Вы находитесь на странице: 1из 84

Hoofddoel en edachtenga^m

Rede, gehouden bij de overdracht van het Rectoraat


der Theologische School vatl de Gereformeerde
Kerken in Nederland, den 6 December 1921
den

]. H.

KokWm:t922: ,.~

Kampen

'H4

Hoofddoel en Gedachtengang
van

Lucas' Evangelieverhaal
Rede, gehouden bij de overdracht van het Rectoraat
der Theologische School van de Gereformeerde
Kerken in Nederland, den 6 December 1922,
den

door

J. H. Kok

KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

0730 0806

1922 ~ Kampen

Bijna anderhalve eeuw heeft men nu met allen ijver gezocht


naar de rechte oplossing van het dusgenaamde Synoptische
probleem.') Wel had men ook reeds vanouds opgemerkt, dat
er bij de Evangelie-verhalen van Mattheus, Marcus en Lucas
onderling deels veel gelijkheid, anderdeels echter ook veel verschil
bestaat van stof, volgorde en uitdrukkingswijze. ) En met name
Augustinus, ) Calvijn*) en Hugo de Groot ) hadden, elk op zijne
wijze, eene verklaring van dat verschijnsel zoeken te geven. Maar
vooral in de 18de eeuw zette zich eene kentering der geesten
door, ) welke van de H. Schrift als het in zeer eigenlijken zin
genspireerde Woord van God niet meer wilde weten, ) dientengevolge onze Evangelie-verhalen met gansch andere oogen
deed aanzien, ) alzoo naar, schriftelijke f mondelinge, bronnen,
inzonderheid van onze eerste drie Evangelieverhalen, deed zoeken,'
en veelszins bij deze eene zeer nauwe onderlinge litteraire'
afhankelijkheid deed aannemen. ) Innerlijke drijfkracht was en
is daarbij voor een groot deel en bij velen: ongeloof aan de
historische waarheid en juistheid van veel van hetgeen onze
Evangelieverhalen bevatten, en de zucht, om dat als product
van legendevorming of willekeurige uitbreiding voortestellen. )
Wanneer toch zooals door velen beweerd wordt Mattheus
en Lucas de stof voor hun feitenverhaal afgezien van hunne
voorstelling van onzes Heilands geboorte ontleend hadden
hoofdzakelijk alleen aan Marcus' Evangelieverhaal, dat zij
betrekkelijk willekeurig uiteengerukt en gewijzigd zouden hebben,
zouden wij inzake die feiten niet tegenover een zelfstandig,
drievoudig getuigenis staan, maar slechts tegenover mededeeling
door n auteur;) terwijl dan de nog al willekeurige omvorming
der verhaalstof door Mattheus en Lucas, vanzelf te meer de vraag
kon doen opkomen, of ook niet misschien Marcus weinig naar
geschiedkundige waarheid had gevraagd, en dus geen onvoorwaardelijk vertrouwen verdiende in wat hij als historie verhaalt.
8

10

4
Nu kan men, ondanks den ingespannen arbeid van zeer velen
gedurende reeds meer dan eene eeuw, nog niet van algemeen
erkende en vaststaande resultaten van het bronnenonderzoek
der synoptische Evangelieverhalen spreken.") Wel zijn allerlei
oplossingen aan de hand gedaan, ) en ook breedvoerig uiteengezet. Reeds de verschillende namen: hypothese van onderling
gebruik, traditie-hypothese, oerevangelie-hypothese, fragmentenof digesen-hypothese, kunnen het doen vermoeden. ) In den
tateren tijd werd de z.g.n. twee-bronnen-hypothese door velen
als vrijwel uitgemaakt en bewezen geproclameerd. ) Marcus
zou de oudste der drie Synoptici zijn, en door Mattheus en Lucas
gebruikt zfin; terwijl er nog eene andere bron, die woorden, reden,
bevat zou hebben, en gemeenlijk met de letter Q ( = Quelle)
aangeduid wordt, geweest zou zijn, waaruit Mattheus en Lucas
geput zouden hebben wat zij aan woorden des Heeren mededeelen. ) Maar behalve dat er ook dan nog onderscheiden vragen
overblijven: aangaande den vorm, waarin Marcus' Evangelieverhaal
aan Mattheus en Lucas als bron gediend zoude hebben, betreffende
de gesteldheid der zoogenaamde logia-bron (Q) in haar-gebruik
door Mattheus en Lucas, en inzake de waarschijnlijkheid van
benuttiging dezer reden-bron ook reeds door Marcus, ) zoo
hebben zich in de laatste jaren evenzeer tegen haar weer stemmen
verheven, ook uit het critische kamp. F. Spitta b.v. houdt
bovengenoemde meening over de onderlinge verhouding van
Marcus en Mattheus met Lucas, door hem een bijna tot dogma
geworden critisch oordeel genoemd, voor de gronddwaling, die
eene oplossing van de synoptische vraag onmogelijk maakt, en acht,
dat men de door Lucas gegeven overlevering einer Darstellung
des Lebens Jesu zu Grande legen" moet. ) Hij vindt daarin steun
bij W. Haupt, die o.m. schrijft, ook de overtuiging te deelen, dat
bij reconstructie van de synoptische Grundschrift" de Lucas-tekst
von ausschlaggebender Bedeutung ist", maar die voorts eene
gansch andere reconstructie geeft dan Spitta. ) Evenzeer sluit
zich in deze Lucas-waardeering bij Spitta aan O. Procksch,
hoewel ook hij daarna weer eigen wegen gaat. )
1S

16

16

17

18

80

Dit vrij onvruchtbare zoeken naar schriftelijke of mondelinge


bronnen van de synoptische Evangelieverhalen, dat bezig is zich
te wijzigen in de bestudeering van wat M. Dibelius aanduidt met
den titel van zijn boek: Die Formgeschichte des Evangeliums,* )
1

heeft ook te zeer voorbij doen zien de waarheid, door Q. Heinrici


aldus onder woorden gebracht: al hebben nu ook de Evangelisten
gegeven stof verwerkt, zoo doen zij dit niet als Zusammenstoppler,....
maar als schriftstellerische Individualitaten". ) En daardoor heeft
men de schrijvers onzer Evangelieverhalen vaak te weinig erkend
en behandeld als verstandige en bekwame auteurs, die niet maar
de voor hen liggende stof of bronnen", zoo goed zoo kwaad
dat ging, en dan soms niet bijster gelukkig, verbonden en in
elkander werkten, doch met heldere bewustheid, en naar een door
hen gekozen doel, hun onderscheiden Evangelieverhaal opstelden,
zoo f anders ordenden, deze f die stof er in opnamen, en in
zoodanige f andere bewoordingen beschreven. Inzonderheid ook
aan den auteur van ons derde Evangelieverhaal heeft dit tweebronnen-dogma, of de in deze theorie verstrikte bevangenheid van
geest, onrecht aangedaan, ) zoodat men veelal niet genoegzaam
lette op wat hij duidelijk, of zelfs met nadruk, schrijft, noch zocht
hem in zijne keuze van stof, verbinding en groepeering van onderwerpen, gang van verhaal, en schrijfwijze allereerst en zooveel
mogelijk te verstaan en te verklaren uit hemzelven, maar telkens
ging meten aan Marcus' Evangelieverhaal, en veroordeelen naar
dien maatstaf. Eendeels prijst men hem wel als geschiedschrijver.
Er hat schon et was vom Bewusstsein des Geschichtschreibers",
verklaart J. Weiss, hoewel hij op deze woorden volgen laat: al
is het ook, dat zijne bronnen hem een werkelijk chronologisch te
werk gaan niet veroorloofden". ) Anderdeels echter beweert men,
dat hij wel beloofde, in tijdelijke volgorde te zullen verhalen, maar
hierin, zelfs wel zonder het zelf te merken, zeer te kort geschoten
is. ) Wanneer R. Bultmann schrijft: . . . . i n het geheel is zijne
methode deze, dat hij met zijne bronnen afwisselt, ze naast
elkander plaatst, en alzoo op deze wijze twee uitzendingsreden,
twee pharizerreden enz. brengen moet", ) wordt hij ons zelfs
als een vrij onnoozel boekenmaker geteekend.
3S

ss

25

36

Een en ander deed mij als onderwerp van behandeling bij deze
Rectoraatsoverdracht kiezen:
H O O F D D O E L E N G E D A C H T E N O A N O VAN
L U C A S ' EVANGELIEVERHAAL.

Ik wensch eerst in het algemeen enkele uitspraken en gegevens


te dezer zake in dit Evangelieverhaal te bespreken ; dan hoofddoel

6
en gedachtengang van Lucas' Evangelieverhaal meer in bizonderheden in het licht te stellen; en eindelijk nog de beteekenis van
het gevondene in eenige gevolgtrekkingen aan te wijzen.
I.
In onderscheiding van Mattheus en Marcus, maar in overeenstemming met Johannes, spreekt ook Lucas uitdrukkelijk over het
doel van zijn Evangelieverhaal. Maar terwijl Johannes dat doet in
het laatst van zijn boek, Joh. 20 : 31, vangt Lucas er mede aan,
Luc. 1 : 4, en laat hij eveneens zich uit over den gang van zijn
Evangelieverhaal, Luc. 1 : 3 ; eenigszins soortgelijk als hij in de
Handelingen der Apostelen een program van den gang van zijn
geschiedverhaal in dat boek voorop laat gaan in de mededeeling
van 's Heeren woord tot Zijne discipelen, Hand. 1 i 8. Zelfs
komt Lucas op den inhoud van zijn verhaal des Evangelies terug
ook nog in zijn tweede boek, Hand. 1 : 1 .
Lucas zegt, dat hij aan Theophilus van hetgeen deze reeds
vernomen heeft, wil doen kennen de zekerheid, de onwankelbaarheid, de asphaleia, Luc. 1 : 4. Door de constructie van den
zin laat hij op dit woord bizonderen nadruk vallen. Bovendien
doet hij door een drietal bepalingen zijne bedoeling nog scherper
uitkomen. Hij verklaart toch, alles nagegaan te hebben; dat gedaan
te hebben van voren af aan, d. w. z. van het begin af aan; en
hierbij met nauwkeurigheid gehandeld te hebben. Met sterke kracht
verzekert hij dus, niet alleen waarheid te schrijven, en enkel wat
stellig vertrouwen verdient, te willen te boek stellen, maar ook
zich bewust te zijn van metterdaad te verhalen datgene, wat
feitelijk f in der waarheid gebeurd, f gesproken is. En deze
expresse constateering van de betrouwbaarheid van al hetgeen
hij in zijn Evangelieverhaal mededeelen zal, verkrijgt nog meer
beteekenis door zijne nieuwe betuiging in Hand. 1 : 1, dat hij
zijn eerste boek gemaakt heeft van al hetgeen Jezus begonnen is
beide te doen en te leeren. Door die nadrukkelijke en herhaalde
verzekering zijnerzijds, worden wij genoopt tot geloovige aanvaarding van hetgeen hij schrijft, f tot de bewering, dat hij
desondanks zich vergist heeft, f, erger zelfs, opzettelijk zou
hebben zoeken te misleiden. En in elk geval moet zij dringen
tot een nauwkeurig onderzoek van de gronden, op welke

7
eventueel nochtans de historische waarheid van hetgeen hij verhaalt, betwist of ontkend wordt.
Als n dier gronden noemt men soms de andere volgorde in
het verhaal van dezelfde gebeurtenissen bij Marcus. Deze laatste
heet dan de geschiedkundige opeenvolging der gebeurtenissen te
doen kennen. En dus zou Lucas, in weerwil van zijn beweren,
toch niet in historische volgorde verhalen, alzoo blijken in dezen
soms te dwalen, zij het ook te goeder trouw, ) daarom ook
anderszins zich vergissen kunnen, en deswege niet onvoorwaardelijk geloofd mogen worden. Nu komt men allengs terug van
de gedachte aangaande Marcus' vermeende teekening van den
historischen loop van 's Heeren openbare ambtsbediening. )
Maar voorts is het de vraag, wat Lucas betreffende den gang
van zijn Evangelieverhaal toezegt. Hij spreekt van een schrijven
kathexes, Luc. 1 : 3 ; welk laatste woord door velen opgevat
wordt als doelende op geschiedkundige of tijdelijke volgorde.
B. Weiss zegt zelfs, dat het geen bewijs behoeft, dat dit woord
hier, waar het over op te teekenen feiten gaat, slechts zeitliche
Reihenfolge aangeven kan, ) Maar deze redeneering gaat toch
niet op, en wordt daarom ook niet door allen gevolgd. ) Wel
kan het woord op geschiedkundige volgorde doelen; maar deze
beteekenis is niet de eenig mogelijke, en daarom ook niet de
noodzakelijk aantenemen zin. Het woord spreekt van samenhang,
aaneensluiting, een geleidelijk volgen van het een op het ander. )
Maar hoedanig die samenhang is, van welken aard die volgorde,
tijdrekenkundig, of anders, ligt in dat woord opzichzelf niet.
Feitelijk moet daarom mede uit den gang zei ven van Lucas' Evangelieverhaal opgemaakt worden, welken zin hij aan dit woord thans
hecht. Wel is nu waar, dat we in Lucas' Evangelieverhaal ook
de tijdsorde der gebeurtenissen in groote lijnen aangegeven en
gevolgd kunnen zien, waar Lucas begint met de geschiedenis
van 's Heeren geboorte, en eindigt met Zijn lijden en sterven,
opstanding en hemelvaart. Maar dit beslist nog niet over de
volgorde van de onderscheiden onderdeden, om welke het hier
bizonderlijk te doen is.
Nu is in dit opzicht opmerkelijk, dat Lucas niet slechts uitdrukkelijk spreekt van zekere orde, waarin hij het nagegane
schrijven wil, maar ook meermalen ipso facto van eene merkwaardige volgorde in zijn verhaal blijk geeft. Sprekende over de
37

ss

29

30

S1

8
werkzaamheid van Johannes den Dooper, verbindt hij daaraan
terstond, ter afsluiting van het verhaal van diens arbeid, de mededeeling van zijne gevangenneming door Herodes, Luc. 3 :1820,
zelfs ook vr de vermelding van 's Heeren Doop, Luc. 3:2122.
Hij ordent daarin zijn verhaal dus zakelijk, en niet naar den
historischen gang der gebeurtenissen, maar wil blijkbaar eerst
met Johannes' arbeid gereed zijn, vr hij met het verhalen van
's Heeren openbare ambtsbediening aanvangt. Bij zijne beschrijving
van hetgeen te Kapernaum gebeurde, Luc. 4 : 3144, wendt hij
eene chiastische ordening aan. Eerst spreekt hij toch over het
uitwerpen door den Heere van een onreinen geest, 4 : 3137;
daarna van lichamelijke genezing, door Hem gewerkt, 4:3839;
vervolgens, bij dit laatste aansluitend, wederom van genezing
door den Heere van lichamelijke krankheden, 4 : 40; en eindelijk,
in correspondentie met 4:21 37, opnieuw van duiveluitwerpingen
door den Heere, 4 : 41. Waar deze orde van verhalen eenigszins
onderscheiden is van die van Mare. 1 : 3234,**) kan zij. te
meer treffen. Ook mag in Luc. 6 : 20 v.v. de bouw der bergrede
eigenaardig heeten, in onderscheiding ook van dien in Matth. 57.
Evenzeer moet gerekend worden met Lucas' tweede boek, de
Handelingen der Apostelen, waarin hij op bewonderenswaardige
wijze zijn geschiedverhaal indeelt. ) Eerst stelt hij in Hand. 1:9
a.h w. zijn program, waarvoor hij kiest het woord des Heeren
tot Zijne discipelen vlak vr de hemelvaart. En dit werkt hij
vervolgens naar zijn onderscheiden gedachten of momenten uit
in de hoofdstukken 1 - 7 ; 8 - 1 2 ; 1 3 - 2 8 ; terwijl hij dan bij dit
laatste onderdeel nog weer soortgelijke wijze van werken volgt,
door in Hand. 9 : 15 opnieuw een woord des Heeren mede te
deelen, dat den arbeid van den apostel Paulus aangeeft, en dit
blijkbaar te nemen als program voor zijne beschrijving van diens
Evangeliedienst; zoodat hij onderscheidenlijk in Hand. 1320;
2126; 2728 de verschillende in Hand. 9 : 15 liggende aanduidingen naar hare geschiedkundige verwerkelijking voorstelt.
Een en ander maakt raadzaam, op Lucas' volgorde bizonder acht
te geven; haar, bij afwijking van die in Marcus' Evangelieverhaal,
niet terstond, als op vergissing berustend, tegen Lucas aantewenden; maar veeleer opzettelijk te onderzoeken, of hij ook in
zijn Evangelieverhaal misschien evengelijk als in de Handelingen
der Apostelen, een soort program van wat volgen zal, voorop laat
ss

9
gaan; en voorts eenigszins andere volgorde kan bedoelen dan
eene strikt-chronologische. Onwillekeurig komt dan de vraag op,
of niet afgezien van Luc. 1 : 3, 4 soms Luc. 4 : 14, 15
eenigszins overeenkomstigen dienst moet doen als Hand. 1 : 8 ;
en Luc. 9 : 22 v.v. van soortgelijke strekking is als Hand. 9:15.
En van de groote bezwaren tegen Lucas' zelfstandige en
betrouwbare kennis van den arbeid onzes Heilands ziet men
meermalen reeds dadelijk in de vooraanplaatsing van Zijn
optreden te Nazareth, 4 : 1630. Marcus spreekt van die
aanwezigheid en werkzaamheid des Heeren te Nazareth, eerst
hfdst. 6 : 16, en Mattheus, hfdst. 13 : 5458. Nu meenen
sommigen wel, dat de Heere tweemaal te Nazareth gesproken
heeft, doch niet aangenomen is, zoodat Lucas Zijne eerste, Marcus
en Mattheus Zijne tweede verwerping aldaar zouden berichten. **)
Maar de meesten houden het ervoor, dat alle drie verhalen op
dezelfde geschiedenis betrekking hebben. Het is ook inderdaad
minder aannemelijk, dat de Heere tweemaal op ongeveer dezelfde
wijze te Nazareth geweest en bejegend zoude zijn, gesproken
hebben, en uitgeworpen zoude wezen. ) Bovendien laat Lucas
in 4 : 23, door vermelding van 's Heeren woord aangaande Zijne
wonderen te Kapernaum reeds gewrocht, zelf uitkomen, dat wat
hij nu het eerst van 's Heeren openbare ambtsbediening verhaalt,
toch niet geschiedkundig of chronologisch het eerst heeft plaats
gehad. Ontbreekt nu alle grond voor de meening, dat de beteekenis van dit vers, 4 : 23, voor zijne verhaalorde en vooraanplaatsing van deze geschiedenis, aan Lucas zeiven ontgaan
zoude zijn, ) dan kan dit vers tevens doen zien, dat hij althans
met het verhaal van deze gebeurtenis zich opzettelijk niet richt
naar, noch houdt aan tijdsorde, maar een ander doel met die vooraanplaatsing nastreeft. Men heeft dat andere doel willen zien in den
wensch, om zekeren topologischen gang van 's Heeren werkzaamheid te teekenen: NazarethKapernaum Galilea Jeruzalem. )
Of ook zou Lucas terstond 's Heeren verwerping door Isral hebben
willen typeeren: wat Hem door het Joodsche volk aangedaan zou
worden, werd Hem reeds dadelijk te Nazareth aangedaan; in
overeenstemming met het wedervaren eertijds van de profeten
Elia en Eliza. ) Deze beide gedachten kunnen waarheid bevatten.
Maar de hoofdzaak wordt daarbij onbesproken gelaten. Die ligt
in 's Heeren eigen doen en spreken te Nazareth, Luc. 4:1721.
35

36

87

8S

10
De Heere verklaart daar uitdrukkelijk, dat in Hem en Zijn spreken
op dat oogenblik, de voorgelezen profetie van Jesaja 61:1,2; 58:6,
hare vervulling ontvangen heeft. ') Schrijft Th. Zahn, dat de
Heere niet slechts verklaart, dat Hem de prediking des heils het
wezenlijke van Zijn beroep is, maar dat Hij juist nu, terwijl Hij
Gods Woord verkondigt, dat beroep uitoefent, en dat alzoo de
door Hem aangekondigde genadetijd aangebroken is, *) dan noemt
ook hij het voornaamste nog niet, n.m.1. dat de Heere Christus
alzoo pretendeert en uitspreekt, de geprofeteerde, en in Jes. 61:1,2
voorgestelde of aangewezen, Knecht des Heeren te zijn. * ) En
juist om dit laatste is het Lucas nu allereerst te doen; waarom
hij van 's Heeren prediking destijds ook slechts deze enkele,
maai haar inhoud kort weergevende, woorden mededeelt: heden
is deze Schrift(plaats) in uwe ooren vervuld, 4 : 21. Die Schriftplaats spreekt allereerst van een Persoon, en wijst als met den
vinger Hem aan, en handelt slechts daarna over Zijn arbeid. En
door de vermelding alleen van 's Heeren woord in 4 : 21, doet
Lucas uitkomen, dat hij den Heere Christus dadelijk wil doen
zien in hetgeen Hij wezenlijk is, en van Zich pretendeerde.
Daarom heeft hij deze Nazareth-geschiedenis aan het hoofd van
zijn beschrijving van 's Heeren openbare werkzaamheid in Kanaan
gesteld. Hij bedoelt Christus-teekeningte geven, door het verhalen
van 's Heeren woorden en werken. En daartoe wil hij nu dadelijk
den Heere Christus laten zien in het volle Schriftlicht, dat Hij
Zelf op Zich vallen liet. Opdat van den aanvang gezien zou
worden, Wie Hij is naar de H. Schrift, en volgens eigen uitspraak
en pretentie. Vanzelf komen daar dan in de tweede plaats bij Zijn
wedervaren en Zijne verwerping door Isral, die hier vervolgens
eveneens in Schriftlicht gesteld worden, wederom door den
Heere Zeiven. Maar 's Heeren Persoon gaat toch voorop. Hij Zelf
naar Zijn ware en heerlijke wezen, en naar Zijne Zelfaanwijzing,
moest van den beginne in helder Schriftlicht gezien worden, met
hetgeen Hem van Israls wege zoude worden misdaan.
8

Het is dus niet gebrek aan historie-kennis, die Lucas deze


Nazareth-geschiedenis vooraan stellen deed, noch verwarring of
vermenging en verkeerde samenbinding van verschillende bronnen," maar bewust bedoelen en opzettelijk zoeken van duidelijke
Christus-teekening. Het laat zich gemakkelijk denken, dat wie
alzoo met klaar inzicht en bewuste bedoeling handelt, daarna zijn

11
doel niet oogenblikkelijk uit het oog verliezen zal, maar integendeel
trachten, het ook in zijne verdere beschrijving na te jagen, zoodat,
wat hij verder verhaalt, in zijne rangschikking beheerscht gedacht
worden moet door het doel van Christus-voorstelling, en daarom
bezien moet worden in het licht van deze vooropschuiving
van de geschiedenis te Nazareth. Lucas wil er, met getrouwe
mededeeling van hetgeen metterdaad voorviel, en door den Heere
gedaan of gesproken werd, steeds voller het beeld van den Heere
Christus, Zijne grootheid en heerlijkheid, door doen uitkomen.
Een ander bezwaar meent men wel te zien in Luc. 5 : 1ll,* )
waar de wonderbare vischvangst verhaald wordt, en de Heere ten
laatste tot Simon zegt: van nu aan zult gij menschen vangen.
Wij kunnen nu de ongegronde meening daar laten, die deze vischvangst voor dezelfde houden wil, als die in Joh. 21 : 1 v.v.
beschreven.* ) Maar men vraagt, hoe wij dit verhaal te denken
hebben tegenover dat van 's Heeren roeping der vier discipelen
Petrus en Andreas, Jacobus en Johannes, in Matth. 4 : 1822
en Mare. 1 : 1620. Zijn dat twee verhalen van dezelfde geschiedenis, **) of verhaalt Lucas eene andere gebeurtenis, dan
Mattheus en Marcus?* ) Nu heeft ook hier weer de zucht,
Lucas in zijn verhaal afhankelijk te achten van Marcus' Evangelieverhaal, belemmerend gewerkt voor het rechte verstaan van Lucas'
bedoeling. Dat hij hier eene roepingsgeschiedenis zou willen
mededeelen, *) zegt Lucas niet. En ook is zijn verhaal dezer
vischvangst niet zoodanig, dat men dit wel als vanzelf denken
moet, en verstaat, 's Heeren woord in vs. 10: vrees niet, van nu
aan zult gij menschen vangen, is toch eigenlijk geen roepen om
te volgen, veeleer eene aankondiging van wat nu effectief worden
zal, en veronderstelt dus reeds de discipel-verhouding van Simon
tot den Heere. * ) Ook de teekening hier door Lucas van het doen
des Heeren tegenover Simon, en van dat van dezen laatste tegenover den Heere, en zijn verhaal van 's Heeren komst in Simons
huis, 4 : 38, 39, doen als vanzelf denken, dat Lucas reeds Simons
bizondere discipelschap des Heeren als bekend aanneemt, en over
's Heeren roepen van de bekende vier tot dat discipelschap niet
schrijven gaat. Voor vereenzelviging van de gebeurtenis, in Luc. 5 :
111 beschreven, met die, in Matth. 4 : 18 en Mare. 1 11620
medegedeeld, ontbreekt dan eigenlijk ook alle noodzaak, en zelfs
waarschijnlijkheid. Daar is te weinig gelijkheid, en te veel ongelijk3

12
heid tusschen beide verhalen. ) Lucas wil met het verhaal dezer
wonderbare vischvangst niet de geschiedenis van Simons roeping
tot discipel beschrijven, maar de grootte van 's Heeren oppermacht
doen zien. Die vischvangst deelt hij daarom mede niet hoofdzakelijk om Simons wil, of om te doen weten, hoe deze tot
's Heeren bizonderen discipel geroepen werd, maar om des Heeren
wil, en tot bekendmaking van de macht des Heeren. Die vischvangst zelve was tevens zinnebeeld en profetie, en als zoodanig
ook door den Heere bedoeld, gelijk uit Zijn woord tot Simon in
vs. 10 blijkt. * ) Maar Lucas' verhaal van deze wonderbare vischvangst bedoelde in de eerste plaats, de grootheid des Heeren in
het licht te stellen, gelijk zij zich openbaarde in Zijne beschikking
ook over de visschen in de diepte der zee; vgl. vs. 8, 9.
Dat Lucas den Heere wil doen zien in Zijne heerlijke Zelfopenbaring door woord en daad, laat hij ook uitkomen in zijne
mededeeling, dat een roep van Hem uitging door het gansche
omliggende land, en dat Hij, predikende in de synagogen, door
allen geprezen werd, in 4 : 14, 15. Die woorden geven eene
kenschetsing. Zij zijn eene aanduiding van wat het volgend verhaal
zal doen zien.' ) Lucas komt er dan ook telkens a.h.w. op
terug: 4 : 22, 36, 37; 5 : 15, 26; 7 : 1, 17 enz. Wat hij verder
mededeelt, dient telkens o.z.t.z. tot adstructie van zijn zeggen
in 4 : 14, 15; het is er gedurig weer de bevestiging van.
Toch bedoelt Lucas niet alleen den Heere in Zijne grootheidsopenbaring en wonderdaden te beschrijven, maar ook in Zijne
Zelfvernedering, in Zijn lijden en sterven, en daarna in Zijne
opstanding en hemelvaart. Daarom brengt hij in zijn verhaal met
9 : 1850 eene wending. Hij heeft tenslotte des Heeren gansche
beeld in betrekkelijk volle teekening geschetst, met het verhaal
van Zijne wonderbare spijziging van duizenden met enkele brooden
als laatsten trek, waarin 's Heeren grootheid en mogendheid als
op de schoonste wijze uitkwamen. Daarom laat hij nu volgen de
beschrijving van 's Heeren gesprek met de discipelen, om hen
Hem als den Christus Gods te doen belijden, ") maar daaraan te
verbinden Zijne aankondiging van Zijn lijden en sterven en opstanding, welke aankondiging tot stempel dient van wat Lucas
dan vervolgens verhalen zal.
In het licht van die lijdensaankondiging des Heeren met wat
Hij verder zegt in Luc. 9 : 2227, moet ook gezien worden het
48

13
groote stuk van Lucas' Evangelieverhaal van hfdst 9:5118:14.
Men noemt dit veelal de groote inlassching. Bij vergelijking toch
van Lucas' Evangelieverhaal met dat van Marcus, ziet men, dat
bij Marcus ontbreken de verhalen, welke Lucas hfdst. (6 : 20
of) 7 : 18 : 3, en hfdst. 9 : 5118 : 14 geeft. En bij de veronderstelling, dat Lucas Marcus' Evangelieverhaal overnam, maar
het met allerlei stof uit andere bronnen aanvulde, zegt men dan,
dat hij hfdst. 7 : 18 : 3 in het raam van Marcus' Evangelieverhaal invoegde, alsmede hfdst. 9 : 5118 :14. Het eerste noemt
men daarom kleine inlassching, en het tweede groote inlassching. )
En vanzelf heet Lucas dan bij deze groote inlassching" zijne
bronnen weer niet op gelukkige wijze in elkander gewerkt,
noch als schrijver bizonder werk geleverd te hebben. ) Doch
wanneer we Lucas' Evangelieverhaal op zichzelf nemen, en
rekenen met wat hij van zijne handelwijs mededeelt en merken
laat, kunnen we op zijn ordening en schrijven ook in dit deel
een anderen blik krijgen. Vooreerst is reeds opmerkelijk, dat
Luc. 9 : 3818 ; 14 weinig wonderwerken des Heeren bevat,
veel minder dan Luc. 4 : 169 : 27. De Heere verlost den bezeten knaap, Luc. 9 : 3743, werpt nog een duivel uit, en geneest
alzoo een doofstomme, Luc. 11 : 14, geneest een 18-jaren lange
kranke vrouw, Luc. 13 : 1113, en insgelijk een waterzuchtig
man, Lnc. 14 : 24, en reinigt tien melaatschen, Luc. 17:11 19.
Maar overigens worden in Luc. 9 : 5118 : 14 hoofdzakelijk
gesprekken en woorden des Heeren medegedeeld. Zelfs dient
dan het verhaal der daarin nog vermelde wonderen meer om de
aanleiding tot 's Heeren woorden aan te geven, dan om die wonderen alszoodanig, of als blijken van 's Heeren wonderkracht en
grootheid, mee te deelen. Dat is anders in Luc. 4 : 169 : 17.
Daarin komen evenzeer reden des Heeren voor, Luc. 6 : 20 v.v.;
8 : 4 v.v., en gesprekken, Luc. 4 : 23 v.v.; 5 : 31 v.v., e.a., maar
is het aantal van Zijn wonderen betrekkelijk groot, veel grooter
dan in Luc. 9 : 28 v.v., en draagt ook het verhaal dier wonderen
een ander karakter, doordat zij daarin als om hun eigen wil,
d.w.z. als openbaringen van 's Heeren grootheid en macht, beschreven worden. In Luc. 4 : 169 : 17 zijn het vooral daden
of wonderen des Heeren, die door Lucas medegedeeld worden,
maar in Luc. 9 : 3818 : 14 hoofdzakelijk reden of woorden. )
En zoo komt de Heere in die eerste hoofdstukken, Luc. 4:16 v.v.,
M

63

64

14
met name uit naar Zijn kunnen en doen, groote macht en heerschappij, zelfs bij Zijn onderwijs, maar gaat het in de hoofdstukken
9 : 51 v.v. speciaal om Zijne woorden, zoodat de mededeeling
van Zijne wonderwerken daar a. h. w. bijkomstig is. Boven Luc.
4 : 169 : 17 zouden we als den inhoud kort samenvattend opschrift kunnen stellen: de Heere als Heilswerker; boven Luc.
9 : 5118 : 14 echter: de Heere als Heilsverkondiger. Met het
oog hierop is ook opmerkelijk, dat Lucas zelf, in Hand. 1 : 1
den inhoud van zijn Evangelieverhaal beknopt aangevende, zegt,
dat hij zijn eerste boek gemaakt heeft van al hetgeen onze Heiland
begonnen is beide te doen en te leeren. Dat doen kunnen we
voornamelijk in Luc. 4 : 169 : 17 verhaald zien, dat leeren in
Luc. 9 : 51 v.v. In samenhang hiermede mogen we uit Lucas'
karakteristiek van wat zijn Evangelieverhaal bevat, afleiden, dat
hij zeer wel wist, wat hij geschreven had, en hoe, en ook waarom
hij aldus had geordend. En dan heeft ook de samenvoeging en
ordening van wat hij in hfdst. 9 : 5118 : 14 mededeelt, zijn
goede reden,") gelijk ook te meer blijken kan, wanneer wij dit
deel van Lucas' Evangelieverhaal bezien in het licht van 's Heeren
woord, dat in hfdst 9 : 2227 voorkomt, waarvan de lijdensaankondiging een deel vormt, die de Heere ook meermalen heeft
herhaald, Luc. 9 : 44; 17 : 25; 18 : 32, 33, en waarop Lucas
door de mededeeling telkens van die herhaling ook bizonderen
nadruk legt. Lucas heeft, naar uit bovenstaande feiten of gegevens
afgeleid kan worden, progammatisch 's Heeren woord in hfdst
9 : 2227 aan het hoofd gesteld van wat dan in de volgende
hoofdstukken vermeld zal worden, soortgelijk als hij in hfdst.
4 : 14, 15, en in Hand. 1 : 8 en 9 : 15 een korte aanduiding
laat voorafgaan aan wat daar dan volgen zal. In deze aldus door
Lucas met bizondere bedoeling hier verhaalde en ter belichting
van den inhoud der volgende hoofdstukken geplaatste woorden
des Heeren, zegt onze Heiland allereerst, dat Hij lijden moet op
allerlei wijs, steeds erger, tot den dood toe, maar dat Hij daarna
ook weer opgericht zal worden, 9 : 22. Hiermede is vanzelf ook
de verhouding van den Heere Christus tot de wereld aangegeven,
en de vijandige houding der wereld tegenover onzen Heiland.
Daaruit vloeit voort, dat dus ook 's Heeren discipelen, gemeente,
geloovigen, tot zelfverloochening en het loslaten van de wereld
met hare goederen, bereid en genegen moeten zijn, 9 : 23, 24.

15
Daar is om 's Heeren wil eene tegenstelling ook tusschen de
wereld met hare goederen, n hen, waarom door hen gekozen
moet worden: tusschen den Heere n de wereld met hare goederen,
tusschen het nu n het straks, dit heden n de toekomst, 9:2527.
Wie het hem aangename van dezen tijd, met de genietingen en
goederen dezer wereld en dezes aardschen, tijdelijken levens, wil,
kan 's Heeren discipel niet zijn. En wie daarom dat verkiest en
vasthoudt, met voorbijgaan en loslaten van den Heere Christus
en Zijn Woord en dienst, ziet zich straks door Hem verworpen,
en in smart en ontbering verlaten, 9 : 26, 27. Deze onderscheiden,
in Luc. 9 : 2227 liggende momenten of gedachten worden in
wat Lucas hfdst. 9 : 51 v.v. verhaalt, in hunne historische verwerkelijking, of naar breedere aanwijzing en ontwikkeling, uiteengezet. Het is daarbij de Heere Christus in Zijne velerlei miskenning en bestrijding, Die ons geteekend wordt, in Zijn lijden
op onderscheiden manier en van allerlei kant, tot Zijn ondergang
ook in den dood des kruises; maar ook in Zijne opwekking en
verheerlijking; en, daarmede samenhangend, de waarheid, dat om
Zijnentwil opgegeven moet worden wat dezer wereld is. Gij kunt
niet God dienen en den mamon, Luc. 16 : 13. Maakt uzelven
buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de
hemelen, waar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. Want
waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn, Luc. 12 : 33,34.
II.
Het hoofddoel, dat Lucas zich bij en met zijn Evangelieverhaal
gesteld heeft, is alzoo Christus-teekening, de voorstelling, mededeeling, beschrijving van al hetgeen onze Heiland begonnen is
beide te doen en te leeren, Hand 1 : 1 ; hetwelk hij zegt alles
van den beginne met nauwkeurigheid eerst te hebben nagegaan,
Luc. 1 : 3. Dit kan, reeds uit den aard der zaak, vgl. Joh. 21 : 25,
moeilijk beteekenen, dat Lucas alle daden of wonderen, door den
Heere verricht, en alle woorden, door Hem gesproken, beweert
medetedeelen. Want wanneer hij van 's Heeren prediking te
Nazareth alleen, behalve den tekst, Luc. 4 : 1719, het woord in
vs. 21 vermeldt, maar daarop veel uitvoeriger Zijne strafrede tot
de inwoners van Nazareth weergeeft, mogen we uit dit laatste wel
opmaken, dat hij ook van de voorafgaande Evangelieprediking wel

16
meer geweten heeft, dan het enkele woord, in vs. 21 opgeteekend,
doch slechts den wezenlijken inhoud en het kernwoord te boek
stellen wil. ) Hij geeft ook meermalen korte samenvattingen van
's Heeren doen, 4 : 40, 41; 9 : 7, 43 e.a., en van Zijn leeren,
4 : 44; 5 : 1, 17; 8 : 1 e.a., die het vermoeden wekken, dat hij
veel breedvoeriger daarover had kunnen schrijven; vooral, wanneer
wij daarbij denken aan allerlei detailbeschrijvingen, door hem
daarnaast gegeven, en aan zijn opzettelijke vermelding in den
aanvang, alles van tevoren met nauwkeurigheid nagegaan te hebben.
Ook zal hij wel van feiten als de spijziging der 4000 kennis gehad
hebben, vgl. Mare. 8 : l - 1 0 . ) Heeft hij nochtans het verhaal
daarvan achterwege gelaten, dan kunnen we ook daaruit afleiden,
dat hij niet, wat het aantal betreft, alle 's Heeren daden en woorden
heeft willen, noch meenen te verhalen, maar slechts die alle, welke
noodig waren, den Heere naar Zijn ware wezen en grootheid in
werk en woord ten volle te leeren kennen, en als te doen zien en
hooren. Hij heeft uit alles, wat hij van 's Heeren daden en woorden
wist, eene keus gedaan, om slechts een deel dier wonderwerken
en gesprekken uitvoeriger medetedeelen, en wel zoodanig, dat de
Heere Christus daardoor a.h.w. volledig beschreven werd. En hij
heeft daartoe eene verhaalorde gevolgd, die geschikt geacht
mocht worden, om daardoor allengs voller het beeld van den
Heere Christus weertegeven, en eindelijk Hem naar Zijne heerlijke
grootheid en volheid in wonderen en woorden, in machtsopenbaring,
^heilswerking, Evangelieprediking, Zelfvernedering, en verhooging,
voor den geest te doen staan. Alleen maar legt Lucas er bizonderen
nadruk op, dat hij alleen historie verhaalt, enkel wat metterdaad
door den Heer gedaan en gesproken werd, beschrijft, zoodat
Theophilus zich verzekerd mag houden van de waarheid van
hetgeen hij aangaande onzen Heiland reeds vernomen had, en
Lucas zelf zich a.h.w. borg stelt voor de betrouwbaarheid van
wat hij gaat mededeelen, Luc. 1 :3, 4. Door zijne keus van stof
en van orde van verhalen wordt aan de werkelijkheid van
het verhaalde geenerlei afbreuk gedaan. Het niet-mededeelen van
het een, maakt het wel vermelde niet onhistorisch, niet tot legende,
noch tot verzinsel. ) Ook eischt de werkelijkheid van wat voorviel,
niet, dat alles in stipte tijdrekenkundige volgorde medegedeeld
wordt, om als waarheid te mogen gelden. Lucas groepeert en
verbindt en ontwikkelt zoodanig, dat in geleidelijk voortschrijdende
B8

68

17
beschrijving en teekening duidelijk een samenhangend geheel van
's Heeren openbaring naar wezen, in werk en woord, positie en
wedervaren, gegeven wordt, en we niet maar feiten komen te zien,
maar den Heere Christus Zeiven, gelijk Hij in Zijne werken en
woorden als Zone Gods en Heiland der wereld Zich geopenbaard
en gegeven heeft.
Om dat recht te doen, begint Lucas met de beschrijving van
de aankondiging der geboorte van Johannes den Dooper, 1:525,
en verhaalt hij later diens geboorte zelve, 1 : 5780, en zijne
werkzaamheid, 3 : 120, niet om die gebeurtenissen op zichzelve,
maar vanwege hare beteekenis in betrekking tot den Heere Jezus
en Diens geboorte en arbeid. Dat blijkt reeds uit zijne mededeeling van het woord des engels Gabrils, aangaande Johannes'
roeping, 1 : 1417, en uit wat hij van de ontmoeting van Maria
en Elizabeth mededeelt, 1 : 3956; voorts uit de overlevering
van Zacharias' lofzang, 1 : 6879, en uit de teekening van
Johannes' arbeid en prediking, 3 : 117; en eindelijk uit de
afsluiting van zijn verhaal van Johannes en diens optreden,
3 : 1820, voordat hij met dat van 's Heeren openbare ambtsbediening aanvangt, 3 : 21 v.v.; vgl. ook 7:18 v.v., en 9 : 9 . )
Dit alles moet dienen om te meer het licht te doen vallen op
den Heere Christus en Zijne geboorte, grootheid en arbeid, en
alzoo Hem in het rechte licht te doen zien.
Daarom heeft hij ondertusschen ook de aankondiging van
's Heeren eigene geboorte verhaald, 1 : 3638, en doen weten,
dat Hij niet een menschenkind is als alle anderen, maar in gansch
bizonderen zin Gods Zoon, 1 : 35; en deelt hij voorts ook die
geboorte zelve mede, met hetgeen toen heerlijks en groots voorviel en gezegd werd, 2 : 138; en geeft hij bovendien eene
enkele geschiedenis uit de jonge jaren onzes Heilands, 2:4151,
teneinde alzoo te doen uitkomen, hoe de Heere reeds toen Zich
kende en openbaarde.
En gaat hij vervolgens over tot het verhalen van 's Heeren
openbare werkzaamheid, en vangt hij daartoe aan met de mededeeling van Zijnen Doop, 3 : 21, 22, dan kunnen we uit de
wijze, waarop hij dien Doop verhaalt, zien, dat hem daarbij
hoofdzaak is niet de beschrijving van dien Doop zeiven, ) vgl.
Matth. 3 : 1315; Mare. 1 : 9, maar datgene, wat op dien Doop
volgde: in het geopend worden van den hemel, nederdalen van
69

60

18
den H. Geest in zichtbare gedaante als een duif, en klinken van
Gods stem, met wat zij zeide. 's Heeren grootheid wil hij alzoo
in het licht stellen, Zijn ware wezen. Daarmede samenhangend,
deelt hij vervolgens Zijn geslachtsregister mede, en duidt hij alzoo
de universeele, heel de menschheid omvattende, beteekenis van
Zijn Persoon en werk aan.
Bij 's Heeren verzoekingen door den duivel, daarna door hem
verhaald, 4 : 113, doet Lucas Zijne onzondigheid en onverleidbaarheid uitkomen. In welke ontbering ook verkeerende, 4 : 2 ,
hoezeer ook alles als voor het grijpen hebbende, 4 : 5, hoe ook
geprikkeld, 4 :911, de Heere wankelde zelfs geen oogenblik.
Mattheus geeft eene andere volgorde der 2de en der 3de verzoeking. De innerlijke waarschijnlijkheid pleit er voor, dat hij de
historische volgorde der verzoekingen weergeeft, zoodat de duivel
eerst op het laatst met zijne eigenlijke bedoeling voor den dag
gekomen is, om daarop ook uit 's Heeren mond te hooren: ga
weg van Mij, Matth. 4 : 10. Lucas heeft die verzoekingen dan
in andere volgorde verhaald, misschien om eene idee als deze
uit te drukken: eerst de verzoeking, die zich aansloot bij 's Heeren
lichamelijk behoeftegevoel; dan de verzoeking, die bedriegelijk
Hem het ontgaan van lijden en dood voorspiegelde, en alzoo
berekend was op Zijn menschelijk opzien tegen den te onderganen smaad en schrik en strijd; vervolgens eindelijk de verzoeking,
die zich richtte tot Zijn Zelfbesef, en die dat wilde prikkelen tot
IJdele Zelfverheffing. ) In elk geval doet Lucas de grootheid en
heerlijkheid des Heeren uitkomen, gelijk zij openbaar werden in
Zijne onwankelbare standvastigheid tegen alle verleiding, wat
Hem ook mocht deren, of wachten, of prikkelen.
61

Wanneer Lucas hierna aanvangen wil met de mededeeling van


's Heeren wonderwerking en prediking, om Zijne openbare ambtsbediening ten aanzien van, of onder het volk te teekenen, laat
hij eerst nog voorafgaan eene korte beschrijving van 's Heeren
arbeid, en van den indruk, dien Hij daarmede maakte, 4:14,15,
om aldus te doen weten, van welken overweldigenden aard dat
was: een roep ging er van uit, door het gansche omliggende
land, en Hij werd geprezen door allen. Deze woorden schrijft
Lucas niet doelloos. Maar hij geeft reeds dadelijk het karakter
aan van hetgeen hij verder aangaande 's Heeren Evangelieverkondiging en wonderdaden verhalen zal. Wij zouden in zeker opzicht

19
kunnen spreken van een kort program, ) dat hij vervolgens gaat
uitwerken, of van eene algemeene kenschetsing, die hij daarna
door feitenbeschrijving rechtvaardigt. Allereerst geeft hij plaats
aan het verhaal van 's Heeren optreden te Nazareth, 4 : 1630.
Evenwel niet, omdat die Nazareth-gebeurtenis tijdelijk den openbaren arbeid des Heeren ingeleid zou hebben, noch omdat Lucas
dat gemeend zou hebben, 4 : 23, ) maar om alzoo terstond den
Heere Christus te doen zien en kennen in Zijn wezen: Wie Hij
is naar Zijn Persoon, naar de H. Schrift, naar eigen beweren,
naar Zijn roeping en arbeid. ) Hij is de door Jesaja geprofeteerde
Knecht des Heeren. Hij werd met den H. Geest gezalfd, als daar
staat geprofeteerd. Hij kwam het Evangelie brengen, vrijheid en
verlossing werken, genezing schenken, aan het arme, gevangene,
ellendige, gewonde en gebrokene. Heel de profetie van Jes. 61:1,2
was in Hem, naar Zijn eigen woord, 4 : 21, vervuld, naar wat
Hij was, en naar wat Hij deed of doen zou. Dat wenschte Lucas
op den voorgrond te stellen. Daarom verhaalt hij dit optreden
te Nazareth, ofschoon eerst later vallende, wat orde van tijd betreft, vr alle andere woord of werk des Heeren. Zijn verdere
verhaal zal de ontvouwing als in deelen zijn van deze Zelfopenbaring des Heeren, of de in het lichtstelling van de waarheid
daarvan, door mededeeling van bizondere feiten, van bepaalde
wonderwerken en Evangeliewoorden des Heeren. Wat Lucas dus
verder aan mededeeling van 's Heeren werken en woorden volgen
laat, moet bezien worden in het licht van deze Zijne Zelfopenbaring te Nazareth. Het dient als tot toelichting en bevestiging
van die Zelfopenbaring des Heeren, en geeft in daden te aanschouwen, welke heerlijke volheid des heils in en met den Heere
Christus en Zijn werk geschonken is, en wat die Zelfopenbaring
des Heeren te Nazareth aan verlossing en zegening in zich bevat
voor het in zichzelf geheel ellendige en verlorene, lichamelijk
en geestelijk.
Maar de Heere Christus zal, ondanks Zijn heilswerk en Evangelieprediking, door Israls volk en de menschheid als zoodanig of in
hun geheel, toch niet aangenomen worden voor wat Hij wezenlijk
is. Hij zal worden wederstaan en verworpen, zelfs ook tot den
dood des kruises. Lucas wijst ook daar nu op, door vrij uitvoerig
mee te deelen 's Heeren verwerping door de inwoners van Nazareth,
en Zijn woord dienaangaande. ) Zoo kan die verwerping van den
2

63

64

65

20
aanvang gezien worden in Schriftlicht, en als in overeenstemming
met wat 's Heeren gezanten en dienaren ook reeds van ouds
ondervonden hebben, en dus als vervulling van profetie. Als
algemeen niet-aangenomen en lijdenden Christus doet Lucas
Hem terstond aan ons zien.
Wanneer Lucas zijne detailteekening van den Heere Christus
in de beschrijving van bepaalde wonderen en redevoeringen des
Heeren nu aanvangt, en de uitwerping van een duivelschen geest
uit een armen lijder verhaalt, 4 : 3137, bedoelt hij Hem alzoo
in de eerste plaats voor te stellen als Die volle heerschappij heeft
ook over het duivelenrijk, en dientengevolge volkomen Verlosser
des menschen is ook van de overheersching door de booze
geesten. ) Zelfs de duivelen kenden Hem en vreesden Hem.
Maar hoe boosaardig deze bepaalde booze geest ook wezen mocht,
zooals bleek uit zijn woeden tegen zijn slachtoffer, dat hij zelfs
bij zijn uitgaan nog zocht te schaden, zooveel hij vermocht, en
dat hij zoo mogelijk ook toen nog verderven wilde, 4:35, moest
hij nochtans onverwijld en onvoorwaardelijk aan 's Heeren woord
gehoorzamen, dat met een enkel machtsbevel hem deed zwijgen
en onwederstandelijk uitdreef, 4 : 36. En de ongelukkige werd
ongedeerd en heerlijk bevrijd.
66

Maar niet alleen is de Heere Christus Verlosser des menschen


van geestelijke overheersching en ellende, doch ook van lichamelijk
lijden. Hij werpt duivelen uit, en breekt satans heerschappij en
vernieling, maar geneest ook van krankheid des lichaams, van
ziekte van allerlei aard. Ten blijke daarvan deelt Lucas in de
tweede plaats mede een geval van lichamelijke gezondmaking,
door den Heere gewerkt, 4 : 38, 39, in het verhaal van Zijne
oprichting van Simons schoonmoeder, die Hij van zware koorts
herstellen deed, wederom door Zijn gebiedend woord slechts. )
De Heere Christus redt alzoo den ganschen mensch, lichamelijk
en geestelijk beide, en betoonde Zich een volkomen Zaligmaker,
Die zoowel de heerschappij der duivelen te niet doet, al lichamelijke
krankheid wegneemt. En om die tweerlei verlossing des menschen
door den Heere te doen zien, en alzoo de volkomenheid van
Zijn verlossingswerk in het licht te stellen, daartoe heeft Lucas
nu deze twee wonderwerken des Heeren verhaald; terwijl hij
eerst de uitwerping des duivels teekende, als grooter machtsopenbaring des Heeren, en redding uit erger ellende, maar daarop
67

21
ook laten volgen het verhaal van Zijne genezing van koortslijden,
als blijk van de volheid der verlossing, die de Heere werkt voor
den geheelen mensen en uit allen nood.
Deze beide gevallen stonden echter niet op zichzelve. Het
waren maar niet twee losse reddingen zonder meer. Lucas heeft
ze verhaald als typen. Daarom voegt hij er terstond bij de mededeeling, dat de Heere vele dergelijke lichamelijke, 4 : 4 0 , en
geestelijke verlossingen, 4 : 41, werkte, ) en dat niet slechts te
Kapernaum, 4 : 31, doch ook in de andere steden, 4 : 42, 43, en
in het geheele Joodsche land, 4 : 44. ) De inhoud der verzen
4:4044 dient dus, om het algemeene der in 4 : 3139 beschreven
bevrijdingen te doen kennen, zoowel wat het aantal en den aard
der gevallen betreft, 4 : 4041, als wat de plaatsen aangaat,
4 : 4244. Terwijl dus Lucas' verhaal in 4:31 39 dient om te
typeeren, moet dat van 4 : 4044 a.h.w. generaliseeren, en wel
in genoemd tweerlei opzicht. Beide groepen verhalen in onderling
verband, hebben de strekking, om de volkomenheid der hulp en
behoudenis, door God in den Heere Christus geschonken, voor
te stellen, en de grootheid en heerlijkheid van 's Heeren macht
en kracht en ontferming. Wat Zijne liefde wil bewerken, ontzegt
Hem Zijn vermogen niet." Hij heeft volle heerschappij over al
wat schepsel is, en oefent Zijn vermogen uit tot bevrijding van
het ellendige, dat zijn toevlucht tot Hem neemt, van welken aard
die ellende dan ook zij, en overal waar men tot Hem vlucht.
Deze gedachtenrijke ordening van zijn verhaal, wier opzettelijkheid te meer blijken kan uit de chiastische verbinding der
verhalen in 4 : 3141, kan opnieuw doen ontwaren, dat Lucas
maar niet gedachteloos verschillende verhalen naast elkander
stelt, noch ook tot hoofddoel heeft, in strikt chronologische
volgorde te verhalen, doch dat hij van wat de Heere deed en
sprak, een zakelijk geordend verhaal wil geven, zooals het meest
beantwoorden kon aan den eisch, om in geleidelijken voortgang
en samenhang steeds rijker het beeld van den Heere Christus naar
Zijne volheid te teekenen, gelijk Hij Zich groot en heerlijk in
Zijne werken en woorden openbaarde.
Met het oog daarop geeft Lucas nu vervolgens het verhaal
van de wonderbare vischvangst, 5 : 111. Zijne bedoeling daarmede is wederom niet voornamelijk, geschiedkundige opeenvolging
van gebeurtenissen aan te duiden, waarom hij ook alle tijdsopgave
68

89

22
achterwege laat. Ook is het hem nu niet in hoofdzaak te doen,
om de roeping van Simon en anderen tot 's Heeren bizondere
discipelen, te beschrijven. Hij spreekt nu zelfs niet eens van een.
bevel des Heeren aan hen om Hem te volgen, hoewel hij wel
dat volgen als feit mededeelt, 5 : 11, zonder echter te zeggen,
dat dit de aanvang van hun volgen van Hem in bizonder discipelschap was. Maar in aansluiting aan hetgeen hij in het vorige
hoofdstuk van 's Heeren machtsopenbaring en grootheid verhaald
heeft, gaat hij nu voort de hoogheid des Heeren voor te stellen,
gelijk die uitkwam in Zijne beschikkingsmacht ook over hetgeen
zich in de zee beweegt. ) Zelfs de visschen in de diepte der
zeewateren, zijn niet alleen voor Hem niet verborgen, maar staan
onder Zijne heerschappij, dat Hij ze doet komen waar Hij wil,
en geeft aan wien, en wanneer Hij wil. Dat we hierbij niet maar
enkel aan eene werking van 's Heeren kennis denken moeten,
maar ook van Zijne beschikking, ) kan reeds afgeleid worden
uit Simons ontroering en uitroep, 5 : 810a, ) en blijkt duidelijk
uit 's Heeren woord daarop tot Simon, 4 :106. En met het verhaal
van die verbazing van Simon en van de anderen, en van 's Heeren
woord tot dezen, doet Lucas uitkomen, dat ook hij nu bedoelt,
de macht des Heeren, Zijne alomvattende bevoegdheid en mogendheid van beschikking, aan te wijzen, gelijk zij in de heerschappij
ook over de visschen in de zee zichtbaar werd. Alles staat onder
's Heeren bevel. En Hij stelt het naar Zijne wijsheid en vrijmacht
ten dienste van de Zijnen, en geeft het, voorzoover dat noodig
is, aan Zijne dienaren. Ten blijke daarvan voerde Hij nu deze
buitengewone vangst visschen aan Simon en de anderen toe.
De Heere gaf daarmede tevens zinnebeeldig onderricht, met betrekking tot der discipelen Evangeliearbeid, 5 : \0b. In dien
arbeid kwam de vrucht of zegen van Zijne beschikking. Van Hem
alleen moesten de discipelen het ook daarbij verwachten. Maar
Hij zou dien arbeid ook wonderbaar rijk kronen, al was het op
gansch andere wijze, dan de Zijnen het zouden denken. De
discipelen en geloovigen konden en moesten zich geheel aan
den Heere overgeven. Hij heerscht over alles. En die hoogheid
en oppermacht des Heeren, en haar gebruik door Hem voor de
Zijnen in hun dienst van Hem, wil Lucas met zijne teboekstelling
van deze geschiedenis doen kennen. De Heere heerscht over de
duivelen, en bevrijdt van hunne vernieling. Hij geneest ook van
70

71

23
lichamelijke krankheid. Hij is Heere over de gansche schepping.
Hij kan daarom doen wat Hem behaagt.
Dat wil Lucas nu voorts doen zien door het verhaal van 's Heeren
reiniging van een melaatsche, 5:1216. Wederom wordt hierbij
door hem niet van tijd gerept. Om tijdsorde gaat het hem ook bij
dit verhaal niet. Maar dat de Heere alleen door Zijn machtig bevel
ook de ongeneeslijke melaatschheid wegnemen kan, wil hij in het
licht stellen. Dat blijkt mede daaruit, dat hij het erge dezer
melaatschheid aanwijst, door uitdrukkelijk te zeggen, dat deze kranke
vol melaatschheid was, 5 : 12; eene opmerking, die tegelijk bewijs
leveren kan van de nauwkeurigheid, waarmede hij alles nagegaan
heeft, zooals hij schrijft, 1:3; als ook van zijne zelfstandigheid in
mededeeling dezer gebeurtenis. Mattheus, 8:1-4, en Mare. 1:4045,
berichten deze bizonderheid niet. Lucas is in dit verhaal dus niet
maar afhankelijk van wat hij bij n hunner gelezen mocht hebben.
Hij wil door die opmerking op de almachtig werkende reddingskracht des Heeren te meer het licht doen vallen. Deze ongelukkige
zegt: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen, 5 : 12. En
de Heere bestraft hem om dat woord niet, maar aanvaardt die
erkentenis, en toont er de waarheid van aan door Zijn korte:
Ik wil, word gereinigd, 5 : 13, waaraan ook de melaatschheid,
zelfs in dit vergevorderde stadie, oogenblikkelijk gehoorzamen
moest, 5:13. Niet alleen de visschen in de zee dus staan onder Zijne
heerschappij, maar ook aan alle krankheid heeft Hij slechts te gebieden, en zij moet terstond wijken, hoe erg haar karakter ook
zij, en hoever zij hare vreeselijke werking mocht hebben doorgezet.
Doch zoowel metaatschheidsreiniging als vischvangst, betreffen
slechts het lichamelijke en stoffelijke. Maar de Heere werkt ook
heerlijker wonderen, en verlossing van veel hooger waardij. Hij
schenkt ook vergeving van zonden. Om dat te doen zien, verhaalt
Lucas thans 's Heeren woord en doen ten aanzien van den door
het dak voor Hem neergelaten lamme, 5 : 1726. Daarbij is niet
Zijne werking van lichamelijke herstelling het voorname, noch
van die geschiedenis op zichzelve, noch van Lucas' verhaal dier
gebeurtenis, maar 's Heeren verleening van schuldvergiffenis, 5:20.
Daarover vielen de Schriftgeleerden en de Pharizen, 5:21. Dat
is het eigen privilegie Gods, 5 : 21. En ten bewijze, dat Hij ook
tot die zondevergeving op aarde zoowel het recht, als de kracht
heeft, schenkt de Heere daarop aan dezen kranke lichamelijk

24
herstel, 5 : 2225. Hier is dus de lichamelijke genezing niet het
eigenlijke. Zij moet thans dienen als kenmiddel. Zij is het mindere.
Maar haar werkt de Heere, om te doen zien, dat Hij ook het
hoogere doen mag en kan. Het zichtbare geeft Hij nu ten blijke
van het onzichtbare. Maar het groote en uitnemende is thans, dat
de Heere ook de zonden vergeeft, en alzoo de heerlijkste verlossing schenkt. Dat Lucas ook nu weer niet zoekt, in nauwkeurige tijdsorde te verhalen, laat hij daarin uitkomen, dat hij
slechts spreekt van: in n der dagen, 5 : 17. Hij wil echter in
al opklimmende mate de grootheid en hoogheid en heerlijkheid van
den Heere Christus en van Zijn verlossingswerk steeds vollediger
teekenen, en ordent met het oog daarop zijn verhaal van 's Heeren
wonderen en woorden.
Zoo vervolgt hij thans met het verhaal van Levi's roeping,
5 : 2732. De hoofdgedachte daarbij is de aanwijzing, dat de
Heere ook geestelijke genezing werkt, 5 : 31, d.w.z. innerlijke
vernieuwing, of verlossing van de zonde, 5 : 32. Hij schenkt niet
alleen kwijtschelding van de zondeschuld, maar maakt ook vrij
van de zondemacht. De zonde zelve doet Hij te niet, evenzeer
als hare droeve gevolgen van schuld en ellende naar lichaam en
geest. Hij maakt den mensch volkomen vrij in den waren zin des
woords, en verbreekt daarom voor en in hem ook alle banden
van ongerechtigheid en verkeerdheid. Hij zet den mensch ook
geestelijk om, maakt hem tot een in geestelijk opzicht ander
mensch, vernieuwt en reinigt hem, en voert hem uit zijn verkeerde
bestaan en doen uit, en doet hem tot een gansch ander bestaan
en dienstwerk overgaan. Dat laat Lucas zien door zijne mededeeling
van de geschiedenis van Levi's roeping. Dat betreft, zooals hij
duidelijk aangeeft door zijne opteekening ook van 's Heeren woord
in 5 : 31, 32, een geval van innerlijke reiniging, bekeering, vrijmaking van de zonde en hare verdorvenheid, overvoering uit den
dienst van zonde en verkeerdheid in Zijn gemeenschap en dienst.
En zoo stelt Lucas naast zijn verhaal van de openbaring van
's Heeren zondevergevende macht, dat van het betoon Zijner harten leven-veranderende en vernieuwende werking. Zelfs een
tollenaar, zoo diep verdorven, 5 : 30, 31, doet Hij breken met
de zonde, en met zijn gewone doen, op eenmaal, en Hem volgen,
met loslating van al het zijne, 5 :28, om als Zijn discipel voortaan
Hem te dienen met geheel zijn persoon en bestaan.

25
Alzoo bewerkt de Heere eene gansche innerlijke omkeering,
eene verandering van bestaans- en levenswijs. Hij brengt tot de
vrijheid der kinderen Gods. Ook het gansche leven verandert Hij
voor de Zijnen. De hoogste blijdschap doet Hij hen in Zijne gemeenschap genieten. Om op dit gevolg de aandacht te vestigen,
verbindt ook Lucas aan het verhaal om Levi's roeping door, en
zijn volgen van, den Heere, onmiddellijk dat van 's Heeren gesprek
over het vasten en den nieuwen wijn, die in nieuwe zakken
gedaan moet worden, 5 : 3339. De Heere noemt Zich duidelijk
den Bruidegom, 5 : 34, 35, en zegt daarmede tevens, dat met
Zijne komst en in Zijne gemeenschap, voor Zijne discipelen en
geloovigen eene algeheele verandering ingetreden is. De oorzaak
van droefenis werd weggenomen. Blijdschap werd voor hen aangebracht. Vreugde mogen zij genieten. Alle omstandigheden en
verhoudingen werden door Hem en in Zijne gemeenschap voor
hen omgezet.
En daardoor mogen zij niet alleen heilige blijdschap genieten
in den heerlijksten zin, maar ook in vrijheid leven. Ter voorstelling daarvan gaat Lucas nu voort met de mededeeling van
wat de Heere aangaande den Sabbath sprak, 6 : 111. De
sabbathsconflicten, die den Heere deze woorden deden spreken,
openbaarden het verzet der Pharizen tegen Hem; evenals ook
reeds hunne afkeuring, dat Hij met tollenaren aanzat, 5 : 30; en
hunne beschuldiging, dat Hij aan Godslastering Zich schuldig
maakte, 5 : 21. De vraag naar het niet-vasten Zijner discipelen,
deed ook reeds ontevredenheid over Zijn doen merken. Maar de
eigenlijke zaak bij dit sabbathsgeschil is die der vrijheid, welke
de Heere voor Zijne discipelen in Zijne gemeenschap aanbracht.
Hier wordt niet gesproken van de vrijheid des menschen als
zoodanig inzake het sabbathsgebod. ) Niet de mensch als mensch,
en los van den Heere Christus, maar de Zoon des menschen is
Heere van den sabbath, 6 : 5 . ) En slechts in Zijne gemeenschap
en dienst hebben ook Zijne discipelen of geloovigen vrijheid ten
opzichte van het sabbathsgebod. Deze vrijheid is echter eene bevoegdheid tot weldoen, tot het werken van heil. Daarin worden
zij door geene perken weerhouden. Met het oog daarop deelt
Lucas niet alleen het sabbathsconflict over het arenplukken der
discipelen, met 's Heeren woord toen> mede, 6 : 15, maar ook
dat naar aanleiding van den man met de dorre rechterhand, en
7S

74

26
diens genezing door den Heere, 6 : 611. Door dit tweede wordt
het karakter aangegeven van de vrijheid, die 's Heeren discipelen
of dienaren en geloovigen blijkens Zijn woord in 6 : 35, door
en met Hem, en in Zijnen dienst hebben. Die vrijheid moet niet
misverstaan worden. Zij is geene ongebondenheid, noch willekeur.
Maar zij is eene bevoegdheid om heil te werken, en te doen wat
behoudenis, leven, heilige vreugde brengt, 6 : 9.
Dat Lucas ook nu weer zakelijk ordent, en niet de tijdsorde
van het verhaalde als richtsnoer voor den loop van zijn verhaal kiest,
doet hij hier uitkomen, door dit tweede sabbathsconflict, 6 : 611,
terstond na het eerste, 6 : 15, mee te deelen, hoewel hij uitdrukkelijk schrijft, dat het op een anderen sabbath voorviel, 6 : 6 ;
erwijl hij in 6 : 1 ook wel, vanwege den aard van het geval,
zegt, dat de botsing op een sabbath plaats had, maar voorts alle
nadere tijdsbepaling weglaat. Maar in samenhang met het in
5 : 3339 door hem verhaalde over het niet-vasten en de blijdschap van 's Heeren discipelen in Zijne tegenwoordigheid bij hen,
schrijdt hij in 6 : 15 voort tot de aanwijzing van de vrijheid,
die de Heere voor de Zijnen in Zijnen dienst aanbracht, en stelt
hij daarna in 6 : 611 het wezen dier vrijheid in het licht;
zij is eene vrijheid om te redden, behoudenis te doen smaken,
zegening te werken.
Hiermede heeft Lucas in zekeren zin reeds een volledig beeld
van het werken van den Heere Christus geteekend, en Hem als
van alle kanten in Zijn heilsarbeid doen zien. Eerst stelde hij Hem
terstond voor in Zijne ware en volle wezen en Zelfopenbaring
bij Zijn optreden te Nazareth. Daarna liet hij Hem zien als Overwinnaar over de duivelen, en Verlosser van hunne overheersching,
maar tevens als Bevrijder van lichamelijke krankheid; en verhaalde hij voorts, dat de Heere Zich dat alles betoonde in allerlei
gevallen, en door het gansche land der Joden, overal. Vervolgens
teekende hij Hem in Zijne grootheid als Beschikker ook over de
visschen in de zee, en als den Reiniger van ongeneeslijke, droeve
melaatschheid, als den Qoddelijken Schenker van vergeving van
zonden, als Die ook de zonde zelve teniet doet, en hart en leven
vernieuwt, daarom ook blijdschap werkt, en vrijheid schenkt,
maar om heil te werken.
Nu gaat Lucas zijn verhaalstof afwisselen, om den Heere ook
eenigszins te doen kennen naar Zijn onderwijs. Daartoe deelt hij

27
thans de z.g.n. bergrede mede. Hij spreekt wel van eene vlakke
plaats, 6 : 17. Dit kan echter zien op een effen terrein op het
gebergte, ) zoodat de naam veldrede", door sommigen gekozen,
wel onjuist zal zijn. In die bergrede treedt de Heere op als (|
Souvereine Koning in het rijk Gods, 6 : 20, 22, 27, 46, 47, Die
Zijne heilige rijkswet bekend maakt en verordent. Deswege heeft
Lucas nog tevoren, 6 : 1216, Hem geteekend in Zijne vrijmachtige verkiezing der twaalven, als Zijne koninklijke dienaren
en trawanten, 6 : 13, en hoe Hij omringd was door eene groote
menigte, die uit het gansche land samengestroomd was, de verlossende werking van Zijne koninklijke macht ondervond, 6:1719,
en nu met Zijn koninklijk woord werd verwaardigd, 6:207:19.
Als een Koning, den van God gegeven Koning in het rijk Gods,
mogen we Hem alzoo daar thans aanschouwen, in het midden
der twaalven als Zijne troon- of rijksdienaren, en omgeven, als
Koning, door eene niet te tellen volksschare.
En zoo spreekt Hij, naar Lucas' teekening, de bergrede uit, de
grondwet a.h.w. voor het koninkrijk- der hemelen. Het speciaal
Isralietische laat Lucas in de mededeeling dier bergrede uit, of
wat bizonder Gods oude volk en zijne ceremonieele wetten raakte.
Zijne bizondere ordening bij de wedergave van deze bergrede
kunnen we zien uit zijne groepeering. Tegenover 4 zaligsprekingen,
staan 4 weeaankondigingen. En zoodanig viervoud van uitspraken
vinden we insgelijks in de verzen 27 met 28, 29 met 30, 37 met
38; terwijl ook de verzen 32 34 eene tegenstelling vormen, zij
het dan ook niet eene viervoudige, met de voorafgaande; vgl. ook
vs. 35. Ook voorts is deze bergrede, voorzoover Lucas haar
mededeelt, een wel samenhangend, goed geordend geheel, )
waarin de Heere eerst het lot der Zijnen, voor nu en in de toekomst, aangeeft, 6 : 2026, dan hunne roeping voorstelt, 6:27
42, en eindelijk hun zijn, inwendig en naar zijne openbaring,
kennen doet, 6 : 4349. ) Hij heeft er dan ook telkens de
tegenstelling bij genoemd, d.i. welk het doen en lot is, en zijn
zal, van wie Hem niet als hun Heiland, Deel en Koning, geloovig
aannemen, volgen, eeren.
Hierna keert Lucas terug tot de verdere beschrijving van
's Heeren wonderwerken. Bij het verhaal van de genezing van
den dienaar van den heidenschen hoofdman te Kapernaum,
7 : 210, stelt Lucas in het licht, dat de Heere maar behoefde
75

7<

77

28
te spreken, 7 : 7, 9, en ook zelfs op een afstand werkte Zijn
woord genezing.
Zelfs is Zijne macht zoo groot, dat op Zijn bevel ook de dood
zijne prooi weer loslaten moet, doet Lucas vervolgens weten,
door zijn verhaal van 's Heeren opwekking van den jongeling te
Nain, 7 : 1115.
Hij blijkt alzoo ten volle de bij Jesaja door God geprofeteerde
Messias, Die dat naar aanleiding van eene vraag van Johannes
den Dooper, 7 : 18, 19, ook van Zich uitspreekt, en dat erkend
wil hebben, 7 : 22, 23, gelijk Lucas vervolgens laat uitkomen
door zijn verhaal van Johannes' boodschap, en van 's Heeren
antwoord daarop, 7 : 1823. En deelt hij daarna mede, wat de
Heere aangaande Johannes den Dooper getuigde, 7 : 2430,
dan geeft hij aldus tevens aan, wat de Heere van Zijne eigene
hoogheid aanduidde. De grootheid van Johannes als voorlooper,
kan toch doen beseffen de grootheid van Hem, Wiens groote
heraut Johannes was, en bij Wien vergeleken, zelfs Johannes nog
betrekkelijk klein was, 7 : 28.
Na nog 's Heeren gelijkenis en woord aangaande de onaandoenlijkheid van Israis volk, zoowel voor Zijn optreden en arbeid,
als voor Johannes' boeteprediking, te boek gesteld te hebben,
7 : 3135, verhaalt Lucas, hoe de Heere bij een Pharizer,
Simon geheeten, gezalfd werd door eene vrouw, 7 : 3650.
Het groote punt daarbij is, dat de Heere Christus hier a.h.w.
geheel treedt in de rechten Gods. Hij vergeeft aan deze vrouw
niet alleen hare zonden, 7 : 48, maar verklaart dat ook in verband met het geloof dezer vrouw in Hem, 7 : 50, en vanwege
haar lief betoon jegens Hem, 7 : 47, 38. )
Zoo heeft Lucas, na zijne teekening van den Heere in 4:16
6 : 11, Hem al verder doen zien in Zijne koninklijke hoogheid,
zooals Hij souverein Zijn discipelen of apostelen koos, en de
grondwet voor het koninkrijk Gods proclameerde, door Zijn machtsbevel ook in de verte, wie in Hem geloofde, uitredde, en zelfs
den dood noodzaakte, zijn slachtoffer weer af te staan, klaar Zijn
Messiaspretentie deed kennen, en ook optrad als in Gods plaats,
6 : 127 : 50.
Hij deelt vervolgens mede, dat de Heere al maar Zijn Evangeliearbeid uitoefende, mede door middel Zijner discipelen, 8 : 1 ,
vergezeld en in dankbare liefde gediend door vrouwen, 8 : 2 , 3 ;
78

29
om daarna weder een proeve van 's Heeren onderwijs te geven,
8 : 421, waarin de Heere aanwijst, hoe het woord des Evangelies of des koninkrijks werkt, 8 : 415, en moet werken,
8 : 1618, en hoe 's menschen houding daartegenover zijne
verhouding tot Hem bepaalt: 8 : 1921. Alleen wie Gods Woord
kennen en doen, zijn Zijn ware verwanten, 8 : 21.
Hierop nogmaals overgaande tot voorstelling van 's Heeren
grootheid, zooals die in Zijne wonderwerken uitkwam, beschrijft
Lucas voorts, dat de Heere ook over storm en golven te gebieden
heeft, zoodat zij op Zijn bevel zich dadelijk nederlegden, 8:2225.
Zelfs eene menigte verwoede duivelen, hoe geweldig ook, voelden
zich door Hem genoopt, den bezetene te verlatene, en moesten
van Hem zelfs verlof vragen, in zwijnen te mogen varen, terwijl hun slachtoffer volkomen door den Heere genezen werd,
8 : 2639. En trekt Hij Zich, verworpen, en gevraagd, weer
heen te gaan, terug, zoo blijkt God voor Zijne eere te zorgen,
Die Hem alzoo juist op tijd terugkeeren doet, om Zijne macht
tot redding uit te oefenen in de opwekking van Jarus'dochtertje,
8 : 4056, en op weg naar diens huis ook nog eene 12 jaren
lange kranke vrouw, die alleen maar Zijn kleed van achteren
geloovig aanraakte, ), genezing te doen ontvangen, 8:4348. )
Ook Zijne twaalven kon de Heere toerusten met de kracht en de
macht, om volle verlossing te werken, alle duivelen uit te werpen,
de ziekten te genezen, het Evangelie te verkondigen met kracht
van geldigheid voor God, 9 : 16. En zoovele en zoo groote
wonderdaden geschiedden door Hem en hen, dat zelfs Herodes er
van onder beangstigenden indruk kwam, 9 : 79. Ten laatste
spijzigde Hij zelfs duizenden met vijf brooden en twee visschen,
9 : 1017. Hij openbaarde Zich daarmede als Schepper, Die
alles vermag.
Met het verhaal dezer wonderbare broodsvermeerdering ter
verzadiging van duizenden, heeft Lucas de teekening van 's Heeren
grootheid, zooals Hij vooral in Zijne wonderwerken zich betoonde,
voltooid. Daarom vermeldt hij thans, hoe de Heere Zijne discipelen
er toe bracht, Hem ook als den Christus Gods te belijden, 9:1821.
Daarmede is de bergtop bereikt. Nu treedt eene wending in. In
zeker opzicht kunnen we zeggen, dat het nu voor den Heere
gaat van lijden tot lijden, steeds meer, al erger. Het beschrijven
van wonderwerken des Heeren vermindert nu in Lucas' verhaal.
79

80

30
Het vertoont voortaan ook een ander karakter, en geschiedt veelal
meer om de aanleiding tot een volgend gesprek mee te deelen, dan
om de teekening zelve van 's Heeren machtsopenbaring, 's Heeren
onderwijs treedt nu op den voorgrond; en de voorstelling van
Zijn velerlei lijden in toenemende mate, tot eindelijk de kruisdood
komt; maar dan volgt ook Zijne opwekking en verhooging. Daarmede
gaat gepaard en hangt samen de teekening van de zelfverloochenende houding, en bestreden verhouding, der Zijnen in deze
wereld, en de aanwijzing van den eisch inzake hunne gezindheid
en gedraging tegenover deze wereld met hare goederen, 's Heeren
woord tot Zijne discipelen, 9 : 2227, laat Lucas hierbij als
algemeene aanduiding van zijn verdere verhaal voorafgaan.
Bij Zijne verheerlijking op den berg, waarbij de Heere wederom
met Zijne eeuwige heerlijkheid omkleed werd, en in Goddelijke
majesteit uitblonk, 9 : 28 - 36, aanvaardde Hij het lijden als
opnieuw, en bleef Hij dat onveranderlijk verkiezen, 9 : 31, 36a.
En als Hij dan van den berg afdaalt, ziet Hij Zich dadelijk weer
omringd door diepe ellende en groote verkeerdheid. Hij stuit
terstond op het schrikkelijk werk des duivels, maar ook op allerlei
boosheid der menschen, en zelfs op het ongeloof Zijner discipelen,
9 : 3743. Hoe smartelijk Hij Zich daardoor aangedaan voelde,
openbaarde Hij in Zijne klacht, 9 : 4 1 . En wel werkt Hij ook nu
verlossing, 9 : 42; maar dat Lucas thans vooral het lijden des
Heeren voorstellen wil, blijkt ook daaruit, dat hij de tweede lijdensaankondiging des Heeren als aan deze geschiedenis verbindt,
9 : 43, 45. Het is vooral de sterke tegenstelling tusschen 's Heeren
heerlijkheid op den berg, en Zijne terugkomst in zulk een milieu,
die treffen moet. Ondertusschen zinnen Zijne discipelen op aardsche
grootheid, en twisten daarover met elkander in eerzuchtig, naijverig
zoeken, 9 : 46 48, en blijken dus Hem en hunne roeping nog
weinig te kennen. Een, die in Zijnen naam duivelen uitwerpt,
verbieden zij, uit misverstand, dat zelfs, 9 : 49, 50. Samaritanen
nemen Hem niet op, 9 : 5156. Zijne discipelen zouden toen
met vuur uit den hemel hebben willen verderven, 9 : 54, 55.
Hij heeft niet waar Hij 't hoofd nederlegge. En wie Zijn discipel
wil zijn, heeft ook om Zijnentwil alles lostelaten, 9 : 5762.
Als alle krachten spant Hij in tot redding des volks, ook door
uitzending van nog zeventig, 10 i 14, maar Hij wordt toch
veelszins en door het volk als zoodanig, verworpen, 10 : 516,

31
ondanks de machtige wonderen ook door deze Zijne gezanten,
10: 1720; hoewel daar toch door Gods beschikking ook steeds
zijn, die Hem aannemen, 10 : 2124. Een Wetgeleerde durft
Hem verzoeken, 10 : 2537; Martha waagt Hem te berispen,
10 : 3842, uit te groote bekommernis over dit aardsche, 10 : 41.
In verband met dit laatste, deelt Lucas daarna het onderricht mede,
dat de Heere aan Zijne discipelen inzake het gebed gaf, 11 : 14,
om hen te leeren in alle omstandigheden hunne nooden en
behoeften met stil vertrouwen biddend Gode bekend te maken,
Die dan verhooren en hulp verleenen zal, 11 :513. Vervolgens
verhaalt hij, hoe de Heere, een duivel uitwerpende, beschuldigd
werd, door den overste der duivelen dat te doen, 11 : 1426;
aandringen moest, om toch het hooren en bewaren van Gods
Woord te beschouwen als datgene, waar het voor de zaligheid op
aankomt, 11 : 27, 28; gevraagd werd om een legitimatie-teeken,
11 : 2936, ondanks Zijne vele wonderwerken; om het niet
wasschen van Zijne handen vr den maaltijd, door Zijn Pharizergastheer met bevreemding werd aangezien, 11 : 37, 38; tengevolge
waarvan Hij Zijne strenge rede hield tegen het hangen aan het
uitwendige, met verloochening van het innerlijke en wezenlijke en
de barmhartigheid, door Pharizen en Wetgeleerden, 11 : 3952,
die Hem in Zijne woorden zochten te verstrikken, 11 : 53, 54.
Hij waarschuwt tegen geveinsdheid, 12 : 13; troost de Zijnen
over hun gevaarlijken en kommervollen toestand in deze wereld,
12 : 47; vermaant, Hem niet te verloochenen, 12 : 812; wordt
opgevorderd, Zich als Rechter van wereldsche aangelegenheden
opte werpen, 12 :13, 14; komt dan op geldliefde, en het zoeken
van stoffelijke, aardsche goederen, 12 : 15-34; dringt aan op
trouw in Zijnen dienst, 12 : 3548, en om den aard van Zijn
heilsarbeid, met den tegenstand, dien Hij vindt, niet voorbijtezien,
noch te miskennen, 12 : 4959. Hij moet de meening van eigene
voortreflijkheid bestrijden bij wie Hem den vreeselijken dood van
sommige Galilers door Pilatus, melden, 13 : 15; stelt de
vruchteloosheid van Zijn arbeid onder het volk voor oogen,
13 : 79; wordt zijdelings bestraft, wanneer Hij een 18-jaren
lange lijderes verlost en geneest, 13 : 1017; wijst op den
geringen aanvang van het koninkrijk Gods, dat echter groot zal
worden, 13 : 1821; spoort aan tot ernst en Godsvrucht, wil
men niet straks door Hem afgewezen worden, 13 : 2230; en

32
moet hooren, dat Herodes Hem zoekt te dooden, 13 : 3135.
Pharizen nemen Hem op sabbath bij een maaltijd waar, of Hij
een, aldaar voor Hem aanwezig waterzuchtig man, genezen zal,
14:16. Bij die gelegenheid geeft Hij aan genoodigden, 14:711,
en noodiger, 14 : 1214, lessen tot betoon van ootmoed en
barmhartigheid, en stelt Hij door eene gelijkenis in het licht, wie
niet, en wie wel de zaligheden van het koninkrijk Gods smaken
zullen, 14 : 1524. _Het komt, om Zijn discipel te kunnen zijn,
en deel aan Zijn heil te kunnen hebben, aan op volle breuke met
dit wereldsche, 14 : 25 27, bewust, beslist, met weloverwogen
keus, 14 : 2835. Wat voortreffelijk is in eigen oog, en naar
uitwendigen schijn, stelt zich tegen Hem, Die het verlorene en
verworpene opzoekt en aanneemt, 15 : 132; voorts aanwijst,
dat het aardsche goed gebruikt moet worden met het oog op de
eeuwigheid, en voor het koninkrijk Gods en de burgers daarvan,
16 : 113; maar deswege met spot bejegend wordt door de
Pharizen, 16 : 14, 15; dan de gestrengheid van de gerechtigheid
van dat koninkrijk voor oogen stelt, 16 : 1618; en zien doet,
dat de rijke, die zijn goederen niet aldus gebruikt, maar alleen
voor zich leeft, straks in bittere smart alles derft, terwijl de
niet-getelde, ellendige, maar in God zijn leven hebbende, Lazarus
dan de hemelsche zaligheden genieten mag, 16 : 1931. Dus
moet een ieder zich wachten, ergernis te geven, of ook maar den
geringste van wie des Heeren zijn, ten verderve te werken, 17:1,2;
heeft hij gering te denken van zichzelven, en daarom met barmhartige
vergevensgezindheid vervuld te zijn jegens den boetvaardigen
overtreder, 17 : 3, 4; toetezien, het levende geloof deelachtig te
wezen, en daardoor zich te laten beheerschen, 17 : 5, 6; en steeds
eigene verdiensteloosheid te blijven beseffen, ook bij den meest
getrouw-volbrachten en zwaren arbeid, 17 : 710.
Geneest de Heere tien melaatschen, dan keert slechts n met
dankende erkentenis tot Hem terug, en dat is nog maar een
Samaritaan. Geen der negen Isralieten voelde zich blijkbaar aan
Hem in dank en liefde gebonden, 17: 1119. Dat teekent het
gemis van erkenning des Heeren bij Isral voor al Zijn heilsarbeid
aan en onder dat volk. Het is profetie ook voor de toekomst.
Dan zal er evenzeer algemeen zijn een niet vragen naar den
Heere, maar een leven naar den lust van eigen wil en vleesch,
als in Noachs dagen, en bij Sodoms verwoesting, 17 : 2037.

33
Bange tijden wachten daarom de geloovigen, die echter ook dan
niet bezwijken moeten, maar in volhardend gebed zich aan God
moeten blijven vastklemmen, Die gewisselijk hen verhooren en
uithelpen zal, 18:18. Maar alle meening van eigene uitnemendheid
en gerechtigheid zij verre, en schuldbesef en verslagenheid des
harten zij aanwezig, 18 : 914, benevens de kinderzin, die ook
het kleine doet aannemen, 18 : 1517, en het hart niet onlosmakelijk bindt aan aardsche schatten, 18 : 1830.
Thans deelt Lucas wederom eene lijdensaaankondiging des
Heeren mede, 18 : 3133, waarin de Heere evenwel nog niet
door Zijne discipelen verstaan werd, 18 : 44, in weerwil van al
wat Hij gezegd, en ook reeds ondervonden, had; en welke aankondiging van Zijn lijden nog uitvoeriger en concreter is dan die
in 9 : 22 (en 44). Lucas stelt haar hier, met het oog op het
bizondere lijden, dat de Heere te Jeruzalem ondergaan zou, en
dat Hem weldra wachtte, zooals Lucas nu verder verhalen zal.
Zoo dient 's Heeren lijdensaankondiging in Luc. 18 : 3134 ter
belichting van hetgeen Lucas verder schrijven zal. Punt voor punt
zou zij, gelijk Lucas' verhaal het zal doen zien, verwerkelijkt
worden. Maar den Heere overkwam het niet onverwacht. Hij wist
vantevoren alles op het nauwkeurigst, en werd niet overweldigd,
en was niet weerloos slachtoffer, doch bleek de Heere, Die met
bewustheid en wil alles, tot het schrikkelijkste toe, aanvaardde.
Evenwel is nu toch wat Luc. 9 : 2818 : 30 bevat, eigenaardig
tusschen 's Heeren lijdensaankondigingen in 9 : 22 (nog versterkt
door hare herhaling in vs. 44) n in 18 : 3134, als ingeklemd.
Daardoor komt de schaduw des lijdens op bizondere wijze op
den inhoud van Luc. 9 : 2818 : 30 te vallen. Dat lijden begint
met 's Heeren onveranderlijke en als hernieuwde lijdensaanvaarding
op den berg, 9 : 30, zoodat Hij Zijne Hem toen als hergeven
heerlijkheid weer aflegde, op aarde achterbleef, 9 : 36, van den
berg afdaalde, 9 : 37, en toen terstond Zich weer midden
in duivelsche boosheid en menschelijke ellende en verkeerdheid
bevond, tengevolge waarvan Hem zelfs als 6ene zucht uit de ziel
geperst werd, 9 : 41. En daarop laat Lucas telkens wederom zien,
hoe daar lijden door den Heere verduurd moest worden, van
allerlei kant, in onderscheiden opzicht, op verschillende manier.
Alzoo bleek daar eene tegenstelling tusschen den Heere Christus
en deze wereld, met haar personen, verhoudingen, denken, leven,
3

34
zoeken en doen, welke tegenstelling zich op velerlei wijze kennen
liet Zij deed de wereld met wat van haar was, zich verzetten
tegen den Heere, en zoo het kruis voor Hem oprichten. Daarmede was vanzelf ook bepaald de positie van 's Heeren discipelen,
dienaren, geloovigen, gemeente, in deze wereld; en tegelijk gegeven, wat zij in deze wereld te verwachten hebben en ondervinden
zullen; alsmede, hoe zij tegenover deze wereld met hare goederen
te staan en te leven hebben; waarom dat ook herhaaldelijk weer
ter sprake komt, en voorgesteld wordt in menigerlei vorm. 's Heeren
koninkrijk is niet een rijk dezer wereld, noch van aardsche
goederen, 's Heeren discipel is met en om Hem ook als een
vreemdeling in deze wereld, 9 : 5762; heeft daarom met Hem
ook te lijden, 12 : 4 ; aftezien van het jagen naar het goed dezer
wereld, 12 : 2931; met alles, wat hij heeft, te arbeiden voor
het eeuwige en hemelsche, 16 : 913; 12 : 33; zijn deel in de
hemelen te verwachten, 16 : 25; 18 : 29, 30. Vgl. Luc. 9:2326.
Tegelijk wordt met een en ander tevens openbaar, voor wie de
Heere Christus het Evangelie brengt, en heil werkt: voor hetgeen
in deze wereld niet geteld wordt, verworpen en ellendig is, in
zichzelf verloren en schuldig; vgl. 4 : 17-19. Deze waarheid
komt daarom ook telkens in Luc. 9 : 2818 : 30 aan het licht,
op velerlei wijs, Luc. 10 : 21; 13 : 16; 15; 16 : 2032;
18 : 16, 17.
Uit het zeggen, meermalen, van Lucas, dat de Heere naar
Jeruzalem op weg was, 9 : 51; 13 : 22; 17 : 1 1 ; vgl. ook 18 : 31,
kan ook nog blijken, dat het hem in zijn verhaal, 9:2818:30, te
doen is, om te laten zien, hoe veelvuldig reeds vooraf de schaduw
van het lijden aan het eind te Jeruzalem, op den Heere Jezus viel.
Wanneer de Heere op deze Zijne laatste reis naar Jeruzalem
het einddoel al meer nadert, en alzoo te Jericho aankomt, wijst
Lucas, door het verhaal van 's Heeren genezing van den blinde
aldaar, 18 : 3543, er op, dat Hij ook daar en toen wederom
Zijne macht en genade openbaarde, tot Godes lof, 18 : 43. Hij
werkte nu echter wederom niet enkel lichamelijk heil, maar evenzeer geestelijke verlossing en zaligheid, zooals het verhaal van de
Zachaes-geschiedenis doet zien, 19 : 110. En duidelijk spreekt
Hij Zijn koningschap uit in de gelijkenis van den hooggeborene,
die henenging om de koningsmacht te verwerven, 19 : 1127.
Metterdaad treedt Hij daarna als Messias-Koning op met Zijn

35
koninklijken intocht in Jeruzalem op een ezelsveulen, 19 : 2840,
alsook in Zijne oordeelsvoorzegging aan Jeruzalem, 19 : 4144,
en in Zijne tempelreiniging, 19 : 45, 46.
Hoezeer Lucas ook bij deze verhalen weer eene keuze doet, en
meer zou kunnen mededeelen, wanneer hij dat wilde, kan afgeleid
worden uit zijn woord in 19 : 47, 48. Daardoor dringt zich de
vraag te meer op naar het doel van wat hij verhaalt. Bij het
verhaal van de vraag der overpriesters en Schriftgeleerden om
een legitimatiebewijs Zijner bevoegdheid, 20 : 18, is dat doel
blijkbaar de teekening van de verscherping van het conflict tusschen
hen en den Heere. Het blijkt ook uit 's Heeren gelijkenis van
den wijngaardeigenaar, die verschillende dienaren, en eindelijk ook
zijn zoon naar de landlieden zond, maar zelfs ook hem door hen
niet ontzien, maar doodgeslagen zag worden, 20 : 918. Die
verscherping van het conflict wordt ook zichtbaar in de strikvraag
der Schriftgeleerden en overpriesters inzake de aan den keizer te
betalen schatting, 20 : 1926; en in die der Sadducen omtrent
opstanding en huwelijk 20 : 2740; en in de vraag des Heeren
daarop aan de Joodsche leidslieden en Schriftgeleerden, hoe de
Christus tegelijk Davids Zoon n Heere kon zijn, 20 : 4144.
De scherpe waarschuwing des Heeren tegen de Pharizen, 20:45-47,
getuigt eveneens van de felle botsing. Ondertusschen heeft de
Heere telkens duidelijk Zijne Messias-pretentie en Konings-aanspraken doen uitkomen, en met daad en woord, in beeldspraak
en door handelwijs, Zijne hoogheid te kennen gegeven. Hij doet
dat op andere wijze tevens in Zijn woord aangaande de arme
weduwe, die twee kleine penningskens in de schatkist wierp,
21 : 14; en in Zijne teekening van Jeruzalems verwoesting; van
de geschiedenis Zijner kerk; en van het oordeel ten jongsten dage,
21 : 536. Ook hierbij doet Lucas weten, nauwkeurige en meer
omvattende kennis te hebben, 21 : 37, 38; dus niet alles te verhalen, wat hij zou kunnen mededeelen; en alzoo met bedoeling
te kiezen wat hij te boek stelt.
Ook in de lijdens- en opstandingsgeschiedenis deelt Lucas
feiten mede, die wij noch bij Mattheus, noch bij Marcus beschreven
vinden, en blijkt hij over zelfstandige kennis te beschikken. Hij
weet b.v., dat het Petrus en Johannes waren, die door den Heere
uitgezonden werden, om het Pascha te bereiden, 22 : 8; spreekt
van 's Heeren aanzien van Petrus, waardoor deze gered werd,

36
22 : 61; geeft ons kennis van 's Heeren verhoor en bespotting bij
Herodes, 23 : 7 v.v., enz. Daaruit kunnen we opmaken, dat hij
ook bij zijn verhaal van 's Heeren ondergang in, en weder opkomen
uit, den dood, zijne stof kiest en ordent met het oog op zijn groote
doel: 's Heeren grootheid en heerlijkheid naar mogendheid en
redding in het licht te stellen, door beschrijving van wat hij wist
waarheid te zijn. Door bizondere Satansinwerking op een van
's Heeren apostelen, geraakten de Joodsche oversten uit de verlegenheid, hoe Hem in handen te krijgen, 22 : 16. Maar de
Heere liet Zich niet verschalken, 22 : 713. Alles wist Hij van
tevoren; maar rustig ging Hij onder alles voort, te zorgen voor
de Zijnen, ook door de instelling van het Avondmaal, 22 :1423;
hen van hunne verkeerdheid vrij te maken, 22 : 2430; voor
hen te waken, en met name voor Simon te bidden en dezen te
waarschuwen, 22 : 3134, en hun aan te wijzen, wat komen
zoude, 22 : 3538. En wat het Hem ook kostte, welke benauwdheid, en smartelijke ervaring Hij doorstaan en ondergaan moest,
22 39-46, Hij ging door, en gaf Zich, 22 : 4753, onderwijl
Hij ook nog Zijn vijanden hulp verleende, 22:51. Werd Hij ook
door Petrus drie maal verloochend, Hij liet dezen niet los,
22 : 5462; en verduurde voorts in stilheid alle beleedigingen,
22 : 6365, en rechtskrenking, 22 : 6668, hoewel Hij voor
den Joodschen Raad uitsprak Wie Hij is, en wat Hij Zich betoonen zal, 22 : 6971. Ook voor Pilatus erkende Hij Zich den
Koning der Joden, 23 : 13. Zijne grootheid en onschuld bleken
zonneklaar, zoowel aan Herodes, 23 : 612, als aan Pilatus,
23 : 4, 5, 1323, ofschoon deze laatste Hem eindelijk toch aan
den volkswil en ter kruisiging overgaf, 23 : 24, 25. Op den weg
naar Golgotha kwam 's Heeren grootheid nog uit in Zijn woord
tot de Hem beklagende vrouwen, 23 : 2631. En aan het kruis
werd zij gezien zoowel in Zijn stille verdragen van allen smaad,
23 : 3238, als in Zijn woord tot den eenen medekruiseling,
23 : 3943; en evenzeer in wat er in het rijk der natuur, en bij
Zijn sterven gebeurde, 23 : 4449.
Daarna verhaalt Lucas nog 's Heeren begrafenis, 23 : 5056;
om vervolgens de opstanding des Heeren met Zijne verschijningen
en hemelvaart te beschrijven, 24 : 153; waarbij het voor den
Heere ging van heerlijkheid tot heerlijkheid, en Zijne grootheid
schitterend aan het licht trad.

37
III.
Alsnu de beteekenis van het gevondene nog in eenige gevolgtrekkingen aanwijzende, moge ik Uwe aandacht eerst vestigen
op wat een negatief resultaat genoemd zou kunnen worden.
Indien n.m.1. de auteur van ons derde Evangelieverhaal inderdaad
soortgelijken gedachtengang bij de ordening en de formuleering
van hetgeen hij in dit boek mededeelt, gevolgd heeft, als boven
geschetst werd, en het mij gegeven mocht zijn, althans in hoofdzaak
de lijn zijner gedachten bij die groepeering en voorstelling der
Evangeliestof, juist geteekend te hebben, dan vloeit daaruit voort,
dat wij uit zijne verhaalstof en verhaalorde en verhaalbewoordingen ook bij afwijking van die in de Evangelieverhalen van
Mattheus en Marcus, geenerlei gegronde conclusie afleiden kunnen
ten aanzien van schriftelijke of mondelinge bronnen", uit welke
hij zijne stof, of ordening, of formuleering overgenomen zou
hebben. Zijn persoon blijkt dan zoodanigen invloed geoefend te
hebben op de keus van wat hij te boek gesteld heeft, en op den
samenhang, dien hij tusschen de verschillende verhalen gelegd
heeft, en op de wijze van beschrijving, welke hij gevolgd heeft,
dat in deze uit afwijking van, of overeenstemming met, wat
Mattheus en Marcus bieden, geene deugdelijk gevolgtrekking omtrent zijne litteraire bronnen" gemaakt kan worden. ) Uit zijn
niet-vermelden van daden of woorden des Heeren, ons door
Mattheus of Marcus verhaald, volgt dan niet het onhistorische
van die werken of gezegden; noch, dat hij er geene kennis
van had; noch, dat hij ze voor onjuist hield. Hij kan het dan
voor zijn doel onnoodig geoordeeld hebben, ze te verhalen.
Evenmin volgt dan uit de andere volgorde en bewoording van
wat hij schrijft, dat er onzekerheid heerschte omtrent hetgeen
metterdaad geschied of gesproken was, en dat men desbetreffend
in nevelen verkeerd zou hebben. Voor wie het synoptisch
probleem bestudeert, is Lucas' Evangelie het belangrijkste der
drie", schrijft A. Wright. Inderdaad", gaat hij voort, mogen we
met vertrouwen zeggen, dat but for St. Luke, het Synoptisch
probleem nooit bestaan zou hebben. Want de verbindingen
tusschen Mattheus en Marcus zijn vergelijkenderwijs eenvoudig,
en gemakkelijk te verklaren. Slechts wanneer we Lucas lezen,
rijzen de verwarrende vragen op, die het probleem vormen". )
81

38
Deze vragen echter verkrijgen een ander aanzien bij boven aangegeven werkwijze van Lucas, en moeten dan veelszins eene
andere oplossing ontvangen. Het zgn. synoptisch probleem moet
dan zelf vrijwel vervallen. Voor zijne oplossing heeft men zich
dan veelal op een verkeerd standpunt gesteld, en koos men een
verkeerd punt van uitgang. Veel arbeid, nu langer dan eene eeuw
er aan besteed, was daardoor weinig meer dan waardeloos. )
En aan de dusgenaamde twee-bronnen-theorie ontzinkt dan nog
meer de vaste grond, om op te kunnen rusten. De overeenkomst
en het verschil van stof, volgorde en uitdrukking in Lucas' Evangelieverhaal met die van Marcus en Mattheus, blijken aldus geene
vaste lijnen aan te geven voor bronnen"-bepaling, en bronnen"splitsing. Zij zijn niet voornamelijk uit gelijkheid f onderscheidenheid, en gelukkige, f minder gelukkige, verbinding van schriftelijke
of mondelinge bronnen ontstaan te denken. Maar het welbewuste
zoeken van den Evangelist bepaalde zoozeer opneming, f uitlating, verbinding, f scheiding, vorm en uitdrukking, van en bij
ons derde Evangelieverhaal, dat in den auteur, en zijn doel en
gedachtengang, meer dan in bronnen" en hare verbinding zus
of z, daarvan de oorzaak gezocht moet worden.
8S

Alzoo treedt dan en hiermede komen we tot de beteekenis


in positieven zin van het voorafgaande betoog in de tweede
plaats, de auteur meer op den voorgrond, en komt deze beter
tot zijn recht. Het zoeken naar onderlinge litteraire afhankelijkheid
der Synoptici, heeft hen zoo kleinlich" werkend doen schijnen:
niet als menschen, die, aangegrepen en mede voortgedreven door
eene hen als overweldigende realiteit, met klaar inzicht, en wetende
wat zij wilden, naar een met heldere bewustheid gekozen doel,
hun Evangelieverhalen neerschreven, om, in overeenstemming
met dat doel, deze stof er in op te nemen, die er uit te laten,
haar z of anders te ordenen, en in zulke bewoordingen, f in
andere vormen uit te drukken, maar als personen, die n of
meer geschriften voor zich hadden, daarbij misschien nog een en
ander van dezen of genen hoorden vertellen, en nu, los van eene
levende werkelijkheid vol heiligen ernst, die ook hen aangreep,
bezielde, en tot handelen en schrijven dreef, in hun afgesloten
boekvertrekken, als meelijwekkende peuteraars, die gegevens in
elkander gingen passen, vrij willekeurig en kleinzielig hier wat
uitlatende, daar wat invoegende, ginds wat omzettende, elders

39
wat schavende en vijlende, en zoo armzalig knutselend, om
maar hun boekje in elkaar te fabriceeren zoo goed zoo kwaad
het ging, en er dan nog zulk een hoog woord over te voeren,
als in den aanvang van ons derde Evangelieverhaal. ) Dit wordt
echter gansch anders bij eene beschouwing van Lucas' Evangelieverhaal, als in het voorgaande werd uiteengezet. Dan blijkt
ook Lucas een auteur, die een grootsch werk leverde, dat wel
geordend is, een schoon geheel vormt, ne groote gedachte
belichaamt, die alles beheerscht, zoowel keuze van stof, als
samenvoeging, en wijze van inkleeding. Dan is er geene tegenstrijdigheid tusschen wat Lucas beloofde, 1 : 1-4, en werkelijk
praesteerde. Wie de waarheid niet aannemen wil van hetgeen
ook Lucas verhaalt, heeft toch geen recht, zich voor die ontkenning te beroepen op eene vermeende onbeholpen samenstelling
en opbouw van zijn Evangelieverhaal, en daaruit zichtbare
schaarschheid en onzekerheid van bronnen". Lucas was geen
ooggetuige van hetgeen hij in zijn Evangelieverhaal beschrijft.
Dat zegt hij zelf, 1 : 2. Hij moest dus zijne kennis van anderen
hebben. Maar hij beperkte zich, ter verkrijging van die kennis,
niet tot een paar schriftelijke stukken, en wat mondeling hier of
daar verteld mocht worden, om zich tevreden te stellen met dat
in en door elkander te werken, aan elkander te verbinden, mogelijk
eenigszins anders te formuleeren, en aldus een vrij onsamenhangend werk te leveren, dat weinig zelfstandige waarde als
historische bron zou hebben. Doch hij zocht en onderzocht waar,
en wat hij maar kon, 1 : 3, en ging alles van den aanvang met
nauwkeurigheid na, zoodat hij zich voor de historische juistheid
en werkelijkheid van wat hij mededeelt, als persoonlijk borg
stellen kan, 1 : 4; en hij heeft aldus een boek geschreven, dat
metterdaad een geestelijk geheel is, vanwege ne hoofdgedachte,
die organisch alles verbindt, en plaats en vorm van alles bepaalt. Met kracht pretendeert Lucas dan ook, geschiedenis te
doen kennen met alles wat hij schrijft, en wel op grond van eigen,
zelfstandig, nauwkeurig onderzoek, 1 : 14.
Met de waardeering van den auteur gaat hand aan hand, die
van zijn boek. Dat blijkt dan niet eene, deels in kleinigheden
opgaande, gemanireerde omwerking van een Evangelieverhaal,
dat we toch ook reeds bezitten (Marcus), aangevuld met stof, die
we evenzeer elders vinden (Mattheus), en niet te best vereenigd
Si

40
met wat nog uit andere bron te vermelden was, doch kan dan
gezien worden als eene schoone compositie, welke door ne
groote gedachte gedragen, en in hare geheele vorming bepaald
wordt. Noch als historie-mededeeling, noch naar litteraire samenstelling, is het dan knutselwerk, dat bestaan zou uit niet zeer
geschikt samengevoegde, en min of meer gewijzigde stukken
geschrift, van elders overgenomen, en met mondelinge overlevering
vermengd, of aangevuld. Het is dan gelijk aan een grootsch, naar
vast, met meesterhand ontworpen, bestek opgetrokken gebouw,
waarvan elk vertrek, elk onderdeel, elk versiersel zijn vorm en
plaats ontving naar eisch van het geheel en diens bestemming,
en dat ook eerst van zijne grondgedachte uit, recht in zijne
schoonheid als geheel en naar verdeeling gewaardeerd kan worden.
Het is van het begin tot het eind grootsch gedacht, en met
kunstenaarshand geschreven, in dien zin, dat wat geschreven werd,
naar stof, verband en zegsmanier, steeds dienstbaar is aan de
schoone teekening van het Christus-beeld, welke Lucas geven
wilde. Wat voor de volheid van die teekening, en om den Heere
Christus recht in Zijne grootheid en heerlijkheid van genade en
macht te doen aanschouwen, noodig was, nam hij op, en plaatste
hij daar, en beschreef hij in dien vorm, als vereischt werd voor
de zuivere, al voortschrijdende schildering van den Heere Christus.
En hij liet weg, wat voor die volledige voorstelling niet onmisbaar
was. ) Lucas' Evangelieverhaal bevat niet alles, wat hij van des
Heeren daden en woorden wist, en had kunnen schrijven, als hij
dat gewild had. Het geeft slechts een deel daarvan. Lucas laat
dat meermalen merken. Hij geeft eene zoodanige hoeveelheid
van 's Heeren wonderen en woorden, als noodig was, om Zijne
grootheid in wezen en naar werk; betrekkelijk volledig te doen
kennen; maar beperkt zich ook tot wat daarvoor vereischt werd.
Lucas heeft, welbewust en opzettelijk, evenzeer als Johannes,
Joh. 20 : 30, 31; vgl. 21 : 25, eene keuze gedaan uit al de stof,
die hem ter mededeeling ten dienste stond, en slechts een
betrekkelijk gering aantal kenmerkende gevallen en gesprekken
en woorden van den Heere te boek gesteld, om daarmede Zijn
doen en prediking als te typeeren; en deze gevallen in die
volgorde en zoodanige menigvuldigheid, als geschikt en voldoende
mocht heeten, om den Heere naar de volheid van Zijn Persoon,
macht en verlossing voortestellen.
85

41
Vandaar kan Lucas' Evangelieverhaal ook nimmer met recht
gebruikt worden, om de Evangelieverhalen van Mattheus en Marcus
te bestrijden in hetgeen zij meer bevatten, dan Lukas verhaalt,
of omdat Lucas' verhaalorde en inkleeding of uitdrukkingswijze
iets verschilt van de hunne. Maar omgekeerd kan ook de betrouwbaarheid en juistheid van het Evangelieverhaal van Lucas
niet op goeden grond betwist worden, omdat die van Mattheus
en Marcus iets anders bieden, of hetzelfde op eenigszins andere
wijze. Dan zou het bizonder karakter van het Lucas' Evangelieverhaal voorbijgezien en miskend worden. Dat is eene eenheid
van bepaalde, eigenaardige samenstelling en strekking, waardoor
het ongeschikt is, als strijdmiddel tegen wat Mattheus en Marcus
verhalen, gebruikt te worden, en ontrefbaar voor wapenen, die
men uit deze laatste er tegen wil fabriceeren en gebruiken. Wat
Lucas in zijn Evangelieverhaal niet mededeelt, ontkent hij daarmede niet. Wat hij eerder of later verhaalt, zegt hij daarmede
nog niet, in historischen samenhang voortestellen. Zijne andere
woordkeuze en voorstellingswijze is nog geene litteraire critiek
van schoolmeesterachtigen aard, op wat Marcus of Mattheus en
wie anders, schrijven. Een hooger doel stond Lucas voor oogen.
Een verhevener Geest dreef hem. Rijker middelen had hij te zijnen
dienste. En zoo bevat zijn boek een met zorg geteekend historiebeeld van den Heere Christus, waarvoor door hem uit de velerlei
voor hem beschikbare stof het materiaal met oordeel uitgekozen
en vereenigd en in dien bepaalden samenhang en vorm neergeschreven is.
Daarom is een verder gevolg van boven ontwikkelden gedachtengang van Lucas' Evangelieverhaal, dat wij den Heere Christus er
duidelijker voor ons als uit te voorschijn zien komen in zijne volle
heerlijkheid, mogendheid, heilswerking, Zelfovergave, Majesteit.
Zijne geboorte wordt op bizondere wijze aangekondigd. Een op
wonderbare wijze beloofde en verkregen heraut gaat Hem als
wegbereider voor. Zelf wordt Hij niet op gewone wijze ontvangen.
Gods Zoon blijkt Hij reeds uit Zijne ontvangenis. Zijne geboorte
komen engelen boodschappen, die ook God vanwege die
geboorte aanbiddend lofzingen. Reeds als knaap blinkt Zijne
grootheid en Goddelijkheid door. Bij Zijnen doop daalt de H. Geest
zichtbaar op Hem neder, en roept God Zelf Hem uit als Zijn
geliefden Zoon. De satan moet voor Hem wijken, hoezeer Hem

42
ook aanvallend. En te Nazareth laat Hij Zich in eens in het volle
Schriftlicht zien, en verklaart Hij Zelf, Wie en wat Hij is. In al Zijne
heerlijke grootheid staat Hij daar terstond voor ons. En dan schetst
Lucas Hem vervolgens naar de vele zijden van Zijne Goddelijke
grootheid en heerlijke verlossingswerkzaamheid, als trek na trek,
hoe Hij van de overheersching der duivelen bevrijdt, van lichamelijke
ziekte geneest, heel het land door, de macht heeft over de visschen
in de zee, melaatschheid wegneemt door een enkele werking van
Zijn wil, de schuld der zonde kwijtscheldt, en ten bewijze daarvan
ook den lamme doet wandelen, van de macht der zonde losmaakt,
geestelijke blijdschap en vrijheid, bepaald tot weldoen, werkt, als
Koning in het rijk Gods Zijn wetten geeft, reeds door Zijn woord
alleen ook op een afstand krankheid doet wijken, den dood
dwingt, zijne prooi weer los te laten, Zich als den beloofden
Messias bewijst en uitgeeft, zelfs als in Gods plaats optreedt, den
gang van Zijn Evangeliewoord teekent, over winden en wateren
gebiedt, en die stil doet zijn, en, niet minder dan de woeste
elementen der natuur, ook de verwoede duivelenscharen doet
gehoorzamen aan Zijn wil, den dood weer terugdrijft, ongeneeslijke krankheid reeds doet verdwijnen bij de geringste aanraking
van Zijn kleed, ook Zijn discipelen machtigt en bekrachtigt tot
krankengenezing en duivelenuitwerping en Evangelieverkondiging,
en alzoo, mede door hen, zulk eene menigte wonderen verricht,
dat er een groote roep van uitgaat, en zelfs Herodes meent, dat
dan wel de door hem onthoofde Johannes de Dooper uit de dooden
moet opgestaan zijn; en Die ten laatste met enkele brooden en
visschen duizenden verzadigt Hij pretendeerde en betoonde Zich
alzoo den door God van ouds beloofden Messias, Die als zoodanig volle macht heeft en oefende over duivelenrijk en allerlei
krankheid des lichaams, zondeschuld en zondemacht, Goddelijke
verordeningen, en rijk en schepselen en krachten der natuur, en dood.
Niets bleek niet aan Hem onderworpen. Volle verlossing werkt
Hij. Daarom beschrijft Lucas vervolgens, hoe de Heere toen ook
Zijne discipelen bracht tot Zijne erkenning als den Christus Gods.
Om Hem hierop in Zijn velerlei lijden voor te stellen, tot den
dood des kruises toe, en in Zijn onderwijs met betrekking tot
Zijn heilswerk, en wat aangaat de verhouding tusschen Hem en
de Zijnen eenerzijds, en de wereld met hare personen en goederen
andererzijds. In Goddelijke heerlijkheid blonk Hij uit op den berg,

43
maar Hij bleef lijden en ondergang vrijwillig en standvastig verkiezen tot verlossing Zijns volks en verheerlijking Zijns Vaders.
En zoo daalt Hij weder zonder glans van den bergtop af, om dan
dadelijk opnieuw te stooten op duivelenboosheid en menschelijke
ellende en ongeloovigheid, en daarna steeds door op misverstand,
tegenspraak, bestrijding, moeite en vervolging te stuiten, als van
alle kanten, en op allerlei wijzen, in steeds toenemende mate,
tot metterdaad verraad, gevangenneming, verloochening, veroordeeling, bespotting, kruisiging en dood komen, maar vervolgens
ook opwekking en hemelvaart.
Zoo zien we ons dan den Heere Christus door Lucas geteekend
in zijn gansche boek, van den aanvang tot het laatst, in de grootheid van Zijn Persoon, macht, heil, Zelfovergave, verheerlijking.
Het is een vol beeld van den Heere Christus, dat ons uit Lucas'
Evangelieverhaal als tegemoet treedt. Lucas heeft, in waarheidgetrouwe beschrijving van hetgeen metterdaad geschied i s , )
eene volledige, regelmatig afgewerkte teekening van den Heere
Christus gegeven, die Zijne grootheid als naar alle kanten doet
uitblinken.
Wanneer wij dit bedenken, is een ander gevolg, dat de overeenkomst van den Heere Christus, zooals Hij door Lucas ons
voorgesteld en beschreven wordt, met het beeld, dat Johannes
ons van Hem in zijn Evangelieverhaal teekent, meer in het oog
valt. Reeds in vroeger eeuwen is het onderscheid opgemerkt
tusschen wat Johannes van den Heere Christus zegt, n de Synoptici
van Hem mededeelen. ) En in de vorige eeuw en daarna is dat
verschil wel van dien aard geoordeeld, dat de historiciteit van
Johannes' teekening van den Heere onbestaanbaar moest heeten
tegenover die der Synoptici. ) De Christus-teekening der Synoptici
zou Hem meer als mensch laten zien, maar die van Johannes als
God. ) Doch werd in de voorafgaande uiteenzetting Lucas'
bedoeling en gedachtengang met en in zijn Evangelieverhaal juist
gegrepen, dan blijkt alzoo, dat ook hij de grootheid van den
Heere Christus in het licht heeft willen stellen, evenals Johannes,
Joh. 20 : 31; daartoe slechts, gelijk deze, Joh. 20 : 30 ; 21 : 25,
eene keuze gedaan uit het vele, dat de Heere gedaan en gesproken
heeft, en waarvan hij kennis bezat, om het te hebben kunnen
schrijven, wanneer hij dat gewild had; en beschrijft ook hij, zooals
Johannes, Joh. 20:30; 2:11, de wonderen des Heeren, als teekenen
8t

87

88

89

44
van Zijne Goddelijke grootheid en Messiaansche heerlijkheid; en
geeft hij die als typen ter kenschetsing; terwijl het beeld van den
Heere Christus, alzoo door hem ons voor oogen gesteld, in
grootheid niet onderdoet voor dat, hetwelk Johannes ons te
aanschouwen geeft Noch Lucas, noch Johannes streven naar
volledigheid van mededeeling van alles wat de Heere verrichtte,
of zeide. Evenmin bedoelt Lucas in preciese geschiedkundige
orde wat voorviel, te verhalen, ) ook al volgt hij in groote lijnen
de historische ontwikkeling van 's Heeren levensgang op aarde.
Het is dezelfde Heere Christus, Die in het Evangelieverhaal van
Lucas voor ons treedt als Die in dat van Johannes ons voorgesteld
wordt Zelfs ook wat het wijzen van den Heere op Zich en Zijne
grootheid betreft, ) kunnen we groote overeenkomst opmerken
tusschen Lucas' Evangelieverhaal met dat van Johannes. Ik moet
zijn in het huis of: de dingen Mijns Vaders, zegt Hij reeds
als knaap, Luc. 2 : 49. Heden is deze Schrift(plaats) in uwe
ooren vervuldt, luidt het dadelijk uit Zijn mond, wanneer Hij te
Nazareth de profetie van Jesaja heeft voorgelezen, Luc. 4 : 21.
Ik moet het koninkrijk Oods ook aan de andere steden verkondigen,
verklaart Hij, Luk. 4 : 4 3 . Hij bestraft Petrus niet wanneer deze,
in aanbiddende en huiverende verbazing zegt: ga uit van mij,
want ik ben een zondig man, Luc. 5 : 8, maar zegt daarop zelfs:
vrees niet, van nu aan zult gij menschen vangen, vs. 10. Ik wil,
wordt gereinigd, spreekt Hij tot den melaatsche, Luc. 5 : 13.
Opdat gij weet, dat de Zoon des menschen macht heeft op de
aarde de zonden te vergeven, zegt Hij, om daarna den lamme te
gebieden: sta op, neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis,
Luc. 5 : 24. Hij stelt Zich voor als den Geneesheer, Luc. 5 : 31, 32,
en den Bruidegom, Luc. 5 : 34, 35, als den Meerdere dan David,
Die Heere is ook van den sabbath, Luc. 6:25, Wiens woorden
geloofd en gehoorzaamd moeten worden, Luc. 6 : 46, 47, 49.
Hij wijst het woord van den heidenschen hoofdman niet terug,
Luc. 7 : 68, maar stelt diens geloof in Hem zelfs bewonderend
aan Isral ter beschaming voor, vs. 9. Aan Johannes den Dooper
laat Hij Zijne werken boodschappen, opdat deze daaruit, in samenhang met de profetie aangaande den Messias, Hem kennen en
erkennen zoude, Luc. 7:22, en Hij waarschuwt dezen, zich niet aan
Hem te ergeren, vs. 23; terwijl Hij daarop in Zijn woord tot de
schare over Johannes duidelijk uitkomen laat, hoezeer Hij dezen
90

91

45
in grootheid overtreft, Luc. 7 : 2435. Hij bestraft Simon, Zijn
gastheer, die Zijn profeet-zijn in twijfel trekt, omdat Hij Zich door
eene groote zondares laat kussen en zalven, maar verklaart
openlijk aan deze vrouw, in verband met haar geloof in, en
liefdebetoon jegens, Hem, dat hare zonden vergeven zijn, Luc.
7 : 3650. Niet vleeschelijke verwantschap, maar het hooren
van Gods Woord, doet iemand Zijn moeder of broeder zijn,
Luc. 8 : 1921. Zelf brengt Hij er Zijne discipelen opzettelijk
toe, Hem als den Christus Gods te belijden, Luc. 9 : 1821.
Hoe lang zal Ik u nog verdragen, zuchtte Hij ten aanzien van
het ongeloovig en verdraaid geslacht, waarin Hij verkeerde,
Luc. 9 : 41. Hij eischt, dat alles om Zijnentwil verlaten zal
worden, Luc. 9 : 60; 14 : 26, 27. Het wee roept Hij uit over
Chorazin en Bethsada en Kapernaum, die zich ondanks Zijne
vele wonderen aldaar, niet door Hem hebben laten winnen,
Luc. 10 : 1315. Hij werpt de duivelen uit door den vinger
Gods, Luc. 11 : 19; zegt, meer te zijn dan Salomo, Luc. 11 :31,
en dan Jona, vs. 32, en dat Hij belijden zal voor de engelen
Gods degenen, die Hem belijden voor de menschen, en verloochenen, die Hem verloochenen, Luc. 12 : 8, 9. Om den wille
van Hem en Zijn woord zal heel de wereld in beroering komen,
en verdeeldheid als in elk huis uitbreken, Luc. 12:5153. Met
het oog op dit een en ander kan moeilijk de voorstelling gehandhaafd worden, dat wel in het Johannes-Evangelieverhaal de
Heere Christus Zichzelven predikt, en gedurig eigen hoogheid
voorstelt, maar dat dit weinig geschiedt bij de Synoptici, en ook
bij Lucas.
Daar is alzoo geen wezenlijk onderscheid tusschen de teekening
van den Heere Jezus bij Lucas (met de andere Synoptici) n
Johannes, al deelen zij ook verschillende feiten en gesprekken
mede, en al heeft een ieder zijne eigene wijze van beschrijving.
Het is zakelijk ook bij Lucas datgene, wat Johannes aldus uitdrukt:
Jezus heeft nog wel vele andere teekenen gedaan,.... welke niet
zijn geschreven in dit boek. Maar deze zijn geschreven, opdat gij
gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij,
geloovende, het leven hebt in Zijnen naam, Joh. 20 : 30, 31.
Daarom stelt hij met grooten nadruk voorop de betrouwbaarheid
van al wat hij verhaalt, en zegt hij, door voorafgaand, nauwkeurig,
persoonlijk onderzoek van alles van den aanvang aan, zelf borg

46
te staan voor de geloofwaardigheid van het verhaalde, Luc. 1:14.
Nu kan men toch wel de historiteit van hetgeen Lucas verhaalt,
loochenen, omdat men aan geene wonderen gelooft, en dus ook
niet aannemen kan, dat de Heere Christus uit de dooden zoude
opgestaan zijn, en alzoo Hem niet erkennen wil als den Zone
Gods. Dat alles blijft hier onbesproken, en is ieders persoonlijke
zaak. Doch als het gaat over de bedoeling van Lucas' schrijven,
moet men niet, door vooropgezette ongeloofstheorien en samenstellingshypothesen, zijn Evangelieverhaal willen laten zeggen,
wat het niet zegt, of ook duidelijk anders aangeeft, maar heeft
men nauwkeurig acht te geven op wat hij zelf zegt, en met aandacht na te gaan, hoe en wat hij schrijft, om hem uit hemzelven
te verstaan en te verklaren, en alzoo ook het doel en den gedachtengang van zijn Evangelieverhaal te grijpen naar zijn eigen
voornemen en ideen. En dan blijkt het ne schoone prediking
van den Heere Christus en Zijn werk en woord, in wel geordende
indeeling en uitwerking, wezenlijk volkomen harmonieerend met
die van Johannes' Evangelieverhaal, en waarvoor de stof door
Lucas welbewust en opzettelijk zoodanig uitgekozen en geordend
en geformuleerd werd, dat het onmogelijk is, daaruit met eenige
nauwkeurigheid het aantal, den aard, de samenstelling, en den
inhoud van zijne bronnen" af te leiden. Daaruit blijkt dan het
willekeurige, om het synoptisch probleem documentair, ) d.w.z.
eene kwestie van hoofdzakelijk schriftelijke bronnen, te noemen,
en de twee-bronnen-theorie als zijne vrij wel bevredigende of
althans voorname oplossing uit te geven. ) Dergelijke voorstellingen doen grootelijks onrecht aan den auteur van ons derde
Evangelieverhaal, en berusten ook op grove miskenning van het
karakter en den inhoud van dat Evangelieverhaal, en van hetgeen
Lucas zelf dienaangaande schrijft, en doet weten. Eigen meeningen
en wenschen belemmeren dan te zeer het ontvankelijk luisteren naar
wat Lucas in en door zijn Evangelieverhaal metterdaad zegt. En
van hem en zijn boek geeft men dan eene voorstelling, die niet
alleen weinig vleiend voor beide is, maar ook in flagranten strijd
met de werkelijkheid. Lucas' Evangelieverhaal zal deze miskenning
en bestrijding wel doorstaan en te boven komen. De twee-bronnen-theorie zal wel hoe langer hoe meer in hare willekeurigheid
en ongenoegzaamheid aan het licht komen, evenals zoovele oplossingen" van het synoptisch probleem, en bestrijdingen van
9S

9S

47
Bijbelboeken, later opgegeven hebben moeten worden. De werkelijkheid blijkt ten slotte sterker dan alle, op onjuiste vooroordeelen berustende, omtrent haar gegeven theorien. De waarheid
handhaaft zich wel, ook tegen alle door verkeerde subjectiviteit
verwrongen weerspiegeling van haar in den menschelijken geest,
en in diens uitingen. Gods Woord, door Lucas' persoon en pen
ons geschonken, deelt het lot van de overige H. Schrift, in ontmoeting van tegenstand en bestrijding, maar ook in het ongedeerd
en al heerlijker uitkomen uit elke nieuwe vuurproef. Ook geldt
er van, dat zijne opening licht geeft, Ps. 119:130. Het kan eerst
recht bezien worden bij eigen licht.'*) Dan blijkt ook dit Schriftdeel recht, verblijdende het hart, Ps. 19 : 9.
Bij het terugzien op de lotgevallen van de Theologische
School hebben wij den Heere ootmoedig te danken voor rijken
zegen, dien Hij in menig opzicht aan haar geschonken heeft.
Rustig mocht de arbeid voortgaan. Wat noodig was, mochten
wij van den Heere ontvangen. Kennelijk was Zijne hand ten
goede over ons. Ruime stof heeft de Heere ons gegeven, dat wij
ons in Zijne daden mogen verheugen.
Reeds in den kring der Curatoren gaf God genade en eere.
Ds. v. d. Munnik werd door H. M . de Koningin benoemd tot
officier in de orde van Oranje Nassau. Ds. v. Schelven mocht
zijn 50-jarig ambts-jubileum vieren, en Ds. Bosch te Almkerk
zijn 40-jarig; terwijl Ds. Donner mocht herdenken, dat hij te
Amersfoort 25 jaren zijn ambt heeft bediend. Sterke en zegene
de Heere hen ook verder bij het klimmen der jaren.
Helaas was er ook droefheid, waar Ds. Bos te Stadskanaal, en
Ds. de Geus hunne Echtgenooten zich door den dood zagen ontvallen.
Vertrooste hen de Heere met Zijne genade.
In het Curatorium zelf kwam alleen deze verandering, dat
Ds. v. d. Munnik vervangen werd door Dr. W. A. v. Es. Aan Ds.
v. d. Munnik, met zijn schalkschen humor, zeggen we dank voor
hetgeen hij zoo lange reeks van jaren ten goede van de Theologische School heeft gedaan.
Aan Hoogleeraren, Lector en oud-Lector gaf de Heere over het
geheel eene goede gezondheid, zoodat geene krankheid hen noodzaakte het hun op de handen gezette werk te onderbreken. Ook
spaarde de Heere den emeritus Hoogleeraar bij het leven, en, al

48
liet Hij ook krankheid komen, Hij verleende hem nog lust en
kracht tot belangrijken arbeid. Behoede en zegene de Heere hem
bij den voortduur in goedertierenheid met hetgeen de Psalmist
noemt in de laatste verzen van Ps. 92.
Prof. Honig mocht den 13en November j.1. den dag herdenken*
waarop hij vr 30 jaren door Dr. A. Kuyper in het amht van
de bediening des Woords bevestigd werd. Met dat heugelijke
feit wensch ik U, Hooggeachte Collega, ook van deze plaats
hartelijk geluk. Het was voor U een dag van veel herinnering.
Daar was het inleven in den tijd van toen. En daar was het als
opnieuw doorleven van hetgeen sedert gebeurd is. De Heere
heeft U zeer gezegend. In persoonlijkheid en talenten schonk Hij
U bizondere, innemende gaven. Zoo lange reeks van jaren mocht
Gij die getrouw besteden in Zijnen dienst, en tot het heil Zijner
Kerk. Dat heeft U niet allen smaad doen ontgaan. Maar om
's Heeren wil verdraagt Gij gaarne zulke onteering. De Heere
spare U nog vele jaren voor en met wie U lief zijn, voor deze
Theologische School, en voor de Gereformeerde Kerken dezer
landen. Hij blijve U met Zijne rijke gunst kronen, en ook in ons
midden tot een rijken zegen stellen.
De Hoogleeraren Bouwman en Hoekstra zijn, met andere
Hoogleeraren en Dienaren des Woords, voor eene tweede maal
naar Hongarije geweest, om de herleving van het geloof des
harten, en die van de Kerken aldaar, te helpen bevorderen. Moge
dat pogen veel goede vrucht dragen.
Het heeft den Heere behaagd, ook juist in deze laatste dagen den
dood zijne donkere schaduw over onzen kring te laten uitbreiden.
Mevrouw de Weduwe Prof. M . Noordtzij werd, na eene korte,
ernstige krankheid, den 2 5
November j.1. door Hem uit ons
midden weggenomen. Met haar verscheiden is voor onze School
de levende band aan zulk een belangrijk verleden verbroken.
Kleindochter van den geloofsheld, die in 1834 den strijd voor
Gods Waarheid in de Kerken dezer landen aanbinden dorst;
Dochter van Docent H . de Cock, die zoo lange jaren aan deze
School doceerde; Echtgenoote van den Hoogleeraar M . Noordtzij,
die eveneens tientallen Van jaren aan deze School krachtig medewerkte tot de rechte vorming van dienaren des Woords; Moeder
en Schoonmoeder van kinderen, wier arbeid, hetzij als Lector,
hetzij als Curator, voor deze School van beteekenis was en is,
sten

49
was Mevrouw Noordtzij voor ons eene persoonlijke schakel aan
zulk een gewichtig deel der geschiedenis van onze Kerken en
van deze School. Meer dan eene halve eeuw heeft zij in den
kring dezer School verkeerd. Haar sterven heeft nu a. h. w. de
levende en persoonlijke genieenschap met dat omvangrijk en
grootsch historiedeel voor ons te niet gedaan.
Oprecht en vrijmoedig, opgewekt en onbekommerd van karakter,
ging zij met blijmoedig vertrouwen op den Heere haren weg, en
met geloovige overgave aan haren Heiland ook in den dood.
Wij danken den Heere voor het goede, dat Hij in en door haar
aan deze School gegeven heeft. En wij wenschen aan hare bedroefde Familie 's Heeren genadige ondersteuning en vertroosting
bij dit verlies. Wie wegvalle, de Heere blijft, en Hij blijft Dezelfde,
een God van genade en hulp voor allen, die Hem aanroepen in
der waarheid. Hij doe Zijn vriendelijk aangezicht verder in gunst
aan hen lichten.'
Uit den Studentenkring nam de Heere in Dec. '21, na eene krankheid van drie jaren, onzen waarden commilito Adrianus Karsemeijer
weg. Hij was een student van goeden aanleg, en van een bescheiden
karakter, die veel beloofde voor den dienst der kerken, 's Heeren
gedachten bleken echter ook nu anders dan onze wenschen.
Gelukkig mocht br. Karsemeijer den Heere als zijn Heiland kennen,
en alzoo ingaan in de vreugde des hemels. Die wetenschap
trooste ook de zijnen. Prof. Honig heeft het College van Hoogleeraren bij de begrafenis vertegenwoordigd. Spore ook dit sterven
ons allen aan, met getrouwheid te doen, wat God ons tot taak
geeft, waar de arbeidsdag zoo spoedig een einde kan nemen,
en opdat we eenmaal ook alzoo vrijmoedig voor Hem kunnen
verschijnen.
En student is nog steeds door krankheid verhinderd, zijne
studie voorttezetten. Een ander mocht althans zoover herstellen,
dat hij de colleges weer volgen kan.
Het aantal studenten mocht in dezen nieuwen cursus de 90
bereiken, van wie 23 voor het eerst werden ingeschreven.
En kon de vorige Rector melding maken van twee studenten,
die uit de Oud-Gereformeerde kerken in Oost-Friesland en de
Graafschap Bentheim tot ons gekomen waren, thans mag ik het
welkom toeroepen aan een Theologiae candidatus uit Slowakije,
wien het eindelijk gelukken mocht, een pas te verkrijgen, en die

50
vr een paar weken in ons midden aankwam. Moge zijn verblijf onder ons mede dienen tot het geestelijk welzijn van
's Heeren Kerk in zijn vaderland.
In het jaar van mijn rectoraat werden 22 propaedeutische
examens afgelegd, waarvan 18 met goeden uitslag; 9 eerste
candidaats, alle met gewenscht gevolg; en 5 candidaats, waarvan
4 met bereiking van het doel.
Over studieijver en gedrag viel, gelukkig, bij de meeste
studenten niet te klagen.
In September j.1. verliet het Gereformeerd Gymnasium het
gebouw der Theologische School. Wel werd zijn wensch van
een eigen gebouw niet vervuld. Toch heeft het zich nu ruimer
kunnen installeeren, al is deze oplossing niet ideaal. Moge het
eens zijn wensch in dezen vervuld zien. Door dit vertrek is
er echter gelegenheid gekomen, dat de plannen tot verbouwing
van de Theologische School tot uitvoering zullen kunnen komen.
Wellicht is dit de laatste maal, dat de overdracht van het
rectoraat in deze Aula plaats heeft, en zal de nieuwe Rector
ons het andere jaar in eene nieuwe Aula voorgaan.
Zoo kom ik nu, Hooggeachte Collega, Dr. Harm Bouwman,
tot mijn laatste werk als Rector, en dat mij een bizonder genoegen is te verrichten, n.m.1. U als Rector van deze Theologische
School proclameeren, en de rectorale waardigheid aan U overdragen. Gij hebt het rectoraat dezer School reeds meermalen
uitgeoefend. Uwe hand is bedreven. Met gerustheid mogen we
de leiding dezer School aan U overgeven. Sterke de Heere U,
en zegene Hij U, en geve Hij onder Uw rectoraat Zijnen onmisbaren en rijken zegen aan deze School en over al den arbeid
aan haar, tot heil Zijner Kerken, en tot eere Zijns Naams 1
lk heb gezegd.

Aanteekeningen.

') Sedert O. E. Lessing in 1778 zijne Neue Hypothese ber die Evangelisten als bloss menschliche Gtschichtschreiber schreef, eerst na zijn dood
gepubliceerd in 1784. Reeds had in 1774 J. J. Griesbach een werk uitgegeven, waarin hij den Qriekschen tekst der eerste drie Evangelieverhalen
zoo afdrukte, dat de gemeenschappelijke stof naast elkander kwam te staan,
en de parallele plaatsen bij de uitlegging dadelijk mede overzien konden
worden. Hij betitelde dit werk Synopsis evangorum, En vandaar voortaan
de naam synoptisch probleem, e. d. g.
) Zooals reeds blijken kan uit Tatianus' Diatessaron, in het laatst der
2e eeuw; Ammonius' Diatessaron, in de 3e eeuw; Eusebius' Kanones, in
de 4e eeuw.
2

) Deze schreef De consensu evangestarum. Daarin zegt hij, I, 2, 4, dat


elk der Evangelisten zijne eigen verhaalorde gehouden heeft, zonder van zijn
voorganger onkundig te zijn, sed sicut uniculque inspiratum est, non superfluam cooperationem sui laboris adiunxit. En van Marcus schrijft hij vervolgens : Marcus eum t. w. Matthaeum subsecutus tamquam pedissequus
et breviator eius videtur. Cum solo quippe Ioanne nihil dixit, solus ipse
perpauca, cum solo Luca pauciora, cum Matthaeo verp plurlma, et multa
pene totidem atque ipsis verbis, sive cum solo, sive cum ceteris consonanten
3

*) In zijn Argumentum op zijn Evangelinharmonie schrijft Calvijn te


dezer zake: Mihi certe magis probabile est, et ex re etiam ipsa coniicere
licet, nunquam librum Mathaei fuisse ab eo scil. Marco inspectum
quum ipse suum scriberet: tantum abest ut in compendium ex professo
redigere voluit. Idem et de Luca iudicium facio. Nam quae in tribus ipsis
apparet diversitas, eam non dicemus data opera fuisse affectatam: sed quum
singulis propositum esset, bona fide mandare literis quod certum compertumque habebant, rationem quisque tenuit quam optimam fore censebat.
Quemadmodum autem id non fortuito contigit, sed moderante Dei providentia.
*) Deze schrijft: Sicut autem Marcus usus est Matthaei Hebraico, ni fallor,
codice: ita Marei Hbro Graeco usus mihi videtur quisquis fuit Matthaei
Graecus interpres. Nam quae Marcus ex Matthaeo desumserat, idem his

52

iisdem prope verbis posuit, nisi quod quaedam a Marco Hebraico aut
Chaldaico loquendi genere expressa propias ad Graeci sermonis normam
emollivit; Annotationes in Novum Testamentum, ed. Groningae, 1826,1 p. 11 sq.
) Es scheint der grossen, seit der Mitte des 18 Jahrhunderts eingetretenen
Umwalzung des gesamten Denkensfiberdas Christentum und seine Urkunden
bedurft zu haben, urn ffir das in der Gleichfrmigheit und Verschiedenheit
der eisten 3 Evv. vorliegende Problem empfindlich zu machen", Th. Zahn,
Einleitung in das Neue Testament, 3 Aufl., II S. 188.
) Vgl. in Aanteekening 1 reeds den titel van Lessings artikel.

) Erst zeitdem man im Laufe des vorigen Jahrhunderts die Evglien


unbefangener und genauer auf ihren menschlichen Ursprung anzusehen
begann, machte sich eln Bewusstsein davon geltend, dass gerade die
Uebereinstimmung derselben nur aus den Bedingungen ihrer geschichlichen
Entstehungsweise Erklarung finden knne", H. J. Holtzmann, Lehrbuch der
historisch-kritischen Einleitung in das Neue Testament, 3 Aufl. (1892), S. 345
8

) Zoo schrijft b.v. J. Moffatt: Fellx qui potuit rerum cognoscere causas.
This felicity has not yet been the portion of investigators into the llterary
origin of the synoptic gospels, but the subtle and exhaustive processes of
critJcism, which have been applied to the synoptic problem since Schleiermacher, have at last resulted in (a) the conclusion that the problem is primarely
one of Hterary criticism. The gospels are books made out of books; none of
them is a document which simply transcribes the oral teaching of an
apostle or of apostles. Their agreements and differences cannot be explained
except on the hypothesis of a more or less close Hterary relationship...."
An Introduction to the Literature of the New Testament, 3 ed., p. 179 sq.
9

) Die Fassung des Themas Worte Jesu und Gemeindeberlieferung"


soll den Punkt herausheben, um dessentwillen die synoptische Frage ein
weitgehendes Interesse beanspruchen darf. An sich eine Frage von untergeordneter Bedeutung ob die. drei Synoptiker auf Grand van Quellen
arbeiteten, und wie diese aussahen wird sie dadurch so wichtig, dass
sie uns ermglicht einen Schrift naher an die ursprngliche berlieferung
der Jesusworte heranzukommen und ein Urteilfiberderen frfihere Bestandteile zu gewinnen. Unsere Evangelin stellen ein kompliziertes undvielfach
verschlungenes Gebilde mannigfachster Quellenberlieferung dar: alles
liegt bei innen in einer Ebene; echte Jesusworte, Gemeindelehre, eigenes
Gut der Evangelisten steht unterschiedslos nebeneinander. Gelingt es nun
aber sich eln deutliches Bild der Entwicklung zu machen, die mannichfach
sich kreuzenden Faden auszulsen und klar zu legen, altere berlieferung
von junger und jngster zu scheiden, das Werden und Wachsen des Stoffes
zu verfolgen, so ist damit auch viel ffir die Frage gewonnen, ob und wo
wir authentische Jesusworte zufindenerwarten knnen. Das aber ist unsere
Uberzeugung: es kann fr die wissenschaftliche Forschung keine Frage sein,
10

53
dass vieles, was in den Evangelin als Jesuswort berichtet ist, nicht von
Jesus herrfihrt, dass vielmehr ein sehr grosser, man muss wohl sagen, der
grssere Teil aller Jesusworte spaterer Zeit seine Entstehung verdankt,"
W. Haupt, Worte Jesu und Gemeindeberlieferung (1913), Vorwort, S. 1, Vgl.
ook J. Weiss, Die drel Uiteren Evangelin, in: Die Schriften des Neuen
Testaments neu flbersetst und ffir die Gegenwart erklart. 3 Aufl. (1917),
I S. 32: Wir mussen heute an die Evangelin die Frage stellen: Ruht ihr
Glaubenszeugnis auf Tatsachen? Ist das alles, was sie erzShlen, wirklich
geschehen? Woher haben sie kunde von diesen Dingen? Drfen sie als
glaubenswrdige Gew&hrsmanner ffir die Geschlchte Jesu gelten ?.... Der
Geist moderner naturwissenschaftlicher und geschichtlicher AufklSrung, der
seit dem 18 Jahrhundert von den Gemtern der Gebildeten Besitz ergriffen
hat, der starke Wirklichkeitssinn, zu dem das heutige Leben uns erzieht,
straubt sich dagegen, diese Erzahlungen in ihrem ganzen Umfange einfach
als so geschehene Geschlchte hinzunehmen.... Immer wieder regt sich die
Kritfk, und das Ergebnis ist bei vielen, dass ihnen die Evangelin um dieser
unfassbaren Bestandteile willen berhaupt fremd geworden sind". Soortgelijk
schrijft J. Wellhausen: Am meisten widerstreben die Wundergeschichten,
in der Form wie sie bei Marcus dargestellt werden, der Zurfickffihrung auf den
intimsten Jnger Jesu", Einleitung in die drel Evangelin, 2 Aufl. (1911), S. 155.
") Nach den immer wieder neu geprfiften Untersuchungen der kritischen
Theologie Ist das etwa um das Jahr 70, wahrscheinlich einige Jahre frfiher,
entstandene Markus-Evangelium das alteste der drei und bildet die eine
Hauptquelle ffir die andern beiden, und zwar so, dass sie ihm einfach
nacherzahlen. Sie haben den gesamten Inhalt des Markus in ihre Werke
aufgenommen. Der Auf bau des Markus ist lm grossen und ganzen auch der des
Matthaus und Lukas; er blickt immer wieder durch, auch da, wo die
Spateren durch Einschiebungen den Rahmen erweltert haben. Die Darstellung
tragt lm einselnenfiberalldie Spuren der Redeweise des Markus, auch da,
wo die Evangelisten sich bemfihen, sich in ihrer eigenen Sprache auszudrcken.... Matthaus und Lukas habenfiberMarkus hinaus eine grosse
Menge von Stoff gemeinsam. Es sind dies hauptsachlich Reden Jesu", J.
Weiss, Die Schriften d. N. T. , I, S. 35 f. And Hterary criticism has shown
that Matthew, Mark, und Luke, instead of attesting a general consensus of
tradition, only go back, for the general framework of the narrative, to the
single witness of Mark. What is there, we must ask, in the Gospel of Mark,
that compel us to regard the story there told as in any way historical?"
F. C. Burkitt, Encyclopaedia of Religion and Ethtcs, VI, p. 3396.
3

) Weit fiber 100 Jahre wogt der Streit der Meinungen, und doch sind
es nur sehr wenige Daten welche in dem brandenden Meere als festes *
Gestein ragen.... Spielt uns der agyptische Sand nicht noch einmal die eine
oder andere Form eines vorkanonischen Evangeliums in die Hande, so
werden die synoptischen Hypothesen zwar frhlich weiterwuchern, aber ihr
wirklicher Ertrag wird lm Missverhaltnis zu dem aufgewandeten Elfer stenen."
P. Feine, Einleitung In das Neue Testament, 2 Aufl. S. 19,3. Vgl. ook
Th. Zahn, Einl. II. S. 197.
IX

54
) Vgl. eene korte bespreking van verschillende theorien en hare auteurs
bij Th. Zahn, Einl II, S. 187204; en voor opgaaf en bespreking van
nieuwe literatunr, E. Jacquier, Etudes de Crittque et de Phologie du
Nouveau Testament, (1920), p. 207265.
l3

) Vgl. voor! deze verschillende oplossingen van het synoptisch vraagstuk, en litteratuur erover, ook H. J. Holtzmann, Lehrbuchd. hist-krit. Einl.
S. 345361; en E. Jacquier, Histoire des Livres du Nouveau Testament,
7 ed., II, p. 283363.
M

) Haar vader is C. H. Weisse, die in 1838 schreef -.Dieevang. Geschichte


kritisch u. pholosophisch bearbeitet; en in 1856 uitgaf: Die Evangelienfrage
in threm gegenwrttgen Stadium. Zij werd vooral door H. J. Holtzmann en
B. Weiss ontwikkeld; voorts voorgestaan door C. Weizsacher, A . Jlicher.
J. Weiss, e.v.a. Vgl. eene korte historische schets bij Thaddaeus Soiron,
Die Logia Jesu, (1916), S. 122. Een paar voorname werken zijn hier:J.C.
Hawkins, Horae synopttcae (1899 ; 2 ed. 1909); P. Wernle: Die synoptische
Frage (1899; 2 Aufl. 1909); W. Sanday, Studies In the synoptic Problem by
members of the University of Oxford, (1911).
Vgl. voor onderscheidene constructies bij deze opvatting, J. Moffatt, An
Introductton p. 197202.
IB

ie

) Vgl. Aanteekening 11.

") Vgl. A . Harnack, Sprche u. Reden Jeza (1907), S' 1 f.


) Die synoptische Qrundschrlft in ihrer berliefering durch das Lukasevangelium, (1912). Einleitung S. V. f. Hij schrijft daar ook: Auf derelnen
Seite hat man die Zuversicht zu der Etnhett des Markusevangeltums verloren und sucht nachzuweisen, dass es eine Schrift sei, bei der mehrere
Schriften verschiedenen Charakters und ungleichen Wertes zu unterscheiden
seien." Vgl. ook J. Wellhausen, Einl S. 155: Es kannkein Zweifel sein....
auch darfiber, dass die Tradition, die er t. w. Marcus vorfand, schon
getrbt und durch vleier Leute Mund gegangen war". Vgl. ook K. L. Schmidt,
Der Rahmen der Geschichte Jesu (1919), S. 76 f.
w

) Worte Jesu, S. 3 ff.

I9

) Petras u. Johannes bei Marcus u. Matthaus (1920).

) 1919. Vgl. ook Dr C. Bouma, De literarische vorm der Evangelin (1921).


Ook M. Albertz, Die synoptischen Streitgesprdche. Ein Beitag zur Formengeschichte des Urchrlstentums (1921). Vgl. voor wezen eh strekking dezer
formgeschichtliche beschouwing ook Dr. R. Jelke, Die Wonder Jesu, S. 30 ff.
21

) Der Utterarlsche Charakter der neutest. Schriften (1908), S. 43 f.

22

23

) Zoo schrijft b.v. F. C. Burkitt, The Gospel History and its transmission

55
(4 Impr. 1920), p. 207 sqq.: ... the Third Evangelist is more of a compiler
and less of a theorist than Matthew. In a word, he is more of a historlan.
I do not mean that all hls hlstorical statements will better stand rigid
investigation, but I certainly believe that he intended to write history; and
further, that he wrote history as we write it, by putting together such
materials as came to his hand.... the chief materials out of which this
Gospel is constructed are Mark's Gospel and the lost Document which we
have called Q
the Evangelist.... has set down the events and sayings
that he relates very much in the same order as they were given in the
sources he used, while making many stylistlc changes and minor alterations.
Where S. Luke follows his sources exactly, he preserves for us very valuable fragments of history. On the other hand, some of the expedients
by which this Evangelist attempts to weid his materials together can hardly
be accepted by the scientific historian. This is conspicuously the case with
regard to his representation of our Lord's last journey to Jerusalem. Even
if we agree with Luke as to the route followed, it is obvious that the
greater part of the sayings and anecdotes which are assignedto this journey
do not really belong to it, but to an earlier period in the Ministry. Apparently
the Evangelist finding that the record of the journey from Capernaum to
near Jericho was almost a blank, inserted at this point all the stories of
ous Lord's teaching for which no appropiate place offered elsewhere".
) Die Religion in Geschichte and Gegenwart, III Sp. 2193 f.

24

) Dass Lukas das nicht erkannt und die rein sachlich verbundenen
Erzahlungen als zeitlich einander folgende gefasst hat, haben wir vielfaltig
gezeigt", B. Weiss, Die Quellen des Lukasevangeliums, S 277. Ersucht eine
innere Ordnung und eine bessere Reihenfolge der Erzahlungen herzustellen
allerdings oft ohne Glelch und Geschick.... Jedenfalls erweist Luk sich
vielfach als der fiberlegende, mit Bedacht schreibende Schriftsteller. Im
Grande aber bleibt doch auch er trotz alles hoheres Strebens nur ein
Chronist und Weiterfiberlieferer der Tradition, wie die anderen Evangelin;
einen neuen Stil der Evangelienerzahlung hat er nicht geschaffen";
W. Bousset, Die Rel. L Gesch. u. Gegenw. II Sp. 717. Vgl. ook A. Jlicher,
Einleitung in das Neue Testament, 56 Aufl. (1919), S. 293 f.
25

) Die Geschichte der synoptischen Tradition (1921), S. 221.

2fi

) Vgl. K. L. Schmidt, Der Rahmen u.s.w. S. 39 f.: Eine gewisse


EntwicUung vom Kleinen zum Grossen ist das, was Lk vorschwebt Darauf
kommt es ihm an, da er die Geschichte Jesu, soweit wie mglich, periodisieren und biographisch darstellen will. Um so mehr fiberrascht es, wenn
V. 23 die Nazaretaner ahnliche Wunder zu Jesu Beglaubigung verlangen,
wie er sie in Kapernaum getan habe.... Lk hat bisher von einer solchen
Wirksamkeit in Kapernaum nichts berichtet Hieraus erhellt, dass unsere
Geschichte ursprnglich einen spateren Abschnitt des WirkensJesu angehrt
hat Eine richtige chronologische Fixierung ist indes nicht mglich. Den
27

56
vorliegenden Widerspruch hat Lk offenbar bersehen. Dass er ihn etwa
bemerkt hat und zu konservativ gewesen ist, ihn zu beseitigen, glaube
ich nicht".
) Vgl. Aanteekening 18; en ook A. Schweitzer, Geschichte der LebenJesu-Forschung, 2 Aufi. (1913), S. 370 ff.
2S

) Die Queun u.s.w. S. 275. Voorzichtiger drukt Th. Zahn zich uit,
Das Evangeuum des Lucas, 3 Aufl. (1920), S. 55: Da es sich um eine
Darstellung geschichtlicher Ereignisse handelt, versteht sich auch von selbst,
dass die Reihenfolge, in der Lc sie behandeln will, lm agemelnen der Zeitfolge
entsprechen soll. Dies darf aber nicht dahin fibertrieben werden, dass damit
eine Behandlung nach Art einer annalistischen Chronik oder gar eines
Tagebuches angekndigt ware. Eine strenge Zeitfolge beobachtet Lc nur
in den zwei ersten und den drei letzten Kapitein des Ev. (von 22,7 an),
wo dies durch den Stoff unbedingt erfordert war."
29

) Vgl. E. Klostermann, in Lietzmann's Handbuch zum Neuen Testament,


II, 1, Die Synoptiker (1919), S. 363: . . . . was vielleicht weniger die chronologische Reihenfolge . . . . a l s diewohldurchdachteAnordnunghervorheben
soll." Soortgelijk zegt H. J. Holtzmann, Hand-Commentar zum Neuen Testament, 3 Aufl. (1901), S. 304, dat Lucas eene bearbeiding ook naar het gezichtspunt ordnungsmassigen Darstellens" belooft. Vgl. ook A. T. Robertson,
Luke the htstorian in the ttght of research (1920), p. 53 vg.
30

") Vgl. A. Plummer, The Gospel according to S. Luke, 4 ed. (1916), p.


5: Chronological order is not necessarily implied in xafo&js, but merely
arrangement of some kind." Vgl. ook Q. H. Whitaker, The Exposttor, Nov.
1920, p. 380384. J. Lagrange, vangile selon Saint Luc (1921) p. 6, schrijft:
Le mot est propre a Luc dans le N. T. (VIII, 1; Act. III, 24; XI, 4; XVIII,
23). D' apres son usage mme, comme d' apres 1' tymologie, 11 n' indique
pas ncessairement un ordre chronologique. C' est surtout 1' enchainement
de cause a effet, une histoire qui se tient, dont les dbuts font pressentir
le terme, o tout est cohrent, o chaque chose, chaque personne est a
sa place."
**) Vgl. H. J. Holtzmann, Die Synoptiker S. 333: 41 aus M c bernommen, wobel Lc jedoch noch scharfer als Mc zwischen den Kranken und
den Damonischen theilt."
3

3 4

) Vgl. miin artikel: Doel van de Handelingen der Apostelen" in Geref.


Theol. Tijdschrift, Februari en Maart 1920.
33

) Vgl. b. v. H. Couard, Das Evangeuum nach Markus und Lukas, 2 Aufi.


(1900), S. 154.
34

) Vgl. J. J. van Oosterzee, Das Evangeuum nach Lukas (in Lange's


Theol. homil. Bibelwerk), 4 Aufl. (1880), S. 88.
35

57
3e

) Vgl. Aanteekening 27.

) J. WeissW. Bousset, D/'e Schriften d. N. Test. I, S. 422: Indem


er sie an die Spitze der Darstellung des Wirkens Jesu stellt, gewinnt er
eine eigentmliche Stelgerung; wir sahen, wie Jesus in seiner Vaderstadt
beginnt, dann in Kapernaum, dann in Galilaa berhaupt wirkt und so
allmahlich immer naher nach Jerusalem kommt Lukas will durch dies Stfick
die ganze folgende Darstellung scharf beleuchten: Was hier in seiner
Vaderstadt geschieht, das wird sich berall in seinem Vaderlande abspielen:
sein Volk wird ihm zweifelnd oder feindlich gegenberstehen, und so
wird sich wiederholen, was das A. T. von Elia und Elisa erzahlt: das Heil
wird zu den Heiden kommen."
Vgl. ook K. L. Schmidt, Der Rahmen u. s. w. S. 46.
37

) B. Weiss, Das Neue Testament, 2 Aufl. I, Die vier Evangelin (1905),


S. 306: Vorausgeschickt wird die Verwerfung In Nazaret (4, 16- 30), die,
v. 14 f. (vgl. auch. v. 23) deutlich als mirten in die galilaische Wirksamkeit
lallend charakterisiert ist, als typisch ffir den Erfolgdieser Wirksamkeit...."
Vgl. ook B. Weiss, Die Queen u. s.w. S. 279; E. Klostermann, Die Synoptiker
S. 424. Een weinig anders K. L. Schmidt, Der Rahmen u.s.w. S. 40:

was Jesus hier tut, das wird er fiberal tun; er wird sich von dem
verstookten Volke abwenden und den Heiden das Heil bringen, wie elnst
Elias und Elisa." Nog weer anders O. Pfleiderer, Das Urchrtstentum, seine
Schriften und Lehren, 2 Aufl. (1902), I, S. 422:
sie soll dasSchicksal
des Christentums in seinen Verworfenwerden von den Juden und bergehen
zu den Heiden als von Anfang feststehende Notwendigkeit vorausbllden." In Die Rel. I Gesch. u, Gegenw, II, Sp. 717 zegt W. Bousset: So
hat er die Perikope von der Verwerfung Jesu in Nazaret an den Anfang
des Berichts fiber die Galilaische Wirksamkeit gestellt (4, 6 ff entgegen
Mrk 6 ff) um mit der Verwerfung in Nazareth so erklaren, weshalb Jesu
Wirksamkeit in Kapernaum konzentriert erscheint."
38

) Dat erkent ook A . Hausrath, al betwist hij deswege ook de historiciteit van dit verhaal. Eine Verbesserung seiner Quelle ist es kaum zu nennen,
dass bei dem driften Evangelisten Jesus bei seinem ersten Auftreten nicht
das Gottesreich verkndet, sondern sich selbst zum Thema seiner Predigt
nimmt.... Das ist das Zeugnis eines Christens fiber Jesus, aber slcher
nicht ein Selbstzeugnis Jesu," Jesus und die neutestamentllchen Schriftsteller,
II (1909), S. 94
39

<) Das Evangeuum des Lucas . , S. 238 f.


3

) Dit moment komt bij verschillende uitleggers niet genoegzaam tot


zijn recht Eenigszins duidelijker in wat A. Plummer schrijft:
the
voice of Him of whom the Prophet wrote was sounding in their ears,"
a. w. p. 124. Ook in de woorden J. Lagrange: Jesus est donc celui qui
tait charg d' annoncer les temps messianiques et U les annonce. Incontes41

58
tablement il se met en scne, sans dire cependant ouvertement qu' il est le
Messie", a. w. p. 140.
* ) Vgl. F. Spitta, Die syn. Grundschrift, S. 53: Es unterbricht also die
Geschichte vom Fischzug des Petrus den ursprfinglichen Zusammenhang
auf das unbarmherzigste. Die ganze StSrke der Unstimmigkeit, die wieder
dem schriftstellerischen Talent des Lukas kein gutes Zeugnis ausstellt...."
Men beweert dan, dat Lucas uit overwegingen van zielkundigen aard,
wijziging in verhaalorde aanbracht R. Bultmann, Die Gesch. d. Syn. Trad.
S. 222: So rckt er auch die bei ihmfreilich anders erzahlte Jngeiberufung
5, 111 an einen et was spa teren Platz, weil es psychologisch wahrscheinlicher ist
Jesus schon eine Zeitlang gewirkt hat
er die Jnger
beruft". Vgl. ook W. Bousset Die Rel. i. Gesch. a. Gegenw. II S. p. 717.
2

d a s s

e n e

) Vgl. H. J. Holtzmann, Hand-Comm. z. N. T. I, Die Synoptiker , S.334:


lm Uebrigen bietet sie das 2 Beisplel, dass Lc altere, einfachere und in
der Hauptsache unanfechtbare Berichte durch spatere, theils mlt sagenhaften,
theils mit allegorischen Zgen
bermalte Darstellungeu ersetzt; eine
nochmalige Umformung desselben Stoffes liegtjoh.21611 vor.wo Anderes
ebenfalls wegfaltt". Vgl. ook J. WeissW. Bousset, Die Schriften d.N. T.
I S. 425.
3

) It seems to me that the truth of the matter is nearly this: that


this event is distinct front, and happened at a later perlod than, thecalling
in Mart and Mark; but that the four Apostles, when our Lord was at
Capernaum, followed their occupation as fishermen. There is every thing
to shew, in our account that the calling had previously taken place...."
H. Alford, The Greek Testament, 7**- ed. I (1874) p. 484 sq. A. Plummer
blijft in onzekerheid, The Gospel ace. to S. Luke*, p. 147, maar voert daar
verschillende argumenten aan tegen vereenzelviging van de verhalen in Luc.
5 : 111 en Joh. 21 : 114. Th. Zahn, Das Ev. d. Luc. .*, S. 253ff. wflst
op onderscheiden punten van verschil tusschen wat Lucas 5:111 verhaalt
en wat Matth. 4 : 1822 en Mare. 1 : 1620 bevatten.
M

*) Dat houdt E. Klostermann vol, ook tegenover Th. Zahn's betoog.


Stellung und Inhalt der Erzlhlung, die doch auch auf das Wort vom Menschenfischen und die Nachfolge der Jnger hinauslauft, machen es gewiss,
dass trotz aller Verschiedenheiten.... Lc selbst in ihr nur eine vorzuziehende
Variante zu der Darstellung des Mc gesehen hat", Die Synoptiker, S. 431.
) Gelijk over het algemeen wordt gedacht en beweerd. Vgl. B. Weiss,
Das Neue Test' I, Die vier Ev. S. 311: 5, 111 bringtnundie Jngerberufung". Calvijn meent ook, dat Lucas hier dezelfde gebeurtenis verhaalt
als Matth. 4 : 18 v.v. en Mare. 1 : 16, en dat in Luc. 5 : 111 de roeping
van Simon en van de anderen medegedeeld wordt Hij schrijft op Matth. 4:18
e. p. p.: Nunc vero eandem a tribus historiam narrari, pluribus argumentis
constat. ex quibus tarnen unum hoe non contentioso lector! sufficiet, quod
46

59
tres ipsi uno consensu tandem docent, Petram et Andream, Jacobum et
Joannem creatos fuisse apostolos. Si prius vocati fuissent, sequeretur fuisse
apostatas, qui deserto magistro et spreta vocatione reversi essent ad pristinum
vitae genus. Hoe tantum est discriminis inter Lucam et duos reliquos, quod
miraculum ab his omissum solus recital Doch alzoo wordt het onderling
verschil verkleind. En deze argumentatie zou kracht hebben, wanneer bij
Lucas metterdaad sprake was van eene eigenlijke (tweede) roeping. Zij verliest hare beteekenis ook, wanneer wij aannemen, dat de Heere soms wel
weer kortere of langere oogenblikken Zich geheel in de eenzaamheid teruggetrokken heeft.
") We moeten toch niet vergeten, wat evenwel zeer veel voorbijgezien
wordt, dat Lucas niet schrijft voor degenen, die nog niets van de Evangeliegeschiedenis wisten, en alzoo van alles op de hoogte gebracht moesten
worden, maar integendeel voor hem, die er, zooal niet alles, dan toch vrij
wat van vernomen had, Luc. 1:4, en wien Lucas van het gebeurde de
zekerheid en den rechten samenhang wilde doen kennen. Theophilus had
alzoo niet noodig, eerst, nog bekend gemaakt te worden met Simon Petrus,
noch te vernemen, dat deze een bizonder discipel des Heeren geweest was.
Dat alles wist hij wel, en dat veronderstelt Lucas. En vandaar, dat Lucas,
4 : 38 Simon zoo als unvermittelt invoert, zonder eenige nadere aanduiding,
wie deze Simon was. Dat was aan Theophilus wel bekend, veronderstelde
en wist hij. Daar behoefde hij geene nadere inlichtingen over te geven. En
zoo nu ook behoefde hij niet over de eigenlijke roeping van Simon en de
anderen tot 's Heeren discipelen te handelen, en doet hij dat ook niet
5 : 111, evenmin ais eigenlijk ook 5 : 2732, maar bedoelt hij met zijn
verhaal n hier n daar iets anders.
**) Dat spreekt eigenlijk, zijns ondanks, ook K. L. Schmidt uit, als hij
schrijft, Der Rahmen u.s.w., S. 45: Lk (5, 111) erzahlt die Berufungsgeschichte wesentlich anders. Es treten hier nicht zwei Jfingerpaare auf.
Zunachst wird nur von einer Berufung des Simon berichtet, und dasGanze
steht an anderer Stelle wie bei Mk. Die Hauptrolle spielt innerhalb der
Erzahlung eine Wundergeschlchte."
) Dem Pt und zunachst nur ihm verheisst Jesus, dass er auf dem
Geblete seines Berufs, der wesentlich darin bestehen soll, Menschen ffir
die Gemeinde des Gottesrelchs zu gewinnen, in naher Zukunft immer wieder
berraschend reichen Segen haben wird, wenn er, unbeirrt durch etwagen
Misserfolg seiner eigenen Anstrengungen.... im Gehorsam gegen den
Befehl des Herrn, der ihm seinen Beruf angewiesen hat, Hand ans Werk
legt," Das Ev. d. Lak. .*, S. 253. Hierbij komt ook nog wat A. Schlatter
schrijft, Ertauterungen zum Neuen Testament, 2 Aufl. (1918), I, S. 462: Das
andere Mal wendet er ihnen Gottes reiche Gabe zu und stellt sie in die
Gewissheit, dass sie sich mit Ihrem ganzen Leben getrost ihm fibergeben
dfirfen, weil ihnen unter seiner Leitung nlchts mangein wird
"
49

60
) Dat heeft o.a. blijkbaar ook F. Spitta niet begrepen, die in betrekking
tot Luc. 4 : 14, 15 schrijft: Nach Lukas ist Jesus also bereits vor seiner
Reise aus Judaa nach GalUSa eine ffentliche Person," Die syn. Grundschrlft,
S. 47. Beter K. L. Schmidt, Der Rahmen u. s. w. S. 37 f.: Mehr als die
Sammelberichte des Mk und Mt tragen so die Lukanischen Verse den
Charakter einer Ueberschrift fiber das Folgende."
50

) Daaruit laat het zich verklaren, dat Lucas niet verhaalt zooveel als
volgens Mattheus en Marcus nog tusschen deze twee gebeurtenissen geschied is, en dat hij geene aanduiding van plaats geeft, waar deze belijdenis
des Heeren door Petrus uitgesproken is. De critici komen hier met hun
zoeken naar bronnen in groote verlegenheid: An andern Stellen kann
man sich die Grimde nicht erklSren, wie Mtth und Lk, vorausgesetzt dass
der Evangelist Mrk ihre Quelle war, zu ihrer stark abweichende Darstellung
gekommen sind. Wesshaib liess z. B. Luk die ganze Partie Mrk 645826
fort ? Das ist eine Frage, auf die noch niemand slchere Antwort hat geben
knnen," W. Bousset, Die Rel. t. Gesch. u Gegenw. II, Sp. 705. Vgl. verschillende verklaringen te dezer zake, M . Jones, The New Testament in the
twentteth Century (1914,), p. 204206. Deze verlegenheid en onmacht hangen
samen met misverstand aangaande hoofddoel en gedachtengang van Lucas'
Evangelieverhaal, en met te geringe waardeering van Lucas als auteur,
alsmede met het twee-bronnen-dogma. Th. Zahn schrijft: Ein Bliek auf
Mr, den Lc van 8, 4 bis dahin sich enge angeschlossen hat, zeigt, dass Lc
fiber den ganzen Inhalt von Mr 6, 458, 26 (cf Mt 14, 2216,22) hinweggeht, und zwar ohne die Absicht, diesen reichen Stoff ganz oder teilweise
an einer spateren Stelle seines Buches zu verwerten. An wenigen Stellen des
3 Ev. zeigt sich so deutlich, wie wenig der Vf dem Anspruch auf eine
lckenlose Geschichts-erzahlung und eine vollstandige Verwerfung des
ihm zuganglichen Stoffs entsprechen will," Das Ev. d. Luk *. *, S. 374 f.
En A. Plummer schrijft: Lk omits the sequel of the miracle, the peremptory
dismissal of the disciples and gradual dismissal of the people, the storm,
the walking on the sea, the discourse on the Bread of Life, the Syrophenician woman, the Ephphatha miracle, the feading of the tour thousand, the
forgetting to take bread, and the healing of a blind man at Bethsaida Julias
(Mt. XIV : 22XVI : 12; Mk. VI : 45VIII : 26; Jn. VI : 1471). Can he
then have seen either M t or Mk. ? So also here: both the others mention
that the incident took place near Caesarea Phllippi, on the conflnes of
heathenism. Lk. mentions no place. It is a desperate expedint to suppose
with Reuss, that the copy of Mk. which Lk. knew chanced to omit these
sections," The Gospel ace. to S. Luke *, p. 245 sq.
51

**) Vgl. b.v. R. Knopf, Einfhrung in das Neue Testament (1919) S. 101:
Der Stoff, den Mt und Lk aus Q bernehmen, bringen sie belde in einer
stark verschiedenen Anordnung. Lk ordnet ihn im wesentlichen In den
beiden Einschaltungen" ein, in der kleinen" 6, 208, 3 und in der
groszen" 9, 5118, 14; dem sogenaanten Reisebericht."

61
) J. Moffalt houdt Luc. 9 : 5118 : 34 voor a collection of sayings
and stories, partly drawn from special traditions of the Judean ministry of
Jesus, partly from Q, and partly even from Mark." En dan gaat hij voort:
Luke, who elsewhere shows a knowledge of the Judean traditions, was too
dependent on the Marcan outline to be able to find any chronological place
for them; since he had no independent knowledge, e. g., of the Judean
ministry, beyond what came from his Palestinlan (Jerusalemite or Bethlehemite) sources here as in 12, he inserted them and the rest of his material
in the only available gap offered by the Marcan outline," An Introduction ,
p. 274. En F. Spitta schrijft: Vom rein literarischen Standpunkte aus ist
es sehr ungeschickt gewesen, dass der Verfasser des driften Evangeliums
den von ihm benutzten Quellenstoff nicht, wie es bel Markus und Matthaus
der Fall ist, fiber das ganze Evangelium verfeilt hat," Die syn. Grundschrift,
S. 271 f. K. L. Schmidt Der Rahmen u. s.w. schrijft: Sicherlich waren schon
in der berlieferung kleinere Perikopengruppen zusammengestellt worden.
Abgesehen davon Ist damit zu rechnen, das der Evangelist LkbeimOrdnen
der Einzelgeschichten sichtlich manchmal ermfidet ist," S. 271.
53

) In Luc. 4 : 169 : 17 wordt dertienmaal min of meer uitvoerig een


wonderwerk des Heeren verhaald, nml.:
4 : 3335: uitwerping van een duivel;
3839: genezing van Simons schoonmoeder;
5 : 111: wonderbare vischvangst;
1214: een melaatsche gereinigd;
1626: een lamme genezen;
6 : 610: een dorre hand gezond gemaakt;
7 : 210: dienstknecht van een overste over honderd te Kapernaum
genezen;
1116: opwekking van den jongeling te N a n ;
8 : 2225: stilling van den storm op zee;'
2639: duivelen uitgeworpen uit den man te Oerasa;
4056: opwekking van het dochtertje van Jarus;
4348: genezing van de 12-jarenlang kranke vrouw;
9 : 1317: spijziging van de meer dan 5000.
Daarentegen vinden we in Luc. 9 : 1818:43 maar zesmaal
eene wonderwerking onzes Heilands medegedeeld, n.m.1.:
9 : 3743; een zoon van bezetenheid en krankheid verlost;
11 : 14:
een duivel uit een stomme geworpen;
13 : 1113: een 18-j aren lang kranke vrouw genezen;
14 : 24: een waterzuchtig mensch genezen;
17 : 1119: tien melaatschen gereinigd;
18 ; 3543: aan een blinde te Jericho het gezicht geschonken.
Hierbij zou eenerzijds nog te wijzen.zijn op Luc. 8 : 2, andezerzijds op Luc. 9 : 44 en 10 : 17.
Ten aanzien van redevoeringen echter is het omgekeerd.
Afgezien van woorden, die de Heere sprak bij genezingen
enz., en korte gezegden, als Luc. 4:35; 5:410; 1314;
54

62

4
5
6
7
8

2024; 6 : 39; 7 : 9; 4050; 8 : 21, 30, 39, 45, 48, 50,


52, 56; 9 : 16, hebben we In Luc. 4 : 169:17 maar deze
redevoeringen of gesprekken des Heeren:
: 1630: te Nazareth;
: 3139: over Bruidegom en vasten;
: 2049: bergrede;
: 2235: de Johannesrede";
: 418: gelijkenissen van den zaaier en van de kaars;
Maar in Luc. 9 : 1818 : 43 veel meer, n.m.1.
Luc. 9 : 2836; 10 : 124; 2539; 11 : 113; 1728;
2936 ; 3754; 12 : 112; 1640; 4159; 13: 19;
1535; 14:524; 2535; 15; 16; 17: 110; 2037;
18 : 114; 18-30.
Bovendien is bij het verhaal van 's Heeren wonderen in
Luc. 4 : 169 : 17, zooals in het vervolg aangewezen wordt,
eene bepaalde gedachte van voortschrijdende ontvouwing
waar te nemen.

) Eene zakelijke ordening neemt ook K. L. Schmidt aan, Der Rahmen


u. s. w. S. 270: lm ganzen ordnet hier Lk die Geschichten, indem er sachlichen Geschichtspunkten folgt, so sehr er auch den Eindruck einer Reise und
von Geschichten, die sich auf dieser Reise zugetragen haben, erwecken will."
55

) Vgl. ook E. Klostermann, Die Synoptiker, S. 436: Dass Lc mit vs.


21 nur eine kurze Inhaltsangabe dieses Redeteils gibt, zeigt wohl v. 22 der
Beifall der Hrer, der sich kaum auf jenen einen kurzen Satz beziehen kann."
M

) VgL Aanteekening 51.

) Vgl. Dr. H. Bavinck, Qeref. Dogm. I, blz. 475: De gewijde geschiedenis is eene historia religiosa. Van het standpunt en naar den maatstaf
eener profane geschiedenis beoordeeld, is zij daarom menigwerf incompleet,
vol leemten, en volstrekt niet beschreven naar de regelen der tegenwoordige critiek. Daaruit volgt volstrekt niet, dat de historiebeschrijving der
Schrift onwaar en onbetrouwbaar zou zijn...." VgL ook Aanteekening 86.
5S

) Daarop wijst ook K. L. Schmidt, Der Rahmen u.s.w., die schrijft: Lk


will hier die Geschichte des Johannes zum Abschluss bringen, um nachher
nicht mehr darauf zurckzukommen. Mft 3,21 beginnt dann die eigentliche
Geschichte Jesu in unmittelbarem Anschluss an die Tauferwirksamkeit lm
Sinne des Lk had man daher V. 19 f. bzw. auch V. 1820 als eine Parenthese
zu werten. Eigentiimlich ist, dass das Ende des Taufers nicht erzahlt wird.
Lk 9, 9 wird es als bekannt vorausgesetzt, ebenso wie an unserer Stelle
3, 19 f. angenommen wird, der Leser wisse, um was es sich bei der Herodias
handle.... Die Sache liegt so, dass Lk an der Gestalt des Taufers als
solcher kein Interesse hat und daher nur das erzahlt, was im Grunde Jesusgeschichte ist...."

63
) F. Spitta meent, dat hier tekstcorruptie in Luc. 3 : 21 aangenomen
moet worden, Die syn. Grundschrift, S. 22. K. L. Schmidt, Der Rahmen
u. s. w., S. 30 schrijft: Er erzahlt nicht die Taufe selbst als Hauptsache
sondern erwahnt sie nebenbei, um von der einen grossen Sache, dem
Herabsteigen des heiligen Geistes zu berichten.... hier hat das religise
oder auch dogmatische Interesse, weil die Taufe Jesu durch Johannes eine
schwer begreiftiche Sache war.... dem Verfasser die Feder geffihrt....
Oerade beim driften Evangelisten der sonst mehr logisch entwickelnd und
blographisch schildernd zu erzahlen weiss, macht dieser Bericht so recht
den Eindruck der Verlegenheid des Autors." Beide deze gedachten echter
van Spitta en Schmidt missen allen grond, wanneer men goed in het oog
vat het doel van Lucas* Evangelieverhaal. Beter, hoewel nog wat onzeker,
A. Plummer: But perhaps the purpose of Lk is to narrate the baptism, not
so much for its own sake as an instance of Chrisfs conformity to what
was required of the peaple, as for the sake of the Divine recognition and
authentlcation which Jesus then received,", The Gospel ace to S. Luke*, p. 99.
M

) Am Bericht des Lukas ist zu sehen, dass nicht die schone, lichtvolle
Anordnung das erste Anliegen der Evangelisten war. Diese hat zwar
Wichtigkeit, weil der Erzahler durch sie sein Lehrgeschick bewahrt, da uns
die Ordnung der Dinge zu ihrem Verstandnis hilft, ist aber weniger wichtig
als die Sache selbst", A. Schlatter, Erl. z. N. T. I, S. 455. J. Lagrange
denkt hier bij Lucas aan overwegingen aangaande plaatselijke ligging.
Mals Lc aime a simplifier. Comme dans son texte la seconde tentation
ne marqu pas un grand deplacement, il etait naturel qu' il rservat pour
la fin celle qul eut pour thatre le sommet du temple de Jrusalem, Evan.
selon S. Luc, p. 130. Nog anders J. WeissW. Bousset. Die Versuchung
im Tempel Ist von Lukas an den Schluss gestellt, weil das hier gesprochene Schriftwort zuglelch eine Zurfickweisung aller Versuchungen
berhaupt zu enthalten schien." Die Schriften, d.N.T. lS.
420 f.
6I

82

) Vgl. Aanteekening 50.

**) Dass diese Vorrfickung der Erzahlung, welche bei Markus (6, 16)
an ihrer richtigen Stelle ist, ungeschichtlich sei, verrat Lukas selbst, indem
er die Nazarethaner sich auf das Gercht von den grossen Taten Jesu in
Kapernaum berufen lasst.... es ist leicht zu erkennen, dass ffir seine Ansicht
von der richtigeren Reihenfolge nicht etwa neue und bessere Quellenstudien,
sondern eine gewisse eigentmliche schrif tstellerische Absicht massgebend gewesen ist," O. Pfleiderer, Das Urchrtstentum 1S. 421. Vgl. ook Aanteekening 27.
3

) Dit niet ingezien te hebben, heeft den critici hunne verlegenheid


aangaande de vooraanplaatslng van deze Nazareth-geschiedenis door Lucas
veroorzaakt, en hen ongegronde beschuldigingen te zijnen aanzien, van vergissingen en onopmerkzaamheid, doen uitspreken. F. Spitta meent hier weer
bewijs te hebben voor zijn vermeende synoptische Grundschrift, en voor
eene minder gelukkige in elkander werking van verschillende bronnen door
M

64
Lucas. Wass unerklarlich blieb, dass Lukas vor Jesu Auftreten in Kapernaum ein Ereignis stellen konnte, das dessen Wunder in Kapernaum voraussetzt, und nicht an die Stelle, wo es im Texte des Markus und Matthaus
steht, begreift sich, wenn in seiner Vorlage an jener Stelle bereits eine
Erzahlung von Jesu Auf treten in Nazareth stand, die er nur in ungeschickter
Weise weiter ausgestaltete mit dem Berichte von Jesu Verwerfung in
Nazaret, wozu ihm das Wort Jesu vom Propheten in der Heimat Anlass
gab. Seine schriftstellerische Kunst zeigt sich in keinem besonderen Lichte,"
Die syn. Grundschrift, S. 51 f. J. WeissW. Bousset schrijven: UrsprngUch war gewiss erzahlt, die Nazaretaner hitten, als Jesu bei ihnen keine
Wunder tat (Mk 6, 5), so zu ihm gesprochen; in der uns vorliegenden Bearbeltung der Erzahlung ist dieser Bericht zu einer Vorhersage Jesu umgestaltet," Die Schriften, d. N. T. I S. 423.
3

) Lucas heeft in vers 21 den Inhoud van 's Heeren rede beknopt weergegeven. Met vers 22 geeft hij den indruk van 's Heeren spreken op de
inwoners te Nazareth aan, terwijl hij in het slot doet weten, dat zij zich aan
Hem ergerden. Ook dit echter kort, door het mededeelen van eene enkele
vraag. Bovendien laat hij zijne bedoeling duidelijk genoeg weten door wat
hij dan verder volgen laat F. Spitta echter, bevangen door het bronnendogma, schrijft weer:
man kann um den Eindruck nichtherumkommen,
dass hier zwei ganz heterogene Berichte zusammen gefgt sind," Die syn.
Grundschrift, S. 51; vgl. S. 50.
S5

) Daarom ook de woorden van vs. 356, waarvan ook E. Klostermann


schrijft, Steigerung des Wunders, durch die Feststellung, dass der Besessene
bei seinem Fall keinen Schaden genommen hat" Die Synoptiker. S. 429.
Vgl. ook H. J. Holtsmann, Die Synoptiker I S, 332. En J. WeissW.
Bousset: Der Krampfanfall wird noch stSrker geschildert, zugleich aber
die berraschende und haufig vorkommende Tatsache festgestellt, dass der
Kranke bei seinem Sturz keinen Schaden genommen hat," Die Schriften d.
N.T. I S. 424.
66

) Hij spreekt hierbij van zware of hooge koorts," vs. 38. Lk.'sdesire
to magnify the power comes clearly out here," A. B. Bruce, The expositor's
Greek Testament, 1 The Synoptic Gospels, (1917), p. 492
7

) Vgl. ook K. L. Schmidt, Der Rahmen u. s. w. S. 58: lm einzelnen


hat Lk die Szene (vgl. besnders 4, 41) Mk gegenfiber ein wenig dramatisiert Die Darstellung der Krankengruppen wird dabei eine andere: es
wird erst von allen Kranken gesprochen, die zu Jesus getragen werden, und
dann erst von den Damonischen." Vgl. ook F. Spitta, Die syn. Grundschrift,
S. 62; en Aanteekening 32.
68

) De handschriften verschillen bij vs. 44 in lezing. Sommigen lezen:


Oalilea, anderen: rfs 'Iovdaias. Nu lag het eerst voor de hand, vgl. ook
Mare. 1 : 39, aan Qalilea te denken. En daarom zal Galilea wel voor corM

65
rectie, en 'Iovdalae wel voor oorspronkelijk gehouden moeten worden. F.
Spitta wil dit laatste dan opvatten als judea. Die bersetzung jdisches
Land" ware einfach sinnlos," Die syn. Grundschrift, S. 68 ff. Vgl. hiertegenover K. L. Schmidt, Der Rahmen, u.s.w., S. 59 ff. Hij schrijft o.m.: An
dleser Stelle allein an die judaische Landschaft zu denken, ergibt keinen
Sinn," a.w. S. 61. Alle moeilijkheid vervalt hier, en de gepastheid en de
noodzakelijkheid van de aanduiding het joodsche land" of Palestina blijken
bfl de in den tekst gegeven verklaring. Ook E. Klostermann schrijft bij dit
vers en woord: beabsichtigte Ausdehnung der Tatlgheit auf das ganze
jdische Land," Die Synoptiker, S. 430.
) Vgl. Aanteekening 48. Ook C. F. Nsgen, Die Evv. n. Matth. Mare.
u. Luk. S. 298 schrijft: Luk. geht dabei fiber dieeigentliche Berufsszene,"
welche Mat. und Mark. mltteilen, ganz kurz hinweg." Wanneer A. B. Bruce,
The Syn. Gospels, p. 493 sq. schrijft: Peter comes to the front, and the
other three named in Mk., James, John and Andrew, retire into the shade;
the last-named, Indeed, does not appear in the picture at all," dan maakt
hfl wel eene juiste opmerking, maar heeft hij blijkbaar toch ook de hoofdstrekking van dit verhaal niet gevat, zooals blijkt uit wat hij volgen laat:
This doubtless, reflects the relattve positions of the four dlsciples in the
public eye in the writer's time and in the circle for which he wrote. The
Interest gathered mainly about Peter: Christian people wanted to be told
about him, specially about how he became a disciple. That interest had
been feit before Lk wrote, hence the tradition about his cal! grew ever
richer in contents, till it became a lengthy, edifying story. Lk gives it as
he found it." Deze geheele beschouwing vindt weinig steun In het verhaal zelf.
n

) Vgl. ook Calvijn op Luc. 5 : 1 : Dicit Lucas Christum ....specimen


exhibulsse divinae suae virtutis in miraculo.
71

) Simon empfindet die in diesem Segen sich manifestlerende, aller


Menschenmacht fiberlegene Herrengewalt Jesu so ef, dass er in seiner
sfindhaften Menschennatur das erkennt, was Jesum von ihm scheiden musz,"
C. F. Nsgen, Die Evv. u.s.w. S. 298. Wanneer J. WeissW. Bousset, Die
Schriften d. N. 7*. S. 425 vragen: Warum wirkt es nicht auf die andera
Augenzeugen so ?," en meenen hieraan een argument te kunnen ontleenen
voor vereenzelviging van dit verhaal met dat In Joh. 21, dan kan daarop
geantwoord worden, dat in Luc. 4 : 9, 10 ook gezegd wordt, dat dit wonder
soortgelijk op de anderen werkte. En dat alleen Simon zich zoo uitsprak,
vindt genoegzame verklaring in zijne persoonlijkheid, en in zijn woord in vs. 5.
7J

) J. WeissW. Bousset, Mare. 2 : 25,26 besprekende, schrijven: Jesus


macht hier gegen alle fibertriebene Angstlichkeit der Gegner den grossen
Grundsatz geltend: Not bricht Eisen und kennt keln Gebot," Die Schriften
d. N. T.' I, S. 97. Dit is echter geheel fout Daarbij is niet gerekend met
de hoedanigheid van David als gezalfde des Heeren, noch met de aanleiding
zijner vlucht dat hij n.m.1. juist om zijne zalving en roeping vervolgd werd
en vluchten moest
73

66
) J. Wellhausen, Das Evangeuum Marei, 2 Aufl., S. 20, schrijft bfj Mare.
2 : 27, 28: Der Schluss, 2, 28 ist nicht aus dem Beispiel Davids gefolgert,
sondern hat eine neue Pramisse. Wenn er bndig sein soll, so muss das
Hauptwort der Aussage in ihm das selbe sein, wie in der Pramisse: der
Sabbat ist wegen des Menschen da und nicht der Mensch wegen des Sabbats, also ist der Mensch Herr ber den Sabbat" Hij ziet dan echter over
het hoofd, dat volgens de H. Schrift, en volgens den Heere Christus, de mensch
door de zonde zijne macht of bevoegdheid verloren, en alleen de Heere Christus
de oorspronkelijke macht des menschen weer ontvangen heeft, terwijl de
mensch slechts door gemeenschap met Hem die bevoegdheid herkrijgen kan.
M

) Die Rede ist ebenso wie bei Matthaus auf einem Berge gesprochen;
Lukas sagt nur et was pedant isch: nicht auf dem Gipf el, wo fr die vielen Menschen kein Platz war, sondern auf einer Art Matte." J. WeissW. Bousset, Die
Schriften d. N. T. I S. 428. Vgl. ook A. B. Bruce, The Syn. Gospels,p.503:
Yet the expression tnov nsdivo is peculiar; hardly what we should expect if
the reference weretotheplainbesidethelake;rathersuggestiveof aflatspace
lower down the M L * Vgl. ook K. L. Schmidt, Der Rahmen u.s.w. S. 112.
7B

) Ook O. Pflerdener schrijft: Die ganze Rede ist in sich so wohlgeordnet und abgerundet und entspricht der Situation, als Probe der ffentlichen Lehrweise Jesu, so gut
" Das Urchrtsientam I S. 426.
78

") A. Plummer omschrijft en groepeert aldus: 1. The qualilifications


of those who can enter the kingdom (Lk. 2026; M t V 112); 2. The
duties of those who have entered the Kingdom (Lk. 2745; Mt. V 13VII
12); 3. The judgements which awaits the members of the Kingdom (Lk.
4649; Mt. VII 1327) Encouragement, requirement, warning; or invitation,
principles, sanction," The Gospel ace. to S. Luke , p. 178.
4

) lm Zusammenhang mit der Glelchnissrede 41, 42 kan 47 die erwiesene Liebe nur als Erkenntnissgrund vorhergegangener Sndenvergebung
gelten" H. J. Holtzmann, Die Synoptiker I S. 347.
7S

) Lukas spreekt niet van de overlegging der vrouw, zooals Mattheus


9 : 21, en Marcus 5 : 2, 3. Hij wil de aandacht blijkbaar geheel bepalen bij
den Heere en Zijn doen en grootheid. Daartoe construeert hij de verzen 43
en 44, en kiest hij daarin zijne woorden, gelijk hij doet Hij spreekt niet
slechts van het aanraken van achteren van 's Heeren kleed, zooals Marcus
5 : 27, 28, doch, evenals ook Mattheus 9:20, van het aanraken van den zoom
f kwast van Zijn kleed, en eveneens met Mare. 5 : 29 van het terstond
intreden der genezing, Luc. 8 : 44; vgl. ook Matth. 9 : 22. Hij wil op deze
wijze blijkbaar zeggen: terwijl deze vrouw door niemand genezen had kunnen worden, vond zfl terstond genezing, toen zij geloovig, vgl. vs. 48, ook
maar even 's Heeren kleed van achteren aan den kwast aanraakte.
7B

) Omdat Lucas niet, zooals Marcus 5 : 26, zegt dat deze kranke vrouw
veel geleden had van vele medicijnmeesters, meent men wel, dat hij als
80

67
medicus alzoo de medici sparen wil. Vgl. b.v. J. A. Findlay, fesus as they
saw Hint, U, The Gospel accordtng to Luke, (1919) p. 156. A curlous instance of Luke's loyalty to hls profession is to be found in his treatment
of the story of the woman with the haemorrhage
Here is a twofold
insinuation: Luke will not allow that she had been to a properly qualifld
doctor, and at the same time suggests that the trouble was not any lack
of medical sklll, but her own inability to rally; this, of course, onlymakes
the Qood Physician's succes the more wonderful." Vgl. ook A. T. Robertson
Luke the htstorian In the Ught of research p. 10> 92 sq. Deze verklaring is
echter niet noodzakelijk. Wanneer wij er mede rekenen, dat Lucas den
Heere Jezus en Zijne grootheid teekenen wil, en daarom weglaat, wat daartoe
niet noodig is, en veeleer de aandacht van den Heere afleiden kon, dan
hebben wij eene betere verklaring. Ook nu deelt hij de eigenlflke zaak, die
noodig was, mede, n.m.1. dat deze vrouw door niemand had kunnen'genezen worden. Haar verdere lijden enz. te teekenen, was voor de voorstelling
van 's Heeren grootheid overbodig. Vgl. ook Aanteekening 79.
) De strekking dezer opmerking kan te meer beseft worden, wanneer
we rekenen met wat K. Lake schrijft, Dlcttonary of the Apostoltc Church,
I (1915), p. 721 a: In the complete absence of any definite statements as
to the sources used by Luke, with the exception of the preface to the
Gospel, internal evidence can alone be used, and the results of lts study
are necessarily only tentative." Deze innerlijke evidentie ontgaat ons derhalve
ook nog grootendeels, zoo al niet geheel.
81

") To a student of the Synoptic Problem S t Luke's Gospel is the most


interesting of the three. Indeed, we may confidently affirm that, but for
St. Luke, the Synoptic Problem wouldnever have existed. For the connexions
between St. Matthew and St. Mark are comparatively simple and are easlly
explained. It is only when we read St. Luke that the perplexing questions
which constitute the Problem arise. We have flrst to explain the fact of
his omisslons (a) of Markan matter, (b) of Malthaean; next, hls additlons
(a) of narrative, (b) of discourse; thirdly, his variations from the other
Gospels in arrangement (a) of Markan matter, (b) of Matthaean; then we
must examine his edltorlal work, which consists (a) of prefaces to introduc
a section, (b) of conclusions to wind it up, (c) of explanatory notes, (d) of
correctlons, alike In fact, in style, and in grammar; lastly, we must consider
cases where he agrees with St. Matthew against St. Mark, and cases where
he alone of the Synoptists has some contact with St. John. Anyone who
attempts to solve the Problem by neglecting one or more of these factors,
may fasclnate the reader by the simplicity of his proposals, but hedoesso
at the expense of success. He has not really grappled with the Problem
and therefore has not solved it," A Dlcttonary of Chrlst and the Gospels,
II (1913). p. 846. Tegenover verschillende van deze vragen komen wij geheel
anders te staan, wanneer wij in den tekst aangewezen hoofddoel en gedachtengang van Lucas* Evangelieverhaal aan te nemen hebben, en als
juist beschouwen. Dan blijkt het zoeken van eene oplossing van het

68
synoptisch vraagstuk" vrijwel eene hersenschim; en dat vraagstuk ook
zelf weinig anders dan iets imaginairs.
) Natuurlijk kunnen we met E. Mangenot zeggen: Tant d' efforts,
aboutissant a des rsultats si divergents, n' ont pas t totalement inutiles.
Us ont demontr au moins la complexit du problme synoptique et 1'extrme
difficult, sinon 1' impossibilit absolue de lui donner, a 1' aide des moyens
dont dispose actuellement 1' erudition, une solution adquate et certaine.
Us ont fait ressortlr la fausse vole dans laquelle s' taient temerairement
engags plusieurs des premiers critiques qui avaient tudi la question."
Dictionnaire de la Bible, publi par F. Vigouroux, II, col. 2098.
83

) Vgl. R. Weiss, Die Quellen d. Lukasev., S. 7: Lk 4, 38b zeigt sich


deutlich die Hand des reflektierender Bearbeiters. Markus harte, 1,30
einfach erzahlt, dass das Brderpaar, bei dem Jesus einkehrt, ihm sofort
sagt, dass die Schwiegermutter am Fieber daniderliege, wie um zu
entschuldigen, dass er es nicht gastlicher im Hause finden werde. Lukas
melnt, dass dem Hellwunder Jesu doch eine Bitte darum vorangegangen
sein mfisse; und in der Erwagung, dass man Jesum doch nicht eines
leichten Fieberanfalls wegen bemfiht haben werde, lasst er die Schwiegermutter mit hohem Fieber behaftet sein. Damit fallt natrlich auch das
ei&vs des Markus fort, aber in dem zu fjQoixrjaav weniger passenden mgi
avziji; das nur bei Markus ganz an seiner Stelle ist, zeigt sich noch der
Einfluss des Markustextes, wie in dem bei Lukas ganz unmotivierten
Plural des Verbi." Vgl. ook S 279. Ook K. L. Schmidt, Der Rahmen u.s.w
S. 60; 142: Das Gerippe der Mk Dartellung ist geblleben" n.m.1. in
Matth. 8:2834 einiges ist weggefallen, anderes undeutlich hinzugesetzt.
S. 143 f : Lk verkrzt die vorlage des Mk n.m.1. Mare. 5 : 120 in
Luc. 8 : 2639 nicht so stark wie ML Er nimmt nur einige Anderunger stilistischer Art vor.... Dass der Mann aus der Stadt stammt.... ist
Annahme des Evangelisten. Die Zahl des Schweine ist gemildert
"
Insgelijks R. Rultmann, Die geschichte d. Trad., S. 221: Wie Mt hat er"
scil. Lucas den Stoff des Mk um das Material von Q vermehrt und
dazu noch anderer Traditionsgut gefgt. Aber in der Ineinanderfiigung
der Quellen ist er anders verfahren als Mt Er legt nicht den Mk.-Aufrisz
zu Grande und fgt den Redenstoff an geeigneten stellen ein. Sondern im
Ganzen ist seine Methode die, dass er mit seinen Quellen abwechselt, sie
neben-ein-ander stellt und also auf diese Weise zwei Aussendungsreden, zwei
Pharisaerreden u.s.w. bringen muss"; vgl.ookS.216. EveneensW.C.Allen,
The Gospel according to S. Matthew, 3rd ed. (1912), p. XIII sqq. Wie dergelijke voorstelling geven, zouden zich beleedigd gevoelen, wanneer men
de samenstelling hunner boeken op soortgelijke wijze zou trachten te verklaren. Maar waarom spaart men dan den Evangelisten zulken smaad niet,
waar men toch erkennen moet, in zijn oordeel op zeer subjectieve gronden
terasten,en men de waarheid daarvan zien kan uit de vele elkander weerleggende uiteenzettingen, en terwijl er eene betere verklaring mogelijk is?
Veelszins wil men alzoo van de verhaalde feiten zelve, en van de kracht
M

69
Van zelfstandige getuigenissen daaromtrent, los komen. Die galilaischen Erzahlungen" (n.m.1. bi] Marcus) sind auch innerlich meist nicht so beschaffen,
dass sie auf diese" t. w. die Urjfinger zurckgefhrt werden knnten.
Soll etwa Petrus der GewShrsman sein ffir die pltzliche Berufung der vier
Menschenfischer ? Soll er dass wandeln auf dem See oder das Ausfahren
der bsen Geister in die Saue bezeugt haben, die Heilung des blutflussigen
Weibes durch die Kraft eines Kleldes, des Stummen und des Blinden durch
Speien?" J. Wellhausen, Einl. i. d. drel ersten Ev. 2 Afl. S. 45.
) Daarom verhaalt Lucas niet de spijziging van de meer dan 4000 met
zeven brooden en enkele visschen, Mare. 8 : 110; Matth. 15 : 3239.
Dat was niet meer noodig, om 's Heeren macht en ontferming duidelijk te
laten zien, nu hij die reeds door het verhaal van de verzadiging der meer
dan 5000 met vijf brooden en twee visschen beschreven had, Luc. 9:1117.
Soortgelijk maakte hij geene melding van 's Heeren wandelen over de zee,
Matth. 14 : 2227; Mare. 6 : 4552, waar hij 's Heeren heerschappij over
storm en golven reeds voorgesteld had, Luc. 8:2225. Insgelijks behoefden
genezingen als Mare. 7:3137 (doofstomme in Decapolis), en Mare. 8:2226
(blinde te Bethsaida) en Matth. 15 : 2128; Mare. 7 : 2430 (bezeten
dochter van de Syro-phenicische) niet door Lucas verhaald te worden, waar hij
soortgelijke gevallen reeds vermeld had; Luc. 4 : 3337; 7 : 210, 21.
Terwijl gevallen van duivel-uitwerping als in Luc. 8 : 2639, en blindengenezing, in Luc. 18 : 3543 beschreven, weer iets bijzonders hebben. Zoo
was ook, na het verhaal van de opwekking van den jongeling te Nan, Luc.
7 : 1117, dat van die van Jarus' dochtertje, Luc. 8 : 4056, niet overbodig. Daarentegen was het verhaal van Petrus' wandelen op de zee, Matth.
14 : 2833, niet onmisbaar, waar het meer de aandacht op Petrus vestigen
kon, dan weer iets nieuws van den Heere Christus doen uitkomen. Evenzeer kon
wegblijven het verhaal van Petrus' optreden en bestraffing, Matth. 16:2223;
Mare. 8 : 3233, alsook dat van gesprekken des Heeren over joodsche inzettingen en verkeerdheden. Vgl. Matth. 5 : 21 v.v.; 6 : 1 v.v.; 15 : 1 v.v.;
Mare. 7 :1 v.v. Vgl. ook Th. Zahn, Die Apostelgeschichte des Lukas,], S. 13 f.
S5

) Meermalen wordt het voorgesteld, dat, waar het doel der historische
boeken des Bijbels prediking is, wij niet te zeer op de historische juistheid
van hetgeen zij verhalen, staat maken kunnen. Zoo schrijft: b.v. M. Jones,
The Four Gospels (1921), ten aanzien van ons vierde Evangelieverhaal:
It is, in my opinion, tolerably clear that St John, when he set out to
write his Gospel, did not propose to compose a strictly hlstorial document
His object was rather to explain and interpret the life and teaching of
Christ, and that with the view of leaving a particular impression upon the
soul of the Church of his own age
XX. 31
This is the spirit and
princlple that account for his independent attitude towards the other
Gospels and the additional material that was at his disposaL The facts
that he chronicles are generally hlstorical facts
The events of our
Lord's life and the substance of His teaching are read in the light of
a long Christian experience I am inclined to thlnk that the Fourth
8S

70
Gospel contains more strict history than it is sometimes credlted w i t h . . . . "
p. 119 sq. Maar J. G. Machen merkt terecht op, The Prlnceton Theohgkat
Review, July, 1922, p. 494 sq.: But such a representation altogethermisses
the true purport of the self-testimony of the Evangelist The author of the
Fourth Gospel does indeed desire to produce christian falth in the hearts
of hls readers. But he desires to do so by a rehearsal of the actual facts
about Jesus. Truth, he is convinced, is, in the case of Jesus, more wonderful
than fiction; the glory of the incarnate Word shone out clear even through
the veil of flesh. It is not true at all, therefore, that the author of the
Fourth Gospel is indifferent to the facts; on the contrary he emphasizes
with special clearness.... the importance of the plain testimony of an
eyewitness. Indeed, it is the purpose of, the whole Gospel to produce faith
in Jesus by reporting what was actually seen and heard while the Word
was on earth." Geheel ten onrechte zoekt dan ook Dr. G Bert, Das
Evangeuum des Johannes (1922), te betoogen, dat de vierde Evangelist niet
bedoelt Geschrichte des Lebens Jesu, sondern Geschichte des ewigen
Lebens in allegorisch dramatischer Form", te geven, S. 117; vgL S 58. A l
ligt in het verhaalde geestelijke leering en strekking, daardoor houdt dat
verhaalde niet op, historisch feit te zijn. De apostel legt allen nadruk op
de geschiedkundige werkelijkheid, van hetgeen hij mededeelt Daaraan laat
Dr. Bert geen recht wedervaren, die meermalen willekeurig allegorlseert,
en den apostel Iets anders wil laten zeggen, dan hij metterdaad schrijft
Het soortgelijke nu als van Johannes kan ook van Lucas en zijn Evangelieverhaal gezegd worden. Duidelijk legt hij dadelfik in den aanvang grooten
nadruk op de betrouwbaarheid en historische juistheid van wat hij schrijven
zal, Luc. 1 : 14. Het was niet noodig, dat hij deze betuiging later telkens
op de eene of andere wflze zou herhalen. Zfl gelden voor al wat dan volgt
in het geheele boek. Vgl. Dr. H. Felder, Jesas Christus, 2 Aufl. (1920) II, S.
120: Bestimmter liesse sich der Entschluss, Geschichte, reine, unverfaischte
Geschichte zu schreiben, wohl nicht aussprechen, Vgl. ook $. 123.
) In de tweede eeuw verwierpen de Alogi" het vierde Evangelieverhaal
als niet van den apostel Johannes afkomstig, en als onwaar, wijl ook in strijd
met wat de Synoptici verhalen; vgl. Epiphanius Haereses, 51. Clemens Alex.
zeide, dat Johannes een geestelijk" Evangelie geschreven had, omdat hij
zag, dat het lichamelijke" des Heeren reeds genoegzaam in de andere
Evangelieverhalen medegedeeld was; vgl. Eusebius, Hist. Eccl. VI, 14, 7.
87

**) Het was vooral K. G. Bretschneider, die toen den strijd tegen het
Evangelie naar Johannes inzette, met zijn Probabilia de evangelii et epistolarum Ioannis aposto indole et origene, 1820, waarin hij o.m. als bezwaren
er tegen inbrengt, dat de Heere Christus er gansch anders in spreekt, dan
in die der Synoptici, en dat Zijn Persoon er gansch anders in voorgesteld
wordt. D. F. Strauss zette die bestrijding voort in zijn Leben Jesu (1835;
4 Aufl. 1840). Van hem schrijft A. Schweitzer: Er selbst gesteht spater,
dass erst Baur seine 1835 eingenommenen Stellungen uneinnehmbar gemacht
habe. Und doch kann man sagen, dass die Johannelscbe Forschungzu dem

71
von Strauss Qesagten im Prinzip nichts Neues mehr hlnzugetan hat Er
erkannte eben, worauf es ankam. Mit krltischem Scharfblick verzichtete er
darauf, aus dem Vergleich der hlstorischen Daten irgend eineEntscheldung
herbelzufhren, und l&sst den theologischen Charakter den Ausschlag geben
Tut man dies nicht, so ist die Debatte aussichtslos, da ein geistreicher
Kopf, der auf Johannes eingeschworen ist, immer tausend Wege findet um
die synoptischen Angaben mit den Johanneischen zu vereinigen und'sich
zuletzt gar noch mit Haut und Haaren ftir die Stelle zu verbrgen, wo der
ausgefailene Abendmahlsbericht eingeschaltet werden muss." Geschichte d
Leben-Jesu-Forschurg* S. 88 f. Daarmede is uitgesproken, dat ook bier geen
objectieve gegevens, maar vooropgezette meening, dogmatiek, geloof het
Evangelieverhaal van Johannes en die der Synoptici als onverzoenbaar doen
beschouwen. Sedert het optreden van Strausz, en ook van F. C. Baur, wordt
door velen de geloofwaardigheid van ons vierde Evangelieverhaal geloochend. Voor litteratuur vgl. W. Bauer, in H. J. Holtzmann's HandCommentar z. N. T. IV, Evangeuum, Briefe und Offenbarung des Johannes,
L
'
' '
P ashistoricalDocuments
III, The fourth Gospel (1920), p. 1-16. De verschillen tusschen de Evangelieverhalen der Synoptici en dat van Johannes worden opgesomd b.v door
P. W. Schmiedel, The Johannine Wrltlngs, translated by M . A. Canney
(1908), p, 9-46. Vgl. ook F. C. Burkitt, The Gospel history and Us transmissen, 4th Impr., 218-256. Hij schrijft, p. 230: The Christ of the Fourth
Gospel is not the Christ of history, but the Christ of Christian experience
It is because the Evangelist views the Gospel history from this subjective'
standpoint, that he allows himself such freedom in remodelling theexternal
eVents." En op p. 256: The Fourth Gospel is written to prove the reallty of
Jesus Christ. But the Evangelist was no historian: ideas, not events, were
to him the true realitles, and if we go to his work to learn the course of
events we shall only be disappointed in our search." Ook hiermede is de
historische betrouwbaarheid van Johannes' Evangelieverhaal ontkend, teeen
betuigingen in als Joh. 20 : 31; 21 : 24.
S

X >

S t a n t o n

T n e

G o s

e l s

) E. F. Scott, The fourth Gospel, its purpose and theology, (Ist ed


1906) 4th ed. (1920), p. 145 schrijft: Between the Synoptic records and
that of the Fourth Evangelist there is one broad difference, evident on the
surface. The earlier writers are concerned almost wholly with the life of
Jesus in its outward expression, with the actions and sayings in which He
revealed His spirit They are content to set the life before us and leave it
to produce its own effect as it did on the disciples who first witnessed i t
John, on the other hand, starts from the impression which had been made
on him by his knowledge of the divine life. He assumes from the outset
that Jesus was the Christ, the Son of God, and construes the history in the
Hght of this assumption. Reversing the method of the Synoptists, he does
not reason from the outward actions to the Person behind them, but judges
the work from his theory of the Persoon. De formuleering dezer gedachte
nu daar latende, kunnen we zeggen, dat ook Lucas van den beginne het
Zoonschap Gods en het Messias-zfln van den Heere Christus uitkomen laat
89

72
en aan het begin van zijn verhaal van 's Heeren openbare ambtsbediening
Hemzelven dat laat uitspreken, en voorts het verhaal van 's Heeren wonderen z ordent dat telkens weer Zijne Messiaansche heilswerking op
andere wijze gezien kan worden, zoodat het onderscheid in dezen tusschen
zijn Evangelieverhaal en dat van Johannes niet groot is.
*) Es wird ein Schreiben gemeint sein, bei dem die Dinge in ihrem
gegenseitigen Verhalten zur Darstellung kommen. Es handelt sich nicht
nur um ein.... Nebeneinanderstellen, sei es nach einem sachlichenSchema
oder nach der ausseren Zeitfolge, sondern es soll ein innerer Zusammenhang des Qeschehens heraustreten...." P. Ewald, H. R. E. , XI, S. 696.
3

) And with what do the discourses of Jesus deal ? In the Synoptics


almost exclusively with the question, What must one do to gain admittance
into the Kingdom of Qod? And the answer to the question is well-nigh
exhausted when it is summed up in the words, "Be pure ln heart, love God
and your neighbour, do God 's will" . . . .the point was always that what is
required is moral conduct based on the fear of God.... Jesus speaks about
himself very seldom. He does so all the more frequently in the Fourth
Gospel. Here his person and its divine nature is almost the only subject of
hls discourses," P. W. Schmiedel, The Johannine Writtngs, p. 37.
91

) Vgl. M. Jones, The New Testament in the twentieth century, p. 189 s


Differences of opinion still exist with reference to the details of the prevailing Synoptic scheme, but the main lines upon which the solutionof the
Synoptic problem is to be attained would now seem to be definitely decided
upon. The following may be noted as points in regard to which a considerable amount of unanimity has been reached: 1. The probleem is a
documentary one. Oral tradition is only a subordinate and comparatlvely
unimportant factor in the composition of the Gospels and does not adequately
cxplain the relations between them." Doch J. G. Machen vraagt niet zonder
recht: Why may not the differences between the Synoptic Gospels be
expained as due, not to lack of respect for the sources, but to the fact
that all of the Gospels stood in the full current of the primitive oral tradition ? Why should it be supposed that because the oral theory" is insufficint te account for the relationshlp existing between the Gospels it is
therefore unnecessary ?" The Princeton TheologicalReview,)\i\y, 1922, p. 494.
92

) M. Jones, The New Testament etc. schrijftp. 190ook: 3. Thesecond


Gospel is the earliest of the three, and this Gospel, or a document approximately identical with it lay before the authors of the First and Third
Gospels, who embodied it almost in its entirety in their writtngs, and used
it as a framework into which they introduced materials from other sources.
4. A second principal document is also common to St. Matthew and St
Luke, consisting mainly of discourses and sayings of Jesus, which the two
Evangelists independently combined with their Marcan document"
93

94

) Vgl. Ps. 36 : 10.