Angst voor de angst
kan op zich angststoornissen veroorzaken.

14.1.2 Positieve reactie op ziekte
Er zijn nog niet veel onderzoeken gedaan naar de positieve reactie op ziekte. Sommige mensen
ondervonden enig persoonlijk voordeel zoals verbeterde interne relaties en een gezondere leefwijze.
Ook dit word benvloed door persoonlijke reserves en door reacties voor coping. Positieve reacties
kan de aanpassing aan ziekte bevorderen. In stand houden van positieve emoties kent 3 belangrijke
voordelen:
Het bevorderen van psychologische weerbaarheid en effectievere probleemoplossing
Het verdrijven van negatieve emoties
Het in gang zetten van een opwaartse spiraal van positieve gevoelens
Coping is net zo belangrijk als emoties die de patint ervaart.

14.1.3 Omgaan met ziekte
De strategien van coping, verschillen meestal niet van de strategien die mensen gebruiken om met
andere problemen om te gaan. Moos en Schaefer beschrijven drie processen die het gevolg zijn van
de crisis van ziekte:
1. Cognitieve beoordeling; individu beoordeelt de implicaties van de ziekte voor het eigen leven
2. Adaptieve taken; ziekte specifieke taken verrichten zoals het omgaan met symptomen
3. Vaardigheden voor coping; het individu past strategien voor coping toe die worden
omschreven als gericht op beoordeling als probleemgericht en emotiegerichte coping.
- Coping via ontkenning of ontwijking
De reactie op ziekte bestaat uit een bewuste of onbewuste ontkenning. Als je blijft ontkennen gaat
het op een gegeven moment gepaard met psychisch lijden. Negatieve effecten van ontwijkende
coping en ontwijking:
Sterkere mate van depressie dan bij probleemgerichte coping het geval was
Heviger psychisch lijden
Onder adolescenten met chronische ziekten
- Probleemgerichte coping en coping via acceptatie
Probleemgerichte coping (zoals gebruikmaken van bronnen van sociale ondersteuning en
accepterende coping), komt na de eerste periode na het begin van ziekte of diagnose. Inspanningen
die zich richten op veranderbare aspecten van de situatie resulteerden in verbeterende resultaten
voor de gezondheid. Soms is vermijdingsgerichte coping ook functioneel (bv het oprakelen van
gebeurtenissen brengt weer stress met zich mee).

14.2 Ziekte: een gezinsprobleem
De ingrijpende effecten van ziekte worden vaak ook door dierbaren ervaren. Door de uitbreidende
trend in de richting van thuiszorg word een verdere druk op gezinnen gelegd.

14.2.1 Gezinssystemen
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Stress in een gezin kan het gezinssysteem verstoren. McCubbin en Patterson namen drie fasen waar
in een continum van aanpassing:
1. Fase van afweer; gezinsleden proberen de realiteit te ontkennen of ontwijken
2. Fase van herstructurering; gezinsleden beginnen realiteit te erkennen en hun leven te
reorganiseren rond het idee van een veranderd gezin.
3. Fase van consolidering; nodig kan zijn om een nieuw aangenomen rol permanent worden,
nieuwe manieren van denken kunnen ontstaan.
Het functioneren van gezinssystemen is naast hierboven ook cohesie, aanpassingsvermogen en
communicatie. Als gezinnen evenwichtig hierin waren konden ze zich beter aan levensstressoren
aanpassen. Er zijn 3 verschillende factoren voor coping binnen gezinnen die elk verschillende
implicaties hebben voor het functioneren van het gezin:
1. Coping door het gezinsleven en relaties in stand te houden en zich daarop te richten
2. Coping door te proberen het welzijn te handhaven door gebruik te maken van sociale relaties
3. Coping door relaties te onderhouden met zorgverleners en met ouders van andere zieke
kinderen
Eiser en Havermans vermelden 4 factoren binnen coping:
Autonomie
Medische zorg
Sociale ondersteuning info
Ondersteuning van het gezin
Geslacht, type ziekte, duur van de ziekte waren allemaal van invloed op de vraag welke vorm van
coping het meest nuttig werd gevonden. Soms is opname nodig om de omgeving te ontlasten.

14.3 Verzorging
Een groot deel van mantelzorg gaat naar het ouder worden (zoals dementie, problemen met
mobiliteit enz). Er zijn positieve effecten van training van verzorgers. Het is belangrijk om aandacht te
besteden aan de problemen van verzorgers.

14.3.1 Ondersteunende relaties
Het ondersteunende systeem van de patint 1) is uiteindelijk verantwoordelijk voor zorg op de lange
termijn en 2) kan een aanzienlijke invloed hebben op de psychosociale prognose na de diagnose.
Voordelen van een ondersteunend netwerk (ook al is het vermeend):
- Toegenomen therapietrouw en toegenomen zelfzorg
- Betere emotionele aanpassing en coping met stressvolle gebeurtenissen
- Beter fysiologisch functioneren
- Verminderde mortaliteit of toegenomen levensduur
Prettige en minder prettige benaderingen van verzorging
Prettige verzorging is bv uitingen van liefde, bezorgdheid en begrip. Onprettig is de situatie
bagatelliseren, onrealistische opgewektheid of veeleisend zijn. Ook overmatig beschermen word al
zeer onprettig ervaren.

14.3.2 Gevolgen van verzorging
De effecten van zorg kent verschillende termen ook bestaan al evenveel verschillende
meetinstrumenten. Een veelgebruikte term is belasting van de verzorger (kosten van de zorg voor de
verzorger).
- Emotionele invloed van verzorging
Mantelzorgers hebben meetbaar meer psychisch lijden dan andere leeftijdsgenoten. Ook is de
lichamelijke gezondheid en de tevredenheid met leven geringer (vooral bij vrouwen)
- Immunologische effecten van verzorging
De afwerking van het afweerstelsel word door langdurige zorg onderdrukt. (vooral oudere verzorgers
hebben een slechtere afweersysteem).
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Positieve aspecten van de verzorgende rol
Het zorgt bv voor meer tevredenheid later in het leven. Ook kan het een gevoel van tevredenheid
geven. Zoals het beleven van en gevoel van vervulling, zich nuttig voelen, toegenomen gevoelens van
intimiteit en dagelijkse interacties. Verzorgers van patinten met ernstige belemmering maakten
meestal meer melding van ergernissen. Het totaal aantal vreugdevolle momenten moeten dus groter
zijn.

14.3.3 Invloeden op effecten van de verzorging
- Kenmerken van de ziekte of de verzorgende
De ziekte en het gedrag van de patint hebben een belangrijke, maar complexe invloed op de
effecten die de verzorger ondervind. Het psychisch lijden van de verzorger is aan vele fluctuaties
onderhevig. Sommige patinten kunnen hun omgeving behoorlijk verstoren. Wat een slechte invloed
heeft op de verzorger is de negatieve eigenschappen van de patint, hierdoor heeft de verzorger in
afnemende mate het gevoel dat ze een wederkerige vertrouwensrelatie met de patint hadden. De
eisen van de verzorging zijn nu eenmaal dynamisch en fluctuerend. Let op; belasting is niet hetzelfde
als depressie.
- De invloed van eigenschappen en reacties van de verzorger
Algemeen word geaccepteerd dat psychisch lijden of belasting van verzorgers ontstaat wanneer de
verzorger meent dat er geen evenwicht bestaat tussen de eisen van de zorg en de hulpmiddelen
waarover de verzorger meent te beschikken. Het gebruiken van sociale ondersteuning als strategie
voor coping kwam naar voren als een belangrijke voorspellende factor voor de effecten op de
verzorger.
- Kwaliteit van de relatie
Depressieve verzorgers maakten melding van een intieme en nauwe relatie met patint en wilden
dan ook graag bij de patint zijn. Haatdragende verzorgers willen niet graag bij de patint zijn. Deze
bieden ook een dominante of overmatige beschermende zorg.
- Dyadische percepties, gedeelde en tegenstrijdige opvattingen
Doordat er veel individuele verschillen bestaan kunnen verzorgers en hun patinten niet altijd gelijke
opvattingen hebben. Dit kan ervoor zorgen dat de verzorger denkt te weten wat de patint nodig
heeft en de feitelijke zorgbehoefte van de patint ligt eigenlijk ergens ander. Ook kunnen ze
verschillen hebben over de representaties van de ziekte zelf. De meest afwijkende percepties waren
percepties over controle/genezing van de ziekte. Partners met gedeelde positieve percepties hadden
betere resultaten in de zin van geringere invaliditeit, minder problemen met seksueel functioneren
en grotere validiteit.
NB: als we de beschikbare onderzoeksresultaten bekijken, zouden we moeten concluderen dat zowel
het maximaliseren als het minimaliseren van de kant van de verzorgers negatieve gevolgen kan
hebben, terwijl gedeelde percepties adaptiever zijn.

Hoofdstuk 15 Pijn
In dit hoofdstuk wordt een aantal fysiologische en psychologische verklaringen gegeven voor onze
verschillende soorten pijnbeleving. Er worden psychologische interventies bestudeerd die worden
toegepast bij de behandeling van zowel acute als chronische pijn.

15.1 De pijnbeleving
Een reflexmatige reactie op pijn is de oorzaak van de pijn te ontwijken of proberen de pijn te
verminderen. Ook kan het een symptoom zijn dat er meestal toe leid dat medische hulp word
gezocht. Pijn is van nut om te overleven, het word alleen problematisch als de pijn lang duurt. Pijn
kan dus langdurige problemen veroorzaken voor pijnpatinten.

15.1.1 Typen pijn
Voorbeelden van omschrijvingen van typen pijn:
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Acute pijn; Acute pijn is pijn die korter duurt dan drie tot zes maanden. Zoals kiespijn en
baring. Acute pijn kan zich ook herhalen, zoals bij migraine of aangezichtspijn.
- Chronische pijn; dit is pijn dat langer dan drie tot zes maanden aanhoudt. Het is dus eigenlijk
acute pijn die niet overgaat. Chronische pijn word in twee groepen verdeeld; chronische,
goedaardige pijn en chronische, progressieve pijn (waarbij ziekte verergert)
Een andere manier om typen pijn in te delen, is de aard van de pijn in aanmerking te nemen:
Het type pijn; ontsteking, pijnscheuten, kloppende pijn, scherpe pijn enz.
De hevigheid van de pijn; licht ongemak tot onhoudbare pijn
Het patroon van de pijn; kort van duur, voortduren en met tussenpozen

15.1.2 De prevalentie van pijn
Pijn is de belangrijkste reden om een arts te bezoeken. Pijn kwam het meeste voor in onderrug, buik
en hoofd. De kosten van pijn zijn lichamelijk, psychologisch en economisch.

15.1.3 Leven met pijn
Pijn kan een ernstig effect hebben op de patint en zijn dierbaren, mensen houden zelfs rekening
met pijn in hun dagindeling. Dit zorgt voor een afname aan sociale contacten en deelnemen aan
sociale dingen. Bij veel mensen met pijn komt werkeloosheid en depressie voor. Depressie kan ertoe
leiden dat er meer melding gemaakt word voor pijn (wat was er eerst?). Er kan ook voordelen
ontstaan uit pijn:
- Primaire (intrapersoonlijke) winst; treed op wanneer uitingen van pijn ertoe leiden dat een
aversieve consequentie stopt of afneemt, bv doordat iemand klusje overneemt
- Secundaire (interpersoonlijke) winst; treed op wanneer pijngedrag een positieve
consequentie heeft, zoals uitingen van sympathie
- Tertiaire winst; gevoelens van plezier of voldoening die iemand anders dan de pijnlijder kan
ervaren wanneer deze de patint helpt.
Deze beloningen kunnen aanzienlijke problemen veroorzaken. De patint kan bv steeds minder doen
om zichzelf te helpen. Vijf nadelen van dit probleem:
- Dramatisering van de klachten
- Niet meer gebruiken van het lichaamsdeel als gevolg van inactiviteit
- Misbruik van middelen als gevolg van overmatige medicatie in reactie op pijngedrag
- Afhankelijkheid van anderen als gevolg van aangeleerde hulpeloosheid en belemmerend
gebruik van persoonlijke vaardigheden voor coping
- Invaliditeit als gevolg van inactiviteit
Veel mensen hebben natuurlijk wel een stimulerende omgeving

15.2 Biologische modellen voor pijn
De eenvoudigste biologische theorie voor pijn is dat er pijnreceptoren in de huid zitten die bij
activering informatie naar een centrum in de hersenen geleiden. Dit heet de specificiteitstheorie.
Basisprincipe van biologische theorien: gewaarwording van pijn is een directe representatie van de
mate van lichamelijke beschadiging of van de gewaarwording die het individu doormaakt. Dit is
helaas fout door de volgende factoren:

15.2.1 Pijn in afwezigheid van pijnreceptoren
Dit is een goed bewijs dat de biologische theorien niet kloppen. Fantoompijn is hier een goed
voorbeeld van.70 % heeft hier de week na de operatie last van. Dit is helaas lastig te behandelen.

15.2.2 Pijnreceptoren die geen pijn registreren
Sommige mensen ervaren geen pijn, mensen met CUIP. Deze mensen gaan vaak vroeg dood, omdat
ze niet op waarschuwingsreacties reageren. Ze hebben wel een (ogenschijnlijke) intacte
pijnzenuwbaan.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
15.2.3 Psychologische invloeden op pijn
Er zijn een aantal psychologische invloeden op pijn:
1. Stemming en pijn; door angst en depressie verlaagd de pijntolerantie, er is een
wederzijdse relatie tussen pijn en stemming (interactie)
2. Aandacht en pijn; door je op pijn te concentreren, word de beleving van pijn heviger, dit
werkt wel samen met de betekenis die je aan pijn geeft (daarom word het bij sommige
chronisch en bij andere niet)
3. Cognities en pijn; verwachtingen over een toename of afname van pijn kunnen zichzelf
waar gaan maken. Voorbeelden van gedachten die invloed op de pijnbeleving kunnen
hebben:
Attributies van de oorzaak van de pijn vind je zelf dat de pijn door psychologisch of
fysiologische oorzaken komt?
Aannamen over het vermogen de pijn te verdragen mensen die denken pijn goed te
kunnen verdragen, lijken dat ook gewoon te doen
Aannamen over het vermogen de pijn te beheersen als je denkt de pijn te kunnen
beheersen, kan je dit meestal ook beter, vermeende controle werkt ook goed in een groep
Verwachtingen over pijnstilling het placebo effect

15.3 Een psycho-biologische theorie over pijn
Gate control theory over pijn; Dit is de best opgestelde theorie tot nu toe van pijn en gaat over 2
groepen processen die een rol spelen bij pijnbeleving. Mate van pijn is te verdelen over twee
groepen processen:
- Pijnreceptoren in de huid en in organen geven info door over lichamelijke beschadigingen
naar poorten in het ruggenmerg. Van ruggenmerg naar pijncentra in hersens dus.
- Wanneer we lichamelijke beschadigingen waarnemen, ervaren we tegelijkertijd ook
gerelateerde cognities en emoties, dit leid tot activering van zenuwvezels die info vanuit
hersens langs ruggenmerg geleiden
Hoe hevig de pijn is hangt af van de mate waarin deze twee systemen zijn geactiveerd. Poorten
kunnen geopend (zorgt voor pijn) worden of gesloten. Pijngewaarwording word doorgeleid vanaf de
plaats van een verwonding naar de poort in het ruggenmerg door zenuwen die nociceptoren worden
genoemd. Binnen dit soort zenuwen worden 3 typen onderscheiden:
A-deltavezels (type I en II); reageren op lichte aanraking, mechanische en thermische prikkels
(geleiden info over kortdurende scherpe pijn) en heel sterke schadelijke prikkels die zijn
gerelateerd aan potentiele of feitelijke weefselbeschadigingen. (ervaring is kort van duur).
Dit is meestal de eerste fase en geleid naar de thalamus.
Polymodale C-vezels; geleiden traag, info over doffe, kloppende pijn die gedurende langere
tijd word gevoeld. Dit is meestal de tweede fase en geleid naar het limbische systeem, de
hypothalamus en het autonome zs.
Ze geleiden info naar gebieden in het ruggenmerg, de substantia gelatinosa. Endorfinen sluiten de
poort en verzwakken de hevigheid van de pijn.
- Door zich op de pijn te concentreren worden minder endorfinen afgegeven.
- Door een optimistisch en kalm gevoel over de betekenis van pijn worden meer endorfinen
afgegeven en word de poort gesloten, van angst en tobben word de poort gesloten
- Door ontspanning word de afgifte van endorfinen verhoogd en de pijn verminderd

15.4 Toekomstige inzichten in pijn de neuromatrix
Fantoompijn kan met bovenstaande theorie niet verklaard worden. Melzack heeft dit geprobeerd uit
te leggen, drie belangrijke aannamen liggen ten grondslag:
- Dezelfde neurale processen die een rol spelen bij pijnperceptie in het intacte lichaam doen
zich voor bij pijnperceptie in de geamputeerde arm of been
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Alle eigenschappen die we normaal voelen, ook pijn dus, zijn waarneembaar in afwezigheid
van invoer vanuit het lichaam
- Het lichaam word als eenheid waargenomen en word herkend als het zelf, afgescheiden van
andere mensen als de omringende wereld
Hij betoogde dat het lichamelijke zelf helemaal met elkaar verbonden zijn en noemde dit het
neuromatrix. Hierbinnen verwerken en integreren we pijngerelateerde info. Alle info over
pijngewaarwording vormen samen een neurosignature , deze hebben twee elementen: De matrix
lichaam-zelf (verwerkt en integreert binnenkomende senso en emotionele info) en de
handelingsneuromatrix (ontwikkelt gedragsmatige reacties in reactie op deze netwerken). Tot nu toe
geeft de nieuwe theorie van Melzack geen verklaring voor fantoompijn. Waarschijnlijk zijn onze
matrixen erop gericht dat ze aannemen dat we ledematen hebben.

15.5 Mensen helpen met pijn omgaan
Steeds meer mensen met chronische pijn word aangeleerd hoe pijn te beheersen om de hoeveelheid
pijnstillers te verminderen.

15.5.1 Het meten van pijn
Een heel eenvoudige manier om pijn te meten word een beoordelingsschaal gebruikt van 0 tot 100
(hevigste pijn die je kunt voorstellen). Alleen vinden patinten het moeilijk om pijn uit te drukken in
een getal, ook zetten ze zichzelf meestal in het midden van de schaal. Ook is pijnbeleving een
multidimensioneel. Verschillende vormen worden hierbij de volgende factoren bepaald:
- Het type pijn; waaronder kloppende pijn, pijnscheuten, stekende pijn enz op een
vierpuntsschaal van geen tot hevig
- De emotionele reactie op pijn; waaronder vermoeiend, uitputtend, beangstigend
- De intensiteit van de pijn; op een schaal van geen pijn tot ergst mogelijke pijn
- De tijdsduur van de pijn; of deze kort, voortdurend of flucturerend is
De volgende gedragingen kunnen een doel worden voor enkele van de interventies die verderop
worden beschreven:
Verbaal/vocalisaties (zuchten, kreunen, klagen)
Motorische gedragingen (grimassen, verstoorde gang, stijve houding, trage of moeizame
gang, hulp zoeken)
Medische hulpmiddelen (beschermend instrument gebruiken zoals wandelstok, arts
bezoeken)
Functionele beperkingen (rusten, verminderde activiteit)

15.5.2 Acute pijn
De nadruk bij de meeste methoden voor acute pijnbeheersing ligt op:
*De patint een sterker gevoel geven dat hij controle heeft over de pijnbeleving en medische
ingrepen
*Het aanleren van vaardigheden voor coping, met inbegrip van technieken voor afleiding en
ontspanning
*Hypnose
Een paar methoden:
- Meer controle: door de patint aangestuurde pijnbestrijding, hierbij bepaalt de patint
hoeveel pijnstillers hij krijgt en dit kan niet worden overschreden doordat er wel een systeem
is ingebouwd. Hierdoor is de patint vaak tevredener.
- Het aanleren van copingvaardigheden: Afleiding (beter dan negeren), Ontspanning
(spierspanning verminderen wat ook voor afleiding kan zorgen)
- Hypnose: dit heeft een groot effect op pijn. Het begint met inductie

15.5.3 Chronische pijn
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Behavioristische interventies:
Het doel hiervan is invaliditeit te verminderen door een verandering van de omgevingsfactoren die
van invloed zijn op pijngedrag, zodanig dat het individu niet langer voor pijngeddrag word beloond.
Voorbeelden:
- Bekrachtiging van adaptief gedrag zoals een juiste mate van lichaamsbeweging
- Ontzeggen van aandacht of van andere beloningen waaruit voorheen de reactie op het
pijngedrag bestond
- Het verstrekken van pijnstillers op vaste tijdstippen ipv reactie op gedrag
Cognitief-behavioristische interventies:
Deze methode is gericht op de rol van cognities bij het mediren van onze emotionele en
gedragsmatige reacties op pijn. Cognities staan centraal bij onze pijnbeleving en bij noze reacties op
pijn. Het richt zich op de variabelen die op de poort van invloed zijn. Therapie heeft 3 doelstellingen:
1. Patinten leren geloven dat de problemen wel te behandelen zijn
2. Patinten helpen de relatie te herkennen tussen gedachte, emoties en het gedrag en in
het bijzonder hen inzicht te geven in de wijze waarop catastrofale gedachten kunnen
leiden tot een toename van de vermeende pijn.
3. Patinten voorzien van een strategie voor management van de pijn, van het psychisch
lijden en van de psychosociale problemen.
Dit kan individueel of in groepsverband worden gegeven. Denk hierbij ook aan H12. Vaak word de
aard van de gedachten veranderd dat deze adaptiever worden en je stemming niet zo beinvloeden.
Hierbij kunnen twee typen interventies een rol spelen: zelfinstructie (commentaar veranderen in een
positief commentaar) of proberen de gedachten te identificeren die emotioneel lijden of belemmerd
gedrag veroorzaken. Hierbij worden de gedachten niet als waarheden behandeld, maar als
hypothesen. Dit is meer gericht op tobben. Ook spierontspanning word weleens geleerd. Voor het
behandelen van chronische pijn zijn cognitief-behavioristische interventies erg effectief gebleken.
Ontspanning en biofeedback:
Het ontspannen van bepaalde groepen spieren kan bijzonder effectief zijn voor sommige mensen.
Door biofeedback leer je hoe je spieren moet ontspannen:
- EMG feedback; zwakke elektrische stroom gemeten die met spieractiviteit gepaard gaat, dit
word geplakt op de pijn
- Galvanische huidreactie; algehele spanning in lichaam bepaald door subtiele veranderingen
te meten in vocht
- Thermische biofeedback; gebaseerd op de theorie dat hoofdpijn kan worden verlicht door de
huid te verwarmen
Veranderingen kunnen auditief of visueel aangetoond worden (toontje of beeld of verandering).
Deze methode is soms effectief, maar niet effectiever dan ontspanning zelf. Het is ook duurder dan
ontspanning. Ook antidepressivia helpt pijn te verlichten, maar niemand weet waarom.

15.5.4 Pijnklinieken
Waar worden behandelingen uitgevoerd? Vaak kun je in ziekenhuizen terecht, ongeacht door welke
oorzaak pijn is ontstaan. Ook fysiotherapeuten, ergotherapeuten en artsen kunnen helpen. Ook
psychologen kunnen bijdragen aan dergelijke programmas.

Hoofdstuk 16 Verbetering van de gezondheid en de kwaliteit van leven
Dit hoofdstuk richt zich op een aantal psychologische interventies die worden toegepast om mensen
te helpen bij coping en ziektemanagement bij ernstige aandoeningen.

16.1 Omgaan met chronische aandoening
Een chronische ziekte stelt de patint een aantal taken. Zoals beweging, medicijnen innemen. In dit
hoofdstuk behandelen we benaderingen om mensen hun psychisch lijden te verminderen, zoals:
- Het verstrekken van relevante info
- Training in stressmanagement
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Het gebruik van sociale ondersteuning
- Training in zelfmanagement
- Het bevorderen van sociale ondersteuning
- De toepassing van schriftelijke emotionele expressie
Elk type interventie heeft verschillende voordelen. Een afname van psychisch lijden kan van invloed
zijn om de immuun functie en op de activiteit van het sympathisch zs.

16.2 Afname van het psychisch lijden
16.2.1 Informatieverstrekking of praktische hulp?
Veel mensen maken zich zorgen over prognose, behandeling enz van de ziekte. Door info kan het
lijden verminderd worden, bijvoorbeeld info over de aard van de ziekte, hoe ermee om te gaan en
hoe je het gedrag moet veranderen om verergering van de ziekte te verminderen. Sommige mensen
hebben juist meer baat bij vermijdende coping en troost. Dit maakt het werk van hulpverleners
complex. Vaak als mensen het gevoel hebben iets meer controle te hebben over de ziekte, word hun
angst verkleind.

16.2.2 Training in stressmanagement
Bij training in stressmanagement word mensen direct geleerd hoe ze met stress om moeten gaan
(H12):
- Probleemoplossing externe problemen die stress verergeren minimaliseren
- Cognitieve herstructurering onderzoeken van gedachten die stress veroorzaken of
verergeren
- Ontspanning om de fysiologische arousal te verminderen die deel uitmaakt van de
stressreactie
Deze trainingen zijn gericht op spanning te verminderen en dat doen ze ook echt. Ze zijn effectief bij
het wachten op de diagnose, tijdens de behandeling en het omgaan met de emotionele stress van
het leven met een chronische ziekte. Stressmanagement werkt goed voor mensen met kanker + voor
mensen met HIV (en hun verzorgers). De familieleden en naasten erbij betrekken werkt goed. Het
nuttige effect van het geven van informatie kan worden versterkt met stressmanagement.

16.2.3 Sociale ondersteuning
Zelfhulpgroepen werken ook prima, vooral door gevoel van betrokkenheid bij een groep. Het lijkt
effectief te zijn bij vrouwen met borstkanker (ook in niet-westerse setting), mannen met HIV of die
mensen met HIV hebben verloren en bij verslaving. Denk maar aan de AA, dit is in NL allemaal nog
niet zo bekend. Deelnemen aan zon groep is een intensieve zaak. De meeste mensen gaan 1 keer
per week en vinden dat zelfhulp en professionele hulp naast elkaar kan bestaan. Beide kunnen van
elkaar profiteren. Bestanddelen van zelfhulpgroepen zijn onder meer gelijkwaardigheid, herkenning,
sociale steun en infovoorziening.

16.3 Ziektemanagement
Een 2
e
groep interventies kan worden toegepast om mensen te helpen de vaardigheden en
motivaties te verkrijgen die nodig zijn voor een zo effectief mogelijke management van de
aandoening. Het doel is te zorgen dat het effect van de aandoening op de patint minimaal is.

16.3.1 informatieverstrekking
Info over de ziektes kan beter worden gegeven, althans op korte termijn. Als de schriftelijke info ook
een programma bevat is het relevant. Op internet is ook een hele hoop info te vinden, maar dit kan
ook verwarrend of schadelijk zijn. In reactie o[p die soort problemen zetten zorgverleners
tegenwoordig hun eigen info op internet. Deze info is makkelijk toegankelijk en heeft de juiste
inhoud.

16.3.2 Training in zelfmanagement
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Hierbij word mensen geleerd om met hun ziekte om te gaan zodanig dat ze maximale controle
krijgen over de symptomen over de symptomen en de kwaliteit van leven. Hierbij worden nieuwe
vaardigheden aangeleerd door observeren en oefenen, daarom is het ook vaak in groepsverband.
Het is dus winst behalen op bv pijnverlichting, functioneel vermogen en gevoelige gewrichten maar
ook op psychologische factoren zoals strategien voor effectieve coping, stemming, vermoeidheid en
hulpeloosheid. Deze programmas worden gebruikt voor artritis en voor mensen met chronische
aandoeningen. De vermeende controle word groter. Dit soort programmas kunnen gemakkelijk en
goedkoop via infotechnologie worden gemplementeerd. Zelfmanagement via internet boekt goede
resultaten, anonimiteit kan een grote rol hierbij spelen.

16.3.3 Sociale ondersteuning en ondersteuning van het gezin
Interventies die zich richten op familie en vrienden zijn er nog niet zoveel, maar hebben wel positieve
resultaten. Ook partners bij de interventies betrekken is nuttig en tamelijk eenvoudig ter realiseren.
Het heeft mogelijk niet altijd succes.

16.4 Preventie van ziekteprogressie
16.4.1 Counseling

16.4.2 Training in stressmanagement
Training in stressmanagement werkt goed bij mensen die een hartinfarct hebben gehad. Bij
onderzoeken naar ziektes komt zoveel kijken. Bv de opkomst van mensen naar interventie, het
verschil van de interventie en de controlegroep (verschilt dit wel genoeg) enz. Stressmanagement
doet ook iets met het immuunsysteem.

16.4.3 Sociale ondersteuning
Sociale ondersteuning kan van invloed zijn op de uiteindelijke gezondheid. Sociale ondersteuning is
een goede aanvulling op de interventies die zich richten op de verandering van risicogedrag. NB: het
is noodzakelijk interventies af te stemmen op de specifieke behoeften en kenmerken van de
doelpopulatie.

Deel 4 Toekomstperspectieven

Hoofdstuk 17 Toekomstperspectieven
In het laatste hoofdstuk worden de verschillende onderzoeken en resultaten die zijn besproken in
het boek met elkaar in verband gebracht met als doel om te bepalen waar de
gezondheidspsychologie zich momenteel bevindt, maar ook waar deze in de toekomst naar toe gaat.
Effectieve interventies en modellen worden onder de loep genomen en de auteurs geven tot slot een
kritische evaluatie van de successen op het gebied van gezondheidspsychologie.

17.1 Onderzoeksresultaten in de praktijk brengen
De onderzoeksresultaten waarop richtlijnen en interventies zijn gebaseerd, zullen onder meer
bestaan uit resultaten van uitvoerige (meta) onderzoeken. Hierover zijn in NL wel veel discussies.
Omdat degene die de interventies herkend, ook zelf interventies op de markt brengt. Met behulp van
gezondheidspsych worden sommige hiaten ook opgevuld. Maar let op; zelfs als er volledig
genformeerde evidence based schriftelijke richtlijnen bestaan is er nog geen garantie dat deze
daadwerkelijk dor de betrokken zorgverleners zullen worden gebruikt. Heel specifieke aanbevelingen
(zoals het geven van geheugensteuntjes aan patinten) word wel doorgevoerd. Tekortkomingen in
het systeem:
- Tekortkomingen bij het overbrengen van de evidence base aan hulpverleners
- Tegenstrijdige infobronnen en meningen waarmee hulpverleners mee te maken hebben
- De neiging om reacties op het individu af te stemmen
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
- Problemen om de juiste mensen te laten samenwerken om veranderingen te implementeren
- Verzet tegen veranderingen, dat door de stress bij werknemers in de gezondheidszorg word
versterkt (zoals problemen met omgeving, overdraagbaarheid, informatieoverdracht, inhoud
van de info, persoonlijke houding en eigenschappen)
Er worden pogingen gedaan om deze situatie te verbeteren.

17.1.1 Het implementeren van klinische richtlijnen
Het bieden van onderzoeksinfo alleen is onvoldoende om de medische behandelwijze van individuele
hulpverleners te wijzigen. Een goede uitvoering van de hulpverlener gaat vaak samen met motivatie
voor behandeling en beleving van en reactie op problemen en ziekte.
- Beleving van en reactie op problemen of ziekte
In de wetenschappen is naast risicofactoren ook het begrip beschermende factoren een belangrijk
aandachtspunt geworden.
- Theorie en praktijk van hulpverleners
De praktijk van hulpverleners kan van tijd tot tijd door het biomedische standpunt worden ingeperkt.
Patinten en hulpverleners hebben verschillende ziektemodellen, daarom hapert de samenwerking
ook weleens. Hulpverleners moeten hier rekening mee houden, net als hun eigen belangen en
attitudes. Dit kan namelijk en barrire voor gedragsverandering vormen. Een goed genvalideerd en
veelgebruikt onderzoeksinstrument is echter niet noodzakelijkerwijs een goed praktisch bruikbaar
instrument.

17.1.2 Onderzoeksresultaten die implicaties voor de praktijk hebben


17.1.3 Individuele interventie of groepsinterventie

17.2 Toekomstperspectieven

17.2.1 Problemen voor de toekomst
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal