You are on page 1of 111

Een richtlijn voor alcohol gebruik

Hoe om te gaan met alcohol in een herstelgerichte setting?

Kirsten de Koning

Begeleiding van zorgvragers met dubbele


diagnose in de herstelgerichte setting

Op welke wijze kunnen hulpverleners op de


afdeling Moermontstede omgaan met
zorgvragers met een ernstig psychiatrische
aandoening, die alcohol misbruiken of er
afhankelijk
van
zijn
begeleiden
en
ondersteunen, zodat de kwaliteit van zorg
gewaarborgd of verbeterd kan worden en
er eenduidigheid kan worden gecreerd?

Naam: Kirsten de Koning


Studentnummer: 2038914
E-mailadres: kdkoning@student.avans.nl
Klas: 24R4GGZ
Datum: 16 juni 2014
Gelegenheid: 2
Studiejaar: 4de leerjaar HBO-V
Onderwijseenheid: Minor GGZ
1ste beoordelaar: Joost Bonants
de
2 beoordelaar: Jack van den Broek
Samenvatting: 373 woorden
Totaal aantal woorden: 10913

Voorwoord
Dit kwaliteitsvoorstel is geschreven door een voltijd vierdejaars HBO-V student, die gedurende
deze onderwijsperiode als stagiaire fungeert bij de Geestelijk Gezondheidszorg Westelijk
Noord-Brabant in Halsteren. Binnen GGZ WNB is de leerling werkzaam op de locatie
Moermontstede. Dit kwaliteitsvoorstel is geschreven binnen een setting waarbij de
herstelgerichte visie van toepassing is en waarbij er begeleiding wordt geboden aan
zorgvragers met een ernstig psychiatrische aandoening.
Ik ben met de voltijd opleiding HBO-V gestart in september 2010 en dit zal eindigen in februari
2015.
In deze afgelopen vier jaar heb ik veel geleerd van het vak zelf, het werkveld, maar ook van
mezelf als beginnend beroepsoefenaar en daarnaast ook mijn 'werkelijke zelf en mijn
kwaliteiten & verbeterpunten.
Ik heb een jaar lang als stagiaire meegelopen in de verslavingszorg gecombineerd met
psychiatrie. Dit heb ik zowel ambulant als klinisch gedaan. Mijn interesse in dubbele diagnose
is dan ook erg groot. Ik ben dan ook erg enthousiast dat mijn minorproduct over dubbele
diagnose gaat.
Graag sluit ik dit voorwoord af door de mensen, die mij hebben begeleid en ondersteund bij
het schrijven van dit kwaliteitsvoorstel, te bedanken. Mijn dank gaat uit naar mijn begeleidend
docent, Jack van den Broek, die mij heeft ondersteund, adviezen gegeven en mij geholpen
heeft bepaalde aspecten te kunnen verduidelijken. Ik wil mijn werkbegeleidster van GGZ WNB,
Wilma Quaak, bedanken, voor de prettige samenwerkingen, begeleiding, geduld en voor het
extra zetje die u mij heeft gegeven. Ook wil ik mijn Joost Bonants danken voor zijn adviezen
en feedback met betrekking tot dit kwaliteitsvoorstel.
Als laatste gaat mijn dank uit naar alle betrokkenen, die deelgenomen hebben aan het
praktijkonderzoek.

Samenvatting
Dit kwaliteitsvoorstel richt zich op zorgvragers, verblijvend op de afdeling Moermontstede van
GGZ WNB, met een ernstig psychiatrische aandoening, die misbruik maken of afhankelijk zijn
van alcohol, om zo de kwaliteit van zorg te verhogen en eenduidigheid te creren voor zowel
de zorgvragers als de hulpverleners, door middel van het ontwikkelen van een duidelijke
richtlijn gebaseerd op Integrated Dual Dissorder Treatment.
Onder de hulpverleners is er enigszins kennis aanwezig over de behandeling en begeleiding
van zorgvragers met een dubbele diagnose. Deze kennis is schriftelijk niet duidelijk aanwezig.
Het doel van dit kwaliteitsvoorstel is om de kwaliteit van zorg te verhogen en eenduidigheid
te creren voor zowel de zorgvragers als hulpverleners door middel van het ontwikkelen van
een richtlijn.
De volgende onderzoeksvraag heeft in dit kwaliteitsvoorstel centraal gestaan: Op welke wijze
kunnen hulpverleners op de locatie Moermontstede begeleiding bieden voor zorgvragers met
een ernstig psychiatrische aandoening, die alcohol misbruiken of er afhankelijk van zijn, zodat
de kwaliteit van zorg gewaarborgd of verbeterd kan worden en er eenduidigheid kan worden
gecreerd?
Naar aanleiding van deze onderzoeksvraag zijn er deelvragen opgesteld, gericht op de ideale,
wenselijke situatie in vergelijking met de huidige. De ideale, wenselijke situatie is door middel
van een literatuurstudie in kaart gebracht. In deze literatuurstudie is er gebruik gemaakt van
de behandelingsmethodiek Integrated Dual Dissorder Treatment. Om de huidige situatie te
meten is er een praktijkonderzoek in de vorm van een semi-gestructureerd interview voor de
zorgvragers en een vragenlijst voor de hulpverleners ontwikkeld.
Uit het praktijkonderzoek is niet duidelijk gebleken of er voldoende kennis is, met betrekking
tot IDDT ten opzichte van de behandeling van zorgvragers met een dubbele diagnose. Tijdens
het praktijkonderzoek heeft 16,6% van de hulpverleners heeft IDDT genoemd. Van de
ondervraagde hulpverleners heeft 83,4% geen enkele vorm van evidence based practices met
betrekking tot dubbele diagnostiek genoemd. Van de ondervraagde zorgvragers heeft 80%
benoemd te denken dat de hulpverleners over onvoldoende kennis beschikken met betrekking
tot dubbele diagnostiek. Uit het praktijkonderzoek is tevens gebleken, dat er een duidelijke
uniforme richtlijn binnen de afdeling Moermontstede met betrekking tot de behandeling en
begeleiding van zorgvragers met een dubbele diagnose, ontbreekt.
Een duidelijke richtlijn omtrent de behandeling dubbele diagnostiek en relevante
informatievoorzieningen zouden bijdragen aan het vergroten en behouden van kwaliteit van
zorg.

INHOUDSOPGAVE
Inleiding ................................................................................................................................................... 7
H1. Methodeverantwoording.................................................................................................................. 9
1.1. Probleemanalyse .......................................................................................................................... 9
1.2. Literatuurstudie ............................................................................................................................ 9
1.3. Dataverzameling ......................................................................................................................... 10
1.4. Data-analyse ............................................................................................................................... 10
1.5. Verbeterdoelen .......................................................................................................................... 10
1.6. Verwijzingen ............................................................................................................................... 10
H2. De wenselijke situatie ..................................................................................................................... 11
2.1 Vraagstelling en deelvragen ........................................................................................................ 11
2.2 Methode ...................................................................................................................................... 11
2.3 Literatuurstudie ........................................................................................................................... 13
H3. Normeren ........................................................................................................................................ 34
3.1. De ideale situatie ........................................................................................................................ 34
3.2. Standaarden en meetcriteria ..................................................................................................... 35
H4. De huidige situatie .......................................................................................................................... 36
4.1. Moermontstede ......................................................................................................................... 36
4.2. Voorbereiding op het onderzoek ............................................................................................... 37
4.3. Dataverzameling & -analyse ....................................................................................................... 38
4.4. De werkelijke situatie ................................................................................................................. 39
H5. Doelen ............................................................................................................................................. 40
5.1. Huidige versus wenselijke situatie ............................................................................................. 40
5.2. Verbeterdoelen .......................................................................................................................... 41
H6. Discussie .......................................................................................................................................... 43
H7. Conclusie en aanbeveling................................................................................................................ 44
Bibliografie ............................................................................................................................................ 46
Bijlagen .................................................................................................................................................. 47
Bijlage 1. Vragenlijst hulpverleners ................................................................................................... 49
Bijlage 2. Interview zorgvragers ........................................................................................................ 50
Bijlage 3. Ingevulde vragenlijsten ...................................................................................................... 54
Bijlage 4. Afgenomen interviews ....................................................................................................... 66
Bijlage 5. Eerste versie literatuurstudie ............................................................................................ 73
Bijlage 6. Overige interventies ........................................................................................................ 103
Feedbackformulier Minorproduct Buitenschools ............................................................................... 107

INLEIDING
Het misbruik van middelen, in dit geval alcohol, en de psychiatrische
aandoening versterken elkaar en bemoeilijken de behandeling. Het gebruik
van verslavende middelen, zoals alcohol, kan leiden tot een toename van de
symptomen van de psychiatrische aandoening. Daarnaast hebben de
meeste mensen bij wie een dubbele diagnose wordt gesteld problemen op
alle levensgebieden.
Alcoholmisbruik leidt vaak tot gevoelens van somberheid, vervlakking en
eenzaamheid. Een psychiatrische stoornis kan ervoor zorgen dat men
gevoeliger wordt voor verslaving. De persoon voelt zich door de alcohol
tijdelijk sterker, maar op latere termijn leidt dit veelal tot een verergering
van eenzaamheid of boosheid (Solutions, 2012).
Dit kwaliteitsvoorstel richt zich op zorgvragers, verblijvend op de afdeling Moermontstede van
GGZ WNB, met een ernstig psychiatrische aandoening, die misbruik maken of afhankelijk zijn
van alcohol, om zo de kwaliteit van zorg te verhogen en eenduidigheid te creren voor zowel
de zorgvragers als de hulpverleners.
Het traject wat een zorgvrager doorloopt de locatie Moermontstede met betrekking tot
alcoholgebruik, wordt individueel bepaald door de persoonlijk begeleider en de behandelaar,
tevens psychiater. Er wordt per zorgvrager gekeken of hij of zij, alcohol mag en kan nuttigen,
wat zorgt voor onderlinge discussies tussen de zorgvragers.
Medestudenten, die werkzaam zijn op de leerafdeling op de locatie Moermontstede hebben
aangegeven niet te weten hoe ze moeten omgaan met het drankgebruik van de zorgvragers
op de leerafdeling. Er ontstaan op de werkvloer ook discussies tussen de leerlingen over
alcoholgebruik van de zorgvragers.
Het vaste team, bestaande uit gediplomeerde verpleegkundigen en sociaal psychiatrische
hulpverleners, bepalen individueel het beleid, betreffende alcoholmisbruik of afhankelijkheid
vanuit de herstelgerichte visie, daar Moermontstede onder de herstelgerichte zorg valt. Echter
is er vanuit dit team aangegeven om een richtlijn op te stellen, wat voldoet aan de
uitgangspunten van herstelgerichte zorg, aan de symptomen van verslaving, aan het
normalisatieprincipe en de regels van een klinische setting, wat als lastig ervaren wordt en wat
dus beter kan.

7|Page

De volgende vraag staat binnen dit kwaliteitsvoorstel centraal: Op welke wijze kunnen
hulpverleners op de locatie Moermontstede begeleiding bieden voor zorgvragers met een EPA,
die alcohol misbruiken of er afhankelijk van zijn, begeleiden en ondersteunen, zodat de
kwaliteit van zorg gewaarborgd of verbeterd kan worden en er eenduidigheid kan worden
gecreerd?
Om deze vraagstelling te verduidelijken, zijn er een aantal deelvragen opgesteld:
Op welke wijze kunnen hulpverleners begeleiding bieden voor zorgvragers met ernstig
psychiatrische aandoeningen die alcohol misbruik of afhankelijk zijn?
Beschikken de hulpverleners op de locatie Moermontstede voldoende kennis die
gericht is op de begeleiding van zorgvragers met een ernstig psychiatrische
aandoening, die alcohol misbruiken of afhankelijk zijn?
Welke interventies kunnen bijdragen aan de psychische stabiliteit van de zorgvrager
met een ernstig psychiatrische aandoening in de herstelgerichte setting?
Het doel van dit kwaliteitsvoorstel is niet om een verpleegbeleid, omtrent de behandeling en
begeleiding van zorgvragers met een dubbele diagnose, op te stellen, maar om een richtlijn te
ontwikkelen voor deze doelgroep gebaseerd op de Integrated Dual Dissorder Treatment op
de afdeling Moermontstede van de organisatie Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk NoordBrabant.

8|Page

H1. METHODEVERANTWOORDING
Bij het schrijven van dit kwaliteitsvoorstel is gebruik gemaakt van de methode beschreven in
het boek Elementen van kwaliteitszorg (Hollands, Hendriks, & Ariens, 2004).
Deze methode bestaat uit het volgende:
o

o
o
o
o
o
o

Het onderwerp van het kwaliteitsvoorstel schrijven:


- Beschrijving clintenpopulatie
- Verantwoording keuze onderwerp
- Probleemanalyse rondom dit onderwerp
De uitgangspunten en de doelstellingen van het kwaliteitsvoorstel
Literatuurstudie: beschrijving van de ideaal, wenselijke situatie
Praktijkonderzoek: de huidige situatie
Vergelijking van ideale situatie met de huidige situatie
Mogelijke verbeterdoelen
Implementeren van de verbeterdoelen

1.1. Probleemanalyse
Met gesignaleerde knelpunten op de afdeling Moermontstede, van de organisatie GGZ, en
door het in gesprek gaan met mijn collegas is het onderwerp voor dit kwaliteitsvoorstel tot
stand gekomen. Met behulp van de informatie over de organisatie, de afdeling en de
clintenpopulatie, die te vinden was in documenten via het intranet is er een beschrijving van
clintenpopulatie en de afdeling gemaakt.
Met behulp van een overzicht van het probleem, de vraagstelling en het doel van dit
kwaliteitsvoorstel zijn er uitgangspunten en doelstellingen geformuleerd.

1.2. Literatuurstudie
Bij het zoeken naar informatie om de literatuurstudie te schrijven is gebruik gemaakt van
diverse databanken. Door middel van Kaluga, ontwikkeld door Avans Hoge Scholen, zijn er
diverse artikelen, voornamelijk Engelstalig, ten behoeve van dit kwaliteitsvoorstel, gebruikt.
Naast het gebruik van verschillende databanken is er tijdens deze zoektocht ook gebruikt
gemaakt van boeken en websites om relevante informatie over het onderwerp te verkrijgen.
Vanuit de literatuur is de wenselijke situatie beschreven. Met behulp van het boek Elementen
van kwaliteitszorg (Hollands, Hendriks, & Ariens, 2004) zijn de standaarden en criteria
opgesteld.

9|Page

1.3. Dataverzameling
Met behulp van een praktijkonderzoek is er informatie verzameld door middel van een
kwalitatief onderzoek. Als meetinstrument is er gebruik gemaakt van een vragenlijst voor de
hulpverleners en semi-gestructureerde interviews voor de zorgvragers.
De vragenlijst voor de hulpverleners is gericht op hun kennis rondom de begeleiding van
zorgvragers met een dubbele diagnose. De semi-gestructureerde interviews voor de
zorgvragers is gericht op hun behoeften bij de begeleiding van dubbele diagnostiek.
De genterviewde zorgvragers zijn geselecteerd op basis van hun welwillendheid om over het
onderwerp te kunnen en willen praten. 40% van de zorgvragers is genterviewd en 54,5% van
de hulpverleners heeft geparticipeerd in het praktijkonderzoek.

1.4. Data-analyse
De onderzoeksresultaten zijn door de onderzoeker bestudeerd en letterlijk beschreven.

1.5. Verbeterdoelen
Bij het opstellen van de verbeterdoelen en het kunnen implementeren ervan is gebruik
gemaakt van het boek Implementatie (Grol & Wensing, 2011). Hierbij is gebruik gemaakt van
de kenmerken van Rogers.

1.6. Verwijzingen
Literatuur, wat is verkregen uit databanken, boeken, websites en tijdschriften zijn in de APAstijl verwerkt in de literatuurlijst.

10 | P a g e

H2. DE WENSELIJKE SITUATIE


2.1 Vraagstelling en deelvragen
De volgende vraag staat binnen dit kwaliteitsvoorstel centraal: Op welke wijze kunnen
hulpverleners op de locatie Moermontstede begeleiding bieden voor zorgvragers met een
ernstig psychiatrische aandoening, die alcohol misbruiken of er afhankelijk van zijn, begeleiden
en ondersteunen, zodat de kwaliteit van zorg gewaarborgd of verbeterd kan worden en er
eenduidigheid kan worden gecreerd?
Om deze vraagstelling te verduidelijken, zijn er een aantal deelvragen opgesteld:
- Wat wordt er verstaan onder alcoholmisbruik en afhankelijkheid?
- Wat wordt er verstaan onder dubbele diagnose?
- Wat houdt Integrated Dual Dissorder Treatment in?
- Wat zijn de behoeften van psychiatrische zorgvragers die misbruik maken of afhankelijk zijn
van alcohol?

2.2 Methode
Er zijn naar artikelen gezocht in zowel Nederlandstalige als Engelstalige databanken, om de
literatuurstudie inhoud en vorm te geven. Daarnaast is er ook naar literatuur gezocht in boeken,
tijdschriften en websites. Tijdens het zoeken naar literatuur is er rekening gehouden met de
inclusie- en exclusiecriteria, die hieronder zijn beschreven:
Inclusiecriteria
Psychiatrische zorgvrager
Alcoholafhankelijkheid
Alcoholmisbruik
Leeftijd vanaf 18 jaar
Hulpverleners, niveau 2, 3, 4, 5
Behandeling
Dubbele diagnose

Exclusiecriteria
Algemene zorgvragers
Drugs
Klinische setting

Tabel 2.1. Inclusie en exclusiecriteria

In de onderstaande tabel staan de zoektermen, zowel als Nederlandstalig als Engelstalig, zoals
gekoppeld aan de originele vraagstelling, waarmee is gezocht in de databanken.
P
I
C
O

Nederlandstalig
Zorgvragers met een dubbele diagnose
Behandeling dubbele diagnose
Hoge kwaliteit zorg

Engelstalig
Recipient dual diagnosis
Treatment dual diagnosis
High quality care
Tabel 2.2. Zoektermen

11 | P a g e

Met behulp van Google Translate heb ik dubbele diagnose vertaald naar Dual Diagnosis. Dit
heb ik later aangepast naar Dual Dissorder.
In Kaluga, de zoekmachine van Avans Hoge school heb ik met behulp van de volgende termen
artikelen gevonden:

Dual Dissorder
Dual Dissorder Treatment
Dual Dissorder Therapy
Alcohol abuse
Alcohol dependency
Integrated Dual Dissorder Treatment (IDDT)
Interventions IDDT
Motivational Interviewing

Daarnaast heb ik met deze termen gezocht via Google Scholar. Ook heb ik deze termen in de
Google zoekmachine getypt, waar ik ook diverse websites kon gebruiken in mijn
literatuurstudie. Bij Google heb ik ook gebruikt gemaakt van Nederlandse termen:

Dubbele diagnose
Behandeling dubbele diagnose
Alcoholverslaving
Alcoholafhankelijkheid
Misbruik van alcohol
IDDT
Interventies IDDT
Motiverende gespreksvoering

Ik heb ook de literatuur die beschikbaar stond op Blackboard, van Avans Hoge school, gebruikt
en de informatie die ik heb mogen ontvangen gedurende het derde en vierde schooljaar met
betrekking tot Integrated Dual Dissorder Treatment.
Ook heb ik gebruik gemaakt van de Trimbos website en van de GGZ richtlijnen, die ik leerde
kennen in het derde schooljaar.
Naast het internet en de zoekmachines voor artikelen, heb ik gebruikt gemaakt van boeken,
zoals Psychiatrie voor Verpleegkundigen (Clijsen, 2008).

12 | P a g e

2.3 Literatuurstudie
2.3.1. Alcoholverslaving
Een individu is verslaafd aan alcohol, wanneer hij of zij zodanig drinkt, dat de gezondheid, werk
en/of het sociale leven hieronder lijdt en het individu niet meer kunt stoppen. Het gaat hierbij
vaak om mensen die op een manier verlichting zoeken voor stress, onzekerheid, maar ook
lichamelijke klachten. Een verslaving begint vaak heel onschuldig met hier en daar een glaasje,
maar naarmate de tijd, wordt het dan vaak meer een gewoonte, dan een uitzondering
(Misterlak, 2010).

2.3.1.1. Alcoholafhankelijkheid
Onder afhankelijkheid van een middel (in dit geval alcohol) wordt het volgende volgens de
DSM-IV verstaan:

Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden
veroorzaakt, zoals blijkt uit drie of meer van de volgende criteria, die zich op een willekeurig
moment in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen:
- Tolerantie, gedefinieerd door minstens n van de volgende criteria:
Een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden van alcohol om intoxicatie of de
gewenste werking te bereiken
Een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol
- Onthouding, wat blijkt uit minstens n van de volgende criteria:
Het voor alcohol karakteristieke onthoudingssyndroom
Hetzelfde (of een nauw hiermee verwant) middel wordt gebruikt om
onthoudingsverschijnselen te
verlichten of te vermijden
- Het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende een langere tijd gebruikt dan
het plan was
- Er bestaat de aanhoudende wens of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik van
het middel te verminderen of in de hand te houden
- Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten, nodig om aan alcohol te komen
- Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven
of
verminderd, wegens het gebruik van alcohol
- Het gebruik van alcohol wordt voortgezet, ondanks de kennis dat er een hardnekkig of
terugkerend
sociaal, psychisch of lichamelijk probleem is, wat waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd
wordt door de alcohol
(Townsend, 2009)

13 | P a g e

2.3.1.2. Alcoholmisbruik
Onder misbruik van een middel (in dit geval alcohol) wordt het volgende volgens de DSM-IV
verstaan:

A) Een patroon van het ongepast gebruik van alcohol dat significante beperkingen of lijden
veroorzaakt, zoals in een periode van twaalf maanden blijkt uit minstens n van de
volgende criteria:
- Herhaaldelijk gebruik van alcohol met als gevolg dat het niet meer lukt om in belangrijke
mate
te
voldoen aan verplichtingen op het werk, school of thuis
- Herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is
- Herhaaldelijk, in samenhang met alcohol, in aanraking komen met justitie
- Continu alcoholgebruik ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal of
intermenselijk terrein veroorzaakt of verergert door de effecten van alcohol
B) De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria van afhankelijkheid van een middel
uit
deze
groep middelen
(Townsend, 2009)

2.3.2. Dubbele diagnose


De combinatie van verslaving en een psychiatrische aandoening wordt dubbele diagnose
genoemd.
Een zorgvrager met een dubbele diagnose heeft gelijktijdig last van misbruik of afhankelijkheid
van een middel en een psychiatrische stoornis. Hierbij zijn allerlei verschillende combinaties
mogelijk tussen middelen en psychiatrische stoornissen. Doordat de comorbiditeit tussen
beide stoornissen groot is, is afzonderlijke behandeling meestal niet doeltreffend (LEDD, 2012).
Het tijdig herkennen en beoordelen van zowel middelengebruik als een psychiatrische
aandoening is van essentieel belang voor het slagen van de behandeling. Een vroege en
betrouwbare signalering van het middelengebruik en de psychiatrische aandoening en de
daarop adequate beoordeling van de ernst van de problematiek waren de uitgangspunten bij
het opstellen van methodieken voor screening en assessment bij dubbele
diagnoseproblematiek (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling , 2008).

14 | P a g e

2.3.3. Screening
Screenings zijn geschikt om risicos van misbruik of afhankelijkheid te identificeren, wanneer
beide problemen niet duidelijk gedentificeerd zijn als een probleem.
Screenings bieden slechts een indicatie van een risico op een bepaalde aandoening van een
persoon. Ze zijn ongeschikt voor gebruik als meetinstrument bij opname en bieden
onvoldoende ondersteuning bij diagnosen.
Om behandeling te bieden en diagnosen te ondersteunen behoort er gebruik gemaakt te
worden van meer extensieve diagnostische assessment instrumenten (Hoffmann, 2007).
De fidelity index, horend bij IDDT, raadt aan om gebruik te maken van het screeninginstrument
CAGE of UNCOPE, om mensen met een dubbele diagnose te identificeren.
Het CAGE screening instrument bestaat uit vier relatief confronterende vragen om een
alcoholverslaving te identificeren. Omdat de screening met behulp van dit instrument minder
dan een minuut duurt, is het een nuttig klinisch instrument, wat het meest favoriete instrument
is geworden van algemene internisten, verpleegkundigen en familie praktijk artsen. De CAGE
heeft minder potentie voor de meeste onderzoeken dan voor klinisch gebruik.
De vragen behorend bij dit instrument zijn:
1. Heb je ooit de behoefte gehad om te minderen met drinken?
2. Erger jij je aan mensen die klagen over jouw drankgebruik?
3. Voel jij je ooit schuldig vanwege het drinken?
4. Heb je wel eens een in de ochtend gedronken om de trillingen te bedaren?
Als je dit naar het Engels vertaalt, krijg je:
1. Have you felt the need to Cut down on your drinking?
2. Do you feel Annoyed by people complaining about your drinking?
3. Do you ever feel Guilty about your drinking?
4. Do you ever drink an Eye-opener in the morning to relive the shakes?
Het antwoord nee, wordt gezien als 0 punten en het antwoord ja als 1 punt. Een score van twee
of hoger wordt gezien als klinisch significant (Skogen, Overland, Knudsen, & Mykletun, 2010).
Het meetinstrument UNCOPE, bestaat uit de volgende zes vragen:
1. Hebt u in het afgelopen jaar meer alcohol of drugs gebruikt, dan de bedoeling was?/
Hebt u meer tijd gespendeerd aan het nuttigen van alcohol, dan de bedoeling was?
2. Hebt u ooit uw dagelijkse verantwoordelijkheden verwaarloosd, wegens het nuttigen
van alcohol of het gebruiken van drugs?
3. Hebt u ooit gevoeld dat u wilde of moest minderen met het drinken van alcohol of het
gebruiken van drugs?
4. Heeft iemand ooit bezwaar gemaakt tegen u over u drank- of drugsgebruik?
5. Hebt u zichzelf ooit afgeleid gevonden met het willen nuttigen van alcohol of het
gebruiken van drugs?
6. Hebt u ooit alcohol of drugs gebruikt om emotionele ongemak te verlichten?
15 | P a g e

In het Engels is de UNCOPE als volgt beschreven:


U (use)
N (neglect)
C (cutting down)
O (object)
P (preoccupied)
E (emotional discomfort)

In the past year, have you ever drank or used drugs more than
you meant to?*
Have you ever neglected some of your usual responsibilities
because of using alcohol or drugs
Have you felt you wanted or needed to cut down on your
drinking or drug use in the last year
Has anyone objected to your drinking or drug use?
Have you ever found yourself preoccupied with wanting to use
alcohol or drugs?
Have you ever used alcohol or drugs to relieve emotional
discomfort, such as sadness, anger, or
boredom?

Twee positieve antwoorden indiceren een sterke waarschijnlijkheid alcohol en/of drug misbruik.
Vier of meer positieve antwoorden indiceren afhankelijkheid van alcohol en/of drugs
(Hoffmann, 2007).

2.3.4. Behandelingsmethoden
Tot voor kort krijgt de behandeling van ernstige psychische stoornissen en verslaving apart
aandacht in de GGZ, de verslavingszorg. Uit de praktijk is gebleken dat beide soorten
behandelingen, los van elkaar of eerst de ene problematiek en vervolgens de andere, leidt tot
een onvolledig en inadequaat aanbod, waarbij er vaak sprake is van heen en weer verwijzen,
uitsluiting, slechte afstemming en drop-outs van zorgvragers (LEDD, 2012).
Amerikaanse, maar ook Nederlandse deskundigen, pleiten voor een gentegreerd
behandelaanbod voor dubbele diagnose zorgvragers, waarbij de behandeling van beide
aandoening tegelijkertijd en door hetzelfde team wordt begeleid en behandeld (Landelijke
Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling , 2008) (Instituut, 2008).

2.3.4.1. Individual Dual Dissorder Treatment


IDDT staat voor Integrated Dual Dissorder Treatment en is een evidence-based
behandelmethode voor zorgvragers met een dubbele diagnose, met een psychiatrische
aandoening en middelen afhankelijkheid of misbruik van een middel. IDDT verbetert de
kwaliteit van leven voor personen met een psychiatrische aandoening in combinatie met een
middelenafhankelijk of misbruik van een middel (Tsai, Salyers, Rollins, McKasson, & Litmer,
2009).
IDDT behandelt tegelijkertijd de psychiatrische aandoening en de verslaving, in plaats van eerst
de ene aandoening en vervolgens de ander (Drake, 2008) (Chandler, 2009).
IDDT gaat uit van het bio-psycho-sociale model. IDDT is gedurende 20 jaar ontwikkeld en
verfijnd door het New Hampshire-Dartmouth Psychiatric Research Center in Amerika.
Zorgvragers met een dubbele diagnose hebben een grote kans op terugval, hospitalisatie,
agressie, opsluiting, dakloosheid en ernstige infecties als HIV en hepatitis.
16 | P a g e

In eerste instantie was de IDDT behandeling gebruikt voor in de ambulante zorg door het ACTteam, maar uit recente studies is gebleken dat IDDT ook effectief is binnen een klinische setting
(Van Rooijen et al. 2007) (Schepers, 2009).
In de tabel hieronder zijn de verschillende fasen van verandering beschreven in de IDDT
behandeling.
Fasen van verandering
Voorbeschouwing

Fasen van IDDT behandeling


Aangaan

Beschouwing & voorbereiding

Overtuigen

Actie

Actieve behandeling

Onderhoud

Terugvalpreventie

Klinische focus
Bouw een therapeutische
relatie op met de zorgvrager;
praktische ondersteuning voor
dagelijkse activiteiten
Help de zorgvrager om zijn
motivatie
om
het
middelengebruik te minderen
en om te participeren in andere
herstelgerichte interventies
Help
de
gemotiveerde
zorgvrager om vaardigheden te
ontwikkelen voor het omgaan
met de symptomen van beide
aandoeningen en voor het
realiseren van de doelen
Help de zorgvrager gedurende
de rehabilitatie om abstinent te
blijven
Tabel 2.3. Fasen verandering IDDT

(Drake, 2008)
2.3.4.1.1. De karakteristieken
IDDT wordt gekenmerkt door dertien karakteristieken.
Karakteristiek 1: Het multidisciplinaire team
Door middel van een multidisciplinair team kan er worden behandeld op elk levensgebied,
waarbij de zorgvrager problemen ondervind. Zon team bestaat uit een team leider,
verpleegkundige (liefst een verpleegkundige die is gespecialiseerd in dubbele diagnose),
behandelaar, woonspecialist, psychiater, maatschappelijk werk en bewindvoering. Het
multidisciplinaire team overlegt regelmatig met elkaar om zo de voortgang in elk gebied van
de zorgvrager te evalueren. Succesvolle IDDT programmas zijn op elkaar afgestemd,
betreffende de aspecten van herstel, om ervoor te zorgen dat hulpverleners en dienstverleners
werken aan hetzelfde doel op een coperatieve wijze.
Karakteristiek 2: Stapsgewijze interventies
Onderzoek suggereert dat zorgvragers met co-voorkomende aandoeningen, het meeste
vertrouwen krijgen door hun vaardigheden om te herstellen of de vaardigheden die betrokken
zijn bij het zelfstandig wonen te ontwikkelen en om te voldoen aan de dagelijkse
benodigdheden, door de ervaringen van succes in de fasen van persoonlijke verandering.

17 | P a g e

Karakteristiek 3: Toegang tot uitgebreide diensten


Succesvolle IDDT programmas bieden uitgebreide diensten aan, omdat het herstelproces
plaats vindt in de context van het dagelijks wonen. Deze services of diensten zijn beschikbaar
om de behoeften van consumenten in alle fasen van de behandeling te voorzien. Bij deze
diensten moet je denken aan: casemanagement, familie diensten, gentegreerd drugsmisbruik,
medische diensten, residentile diensten en assertive community treatment.
Karakteristiek 4: Voor onbepaalde tijd diensten
Uit onderzoek is gebleken dat de doelgroep dubbele diagnose een cirkel van terugval en
herstel ervaart gedurende hun hele leven. Onderzoek suggereert ook dat zorgvragers de
hoogste kwaliteit van leven nastreven, wanneer ze toegang hebben tot de diensten voor
onbepaalde tijd. Dit is de reden waarom het IDDT model, organisaties stimuleert om diensten
te verlenen aan zorgvragers gedurende hun hele leven, zelfs wanneer de symptomen mild
en/of op dat moment niet aanwezig blijken te zijn. Het IDDT model stimuleert ook organisaties
om geen zorg meer te verlenen, wanneer de zorgvrager therapieontrouw is en/of weer
middelen gebruikt. Onderzoekt heeft aangetoond dat zulke tegenslagen kunnen optreden als
een natuurlijk onderdeel van een levenslange cyclus van terugval en herstel.
Karakteristiek 5: Bemoeizorg
De vijfde karakteristiek van IDDT is het gebruik maken van bemoeizorg aan zorgvragers, die
zich bezighouden met de relaties van de zorgvrager. Ze ontmoeten regelmatig met de
zorgvrager en bieden praktische hulp bij de dagelijkse behoeften en woonvaardigheden. Dit
stelt de hulpverlener en de zorgvrager in staat om een vertrouwensrelatie te ontwikkelen
(Drake, 2008).
Karakteristiek 6: Motiverende gespreksvoering
Dit is een techniek die elke hulpverlener kan inzetten om zorgvragers te motiveren tot
verandering. Door middel van motiverende gespreksvoering, wordt de intrinsieke motivatie
van de zorgvrager om te veranderen versterkt, doordat de ambivalentie van de zorgvrager
wordt onderzocht en er hiervoor naar een oplossing wordt gezocht. Motiverende
gespreksvoering omvat het volgende:
- Het uitdrukken van empathie
- Het vermijden van argumentatie
- Stimuleren van zelfvertrouwen en hoop
- Het ontwikkelen van discrepantie tussen de doelstellingen en de huidige levenswijze
- Erkennen van prestaties
(Bartelink , 2013)

18 | P a g e

Karakteristiek 7: Begeleiding van middelenmisbruik


De zevende karakteristiek is begeleiding van middelenmisbruik. Zorgvragers, wie
gemotiveerd zijn om, te kunnen omgaan met de aandoening, zijn klaar om vaardigheden te
ontwikkelen om symptomen in bedwang te houden en om een leven van abstinentie na te
streven. Deze begeleiding kan in een individuele-, groep- of familiesetting plaats vinden.
Zorgvragers die zich in de fasen van actieve behandeling of terugvalpreventie bevinden krijgen
deze begeleiding, die het volgende omvat:
- Technieken om emotionele signalen te identificeren en hiermee om te kunnen gaan
- Technieken om de gevolgen van gebruik te identificeren en ermee om te kunnen gaan
- Vaardigheden om alcohol of andere middelen te kunnen weigeren
- Vaardigheden om problemen op te kunnen lossen
- Technieken om hoge risicosituaties te vermijden
- Copingsstrategin en sociale vaardigheden therapie, om te kunnen omgaan met symptomen
of negatieve gevoelens die worden geassocieerd met middelengebruik (Drake, 2008).
Karakteristiek 8: Groepsbehandeling
Onderzoek toont aan dat zorgvragers met dubbele diagnose betere resultaten bereiken,
wanneer zij stapsgewijze groepsbehandeling volgen, die beide aandoeningen tegelijk
behandeld.
Groepsbehandeling is de ideale setting voor zorgvragers om ervaringsdeskundigen te
ontwikkelen. In groepen, delen zorgvragers hun ervaringen en leren effectieve coping
strategien van elkaar.
Karakteristiek 9: Familie psycho-educatie
Onderzoek heeft aangetoond dat sociale ondersteuning een kritische rol speelt in het
bevorderen van verandering en in het reduceren van terugval en hospitalisatie bij mensen met
een psychiatrische aandoening. Familie psycho-educatie omvangt sociale ondersteuning. Het
betrekt de familie van de zorgvrager bij het behandelproces.
Psycho-educatie helpt zorgvragers te leren over de symptomen en effecten van psychiatrische
aandoeningen en het effect van middelengebruik, over de medicatie die wordt gebruikt in de
behandeling en de uitdagingen die de zorgvrager tegen komt. Zorgvragers leren ook over
hoop, angsten en doelen voor het dagelijks leven (Drake, 2008).
Karakteristiek 10: Participatie in alcohol en drug zelfhulp groepen
Zoals eerder genoemd heeft onderzoek aangetoond dat sociale ondersteuning een belangrijke
rol speelt in terugvalpreventie voor personen met een middelenverslaving. Zelfhulp groepen
bieden mogelijkheden aan om ervaringen te delen en om van elkaar te leren. Het draagt bij
aan een gevoel van samenhorigheid voor de zorgvragers. Een voorbeeld van een zelfhulpgroep
is de Anonieme Alcoholisten.

19 | P a g e

Karakteristiek 11: Farmaceutische behandeling


Onderzoek toont aan dat antipsychotica, stemmingsstabilisatoren en antidepressiva, effectief
zijn in de behandeling voor zorgvragers met een dubbele diagnose.
Ondanks dat het effect van farmaceutica is bewezen bij zorgvragers met een dubbele
diagnose, is voor de behandeling echter ook therapie nodig.
Bij het voorschrijven van medicatie aan de dubbele diagnosegroep is het belangrijk om
rekening te houden met, het gebruik van medicatie ondanks actief middelen gebruik,
mogelijk verslavende medicatie en het gebruik van medicatie om craving te verminderen
(Drake, 2008) (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling , 2008).
Karakteristiek 12: Interventies om gezondheid te bevorderen
De dubbele diagnose doelgroep en individuen die afhankelijk zijn of misbruik maken van
middelen hebben een vergroot risico op een slechtere gezondheid, zowel als op fysiek gebied
als op mentaal gebied. Interventies die hieronder vallen zijn het geven van voorlichting en
motiverende gespreksvoering.
Karakteristiek 13: Secundaire interventies voor zorgvragers die niet reageren op de
behandeling van middelenmisbruik of afhankelijkheid
Succesvolle IDDT programmas hebben een specifiek plan om individuen te identificeren, wie
niet reageren op de behandeling IDDT.
Voorbeelden zijn:
- Posttraumatische stressstoornis interventies
- Het monitoren van zorgvragers die natron of methadon gebruiken wegens erge craving
- Het monitoren van zorgvragers die clozapine of disulfram gebruiken wegens craving en ter
preventie van gebruik
(Drake, 2008)
2.3.4.1.2. Toolkit
De Toolkit bestaat uit een overzicht van verschillende interventies en methodieken, die
toepasbaar zijn bij de behandeling en begeleiding van zorgvragers met een dubbele diagnose
en binnen de behandelingswijze IDDT past. De Toolkit kan gebruikt worden bij het bespreken
van het eigen aanbod van een organisatie en bij het selecteren of ontwerpen van verbeteracties.
De Toolkit is evidence-based, gebaseerd op onder andere de richtlijn Dubbele Diagnose
Dubbele Hulp en het boek Integrated Treatment for Dual Disorders (Mueser, et, al. 2003).
Daarnaast is de Toolkit aangevuld met ervaringskennis van interventies, die een meerwaarde
kunnen hebben in de behandeling van zorgvragers met een dubbele diagnose.

20 | P a g e

De Toolkit bestaat uit:


Tool 1. Assertive Community Treatment
Tool 2. Community Reinforcement Approach
Tool 3. Contingency Management
Tool 4. Detoxificatie
Tool 5. Farmacotherapie
Tool 6. Functie-analyse
Tool 7. Functie Assertive Community Treatment
Tool 8. Gezinsinterventie
Tool 9. Groepsinterventies
Tool 10. Harm Reduction
Tool 11. Individual Placement and Support
Tool 12. Inzet Ervaringsdeskundigheid
Tool 13. Leefstijltraining
Tool 14. Liberman module: Omgaan met verslaving
Tool 15. Motiverende gespreksvoering
Tool 16. Psycho-educatie
Tool 17. Sociaal-vaardigheidstraining
Tool 18. Schuldhulpverlening
Tool 19. Terugvalpreventie
Tool 20. Zelfhulpgroepen
Niet alle Tools zijn toepasbaar op Moermontstede. Hieronder staat een overzicht met welke
Tools wel toepasbaar zijn op de afdeling Moermontstede met de daarbij behorende uitleg.
Tool 2. Community Reinforcement Approach
Community Reinforcement Approach, oftewel CRA, is een behandelprogramma voor
zorgvragers die afhankelijk zijn of misbruik maken van een middel. CRA is gericht op
gedragsverandering, waarbij de relatie tussen het gedrag en de uitkomst belangrijk is. Het richt
zich op het ontwikkelen van een nieuwe leefstijl, die meer belonend is dan middelengebruik.
Praktisch gezien houdt CRA in, om de zorgvrager te leren dat er alternatieven zijn voor het
nemen van middelen. In de praktijk kan dit als volgt worden weergegeven:
- Functieanalyse (Zie Tool 6)
- Sobriety sampling; Het onderhandelen over een periode waarin de zorgvrager abstinent
blijft
- Gebruik van Disulfiram (medicatie tegen zucht/craving; trek in het middel)onder
begeleiding
- Behandelplan bestaande uit de elementen waarin de zorgvrager zich gelukkig voelt op
verschillende leefgebieden en het vaststellen van doelen met plannen om deze te realiseren
voor de leefgebieden, waarin de zorgvrager zich onvoldoende gelukkig voelt
- Vaardigheidstraining; oplossingsgerichte vaardigheden, het leren weigeren van aangeboden
middelen
-Terugvalpreventie

21 | P a g e

Bij CRA is het van belang dat het centrale doel centraal staat: de leefstijl zonder
middelengebruik is net zo aantrekkelijk als de leefstijl met middelengebruik (Zie ook bijlage
5, pag. 95)
Tool 3. Contingency Management
Contingency Management, oftewel CM, gaat ervan uit dat het (verslavings)gedrag is
aangeleerd door bekrachtiging en stimulansen vanuit de omgeving. Dit sluit aan bij CRA.
Vanuit dit idee kan verslavingsgedrag worden behandeld door het aanleren van positief gedrag
en het afleren van negatief gedrag. Elementen behorend bij CM zijn:
Positieve bekrachtiging: verschaffen van een gewenste beloning wanneer een
behandeldoel is behaald
Negatieve bekrachtiging: het verwijderen van vervelende elementen of van knelpunten
in vrijheid
Positieve bestraffing: straffen als gevolg van ongewenst gedrag
Negatieve bestraffing: het verwijderen van een positief element als gevolg van
onwenselijk gedraging.
Bekrachtiging verdient altijd de voorkeur boven bestraffing. Belangrijk is dat het behandeldoel
heel duidelijk wordt opgesteld, zodat er geen discussie ontstaat over het wel of niet behalen
van de doelen.
Tool 5. Farmacotherapie
Dit is de behandeling van ziekten en aandoeningen met behulp van medicatie. Bij de
behandeling van zorgvragers met een dubbele diagnose is het gevaar van ongewenste
interacties en de mogelijk verslavende werking van bepaalde medicatie, zoals
benzodiazepines. In de Richtlijn Dubbele Diagnose, geschreven door GGZ Richtlijnen, staat
concreet met aanbevelingen welke medicatie in welke situatie met betrekking tot dubbele
diagnose, behoort voorgeschreven te worden.
Tool 6. Functie-analyse
In een functie-analyse wordt samen met de zorgvrager nagegaan hoe probleemgedrag, in dit
geval alcoholmisbruik ontstaat en wat het in stand houd. Vanuit een functie-analyse is het
mogelijk om een behandelplan op te stellen of te wijzigen. Bij een functie-analyse kan er
gebruik worden gemaakt van de 5 Gs; gebeurtenis, gedachten, gevoelens, gedrag & gevolgen.
Tool 8. Gezinsinterventie
Een gezinsinterventie richt zich op problemen van een zorgvrager en de invloed die dit kan
hebben op de relatie tussen de zorgvrager en diens familie. Gezinsinterventie kan bijdragen
aan terugvalpreventie, het verminderen van heropnames, het bevorderen van de
medicatietrouw en het ontlasten van de familieleden van de zorgvrager. Hierbij is het belangrijk
om in acht te houden dat de belangen van de zorgvrager en de gezinsleden even zwaar wegen,
dat de nadruk ligt op het normaliseren van de ziekte en het onderkennen van de beperkingen
en behoefte aan hulp van anderen. Onderzoek heeft aangetoond dat gezinsinterventie het
meest effectief is wanneer de zorgvrager bij de interventie aanwezig is. Gezinsinterventie is

22 | P a g e

bedoeld voor gezinnen die nauw contact hebben met een gezinslid met in dit geval een
dubbele diagnose.
Tool 9. Groepsinterventies
Door behandeling in groepen kunnen zorgvragers met een dubbele diagnose leren van andere
zorgvragers met een dubbele diagnose. Groepsbehandeling kan een netwerk van lotgenoten
creren, waarin ze elkaar ondersteunen en hoop geven, wat herstel kan bevorderen.
Tool 10. Harm Reduction
Harm Reduction is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlands drugsbeleid. Dit kan ook
toegepast worden, wanneer er sprake is van alcohol in plaats van drugs. De nadruk ligt op het
voorkomen van alcoholgebruik en het beperken van de risicos en de schade die alcohol
teweeg brengt. Interventies die hierbij bijvoorbeeld ingezet kunnen worden zijn voorlichting
geven (infectieziekten, gevolgen van alcohol op het lichaam) en het voorschrijven en toedienen
van vitamine B (hydrocobamine, thiamine en pyridoxine).
Tool 11. Individual Placement and Support
IPS is een arbeidsrehabilitatieprogramma gericht op zorgvragers met een ernstig
psychiatrische aandoening en ook voor zorgvragers met een dubbele diagnose. De zorgvrager
wordt geholpen bij het zoeken van een zelfgekozen functie met behulp van de persoonlijk
begeleider, om zo een gevoel van waarde binnen de maatschappij te creren en gelijktijdig
begeleiding krijgt op zowel psychiatrisch gebied en het begeleiden van het werk. IPS gaat uit
van betaald werk.
Tool 12. Inzet Ervaringsdeskundigheid
Volgens de HEE (Zie bijlage 5, pag. 98) kan een ervaringsdeskundige bijdragen aan het herstel
van een zorgvrager met een ernstig psychiatrische aandoening of dubbele diagnose. Bij de
GGZ WNB is er een ervaringsdeskundigenplatform, waar er een beroep kan worden gedaan op
ervaringsdeskundigen. Het inzetten van ervaringsdeskundigen in verschillende onderdelen
van de zorg kan onder andere de volgende voordelen hebben:
o Het bevorderen van bejegening en verminderen van stigmatisering
o Ervaringsdeskundigen kunnen een rolmodel zijn en zorgbehoeften eerder herkennen
o Ervaringsdeskundigen kunnen hand-in-hand zorg leveren en zo een brug vormen naar
lotgenoten
Tool 13. Leefstijltraining
Leefstijltraining is een belangrijk onderdeel van de verslavingsbehandeling. De
leefstijltrainingen zijn geschikt voor zorgvragers met een dubbele diagnose die zich in de fase
actieve behandeling, volgens IDDT, bevinden. Voor en nadelen van gebruik, zelfcontrole,
omgaan met trek/zucht/craving, terugvalpreventie en het herkennen van risicosituaties zijn
onderwerpen die aan bod komen bij de leefstijltraining, betreffende dubbele diagnostiek.
Bij de leefstijltraining komen interventies, zoals de functie-analyse en voorlichting geven aan
bod.

23 | P a g e

Tool 15. Motiverende gespreksvoering


Motiverende gespreksvoering is een techniek die op vele gebieden is toe te passen.
Motiverende gespreksvoering valt onder karakteristiek 6, van IDDT (Zie literatuurstudie).
Tool 16. Psycho-educatie
Dit bestaat uit gestructureerde informatie, training en voorlichting aan zorgvragers en/of diens
familieleden.
Het
geeft
informatie
over
het
ziektebeeld,
de
diagnostiek,
behandelmogelijkheden, omgaan met beperkingen, de bijwerkingen van medicatie, wetgeving
en stigma. Psycho-educatie bevordert begrip en inzicht in het ziektebeeld, bevordert acceptatie
van de ziekte en kwetsbaar en bevordert de therapietrouw.
Psycho-educatie valt onder karakteristiek 9, van IDDT.
Tool 17. Sociaal-vaardigheidstraining
Het doel hiervan is het vergroten van de sociale vaardigheden en het zelfvertrouwen van de
zorgvrager. Ook bevat de training elementen zoals het verminderen van sociale angst en
vermijdingsgedrag. Sociale vaardigheidstraining omvat:
o Communicatieve vaardigheden
o Assertiviteit
o Leren om gaan met situaties waarin de zorgvrager mogelijk gaat gebruiken
o Leren van sociale vaardigheden met betrekking tot het werk en familie
Tool 18. Schuldhulpverlening
Veel zorgvragers met een dubbele diagnose hebben problemen op financieel gebied. Het kan
van belang zijn om schuldhulpverlening of bewindvoering in te schakelen.
Tool 19. Terugvalpreventie
Hulpverleners gaan samen met de zorgvrager op zoek naar signalen die mogelijk een
waarschuwing geven dat het gevaar op terugval erg groot is. De gedachte hierbij is dat zowel
de directe determinanten als de achterliggende antecedenten bijdragen tot terugval.
Terugvalpreventie bestaat uit interventies en technieken:
o Het identificeren van risicosituaties
o Sociale Vaardigheidstraining
o Aanleren van copingsstrategien
o Ontwikkelen van terugvalpreventieplannen
o Deelname aan zelfhulpgroepen
(Zie ook bijlage 5, pag. 85)
Tool 20. Zelfhulpgroepen
Zelfhulpgroepen bij verslavingen zijn onafhankelijke groepen, waarvan de participanten
eenzelfde problematiek delen. Er ontstaat in deze groepen een gevoel van gelijkwaardigheid,
waarbij er wordt geleerd van elkaars ervaringen en er onderling steun aan elkaar geboden
wordt. Zelfhulpgroepen valt onder karakteristiek 10 van IDDT (Trimbos; LEDD, 2009).

24 | P a g e

Naast deze tools zijn er ook nog specifieke interventies, die gehanteerd kunnen worden bij
de behandeling van een zorgvrager met een ernstig psychiatrische aandoening, die alcohol
misbruikt of er afhankelijk van is. Voor deze specifieke interventies verwijs ik naar bijlage 6.

2.3.5. Behoeften van zorgvragers met een dubbele diagnose


De meeste zorgvragers met een dubbele diagnose hebben veel ernstige problemen op diverse
levensgebieden.
Ze vallen eerder terug in gebruik of psychiatrische symptomen
Ze worden meer opgenomen in klinische settingen
Ze zijn minder therapietrouw
Ze zijn vaker dakloos, depressief, sucidaal en agressief
Ze hebben sociale problemen
Ze hebben meer chronische, maatschappelijke moeilijkheden, zoals werkloosheid
(LEDD, 2012)

Zorgvragers met een dubbele diagnose hebben vaak gebrekkige huisvesting en voeding, het
ontbreken van sociale steun en justitile problematiek bemoeilijken het hulpverleningsproces.
Naast deze problematieken bestaat er vaak somatische problematiek, die wordt veroorzaakt
door slechte hygine, persoonlijke verwaarlozing en de hoge prevalentie van (seksueel)
overdraagbare aandoeningen. Bij de behandeling van deze doelgroep kan het noodzakelijk
zijn om interventies op deze gebieden in te zetten, zoals schuldhulpverlening en
maatschappelijk werk.
Om de aanvullende problematiek vast te kunnen stellen bij zorgvragers met een dubbele
diagnose wordt, aangeraden om bij elke zorgvrager een volledige ASI (meetinstrument) af te
nemen, waardoor er inzicht wordt verkregen in de somatische problematiek, justitile
problematiek, schulden, etc. (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling ,
2008) (Clijsen, Garenfeld, Kuipers, Loenen, & Piere, 2008).
In de tabel 3.1. staan de belangrijkste en meest voorkomende problemen die zorgvragers met
een dubbele diagnose ervaren. In deze tabel zijn ook de resultaten en bijbehorende
interventies opgenomen.

25 | P a g e

Problemen/Diagnosen

Gevaar voor letsel

Ineffectieve ontkenning

Ineffectieve coping

Voedingstekort

Resultaten

De zorgvrager vertoont
geen
onthoudingsverschijnselen
of tekenen van intoxicatie
van alcohol

De zorgvrager begrijpt dat


misbruik en
afhankelijkheid van
alcohol een ziekte is
De zorgvrager begrijpt dat
hij hiervoor verdere hulp
en behandeling nodig zal
behoeven

De zorgvrager kan
alternatieven opnoemen
voor het gebruik van
alcohol bij stressvolle
situaties

De zorgvrager heeft een


gewicht bereikt dat in
ieder geval niet lichter is
dan 90% van zijn normale
lichaamsgewicht
De zorgvrager kan
uitleggen wat het belang is
van een gezond
voedingspatroon en wat
een gezond
voedingspatroon is.

Interventies
Stel vast in hoeverre de
zorgvrager gedesorinteerd
is om noodzakelijke
maatregelen voor de
veiligheid te kunnen
bepalen
Neem indien mogelijk een
middelenanamnese af
Zorg voor een prikkelarme
omgeving voor de
zorgvrager
Motiveer de zorgvrager tot
het opvolgen van de
medicatievoorschriften,
voorgeschreven door de
arts.
De hulpverlener laat door
zijn gedrag zien dat hij de
zorgvrager accepteert,
maar zijn gedrag niet.
Psycho-educatie
Confronteer de clint, daar
waar nodig op een
tactische wijze.
Moedig de zorgvrager aan
deel te nemen aan de
groepsactiviteiten
Stel grenzen aan
manipulatief gedrag
Moedig de zorgvrager aan
om zijn gevoelens, vrees of
angsten onder woorden te
brengen
Psycho-educatie
De hulpverlener geeft
positieve bekrachtiging als
de zorgvrager op adequate
wijze zijn onmiddellijke
behoeftebevrediging
uitstelt.
Bepaal in overleg met de
ditiste wat de
fysiologische behoeften zijn
van de zorgvrager.
Weeg de zorgvrager
wekelijks en rapporteer
dit.
Dien
voedingssupplementen toe
of vitamine preparaten
26 | P a g e

De zorgvrager kan een


aantal positieve aspecten
van zichzelf opnoemen

Chronisch negatief
zelfbeeld

Kennistekort

De zorgvrager drukt zich


positief uit over de
toekomst

De zorgvrager is in staat
uit te leggen wat het effect
van alcohol is op het
lichaam
De zorgvrager kan
uitleggen welke risicos het
gebruik van alcohol met
zich meedraagt

Voorlichting over voeding


De hulpverlener accepteert
de zorgvrager en zijn
negativisme
De hulpverlener helpt de
zorgvrager om zijn sterke
kanten en prestaties te
herkennen en zich hierop
te richten
De hulpverlener moedigt
de zorgvrager aan om deel
te nemen aan
groepsactiviteiten
De hulpverlener helpt de
zorgvrager aan te duiden
wat hij aan zichzelf zou
willen veranderen en helpt
de hulpverlener hierbij de
bedenken wat hij nodig
heeft en hoe hij dit kan
bereiken
De hulpverlener helpt de
zorgvrager met het
accepteren van de eigen
verantwoordelijkheid
Assertiviteitscursus of
therapie
Psycho-educatie

Voorlichting

Tabel 3.1. Gezondheidsproblemen Gordon

Wanneer je deze problemen koppelt aan IDDT, ontstaat er het volgende:


Om gevaar voor letsel te voorkomen, kan er gebruik worden gemaakt van het meetinstrument
CAGE. Het gaat bij dit meetinstrument om de volgende vragen:
1. Have you felt the need to Cut down on your drinking?
2. Do you feel Annoyed by people complaining about your drinking?
3. Do you ever feel Guilty about your drinking?
4. Do you ever drink an Eye-opener in the morning to relive the shakes?

27 | P a g e

Er kan ook gebruik worden gemaakt van het screening instrument UNCOPE.
Door middel van het gebruiken van n van instrument kan er een screening worden gedaan
met betrekking tot alcohol of drugs. Daarnaast kan de hulpverlener vaststellen in hoeverre de
zorgvrager gedesorinteerd is om noodzakelijke maatregelen voor de veiligheid te kunnen
bepalen.
Daarnaast kan er bij het verpleegkundig probleem, Gevaar voor letsel, gebruik gemaakt worden
van motiverende gespreksvoering, met betrekking tot het opvolgen van de
medicatievoorschriften.
De zorgvrager bevindt zich in de fase voorbeschouwing, volgens verandering en in de fase
aangaan volgens IDDT. Er wordt aanbevolen om in deze fase een therapeutische relatie op te
bouwen met de zorgvrager en praktische ondersteuning aan te bieden voor dagelijkse
activiteiten.
Bij het verpleegkundig probleem, gevaar voor letsel (Gordon, 2008), kan er van de
karakteristieken van IDDT gebruik worden gemaakt van motiverende gespreksvoering
(karakteristiek 6), familie psycho-educatie, als zowel individuele psycho-educatie (karakteristiek
9) en de participatie in alcohol en drug zelfhulpgroepen (Karakteristiek 10). Hierop aansluitend
kan groepsbehandeling (karakteristiek 8) worden ingezet.
De zorgvrager zit in de fase beschouwing en voorbereiding van verandering. In de fase volgens
IDDT bevindt de zorgvrager zich in overtuigen. Dit wordt toegelicht door de zorgvrager te
helpen zijn motivatie om het middelengebruik te minderen en om te participeren in andere
herstelgerichte interventies.
Er kan dan ook gebruik worden gemaakt van de elfde karakteristiek, farmaceutische
behandeling.
Bij het verpleegkundig probleem, ineffectieve coping kan er wederom gebruik worden
gemaakt van de negende en tiende karakteristiek van IDDT. Dit omvat familie en individuele
psycho-educatie en de participatie in alcohol en drug zelfhulpgroepen. Er kan ook gebruik
worden gemaakt van de zevende karakteristiek, begeleiding van middelengebruik en de
achtste karakteristiek, groepsbehandeling. Dit is mogelijk doordat de zorgvrager zich in de fase
actie, volgens verandering bevind, en volgens IDDT in de fase actieve behandeling.
Voor de problemen voedingstekort en kennistekort kan er wederom gebruik worden gemaakt
van de negende karakteristiek van IDDT, familie en individuele psycho-educatie. Daarnaast kan
er gebruik worden gemaakt van de twaalfde karakteristiek, interventies om gezondheid te
bevorderen. Het geven van voorlichting en motiverende gespreksvoering vallen onder deze
interventies.
Bij het verpleegkundig probleem, chronisch negatief zelfbeeld, kan er gebruik worden gemaakt
van de groepsbehandeling (karakteristiek 8), participatie in alcohol en drugs zelfhulpgroepen
(karakteristiek 10) en motiverende gespreksvoering (karakterstiek 6).
GGZ WNB en de locatie Moermontstede werken met behulp van de elf levensgebieden.
In de volgende tabel is er een overzicht gemaakt van de mogelijke verpleegkundige problemen,
bijbehorend resultaat en wat IDDT hierin kan betekenen.
28 | P a g e

Probleem
De zorgvrager is onstabiel, kan
destructief gedrag naar zichzelf
of anderen vertonen, is niet in
staat om te communiceren,
waarbij hij zich niet aan de
gemaakte afspraken houdt, is
zodanig gedesorinteerd dat hij
zijn woning niet kan vinden en
daarbuiten verdwaald raakt.

Probleem
Er is sprake van voedingstekort,
wat het lichamelijk
functioneren op een negatieve
wijze benvloed.
Er is hierbij ook sprake van een
vitamine-B tekort.

Probleem
De zorgvrager is zodanig
onstabiel dat hij destructief
gedrag kan vertonen naar
zichzelf of anderen.

Psychisch functioneren
Resultaat
De zorgvrager is zodanig stabiel,
vertoont geen destructief gedrag
naar zichzelf of anderen, is in
staat om te communiceren,
waarbij hij zich aan de gemaakte
afspraken houdt en is zodanig
georinteerd dat hij zijn woning
kan vinden en daarbuiten niet
verdwaald raakt.
Lichamelijk functioneren
Resultaat
De zorgvrager heeft een gewicht
bereikt die niet lichter is dan 90%
van zijn normale
lichaamsgewicht. Hierbij kan de
zorgvrager uitleggen wat het
belang is van een gezond
voedingspatroon.

Veiligheid
Resultaat
De zorgvrager is zodanig stabiel,
dat hij geen destructief gedrag
vertoont naar zichzelf of
anderen.

IDDT
Fase: Aangaan
Karakteristiek 2:
stapsgewijze interventies
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Tool: 3, 6, 15 & 16
Overige interventie 1 & 4

IDDT
Fase: Overtuigen & Actieve
behandeling
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Karakteristiek 12:
Gezondheidsbevorderende
interventies (voorlichting)
Karakteristiek 11:
farmaceutische
behandeling
Tool: 2, 3, 5, 13 & 15

IDDT
Fase: Voorbeschouwing
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Karakteristiek 9: (familie)
psycho-educatie
Karakteristiek 11:
farmaceutische behandeling
Tool: 2, 3, 5, 6, 9, 12, 15, 16,
17 & 20

29 | P a g e

Probleem
De zorgvrager verwaarloost zijn
persoonlijke verzorging.

Persoonlijke verzorging
Resultaat
De zorgvrager draagt zorg voor
zijn persoonlijke verzorging.

Zorg voor de directe leefomgeving


Probleem
Resultaat
De zorgvrager verwaarloost zijn
De zorgvrager draagt zorg voor
directe leefomgeving.
zijn directe leefomgeving.

Probleem
De zorgvrager zit in een sociale
isolatie. Er kan sprake zijn van
disfunctionele gezinsprocessen.

Sociaal Netwerk
Resultaat
De zorgvrager heeft zodanig
sociale contacten, zodat hij niet
in een sociaal isolement terecht
komt.
Er is sprake van functionele
gezinsprocessen.

IDDT
Fase: Actieve behandeling
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Karakteristiek 12:
Gezondheidsbevorderende
interventies (voorlichting)
Tool: 3, 13, 15 & 16

IDDT
Fase: Actieve behandeling
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Karakteristiek 12:
Gezondheidsbevorderende
interventies (voorlichting)
Tool: 3, 13, 15 & 16

IDDT
Fase: Actieve behandeling
Karakteristiek 9: (familie)
psycho-educatie
Tool: 6, 8, 12 & 17

30 | P a g e

Probleem
De zorgvrager is constant bezig
met gebruik, waardoor er geen
sprake is van een zinvolle
dagbesteding.

Probleem
Er kan sprake zijn van
schuldsignalering door het
aanschaffen van alcohol, wat op
de voorgrond staat.

Probleem
De zorgvrager is niet meer in
staat om zelfstandig,
functioneel te kunnen wonen.

Dagbesteding
Resultaat
De zorgvrager heeft een zinvolle
dagbesteding.

Financin
Resultaat
Het aanschaffen van alcohol
staat niet op de voorgrond of is
niet ter sprake.

Huisvesting/wonen
Resultaat
De zorgvrager is in staat om
zelfstandig, of met ambulante
zorg, functioneel te kunnen
wonen.

IDDT
Fase: Overtuigen & Actieve
behandeling
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Karakteristiek 7:
begeleiding van
middelenmisbruik
Karakteristiek 8:
Groepsbehandeling
Karakteristiek 9: psychoeducatie
Karakteristiek 10:
participatie in alcohol en
drug zelfhulpgroepen
Karakteristiek 11:
farmaceutische
behandeling
Tool: 2, 3, 5, 6, 9, 10, 11,
12, 13, 15, 16 & 20

IDDT
Fase: Actieve behandeling
Karakteristiek 1:
Multidisciplinair team
(bewindvoering)
Karakteristiek 7:
begeleiding van
middelenmisbruik
Tool: 2 & 18

IDDT
Fase: Actieve behandeling
Karakteristiek 1:
multidisciplinair team
Karakteristiek 2:
stapsgewijze interventies
Tool: 2, 3, 6, 10

31 | P a g e

Probleem
Het alcoholgebruik staat op de
voorgrond.

Probleem
Er kan sprake zijn van
ongeremdheid op dit
levensgebied.

Zingeving
Resultaat
Het alcoholgebruik staat op niet
voorgrond of is er niet ter
sprake.

Intimiteit en seksualiteit
Resultaat
Er is geen sprake zijn van
ongeremdheid op dit
levensgebied.

IDDT
Fase: Overtuigen &
Actieve behandeling
Karakteristiek 6:
Motiverende
gespreksvoering
Karakteristiek 7:
begeleiding van
middelenmisbruik
Karakteristiek 8:
Groepsbehandeling
Karakteristiek 9: psychoeducatie
Karakteristiek 10:
participatie in alcohol en
drug zelfhulpgroepen
Karakteristiek 11:
farmaceutische
behandeling
Tool: 2, 3, 5, 6, 9, 10, 11,
12, 13, 15, 16 & 20

IDDT
Fase: actieve behandeling
Karakteristiek 12:
interventies om
gezondheid te bevorderen
(voorlichting)
Tool: 10, 12 & 13

Tabel 3.2. Gezondheidsproblemen elf levensgebieden

De karakteristieken en Tools zijn te vinden in de literatuurstudie. De overige interventies zijn te


vinden in bijlage 6.

32 | P a g e

2.3.6. De taken van de hulpverlener


Langdurig gebruik van middelen veroorzaakt problemen op biologische, sociale en psychische
gebieden. Het is daarom van belang dat de hulpverlener voorlichting geeft over de werking
van een verslaving aan de zorgvrager en dienst omgeving, wat kan leiden tot verheldering en
begrip.
Chronische verslaafden lopen door hun langdurig gebruik een aantoonbaar verhoogd
gezondheidsrisico. De hulpverlener heeft een belangrijke signaalfunctie en motiveert de
zorgvrager voor medische ondersteuning. Daarnaast kunnen preventieve interventies worden
ingezet.
De hulpverlener dienst ter bevordering van de psychische gezondheid samen met de
zorgvrager te bespreken welke situaties stressvol zijn, inzichtelijk te maken welke
belemmeringen de zorgvrager ervaart met betrekking tot het psychisch functioneren en de
hulpverlener dient te inventariseren welke belemmeringen invloed hebben op dagelijkse
activiteiten, zoals wonen, werken en sociale contacten. De hulpverlener dient samen met de
zorgvrager te inventariseren welke activiteiten de zorgvrager leuk en zinvol vindt om te gaan
doen en hierbij de zorgvrager te motiveren en te ondersteunen. De farmaceutische
behandeling wordt uitgevoerd door een verpleegkundige of hulpverlener (sociaal pedagogisch
medewerker) die medicatie mag uitzetten volgens de protocollen en richtlijnen van de
organisatie. Injecties worden specifiek door verpleegkundigen gegeven (Clijsen, Garenfeld,
Kuipers, Loenen, & Piere, 2008).

33 | P a g e

H3. NORMEREN
Naar aanleiding van de gevonden literatuur wordt in dit hoofdstuk de ideaal wenselijke situatie
beschreven met daarbij de standaarden en bijbehorende criteria.

3.1. De ideale situatie


Doordat er een overzicht is van de beschikbare literatuur omtrent de behandeling/begeleiding
van zorgvragers met een dubbele diagnose, kan de ideaal wenselijke situatie worden
beschreven. Deze behandelingen en begeleidingswijzen kunnen in verschillende settingen
gegeven worden. Hieronder wordt aangegeven hoe de begeleiding van een zorgvrager met
dubbele diagnose op de afdeling Moermontstede binnen de GGZ WNB, optimaal zou moeten
verlopen.
In de gevonden literatuur is niets beschreven over specifieke taken, die alleen door een
verpleegkundige uitgevoerd dient te worden in de begeleiding van een zorgvrager met een
dubbele diagnose. In de praktijk is het gebleken dat verpleegkundigen of hulpverleners die
een medicatiecursus hebben gevolgd, medicatie verstrekken aan zorgvragers (met een ernstig
psychiatrische aandoening of dubbele diagnose). Ondanks dat het niet in de gevonden
literatuur niet is beschreven, is uit de praktijk gebleken dat alleen verpleegkundigen injecties
mogen toedienen.
De hulpverleners, met wie alle personen worden bedoeld met een afgeronde opleiding,
ongeacht het niveau, hebben inzicht en kennis over dubbele diagnose.
De hulpverlener is op de hoogte van de behandelingsmogelijkheid Integrated Dual Dissorder
Treatment en van de behandelkarakteristieken. De hulpverlener is in staat om dit te integreren
met de praktijk. De hulpverlener neemt naast de zorgende, ook de signalerende rol op zich en
stelt zo nodig in overleg met de behandelaar de behandeling bij. De hulpverlener is op de
hoogte van op welke gebieden de zorgvrager behoeften heeft en ondersteund hierbij de
zorgvrager. De hulpverlener stelt zich flexibel op tijdens de geboden zorg, maar stelt duidelijke
grenzen samen met de zorgvrager. Op deze wijze speelt de hulpverlener in op de individuele
behoeften en wensen van de zorgvrager en zijn naasten.
Er is n duidelijk uniforme richtlijn gebaseerd op de IDDT met algemene duidelijke afspraken,
wanneer behandeling en begeleiding onvoldoende effectief blijken te zijn. Bij deze richtlijn
kunnen individuele afspraken tussen de zorgvrager en de hulpverlener worden afgesproken.

34 | P a g e

3.2. Standaarden en meetcriteria


Naar aanleiding van de hierboven beschreven ideaal wenselijke situatie worden de volgende
standaarden opgesteld. Hieraan zou de zorg moeten voldoen, om te werken volgens de ideaal
wenselijke situatie. Door meetbaar te maken of er aan de betreffende standaard wordt voldaan,
worden er criteria opgesteld bij iedere standaard.
Standaard 1 De hulpverlener beschikt over kennis met betrekking tot dubbele diagnose
De hulpverlener kan benoemen wat dubbele diagnose inhoud
De hulpverlener kan benoemen wat IDDT inhoudt
Criteria De hulpverlener is in staat om IDDT te integreren in de praktijk
De hulpverlener kan minstens 3 behoeften noemen van de zorgvrager met een
dubbele diagnose
Tabel 3.3. Standaard en meetcriteria 1

Standaard 2 De afdeling bevat over de voorziening betreffende de begeleiding van


zorgvragers met een dubbele diagnose
De zorgvrager heeft toegang tot een zinvolle dagbesteding
De zorgvrager heeft toegang tot voor onbepaalde tijd diensten
De zorgvragers heeft toegang tot psycho-educatie
Criteria De zorgvrager heeft toegang tot woonbegeleiding
De zorgvrager heeft toegang tot verslavingscounseling;
Leren hoe om te gaan met craving/zucht
Terugvalpreventiestrategien aan te leren
Vaardigheidstraining nee zeggen tegen alcohol
Leren omgaan met risicosituaties
Tabel 3.4. Standaard en meetcriteria 2

Standaard 3 De organisatie, GGZ WNB, ontwikkelt een hulpmiddel ter ondersteuning bij het
begeleiden van zorgvragers met een dubbele diagnose
Het hulpmiddel bevat een informatieboekje over dubbele diagnose.
Het hulpmiddel bevat een richtlijn voor zorgvragers met een dubbele diagnose in
de herstelgerichte setting
Criteria Het hulpmiddel bevat contactgegevens van andere disciplines en onafhankelijke
instanties (zoals de AA), die bijdragen aan de begeleiding van zorgvragers met een
dubbele diagnose
Het hulpmiddel omvat een meetinstrument (vragenlijst), die de zorgvrager met
een dubbele diagnose, wekelijks invult, om het proces van de zorgvrager te meten
Tabel 3.5. Standaard en meetcriteria 3

35 | P a g e

H4. DE HUIDIGE SITUATIE


Naar aanleiding van de gevonden literatuur en de bijbehorende standaarden en criteria is de
wenselijke situatie in kaart gebracht. Daarnaast dient er gekeken te worden naar de huidige
situatie. In dit hoofdstuk is een beschrijving gemaakt van de afdeling en hoe op deze afdeling
binnen de organisatie GGZ WNB, begeleiding wordt geboden aan zorgvragers met een
dubbele diagnose. Vervolgens is er een beschrijving van het meetinstrument beschreven om
de huidige situatie te meten, tijdens het praktijkonderzoek.

4.1. Moermontstede
Het onderzoek zal plaatsvinden onder de zorgvragers die verblijven op de afdeling
Moermontstede, wat onder zorgprogramma 6 Herstelgerichte zorg van GGZ WNB valt.
Binnen dit zorgprogramma staat de rehabiliterende visie centraal. Behandeling richt zich op
het verbeteren van de kwaliteit van leven als onderdeel van het herstelproces, dan op genezing
van het psychiatrisch ziektebeeld. Herstel wordt in dit zorgprogramma gedefinieerd als Het

unieke proces waarin iemand met een psychische aandoening de draad van zelfontplooiing
weer probeert op te pakken, de regie te hervinden en het leven opnieuw inhoud en richting te
geven.
De zorgvragers op Moermontstede hebben een ernstig psychiatrische aandoening, EPA. Voor
deze zorgvragers is het zelfstandig of begeleid wonen (nog) niet haalbaar. De zorgvragers
behoeven nog begeleiding op de verschillende levensgebieden, zoals staat beschreven in de
literatuurstudie. Daarnaast hebben de zorgvragers behoefte aan een setting waar 24-uurszorg
geboden wordt. De afdeling zelf, Moermontstede, is een open klinische afdeling in de vorm
van een appartementencomplex. De clintengroep is divers, qua ziektebeeld en leeftijd. De
zorgvragers op deze afdeling hebben uiteenlopende psychiatrische problematiek, zoals
schizofrenie, persoonlijkheidsstoornissen en bipolaire stoornissen. De afdeling Moermontstede
biedt plaats voor 61 zorgvragers verdeeld over 4 verdiepingen.
Binnen de afdeling Moermontstede zijn verschillende disciplines werkzaam. Het behandelteam
bestaat uit de teammanager, een psychiater, tevens behandelaar, HBO/MBO verpleegkundigen,
sociaal pedagogische hulpverleners, ervaringsdeskundigen (Platform ervaringsdeskundigen),
psycholoog, maatschappelijke hulpverleners, huishoudelijke hulp en leerlingen & stagiaires.
De teammanager stuurt het team aan, de psychiater is de hoofdbehandelaar waarmee de
verpleegkundigen en hulpverleners mee overleggen betreffende de behandeling en
begeleiding van de zorgvragers, de ervaringsdeskundigen dragen bij aan het herstel van de
zorgvrager (zie literatuurstudie), de psycholoog voert (meestal) wekelijkse gesprekken met de
zorgvrager om de psychische gesteldheid te observeren, de maatschappelijke hulpverleners
ondersteunen de zorgvragers op maatschappelijk gebied en de huishoudelijke hulp biedt hulp
in de huishouding en zorgt voor een hyginische en veilige leefomgeving.

36 | P a g e

4.2. Voorbereiding op het onderzoek


4.2.1. Wat wilt de onderzoeker meten?
Hoe de begeleiding met betrekking tot dubbele diagnose aan de zorgvragers verblijvend op
Moermontstede wordt vormgegeven. Bij de zorgvragers wordt gekeken welke behoeften zij
hebben, wanneer ze craving/zucht ervaren en alcohol nuttigen. Bij de hulpverleners zal worden
gekeken naar de kennis die zij bezitten betreffende dubbele diagnose.

4.2.2. Waar is de informatie te vinden?


De informatie wordt verzameld door middel van een vragenlijst voor de hulpverleners en door
middel van semi-gestructureerde interviews voor de zorgvragers, binnen de afdeling
Moermontstede van GGZ WNB. De verkregen antwoorden uit de vragenlijst voor de
hulpverleners dienen inzicht te geven in de huidige kennis die hulpverleners bezitten
betreffende dubbele diagnose. De verkregen antwoorden uit de semi-gestructureerde
interviews dienen inzicht te geven in de behoeften van de zorgvragers met een dubbele
diagnose.

4.2.3. Welke informatie is reeds aanwezig?


Er zijn >5 zorgvragers verblijvend op Moermontstede, wie te maken hebben gehad met
alcoholmisbruik of afhankelijkheid, die nu abstinent zijn. Er zijn >10 zorgvragers verblijvend
op Moermontstede, wie alcohol misbruiken of afhankelijk zijn.

4.2.4. Hoe kan de gevraagde informatie verzameld worden?


De informatie kan op diverse manieren worden verzameld. In dit onderzoek is er gekozen
voor een vragenlijst, als meetinstrument voor de hulpverleners (Zie bijlage 1). De vragenlijst
voor de hulpverleners is gericht op de kennis omtrent dubbele diagnose. Deze vragenlijst is
gemakkelijk via de e-mail te sturen en de zorgvragers kunnen deze dan met behulp van de
computer invullen en terug e-mailen. In de mail wordt een korte uitleg gegeven met
betrekking tot deze vragenlijst.
De vragenlijst is verstuurd naar elke hulpverlener, ongeacht gediplomeerd of reeds
studerende, via de e-mail.
Voor de zorgvragers is er in plaats van een vragenlijst een semi-gestructureerd interview
gekozen, op basis van de karakteristieken en het cognitief vermogen van de zorgvragers (Zie
bijlage 2).
De zorgvragers zijn gekozen op basis van hun karakteristieken, ziektebeelden en hun
welwillendheid om genterviewd te worden.

4.2.5. Over welke tijdsperiode wordt de informatie verzameld?


De benodigde informatie zal in drie weken tijd verzameld worden door het digitaal verspreiden
van de vragenlijst voor de hulpverleners. De benodigde informatie van de zorgvragers zal
gedurende drie weken worden verzameld door middel van semigestructureerde interviews.

37 | P a g e

4.3. Dataverzameling & -analyse


Voor het praktijkonderzoek zijn zes van de vijftien zorgvragers genterviewd en hebben twaalf
van de tweentwintig hulpverleners de vragenlijst ingevuld en terug gemaild (Zie bijlage 3 &
4). Tijdens het rondvragen of de hulpverleners medewerking wilde verlenen aan het onderzoek,
door de vragenlijst in te vullen, werd snel duidelijk dat sommigen dit niet wilden of konden,
wegens het werk op de vloer. In overleg met collegas heb ik een keuze gemaakt welke
zorgvragers genterviewd konden worden, doordat sommige zorgvragers geen behoefte
hadden te praten over hun alcoholgebruik of hiertoe niet in staat waren. Dit houdt in dat 40%
procent van de zorgvragers en 54.5% van de hulpverleners heeft geparticipeerd in het
onderzoek.
100% van de zorgvragers gaven aan dat als je abstinentie van alcohol wilt bereiken, je dit zelf
moet doen, door er zelf achter te staan. 83% van de zorgvragers gaf aan hulp nodig te
behoeven van een zorginstantie en steun van de directe omgeving. 50% van de zorgvragers
gaf aan dat eerst de psychiatrie behandeld moet worden en vervolgens de alcoholverslaving.
30% van de zorgvragers gaf aan zowel de psychiatrische problematiek als de
verslavingsproblematiek gelijktijdig aan te pakken. 20% van de zorgvragers gaf aan eerst de
verslavingsproblematiek aan te pakken en vervolgens de psychiatrische problematiek. 80% van
de zorgvragers gaf aan te denken, dat de hulpverleners niet goed weten wat ze doen met
betrekking tot de behandeling.
83% van de hulpverleners zou wat aan het huidige beleid willen veranderen, ter bevordering
van de kwaliteit van zorg. 75% van de hulpverleners is tevreden met de input van de
herstelgerichte visie en daarbij de individuele afspraken tussen hulpverlener en zorgvrager, met
betrekking tot de behandeling en begeleiding bij de zorgvragers met een dubbele diagnose.
50% van de hulpverleners zou strengere consequenties, die daadwerkelijk nageleefd worden,
willen zien met betrekking tot het niet houden aan de gemaakte afspraken tussen zorgvrager
en hulpverlener.

38 | P a g e

Visgraatdiagram

Methode
Gebrek aan duidelijke richtlijn
om IDDT te integreren in de
praktijk

Consequenties t.g.v. niet


nagekomen afspraken

Hulpverlener

Materiaal

Gebrek aan schriftelijk


hulpmiddel

Hulpverlening
heeft
eenduidige
werkwijze
betrekking tot d.d.

geen
met

Geen duidelijke
uniforme
richtlijn omtrent
dubbele
diagnostiek op
MMS

Werkwijze

Figuur 4.1.Visgraatdiagram

In het visgraatdiagram is af te leiden dat er op meerdere gebieden belemmeringen zijn


opgevallen naar aanleiding van het praktijkonderzoek. Het methodisch werken wordt
belemmerd, doordat er door de organisatie zelf nog geen duidelijk uniforme richtlijn is
ontwikkeld voor de begeleiding en behandeling van zorgvragers met een dubbele diagnose in
een herstelgerichte setting. Het team hanteert geen eenduidige werkwijze tijdens het
behandelen en begeleiden van zorgvragers met een dubbele diagnose, doordat er gewerkt
wordt vanuit de herstelgerichte visie. Door het ontbreken van een schriftelijk hulpmiddel met
de betrekking tot de behandeling en begeleiding van zorgvragers met een dubbele diagnose
wordt het onderdeel materiaal belemmerd.

4.4. De werkelijke situatie


Het is onduidelijk waarop de kennis met betrekking tot de behandeling en begeleiding, binnen
de afdeling Moermontstede van de organisatie GGZ WNB, is gebaseerd. Hierbij is onduidelijk
of het team van Moermontstede over voldoende kennis beschikt over de evidence based
practices met betrekking tot dubbele diagnose. Dit leidt tot een gebrek aan specifieke kennis
rondom begeleidingswijzen en behandelmethoden, waardoor er onvoldoende aangesloten
kan worden op de begeleiding van de individuele behoeftes van de psychiatrische zorgvrager.
Daarnaast is er op het huidige moment geen duidelijk uniforme richtlijn, met betrekking tot de
behandeling en begeleiding van de zorgvragers met een dubbele diagnose op Moermontstede,
doordat er te weinig op schrift is vormgegeven.

39 | P a g e

H5. DOELEN
5.1. Huidige versus wenselijke situatie
In dit hoofdstuk wordt de huidige, werkelijke situatie, met de wenselijke situatie vergeleken en
wordt er met behulp van de eerder beschreven standaarden met de daarbij behorende criteria
verbeterdoelen opgesteld.
Hieronder ziet u wederom de standaarden met bijbehorende criteria zoals opgesteld in
hoofdstuk 3.2. In de toevoegde, de derde kolom is beschreven of er aan de criteria en dus ook
aan de standaard is voldaan door middel van de woorden voldaan & niet voldaan. Er wordt
op deze wijze gekeken of de werkelijke situatie overeenkomst met de wenselijke situatie.
Wanneer er aan minstens n criteria niet is voldaan is er aan de standaard niet voldaan.
Standaard De hulpverlener beschikt over kennis met betrekking tot
1 dubbele diagnose
Criteria De hulpverlener kan benoemen wat dubbele diagnose inhoud
De hulpverlener kan benoemen wat IDDT inhoudt
De hulpverlener is in staat om IDDT te integreren in de praktijk
De hulpverlener kan minstens 3 behoeften noemen van de
zorgvrager met een dubbele diagnose

Voldaan!
Voldaan
Voldaan
Voldaan
Voldaan

Tabel 5.1. Standaard en meetcriteria 1

Standaard De afdeling bevat over de voorziening betreffende de


2 begeleiding van zorgvragers met een dubbele diagnose
Criteria De zorgvragers hebben toegang tot een zinvolle dagbesteding
De zorgvragers hebben toegang tot psycho-educatie
De zorgvrager heeft toegang tot voor onbepaalde tijd diensten
De zorgvragers hebben toegang tot woonbegeleiding
De zorgvragers hebben toegang tot verslavingscounseling;
Leren
hoe
om
te
gaan
met
craving/zucht
Terugvalpreventiestrategien
aan
te
leren
Vaardigheidstraining nee zeggen tegen alcohol
Leren omgaan met risicosituaties

Voldaan!
Voldaan
Voldaan
Voldaan
Voldaan

Tabel 5.2. Standaard en meetcriteria 2

40 | P a g e

Standaard De organisatie, GGZ WNB, ontwikkelt een hulpmiddel ter


3 ondersteuning bij het begeleiden van zorgvragers met een
dubbele diagnose
Criteria Het hulpmiddel bevat een informatieboekje over dubbele
diagnose.
Het hulpmiddel bevat een richtlijn voor zorgvragers met een
dubbele diagnose in de herstelgerichte setting
Het hulpmiddel bevat contactgegevens van andere disciplines
en onafhankelijke instanties (zoals de AA), die bijdragen aan de
begeleiding van zorgvragers met een dubbele diagnose
Het hulpmiddel omvat een meetinstrument (vragenlijst), die de
zorgvrager met een dubbele diagnose, wekelijks invult, om het
proces van de zorgvrager te meten

Niet voldaan!

Niet voldaan
Niet voldaan
Niet voldaan

Niet voldaan

Tabel 5.3. Standaard en meetcriteria 3

Uit de tabellen kan worden opgemaakt dat er aan standaard 3 niet is voldaan. Het verbeterdoel
is hierop gericht.

5.2. Verbeterdoelen
Om het derde standaard te behalen is het volgende verbeterdoel opgesteld:
Op donderdag 1 januari 2015 beschikken de hulpverleners op de afdeling Moermontstede
over een hulpmiddel die informatie bevat over dubbele diagnose, een duidelijk uniforme
richtlijn met betrekking tot de begeleiding en behandeling van diagnose, contactgegevens van
andere disciplines en onafhankelijke instanties, die bijdragen aan de begeleiding van
zorgvragers met een dubbele diagnose en een meetinstrument, voor de zorgvrager, die
wekelijks ingevuld dient te worden, om zo het proces van de zorgvrager te kunnen meten. Met
behulp van dit hulpmiddel kunnen de hulpverleners aansluiten van de individuele behoeften
van de zorgvragers op de afdeling Moermontstede van GGZ WNB, waarbij er nog uit wordt
gegaan van de herstelgerichte visie, maar er tevens ook een uniforme richtlijn is.

5.2.1. Herkenbare kenmerken


Voor dit verbeterdoel is er gekeken naar de kenmerken zoals Rogers deze aandraagt (Grol et
al., pp. 115-116.).

Voordeel
Het voordeel van dit verbeterdoel is dat de deskundigheid en de professionaliteit toeneemt. Er
zijn behandelingsmethoden en begeleidingswijzen die evidence based getest zijn en hun
effectiviteit hebben bewezen. Hierdoor sluit de zorg optimaal aan bij de individuele behoeften
van de zorgvragers met een dubbele diagnose op de afdeling Moermontstede.

Passendheid
Door de huidige, werkelijke situatie met de ideale wenselijke situatie te vergelijken, zijn deze
verbeterdoelen opgesteld.

41 | P a g e

Complexiteit
Het verbeterdoel is matig complex, doordat het veel tijd in beslag neemt. Er moet informatie
verzameld, georganiseerd en gebundeld worden. Daarnaast behoeft het tijd om een duidelijke
uniforme richtlijn te formuleren, waarna er een meetinstrument, wat valide is, ontwikkeld moet
worden.

Probeerbaarheid
Voor dit verbeterdoel kan door het houden van een evaluatie onder de hulpverleners van de
afdeling Moermontstede het gewenste effect worden gemeten en daarbij kunnen dan ook de
eventuele knelpunten worden gesignaleerd. Wanneer de gewenste effecten worden gemeten,
kan het hulpmiddel op de andere herstelgerichte settingen binnen de GGZ WNB worden
gemplementeerd.

Zichtbaarheid
De hulpverleners zullen subjectief waarnemen dat er beter wordt aangesloten op de
zorgvragers. De kwaliteit van zorg zal toenemen, doordat de zorgvragers het gevoel zullen
krijgen meer begrepen te worden en doordat de zorgvrager de deskundigheid op het gebied
van dubbele diagnose van de hulpverleners erkennen. Hierdoor zal er met behulp van het
meetinstrument het proces van de zorgvrager met betrekking tot de dubbele diagnose
aantonen dat er sprake is van een positief proces.

42 | P a g e

H6. DISCUSSIE
Dit kwaliteitsvoorstel is geschreven met het doel om de kwaliteit van zorg te verhogen en
eenduidigheid te creren voor zowel de zorgvragers als de hulpverleners. Door het schrijven
van dit kwaliteitsvoorstel voor een richtlijn wordt er een bijdrage geleverd aan het verhogen
van de kwaliteit van zorg voor zorgvragers met een dubbele diagnose op de afdeling MMS.
De volgende vraag stond in dit kwaliteitsvoorstel centraal:
Op welke wijze kunnen hulpverleners op de afdeling Moermontstede omgaan met zorgvragers
met een ernstig psychiatrische aandoening, die alcohol misbruiken of er afhankelijk van zijn
begeleiden en ondersteunen, zodat de kwaliteit van zorg gewaarborgd of verbeterd kan
worden en er eenduidigheid kan worden gecreerd?
Met behulp van deelvragen is deze vraag beantwoord. Eerst heeft er een
literatuurstudieonderzoek plaatsgevonden, waarbij er gebruik is gemaakt van zowel
Nederlandstalige als Engelstalige databanken. Ook het gebruik van websites, richtlijnen en
tijdschriften heeft een bijdrage geleverd aan het literatuuronderzoek. Door middel van het
literatuuronderzoek zijn er standaarden met criteria ontwikkeld, die als hulpmiddel hebben
gediend bij het ontwikkelen van de meetinstrumenten.
Het hulpmiddel is niet beoordeeld op validiteit en betrouwbaarheid. Dit had echter wel gekund.
Door middel van een data-analyse van de onderzoeksresultaten is gemeten of de huidige
situatie aan de wenselijke voldoet. Na aanleiding van de uitkomst zijn er verbeterdoelen en
aanbevelingen geschreven.
Wanneer er kritisch wordt gekeken bij de gehanteerde werkwijze, komt naar voren dat het
tweede standaard ook schriftelijk opgenomen had moeten worden. Dit is nu geobserveerd
door visuele en auditieve waarneming. Daarnaast had er dieper op de deelvragen kunnen
ingaan, door deze meer in de vragenlijst te had kunnen verwerken.
Nu ik ook terugkijk op mijn vragenlijst voor de hulpverleners ben ik tot de realisatie gekomen,
dat ik eigenlijk andere vragen had moeten formuleren, meer gericht op IDDT. Ook had ik bij
deze vragenlijst advies en de mening moeten vragen van mijn begeleidend docent en
werkbegeleidster.

43 | P a g e

H7. Conclusie en aanbeveling


Op de afdeling Moermontstede, van de organisatie GGZ WNB is het onduidelijk waarop de
kennis, met betrekking tot de behandeling en begeleiding van zorgvragers met een dubbele
diagnose, is gebaseerd. Hierbij is onduidelijk of het behandelteam van Moermontstede over
voldoende kennis beschikt betreffende IDDT en het ervan integreren in de praktijk. Er is een
gebrek aan richtlijn rondom IDDT in deze herstelgerichte setting. De kwaliteit van zorg wegens
dit gebrek is minder dan optimaal.
Uit het praktijkonderzoek is naar voren gekomen dat 16,6% van de hulpverleners kennis heeft
over Integrated Dual Dissorder Treatment. 83,4% van de hulpverleners benoemt geen
evidence based practices met betrekking tot de begeleiding en behandeling van zorgvragers
met een dubbele diagnose. Daarnaast heeft 80% van de zorgvragers aangegeven te denken
dat de hulpverleners weinig kennis hebben met betrekking tot de behandeling en begeleiding
van dubbele diagnose.
Om de kwaliteit van zorg te verbeteren met betrekking tot de behandeling en begeleiding van
zorgvragers met een dubbele diagnose beveel ik deze richtlijn aan en het ontwikkelen van een
hulpmiddel, zoals beschreven in standaard 3.

44 | P a g e

Nawoord
Het schrijven van dit kwaliteitsvoorstel verliep tijdsgezien wisselend. Aan het begin van het
ontwerpen van dit kwaliteitsvoorstel en het vormen van het onderwerp, was ik erg gemotiveerd
en had dan ook redelijk snel een goedgekeurd onderwerp gekozen. Ik begon meteen met
informatie te zoeken en een literatuurstudie te maken (zie bijlage 5). Echter was deze
literatuurstudie langer dan 30 paginas, waardoor ik later deze heb ingekort. Ik had nog geen
standaarden en criteria ontworpen, waar ik achteraf gezien echter wel hier tegenaan liep, eerst
had moeten doen. Daarna ging het schrijven van het kwaliteitsvoorstel moeizaam, doordat ik
werkte volgens het format uit het derde schooljaar en het format van dit product anders was.
Er ging een maand voorbij en ik had nog steeds geen contact opgenomen met mijn
begeleidend docent.
Tijdens mijn tussenbeoordeling kreeg ik dat extra zetje van mijn MBB-docent van Avans
Hogeschool, tevens BPV-docent, Joost Bonants en mijn werkbegeleidster Wilma Quaak, om
toch contact te zoeken met mijn begeleidend docent. Dit had ik dan ook gedaan en na een
gesprek met mijn begeleidend docent van Avans Hogeschool, Jack van den Broek, was ik weer
gemotiveerd om aan mijn kwaliteitsvoorstel te kunnen werken.
Wanneer ik in het vervolg een kwaliteitsvoorstel of zon soort product ontwikkel, zal ik meer
rekening houden met de tijdsdruk en periode, waarin alles gemaakt kan worden. Daarnaast zal
ik ook eerst niet met een literatuurstudie beginnen, maar eerst met een uitgebreide
probleemanalyse en datgene formuleren wat ik wil onderzoeken.
Wat ik ook in het vervolg anders zou doen, wanneer ik wederom zon soort product maak, is
mijn werkbegeleidster meer tijd te geven, om het product ook daadwerkelijk te kunnen lezen.
Bij het schrijven van dit kwaliteitsvoorstel is veel kennis opgedaan over het onderwerp door
middel van de verkregen literatuur en het praktijkonderzoek.
Ergens hoop ik dat met behulp van dit kwaliteitsvoorstel, gericht op een richtlijn voor dubbele
diagnostiek in de herstelgerichte setting van Moermontstede, na mijn stageperiode, wordt
gehanteerd op de afdeling.

45 | P a g e

BIBLIOGRAFIE
Chandler, D. (2009). Fidelity and Outcomes in Six Integrated Dual Disorders Treatment Programs.
Community Mental Health Journal.
Clijsen, M., Garenfeld, W., Kuipers, G., Loenen, E. v., & Piere, M. v. (2008). Psychiatrie voor
verpleegkundigen. Amsterdam: Reed Business.
Drake, R. E. (2008). IDDT, Integrated Dual Dissorder Treatment. Case Western Reserve University , 1-6.
Grol, R., & Wensing, M. (2011). Implementatie. Amsterdam: Reed Business .
Hollands, L., Hendriks, I., & Ariens, H. (2004). Elementen van kwaliteitszorg. Den Haag: Boom Lemma
Uitgevers.
Instituut, T. (2008, October 08). Dubbele Diagnose. Opgehaald van Multidisciplinaire
Richtlijnontwikkeling GGZ: Http://www.ggzrichtlijnen.nl
Korevaar, L., & Dres, J. (2011). Handboek Rehabilitatie voor zorg en welzijn. Bussum: Coutinho.
Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling . (2008, Octobre 10). Dubbele diagnose;
Behandeling. Opgehaald van GGZ Richtlijnen: http://www.ggzrichtlijnen.nl/
LEDD. (2012). Algemene info dubbele diagnose. Opgehaald van Landelijk expertise -en
implementatiecentrum
dubbele
diagnose:
http://www.ledd.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=8&Itemid=3
Meyers, R., Roozen, H., & Smith, J. E. (2011). The community reinforcement approach. Alcohol
Research & Health, 380-386.
Misterlak. (2010, January 19). Alcoholverslaving, wat is het en hoe herken je het? . Opgehaald van
Infonu: http://mens-en-gezondheid.infonu.nl/verslaving/49718-alcoholverslaving-wat-is-heten-hoe-herken-je-het.html
Roozen, H. (2006). De Community Reinforcement Approach. Verslaving, 3-18.
Schepers, P. (2009, June 08). Dubbele Zorg voor Dubbele Diagnose Clinten. Opgehaald van Altrecht,
specialist
in
geestelijke
gezondheidszorg:
http://www.altrecht.nl/Externebestanden/WA/PenV_artikel%20Dubbele_diagnose_Zorg.pdf
Solutions. (2012). Solutions, Verslavingszorg en meer . Opgehaald van Dubbele diagnose:
http://www.solutions-center.nl/verslavingen/dubbele_diagnose
Townsend, M. C. (2009). Verpleegkundige diagnostiek in de psychiatrie. Elsevier Gezondheidszorg.
Tsai, J., Salyers, M., Rollins, A., McKasson, M., & Litmer, M. (2009). Integrated Dual Disorders
Treatment. Journal of Community Psychology, 781-788.
www.trimbos.nl. (sd).

46 | P a g e

AFKORTINGENLIJST
AA: Anonieme Alcoholisten
APA-stijl: American Psychology Association stijl
ASI: Addiction Severity Index (Meetinstrument)
CM: Contingency Management
CRA: Community Reinforcement Approach
DSM-IV: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders
EPA: Ernstig Psychiatrische Aandoening
GGZ WNB: Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant
HEE: Herstel, Empowerment & Ervaringsdeskundigheid
HBO: Hoger beroepsonderwijs (in dit geval wordt het ook wel niveau 5 genoemd)
IDDT: Integrated Dual Dissorder Treatment
IPS: Individual Placement and Support
MBO: Middelbaar beroepsonderwijs (in dit geval wordt het ook wel niveau 4 genoemd)
MMS: Moermontstede

47 | P a g e

BIJLAGEN

48 | P a g e

Bijlage 1. Vragenlijst hulpverleners


Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand
gekomen?
1.

2.

Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?


Ja/nee, toelichting:

Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
3.

Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pbclinten regelmatig alcohol nuttigen?
4.

Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of


anders)
5.

Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet
mag drinken, maar een andere zorgvrager wel?
6.

Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik
van de zorgvragers op MMS?
7.

Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol
nuttigen
8.

49 | P a g e

Bijlage 2. Interview zorgvragers

1) Drink je wel eens alcohol? / Heb je vroeger wel eens gedronken?

2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?

3)

Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom wel of niet?

50 | P a g e

4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische
kant? (En waarom?)

....
5)

Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?

....
6) Lukte het om te stoppen in n keer?

51 | P a g e

7) Hoe is het je gelukt met het stoppen met drinken?

8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?

9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met
drinken?

52 | P a g e

10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je


dit?

11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot
de begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?

53 | P a g e

Bijlage 3. Ingevulde vragenlijsten


Wegens privacy zijn de initialen van de hulpverleners in deze bijlage genoemd, in tegenstelling tot het
origineel, die de volledige naam bevat.

1.

2.
3.

4.

5.

6.

7.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Dit is een voortvloeisel van de herstelvisie die reeds sinds jaar en dag gehanteerd wordt.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Ja, het past binnen de herstelvisie
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Ja.
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
De eerste vraag die in mijn ogen belangrijk is, is de vraag Of het nodig is (en/of
meerwaarde heeft) de clint gezien de alcoholproblematiek behandeling aan te bieden.
Als dit niet aan de orde is kan het beleid bepaald worden door te inventariseren wat de
gezondheidsrisicos zijn en dit af te wegen tegen de voordelen die de clint heeft bij het
drinken. NB. zo kun je dus ook uitkomen op drankgebruik met bepaalde restricties.
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Kennis van/rond verslavingsproblematiek, logisch inzicht & ervaring.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Benadrukken/uitleggen dat we hier individueel naar kijken (dus ook waarom).
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Continuering van het huidige beleid.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.
Zie punt 4.
J.B.
Verpleegkundige

54 | P a g e

1.

2.

3.

4.
5.

6.

7.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Bepaalde zorgvragers mogen alcohol nuttigen, mits ze hier geen misbruik van maken.
Zorgvragers met een verslaving of het misbruiken van alcohol in het verleden (of in het
heden) mogen dit niet.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Ja, dit systeem werkt in bijna alle gevallen goed. Zodra er alcohol misbruik plaatsvind
op de afdeling, vind ik dat er in sommige gevallen strenger en harder opgetreden moet
worden om het misbruik de volgende keer tegen te gaan en-/of te voorkomen.
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Nee.
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
In gesprek gaan over het feit dat elke zorgvrager in een andere situatie verkeert of een
andere achtergrond heeft.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Ik zou graag willen zien dat bepaalde zorgvragers alcohol met mate kunnen nuttigen.
Wat betreft zorgverleners denk ik dat we op deze manier moeten doorgaan maar
wanneer er alcohol misbruik voorkomt harder en strenger moeten optreden om het
tegen te gaan en-/of te voorkomen.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.
Dat we gaan werken met een beloningssysteem voor de zorgvragers die geen alcohol
mogen nuttigen om het gewenste resultaat (nuchter zijn n blijven) te bereiken.
M.H.
Stagiaire MMZ niveau 4

55 | P a g e

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Dit komt voor uit de herstel visie.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Ja.
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Ja.
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Mijn clint zelf bepaalt zijn traject, ik help hem bij, en geef tips waar nodig zodat het
normaal gebruik is. ( clint zit in zorgpad eigen regie.)
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. iddt, CRA, ervaring, of anders)
Ervaring.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Ik geef aan dat iedere clint, Zijn eigen individuele afspraken heeft.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Bij diegene die teveel gebruikt de regels verder aanscherpen.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.
Ideaal zou zijn, geen alcohol op de afdeling. Voor allemaal maar dat is weer niet
Herstelgericht denken.
P.M.
Sociaal Pedagogisch Werker

56 | P a g e

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Hier durf ik geen uitspraak over te doen. Ik denk dat het beleid zelf door collegas
samen gesteld is wat wel of niet acceptabel is.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Gezien we werken via de herstelgerichte visie is het m.i. niet mogelijk om n duidelijk
beleid te maken omtrent het alcoholgebruik. Er zullen per clint individuele afspraken
gemaakt moeten worden om toch via de herstelgerichte visie te kunnen werken.
Echter wat wel mogelijk is, is een duidelijk beleid afstemmen met regels bv. geen
overlast wanneer men drinkt of gedronken heeft, alleen alcohol nuttigen op eigen
appartement, het opruimen van bv. bierblikjes etc.
Wanneer bv. deze regels overtreden worden een duidelijke consequentie eraan
hangen (overplaatsing, dagelijks controle etc.).
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
En van de 2 pb clinten nuttigt alcohol (zover mij bekend is).
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Van deze clint is bekend dat hij alcohol nuttigt. Door middel van het maken van
afspraken proberen we het alcoholgebruik te beperken. Dit gaat tot nu toe redelijk
goed.
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. iddt, CRA, ervaring, of anders)
De afspraken die met deze clint gemaakt zijn, zijn gemaakt vanuit ervaring. Wanneer
je teveel druk op de clint legt dan werkt dit averechts en ben je hem kwijt en staat hij
niet meer open in de samenwerking.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Gezien we werken via de herstelgerichte visie wordt er met elke clint individueel
gekeken naar de situatie en worden er aan de hand van de situatie afspraken gemaakt.
Dit zal ik dan ook altijd tegen de clint zeggen wanneer diegene naar mij toekomt en
deze vraag stelt.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?

7.
Een duidelijke consequentie voor de clint wanneer er regels overtreden worden die in
het beleid vermeld staan en hiernaar gehandeld wordt.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen
8.
IDDT is een mooie behandelingsvorm, maar weet niet of dit haalbaar is voor de meeste
clinten?
R.v/d.M.
Leerling, 4dejaars HBO-V

57 | P a g e

1.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Door ervaring, bespreken en koppelen aan theorie
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:

2.

3.

4.

5.

6.

7.

Het is lastig om een beleid op te stellen wat voldoet aan de uitgangspunten van
herstelgerichte zorg, aan de symptomen van verslaving, aan het normalisatieprincipe
en de regels van een klinische setting. Dus is het een goed beleid: nee, het kan beter
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
ja
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Bespreken met clint wat de reden is van drinken, psycho-educatie, uitleg over
alcoholgebruik en afspraken maken over drankgebruik
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Ervaring en uitgangspunten van herstelgerichte zorg. Bij mijn clint is geen sprake van
verslaving, dat scheelt.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Uitleg geven over de herstelgerichte visie, waarin iedere clint een eigen, persoonlijk,
individueel en uniek proces doormaakt met bijbehorende individuele afspraken.
Begeleiding is gericht op de zorgvragen en wensen van de individuele clint, ook bij
alcoholgebruik. en dan een positieve kant benoemen van desbetreffende zorgvragen
en diens persoonlijke ontwikkeling als voorbeeld van de individuele benadering.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Bewuste keuzes maken.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.

Alcohol nuttigen is op zich niet erg, mits dit verantwoord en incidenteel gebeurd.
Indien er sprake is van verslaving: Kennis bij team over verslaving en de manier waarop
hier per begeleider naar gekeken wordt. Vaardigheden die ingezet kunnen worden
zoals bepaalde gesprekstechnieken, medicamenteuze behandeling, een actievere rol
van de behandelaar, deelname aan AA-bijeenkomsten, meer opties voor een detox,
een echt zinvolle dagbesteding, mogelijkheden tot sporten, gesprekken over leefstijl,
inzet ervaringsdeskundigen, etc. Houding: een houding van hoop en optimisme blijft
van belang, ook bij terugvallen die horen bij een verslaving. De persoon niet afwijzen,
maar in gesprek gaan over het gedrag, afspraken maken die realistisch zijn en
accepteren dat dit niet altijd lukt. Ook een realistische blik houden op de
mogelijkheden die de afdeling te bieden heeft en of dit past bij wat de clint nodig
heeft. We moeten niet oeverloos doorgaan, soms is MMS net te hoog gegrepen, maar
clinten verdienen meerdere kansen. Zeker als de terugvallen steeds minder heftig zijn
en minder frequent is er sprake van winst en herstel.
I.B.
Sociaal Pedagogische Hulpverlener/praktijkbegeleidster

58 | P a g e

1.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Er was altijd beleid geen alcohol /drugs. Dit werkt niet in de praktijk, het is nu met
individuele afspraken
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:

2.

3.

4.
5.

6.

Ja, hoewel het lastig is als clinten zich nergens aan houden en je ze niet op straat kan
zetten i.v.m. kwetsbaarheid
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
ja
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Ik ga het gesprek aan, vraag door naar de reden
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Wat de oorzaak is in dit geval omdat het niet vaak gebeurt
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Dan leg ik uit dat daar individueel naar gekeken wordt en dat er een afspraak in
begeleidings/behandelplan moet staan
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?

7.
Meer begeleiding/ activiteiten en lukt dit niet toch overplaatsen naar gestructureerde
afd.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen
8.
Individueel, geen overlast
J.L.
Verpleegkundige niveau 5

59 | P a g e

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Deze is ontstaan vanuit de herstelvisie. Dit was geloof ik al door Joris uitgelegd toch ;)
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Ja, en nee ik vind het goed dat er individueel word gekeken naar ieder een zo goed
mogelijke passende behandeling. Anderzijds levert dit ook vaak tot onenigheid er kan
vanuit andere clinten soms veel onbegrip komen als iemand een andere behandeling
krijgt. En ik vind dat het beleid voor sommige clinten soms te soft is.
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Ja, 1 van mijn pb-clinten drink om het weekend als hij naar zijn moeder gaat een
borreltje (kan ook iets anders zijn weet niet 100% zeker). Vroeger had hij een fles op de
team post staan waar hij elke avond 2 borreltjes mocht halen dit is al even geleden
(jaren).
Mijn ander pb-clinten heeft in het verleden wel een drank probleem gehad. Nu drinkt
hij nog af en toe (1 a 2 keer in het jaar) een fles leeg. Is dan ook gelijk goed
aangeschoten.
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Dit overleg je in het team en eventueel in het artsenoverleg. En ook met pb clint zelf
hierin kijk je wat het beste is voor de clinten wat zijn mogelijkheden zijn. ook kijk je
met clint wat hij zelf kan betekenen en wat wij hierin moeten betekenen. Hierbij kijk
je natuurlijk wel naar hoe reel een clint is en hoe verre hij zelf het inzicht heeft en
kan krijgen. Maar het is wel van belang dat de clint actief erbij word betrokken het is
nu eenmaal voor zijn eigen belang en uiteindelijk is de clint ook de gene die het moet
gaan doen. Er is ook de mogelijkheid om het in een journal club in te brengen hierbij
word er door onderzoeken die ebp zijn uitgewerkt.
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Ik leg die gene uit wat maakt dat hij niet mag drinken. Daarbij ligt ik toe dat we
individueel kijken naar iedereen en de voor diegene best passende methode zoeken.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Ik vind het goed dat er individueel word gekeken naar de mensen. Waar ik soms
moeite mee heb is dat er voor mensen soms een 0 beleid word opgesteld of nodig is.
Maar dat als de clint zich er niet aanhoud het ook niks uitmaakt. Dit resulteert er in
dat er niet aangehouden word en je als begeleider machteloos staat want je zet iets uit
maar kan er vervolgens niks mee doen. Ik vind dus dat als je voor iemand zeg dat hij
een zero tolerants beleid heeft er ook een consequentie aan moet zitten als er niet aan
gehouden word.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen
Ik vind dat er nog altijd individueel gekeken moet worden naar clinten maar ook dat
er vaker een zero tolerants beleid moet komen met consequenties er aan die ook na
geleefd worden!! Dus niet iets zeggen en vervolgens niks doen.

E.D.
Leerling, 3dejaars HBO-V
60 | P a g e

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Ik heb geen idee..
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Nee, sommige clinten mogen drinken, hierdoor gaan andere clinten zich vergelijken
met andere clinten. Het is of wel alcohol, of geen alcohol. Zo blijft het verblijf eerlijk
voor iedere clint. En dan gaat mijn voorkeur naar het niet drinken, we hebben
verschillende clinten met verschillende problematiek(en) en verschillende
gebruikachtergronden, veel clinten word geadviseerd niet gedronken, maar in het
beleid staat en stukje over het gedrag dat gediend wenst te worden, dit gebruiken
clinten tegenover de hulpverleners. Ook om de privacy van iedere clint te bevorderen
lijkt dit mij van belang, drink je? Prima, maar houdt het voor je (hoe het nu gaat).
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Ja
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
De afgelopen 2 maanden ervaart dhr. heel veel zucht, dhr. is een drugsverslaafde
geweest en heeft 2 jaar niks gebruikt. Dhr. is drugs gaan vervangen door alcohol,
doordat dhr. alles zwart/wit en zich niet aan de afspraken kan houden, is er met dhr.
afgesproken dat dhr. geen alcohol mag nuttigen. Dhr. nuttigt stiekem alcohol, we
hebben dhr. meerdere malen betrapt en hierop gewezen. Inmiddels hebben schaduwpber en ik dhr. op de wachtlijst gezet voor een afdeling waar meer sturing en begeleiding is.
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Dhr. heeft een ervaringsdeskundige die 1 keer per week langs komt, inmiddels is er med.
Wijziging plaats gevonden tegen dhr. zijn zucht & er worden dagelijks gesprekken met
dhr. gevoerd, hier wordt gevraagd naar zijn zucht.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Dhr. eerlijk vertellen hoe het zit. Dhr. attenderen op zijn slechte leverfunctie, en hierbij
betrekken dat dhr. hier uiteindelijk niet meer te remmen is en dat wij dit willen
voorkomen.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Alcoholverbod!
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.

Clinten gelijkwaardig behandelen, dit kan niet als de 1 alcohol mag drinken en de ander
geadviseerd word geen alcohol te drinken. Het is algemeen bekend dat alcohol veel
schade brengt, of kan brengen. Wij gaan nou op MMS actief aan leefstijl werken, hierin
word ook afgeraden alcohol te nuttigen. Het kan per clint schelen, de 1 hecht er veel
waarde aan, de 1 neemt het als vervangende verslaving. Als team moeten we hier 1 lijn
in trekken..
S.A.
Stagiaire, 4dejaars MBO-V

61 | P a g e

1.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Ik denk dat door ervaringen het beleid tot stand is gekomen.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:

2.
Ja. Dit is per clint afgesproken. Soms brengt het wel wat verwarring met zich mee onder
clinten, maar dat blijf je altijd houden. Dit heeft niet perse te maken met alcoholgebruik
3.

4.

5.

6.

7.

Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Ja
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Samen met mijn collegas houden we dit in de gaten, maar het kan bij dhr. niet verboden
worden.
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Dat heb ik vernomen van de pb-ers vanuit het vaste team.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Dan leg ik de situatie op een rustige en begrijpelijke manier uit en door eventuele
ervaringen en situaties aan te kaarten.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Helaas zijn we er achter gekomen dat het soms stiekem wordt genuttigd. Dit kun je
(bijna) niet tegen gaan, dat is erg jammer.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.

Het liefste zou ik zien dat ze zich houden aan afspraken die er worden gemaakt.
Wanneer zij de mogelijkheid krijgen om toch wat te drinken, dat dit niet doorslaat naar
teveel drinken. Als dit niet werkt, zal het toch afgeschaft moeten worden. De clinten die
vrij mogen drinken, kunnen we moeilijk beperken in gebruik. Het lijkt me wel dat het
goed is dat we weten hoeveel zij ongeveer nuttigen en hoe het staat met de gezondheid.
S.M.
Stagiaire 3 jaars MBO-V
de

62 | P a g e

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Dit weet ik helaas niet.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting: Er wordt iets getolereerd. Dat vind ik op zich prima alleen de
controle lukt niet altijd, dus het kan uit de hand lopen (en gebeurt ook).
Ik vind dit een lastige vraag. Eigenlijk ben ik voor 0 tolerantie maar dat werkt niet op
een open afdeling zo.
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
1: helemaal niet, nooit gedaan. 2: vroeger wel, nu al een paar jaar niet, wel 1x terugval
gehad (toen is het bij 1 blik bier gebleven)3: vroeger alcoholmisbruik, nu al jaren clean.
Zegt dat ze het nooit wil aanraken omdat het haar leven heeft verpest.
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Het hangt van de persoon af. Toen mijn clinte een terugval heeft gehad, hebben we
het rustig besproken, wat de aanleiding was. Een poos ging ze naar AA. Op dit moment
heeft ze geen zucht. Bij anderen zou ik gewoon kijken wat het beste zou passen bij de
persoon.
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Ik ben dit nog niet tegengekomen, als het wel zou zijn, zou ik me hierin moeten
verdiepen. Op HZ was het ook nog niet aan de orde in theorie.
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Ik zou proberen rustig uit te leggen dat iedereen anders is, dus bij iedereen is er ook
ander beleid.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?

7.
Bv. vanochtend kwam ik erachter dat ik niet wist wat de laatste afspraken zijn. Dus dit
hoort eigenlijk in de afspraken te staan. Dus, dit is een verbetervoorstel. Beleid
uitzetten en tegelijk bekend maken.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen?
8.
Ik denk aan een concrete cl., dan zou ik goede afspraken maken. Bv. tolerantie van
nuttigen in het weekend, goed afspreken hoeveel mag.
L.S.
Leerling 3de jaars Sociaal Pedagogische Hulpverlening

63 | P a g e

1.

2.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Afspraken tussen clint, behandelaar en pb-er.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:

4.

Nee, te onduidelijk.
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
nee
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?

5.

Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)

3.

6.

7.

Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Zie vraag 1
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Nieuwe duidelijke afspraken. Dit ook i.v.m. medicatie gebruik.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.

Per persoon en de afspraken tijdens het pat overleg doorspreken met team. Er wordt
door sommige die alcohol gebruiken te weinig rekening gehouden met de combinatie
medicatie en alcohol.
E.J.
Verpleegkundige

64 | P a g e

1.

2.

3.

4.
5.

6.

7.

Hoe is het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS tot stand gekomen?
Vanuit de herstelgerichte visie worden er individuele afspraken gemaakt met clint, pber en behandelaar.
Ben je tevreden met het huidige beleid betreffende alcoholgebruik op MMS?
Ja/nee, toelichting:
Nee, er zijn geen duidelijke consequenties wanneer de afspraken niet nageleefd
worden.
Nuttigen jouw pb-clinten alcohol? (Zo ja zie vraag 4, zo nee zie vraag 6)
Nee
Hoe bepaal je het traject/beleid, wanneer je constateert/observeert dat je pb-clinten
regelmatig alcohol nuttigen?
Waarop baseer je het bepaalde traject/beleid? (Bijv. IDDT, CRA, ervaring, of anders)
Wat doe je als een zorgvrager naar jou toekomt en vraagt waarom hij of zij niet mag
drinken, maar een andere zorgvrager wel?
Ik zou de clint uitleggen, waarom het gezonder zou zijn als hij of zij niet zou drinken.
GVO geven.
Wat zou je op dit moment willen zien bij het omgaan van het alcoholgebruik van de
zorgvragers op MMS?
Duidelijke afspraken met duidelijke consequenties, wanneer de afspraken niet worden
nageleefd.
Hoe ziet jou ideale behandeling eruit voor de clinten op MMS, die alcohol nuttigen

8.

Zie vraag 7.
M.T.
Stagiaire 3dejaars Sociaal Pedagogische Werker

65 | P a g e

Bijlage 4. Afgenomen interviews


De zorgvrager die de onderstaande antwoorden in het interview gaf, heeft zelf aangegeven en is ook
gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking. Daarnaast heeft deze zorgvrager ADHD.

1) Drink je wel eens alcohol, heb je vroeger wel eens gedronken?


Vroeger dronk ik af en toe likeur, 1 2 keer per halfjaar.
De laatste tijd drink ik best veel.
2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?
Ik dronk vroeger likeur, 1 2 keer per halfjaar.
Vroeger dronk ik zes blikjes bier per week, maar eigenlijk vind ik het niet lekker.
Nu drink ik drie blikjes per dag, gedurende al een paar jaar.
Ik drink het om rustiger te worden en stress te verlagen.
3) Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom vond je dit?
Ik vind dat ik niet echt verslaafd ben aan alcohol, maar wel dat ik verslaafd was aan andere
middelen; speed. Ik vind dat ik ook een dag zonder alcohol drinken kan.
4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische kant?
Waarom vind je dit?
Eerst de psychiatrische kant, omdat je door de psychische reden weet waarom iemand
drinkt.
5) Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?
Ik moet van het team en mijn pb-er stoppen. Ze zeggen het volgende tegen mij:
We geven om jou. Het is slecht voor je lever. Je kunt er niet zo mee door gaan.
Ze dreigen dat ik naar een andere afdeling moet. Als ik niet binnen kan drinken, dan maar
buiten.
6) Lukte het om te stoppen in n keer?
Ik heb een paar pogingen gedaan om te stoppen met drinken, maar ik heb meerdere
terugvallen gehad.
7) Hoe is het je gelukt om te stoppen met drinken?
Ik ben niet gestopt met drinken.
8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?
Mijn hulpverlener moet in mij geloven en mij ondersteunen bij het stoppen van drinken.
Positiviteit.
9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met drinken?
Ze moeten in mij geloven.

66 | P a g e

10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je dit?
De reden om te drinken vind ik belangrijk, zodat je beter kan begrijpen waarom iemand
drinkt.
11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot de
begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?
Ik begrijp niet waarom de ene wel mag drinken en ik niet. Er wordt mij ontgund wat ik nodig
heb. En als ik daarover praat, dan wordt er gedreigd dat ik naar een andere afdeling moet.

67 | P a g e

De zorgvrager die de onderstaande antwoorden in het interview gaf, is gediagnosticeerd met het
syndroom van Korsakov.
1) Drink je wel eens alcohol, heb je vroeger wel eens gedronken?
Ik heb vroeger alcohol gedronken.
2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?
Ik dronk thuis en in de kroeg elke dag bier.
3) Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom vond je dit?
Nee, want ik kon ook zonder.
4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische kant?
Waarom vind je dit?
Allebei tegelijkertijd, omdat het bij elkaar hoort.
5) Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?
Toen ik bij GGZ WNB kwam, moest ben ik gestopt met drinken. Ik weet niet meer waarom.
6) Lukte het om te stoppen in n keer?
Ja
7) Hoe is het je gelukt om te stoppen met drinken?
Sinds GGZ WNB drink ik niet meer. Ik weet niet meer hoe het mij is gelukt om te stoppen.
8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?
Praten.
9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met drinken?
Weet ik niet.
10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je dit?
Het is belangrijk om te kunnen stoppen. Eerst het probleem achter de drank aanpakken.
11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot de
begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?
Weet ik niet.

68 | P a g e

De zorgvrager die de onderstaande antwoorden in het interview gaf, is gediagnosticeerd met het
syndroom van Korsakov.
1) Drink je wel eens alcohol, heb je vroeger wel eens gedronken?
Vroeger dronk ik alcohol.
Ik begon op mijn veertiende. Ik heb in de horeca gewerkt, waarbij ik lange dagen maakte. Na
het werk gingen we met zijn allen de kroeg in en tijdens het werk dronk ik ook af en toe wat.
2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?
In de kroeg dronk ik bier en later voor het eten een Rikartje. Dit heb ik jaren gedaan.
3) Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom vond je dit?
Ik keek er toentertijd echt naar uit. Je groeit er gewoon mee in en ik ben er dus in
meegegroeid.
4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische kant?
Waarom vind je dit?
Langzaamaan allebei tegelijkertijd. Dit werkt het rustigst voor een patint.
5) Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?
Ik woonde op mezelf en werkte in Oudenbosch. Ik kwam toen op de Zoom, van GGZ WNB, na
een crisisopname in het ziekenhuis. Op de Zoom ben ik gestopt met drinken. Ik weet niet
meer of ik zelf wilde stoppen of dat het moest van mijn vrouw en kinderen.
6) Lukte het om te stoppen in n keer?
Ik weet niet meer of ik terugvallen heb gehad. Ik krijg 1 keer per jaar een malt biertje.
7) Hoe is het je gelukt om te stoppen met drinken?
In het ziekenhuis ben ik afgekickt. Bij GGZ WNB kreeg ik verdere ondersteuning.
8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?
Medicijnen voor het afkicken. Geloven, motiveren en ondersteuning.
9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met drinken?
Steun en het geloof in mij.
10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je dit?
Ja, dat moet je weten, dan krijg je begeleiding.
11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot de
begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?
Ik denk het wel.

69 | P a g e

1) Drink je wel eens alcohol, heb je vroeger wel eens gedronken?


Ik heb vroeger alcohol gedronken en drink nu nog af en toe.
2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?
Vroeger dronk ik 1 liter jenever per dag, gedurende meerdere jaren. Nu drink ik een paar
borreltjes per week en af en toe een flesje bier. Tegenwoordig gecontroleerd drankgebruik.
3) Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom vond je dit?
Ik was vroeger verslaafd, omdat ik het elke dag nodig had. Ik dronk om mijn problemen te
vergeten. Ik ging toentertijd ook scheiden.
Nu heb ik het niet elke dag nodig en is het gecontroleerd gebruik, doordat ik alleen drink bij
gelegenheid en gezelligheid.
4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische kant?
Waarom vind je dit?
Ik heb zelf geen psychiatrische problemen. Behandeling voor mezelf is niet nodig.
Voor een ander is deze vraag moeilijk te beantwoorden, omdat elk persoon verschillend is.
5) Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?
Huisarts zei dat ik niet meer lang te leven zou hebben, als ik zo door zou gaan. Ik viel overal
en lag op de grond (straat, kroeg, thuis). Het was genoeg geweest op een gegeven moment.
6) Lukte het om te stoppen in n keer?
Ja, ik ben zelf gestopt en hoefde niet meer naar de Bouman kliniek.
7) Hoe is het je gelukt om te stoppen met drinken?
Knopje ging om, dat het niet meer zo langer door kon gaan. Ik ben rustig aan gestopt en
dronk steeds minder. Dit gebeurde op het terrein van GGZ WNB.
8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?
Stoppen doe je zelf. Je moet er zelf achter staan. Het helpt wel als de omgeving je steunt.
9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met drinken?
Steun.
10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je dit?
Ik dronk om te vergeten. Ik vind het belangrijk. Het brengt namelijk ellende voor jezelf en
anderen. Je moet eerst weten waarom je drinkt, voordat je kan stoppen.
11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot de
begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?
Ik heb de indruk dat je collegas het niet allemaal zo even goed weten.

70 | P a g e

1) Drink je wel eens alcohol, heb je vroeger wel eens gedronken?


Vroeger dronk ik, nu niet meer.
2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?
Vroeger bier en wijn, de gehele dag door, jarenlang.
Nu drink ik niet meer.
3) Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom vond je dit?
Ja, toen wel, omdat ik niet meer zonder kon. Ik zat lekker in mijn vel en kon mijn gedachten
ergens anders op richten, door de alcohol.
4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische kant?
Waarom vind je dit?
Eerst psychiatrie dan verslaving. Je moet eerst het probleem oplossen en dan pas de
verslaving.
5) Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?
De problemen die ik kreeg zijn problemen die je niet kan vertellen en oplossen. Ik moest
opgenomen worden op de PAAZ in Bergen op Zoom, waardoor ik wel moest stoppen.
6) Lukte het om te stoppen in n keer?
Ik heb n keer een terugval gehad; een paar biertjes (vorig jaar) wegens persoonlijke
problemen. Mijn pb-er heeft me toen naar de Anonieme Alcoholisten gestuurd.
7) Hoe is het je gelukt om te stoppen met drinken?
Door de AA bijeenkomsten, kon ik erover praten en terug kijken. Je luistert naar anderen hoe
zij zijn gestopt. En door de gesprekken op Moermontstede.
8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?
Gesprekken (emoties en gevoelens)
Geloof om te kunnen stoppen
Motiveren
Hulp bij mijn problemen
9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met drinken?
Steun; niet drinken voor mijn neus.
Je probeert zolang mogelijk alles te verzwijgen. Hoop en positiviteit.
10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je dit?
Iedereen weet waarom diegene drinkt. De oorzaak is belangrijk voor jezelf, maar ook voor de
omgeving.
11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot de
begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?
Denk het niet, althans sommige collegas niet. Ik schaamde me. Ik heb wel gedacht dat
sommige collegas te weinig kennis hadden.

71 | P a g e

1) Drink je wel eens alcohol, heb je vroeger wel eens gedronken?


Vroeger dronk ik 1 borrel jenever per dag.
Nu drink ik 1 keer in de 14 dagen 2 3 borrels.
2) Hoeveel drink/dronk je dan en wat drink/dronk je?
Zie vraag 1.
3) Vind/vond je dat je verslaafd bent/was aan alcohol en waarom vond je dit?
Nee, absoluut niet. Als ik het niet kreeg, dan was het geen probleem.
4) Vind je dat een verslaving eerst behandeld moet worden of eerst de psychiatrische kant?
Waarom vind je dit?
Allebei moet behandeld worden, want het heeft met elkaar te maken. Het mag tegelijkertijd,
maar hoeft niet.
5) Wat was de aanleiding om te stoppen met drinken?
Ik ging van een maal daags een borrel, naar n keer in de veertien dag een borrel, omdat
het moest van Moermontstede.
Ik heb geen sterke drank op mijn kamer en dit wil ik niet, want ik ken mezelf. Ik kan een
kwaaie dronk worden.
6) Lukte het om te stoppen in n keer?
Ja.
7) Hoe is het je gelukt om te stoppen met drinken?
Geen moeite mee gehad.
8) Wat heb je nodig van je hulpverlener om te kunnen stoppen met drinken?
Gewoon verbieden, door bijvoorbeeld sancties op te leggen. Het stoppen aanmoedigen en
motiveren. Maatschappelijk werkster en bewindvoering is nodig.
9) Wat heb je nodig van je omgeving (vrienden, familie) om te kunnen stoppen met drinken?
Steun om te stoppen en de omgeving moet niet drinken.
10) Vind je de reden om te drinken belangrijk om te kunnen stoppen en waarom vind je dit?
Ja, de oorzaak is belangrijk. Ik quote: Ontreddert door zijn omstandigheden, neemt men zijn
toevlucht tot verdovende en bedwelmende middelen en uiteindelijk wordt men gek.
11) Wat vind je van de kennis en vaardigheden van de hulpverleners met betrekking tot de
begeleiding betreffende verslavingsproblematiek?
Kan ik geen oordeel over geven.

72 | P a g e

Bijlage 5. Eerste versie literatuurstudie

Literatuurstudie
Dubbele diagnose

73 | P a g e

Inhoudsopgave
Alcohol
Hersenfunctie zonder alcohol
Hersenfunctie met alcohol

Alcoholverslaving
Wat houdt een alcoholverslaving in?

Page 75

Page 76

Criteria DSM

DSM V
Oorzaken alcoholverslaving
Wat zijn de gevolgen van een alcoholverslaving?
Kater
Alcoholintoxicatie
Onthoudingsverschijnselen
Epileptische insulten
Delirium tremens
Oorzaak ontwenning/onthouding
Waarom wordt je vrolijk van alcohol?
Redenen waarom een persoon drinkt
Alcohol als zelfmedicatie
Alcohol en angst
Alcohol en depressie
Alcohol en diabetes
Behandeling
Remoralisatie
Rehabilitatie
Recovery
Fasen van verslavingsbehandeling
Detoxificatie
Terugvalpreventie
Definitie terugval en terugvalpreventie
Het ontstaan van een terugval
Doelen van terugvalpreventie
Interventies gericht op terugvalpreventie

Page 78
Page 79
Page 81
Page 82
Page 83
Page 84

Page 85

Page 86
Page 87

Page 88

Dubbele diagnose
Wat is een dubbele diagnose?
Frequentie dubbele diagnose
Het ontstaan van een dubbele diagnose
De gevolgen van een dubbele diagnose
Behandeling
Schizofrenie
Bipolaire stoornis
Depressie
Angststoornis

Page 89

Page 90
Page 91

74 | P a g e

Persoonlijkheidsstoornis
Etniciteit & vrouwelijke zorgvragers

IDDT

Page 92

Wat is IDDT?
Behandelingskarakteristieken

Page 93

Community Reinforcement Approach


Motiverende gespreksvoering
HEE
Individuele Rehabilitatie Benadering

Page 97
Page 99
Page 100
Page 102

75 | P a g e

Alcohol
Hersenfunctie zonder alcohol
Wanneer de hersenen normaal functioneren, vinden er informatieoverdrachten plaats tussen
neuronen. Deze overdrachten kunnen remmend of stimulerend zijn voor de afgifte van
neurotransmitters door het neuron. Het neuron zelf ontvangt tegelijkertijd informatie van andere
neuronen, die worden opgeteld in het lichaam van de neuron. Het netto resultaat is stimulerend of
remmend.
Een neuron bestaat uit twee uiteindes, waarvan de n dendriet wordt genoemd en de ander axon.
GABA ligt opgeslagen in blaasjes aan het uiteinde van een axon. Wanneer er een elektrisch signaal
aankomt, versmelten de baasjes (gevuld met GABA) met de wand van het neuron, zodat GABA zo in
de synaps terecht komt (de ruimte tussen twee neuronen).
GABA drijft via de synaps naar het aangrenzende neuron. Er bevinden zich GABA receptoren op de
dendrieten van dit aangrenzende neuron. GABA bindt zich aan deze receptoren en geeft een signaal
af aan het neuron dat de afgifte van andere neurotransmitters moet worden geremd.

Hersenfunctie met alcohol


Alcohol heeft effect op verschillende neurotransmittersystemen: dopamine, serotonine, opiaat, GABA
en glutamaat.
GABA remt andere zenuwcellen in hun activiteit. Alcohol zorgt ervoor dat GABA extra actief wordt,
waardoor de remmende werking op andere zenuwcellen toeneemt. Zenuwcellen die gevoelig zijn voor
GABA zijn verspreid over alle delen van de hersenen. Dit zorgt voor het ontspannen en rustige gevoel.
Wanneer er alcohol is genuttigd, bindt het zich ook vast aan de GABA receptor, maar wel op een andere
plaats dan de GABA zelf. Wanneer GABA en alcohol tegelijkertijd gebonden zijn aan de receptor, blijft
GABA langer gebonden en wordt er dus gedurende een langere tijd een remmende boodschap
afgegeven aan het ontvangende neuron. Daarnaast zorgt alcohol er ook voor dat GABA zich vaker bindt
aan de receptor, waardoor er meer informatieoverdrachten worden gegeven, die de al versterkte
remmende werking extra versterkt.
Glutamaat activeert andere zenuwcellen. Alcohol zorgt ervoor dat glutamaat minder actief wordt,
waardoor de stimulans op andere neuronen af neemt. Zenuwcellen waarvan de informatieoverdracht
door glutamaat wordt benvloedt, bevinden zich voornamelijk in de hippocampus. In dit gebied worden
deze zenuwcellen vooral geremd (geheugen en leervermogen).
De werking van glutamaat is hetzelfde als hoe GABA zich bindt. Het enige verschil is dat glutamaat een
stimulerende werking heeft.
Wanneer er alcohol is genuttigd, bindt het zich ook vast aan de receptor van glutamaat. Maar de
alcohol zorgt ervoor dat de vorm van de receptor verandert, zodat glutamaat zich niet meer kan binden
hieraan. Op deze manier wordt er geen signaal meer afgegeven aan het ontvangende neuron en is er
geen stimulans. Dit is dan ook de reden waarom de hippocampus en dus het korte termijn geheugen
en beoordelingsvermogen niet optimaal functioneren.

76 | P a g e

Alcoholverslaving
Wat houdt een alcoholverslaving in?
Een alcoholverslaving betreft een geleidelijk proces van jarenlang alcohol nuttigen.
Juist, omdat alcohol legaal, gemakkelijk verkrijgbaar is en maatschappelijk is geaccepteerd, is de
grens tussen normaal gedrag en problematisch drinken moeilijk te zien.
Er wordt gesproken van een alcoholverslaving wanneer een persoon lichamelijk- en geestelijk
afhankelijk is van alcohol.
Wanneer er sprake is van lichamelijke afhankelijkheid, treden er ontwenningsverschijnselen op bij
het onthouden van alcohol.
Lichamelijke afhankelijkheid gaat na een bepaalde periode over tot tolerantie. Hiermee wordt
bedoeld dat de hoeveelheid alcohol die wordt genuttigd meer wordt, om hetzelfde effect te kunnen
bereiken, de roes van de alcohol.
Hierdoor denken zware drinkers vaak dat ze goed tegen alcohol kunnen, maar het reactievermogen
gaat nog steeds even hard achteruit.
Wanneer er sprake is van geestelijke afhankelijkheid heeft de persoon in kwestie het gevoel niet
zonder alcohol te kunnen, waardoor diegene de controle kwijt is over het alcoholgebruik.

Criteria DSM
De DSM-IV onderscheidt een verslaving aan alcohol in afhankelijkheid van een middel (in dit geval
alcohol) en in misbruik van een middel (in dit geval ook alcohol).
De DSM-IV omschrijft de criteria voor de diagnose afhankelijkheid van een middel als volgt:
Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden
veroorzaakt zoals blijkt uit drie [of meer] van de volgende criteria die zich op een willekeurig moment
in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen:

Tolerantie, zoals gedefinieerd door ten minste n van de volgende criteria:

- een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden van het middel om een intoxicatie of de
gewenste werking te bereiken.
- een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel.

Onthouding, zoals blijkt uit ten minste n van de volgende criteria:

- het voor het middel karakteristieke onthoudingssyndroom.


- hetzelfde [of een nauw hiermee verwant] middel wordt gebruikt om onthoudingsverschijnselen te
verlichten of te vermijden.

het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende een langere tijd gebruikt dan
het plan was.

er bestaat de aanhoudende wens of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik van
het middel te verminderen of in de hand te houden.
Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten, nodig om aan het middel te komen [bv.
verschillende artsen bezoeken of grote afstanden afleggen], het gebruik van het middel [bv.
kettingroken], of aan het herstel van de effecten ervan.

77 | P a g e

Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of


verminderd vanwege het gebruik van het middel.

Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een
hardnekkig of terugkerend sociaal, psychisch of lichamelijk probleem is dat waarschijnlijk
veroorzaakt of verergerd wordt door het middel [bv. actueel cocanegebruik ondanks het
besef dat een depressie door cocane veroorzaakt wordt of doorgaan met drinken van
alcohol ondanks het besef dat een maagzweer verergerde door het alcoholgebruik]

In de DSM-IV wordt misbruik van een middel als volgt omschreven:


A. Een patroon van het onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden
veroorzaakt, zoals in een periode van twaalf maanden blijkt uit ten minste n [of meer) van de
volgende criteria:

Herhaaldelijk gebruik van het middel met als gevolg dat het niet meer lukt om in belangrijke
mate te voldoen aan verplichtingen op het werk, school of thuis [bv. herhaaldelijk absent of
slecht werk afleveren in samenhang met het gebruik van het middel; met het middel
samenhangende absentie, schorsing of verwijdering van school; verwaarlozing van kinderen
of het huishouden].

Herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is [bv. autorijden
of bedienen van een machine als men onder invloed van het middel is].

Herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met justitie [bv.
aanhouding wegens verstoring van de openbare orde in samenhang met het middel].

Voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op


sociaal of intermenselijk terrein veroorzaakt of verergert door de effecten van het middel
[bv. ruzie met de echtgenoot over de gevolgen van de intoxicatie, vechtpartijen].

B. De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria van afhankelijkheid van een middel uit
deze groep middelen.

78 | P a g e

DSM V
Volgens de DSM V heeft een persoon een alcoholverslaving wanneer er een onaangepast patroon
van middelengebruik leidt tot significante beperkingen, zoals blijkt bij twee of meer van de volgende
criteria, die optreden binnen een periode van 12 maanden:
- Recidiverende middelengebruik resulteert in het falen van verplichtingen of grote rollen op het
werk, school of thuis
2. Terugkerende middelengebruik in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is
3. Continu middelengebruik ondanks aanhoudende of terugkerende sociale of interpersoonlijke
problemen die zijn veroorzaakt of verergerd door de effecten van het middel
4. Tolerantie, zoals gedefinieerd door een van de volgende:
A. behoefte aan aanzienlijk grotere hoeveelheden van het middel om intoxicatie of het gewenste
effect te bereiken
B. aanzienlijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel
5. Onthouding, zoals blijkt uit een van de volgende
A. de karakteristieke ontwenningsverschijnselen voor het middel
B. Hetzelfde of een nauw verwante middel wordt ingenomen om de ontwenningsverschijnselen te
verlichten of te voorkomen
6. De stof wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende een langere periode genomen dan dat
de bedoeling was
7. Er is een blijvende wens of zijn mislukte pogingen om te minderen of het middelengebruik te
stoppen
8. Een groot gedeelte van de tijd wordt besteed aan activiteiten die nodig zijn om het middel te
verkrijgen, te nuttigen of om van de effecten van het middelen te herstellen
9. Belangrijke sociale, beroepsmatige of recreatieve activiteiten worden opgegeven of verminderd
vanwege het gebruik van het middel
10. het middelengebruik wordt voortgezet, ondanks de kennis van het hebben van aanhoudende of
terugkerende lichamelijke of psychische problemen die waarschijnlijk zijn veroorzaakt of verergerd
door het middel
11. Verlangen of drang om een bepaald middel te gebruiken

79 | P a g e

Oorzaken alcoholverslaving
Volgens Brink (2005.), moet er een onderscheid worden gemaakt tussen risicofactoren voor de start
van het gebruik van het middel en de risicofactoren en causale processen die van belang zijn bij het
ontstaan en voortduren van afhankelijkheid of misbruik van dit middel. Brink, 2005., geeft aan dat de
beschikbaarheid en de maatschappelijke status van het middel belangrijke risicofactoren zijn.
Daarnaast is de persoonlijkheid van de zorgvrager, de heersende jeugdcultuur en het gebruik van
middelen door leeftijdsgenoten van belang. Bij de overgang van recreatief gebruik naar misbruik en
afhankelijkheid wordt steeds vaker een onderverdeling gemaakt in vier fasen: de initiatie, continuering,
onthouding en terugval. In 2005 werd verslaving gezien als een chronisch recidiverende hersenziekte
(Brink, 2005).

Wat zijn de gevolgen van een alcoholverslaving?


Als gevolg van een alcoholverslaving kunnen zeer grote problemen ontstaan op verschillende
gebieden, zoals op maatschappelijk of financieel gebied, naast de gezondheid.
Chronische alcoholgebruik gaat meestal ook ten koste van gezonde voeding, rust en hygine, wat een
overvloed aan indirecte gevolgen heeft.
Alcoholgebruik kan leiden tot het volgende:
Hersenbeschadiging
(slechter geheugen, trager denken, minder aanpassingsvermogen, Wernicke, syndroom van
Korsakov)
Leverproblemen
(Vervetting, ontsteking, levercirrose)
Maagproblemen
(Maagpijn, overgeven, maagvliesontsteking, maagzweer)
Hart- en vaatziekten
(Hoge tensie, hartritmestoornissen, tia, beroerte)
Verhoogd risico op kanker
(van de mond en keelholte, strottenhoofd en slokdarm, borstkanker, lever en darm kanker)
Syndroom van Wernicke: Neurologische aandoening, die acuut ontstaat en het gevolg is van een
jarenlange te hoge alcoholconsumptie en slechte voeding (een absoluut tekort aan Vitamine B1). De
clint is verward, suf, heeft last van oogbewegings- en loopstoornissen en ontregeling van lichamelijke
processen, waardoor bewustzijnsdaling en coma kan optreden. Het bewustzijn van de clint is zo
verlaagd, dat hij of zij niet in staat is om te reageren op een gesprek of onverwachte gebeurtenis. De
clint reageert vanuit het langetermijngeheugen. Het korte termijngeheugen lijkt de informatie niet
door te geven naar het langetermijngeheugen. Bij de behandeling van Wernicke wordt onmiddellijk
vitamine B1 toegediend i.v.m. mogelijk herstel.
Syndroom van Korsakov: Het is een aandoening, waarbij een gedeelte van de hersenen is beschadigd,
door een gebrek aan vitamine B1. Het deel van het geheugen, waar herinneringen en ervaringen zijn
opgeslagen (autobiografisch geheugen), is voornamelijk aangetast. Daarnaast is het semantisch
geheugen, het gedeelte van het geheugen die betekenissen, begrippen en feiten bevat, ook aangetast.
Het impliciete geheugen (vaardigheden en handelingen) is niet aangetast.
Leververvetting: Als er vaak gedronken wordt gaat de verwerking van alcohol ten koste van de
verbranding van vet. Het vet wordt dan opgeslagen en dit leidt tot leververvetting. De lever voelt dan

80 | P a g e

dikker. Een vette lever scheurt makkelijker. Als de clint blijft doordrinken wordt het risico op
levercirrose verhoogt.
Leverontsteking: Ook wel hepatitis genoemd. Er zijn verschillende vormen van hepatitis met
verschillende oorzaken. A wordt veroorzaakt door een virus en kan overgedragen worden via besmet
voedsel of drinkwater. Hep. A. geneest vanzelf. Hep. B. wordt veroorzaakt door een virus via onveilige
seks en bloed-bloedcontact. Hep. B. geneest meestal vanzelf, maar na 6 weken behoeft het lichaam
hulp van medicatie. Hep. C. lijkt op hep. B., maar leidt in de meeste gevallen tot een chronische
leverontsteking. Besmetting van dit virus is via bloedcontact. Deze vorm van hepatitis geneest niet
vanzelf. Behandeling (bestaande uit medicatie en injecties) duurt een half jaar tot een jaar.
Er zijn nog meer vormen van hepatitis, maar deze drie zijn de bekendste.
Levercirrose: Leverweefsel is zodanig beschadigd dat het zich niet meer kan herstellen. Levercellen
raakten ontstoken en stierven af. De gestorven levercellen werden vervangen door littekenweefsel.
Hoe meer littekenweefsel hoe minder de lever kan functioneren. Gezonde levercellen gaan zich zoveel
mogelijk delen ter compensatie. Stadium A, de beginfase is nog omkeerbaar. Littekenvorming wordt
minder, door de behandeling of wegneming van de achterliggende oorzaak. Stadium B en C zijn beide
onomkeerbaar. In een vergevorderd stadium is de enige mogelijke behandeling met doel tot genezing
een levertransplantatie.
Maagvliesontsteking (Gastritis): Een ontsteking van het maagslijmvlies. Dit is de slijmvlieslaag die de
binnenkant van de maag bekleedt. Hierin bevinden zich klierbuizen die zijn betrokken bij de productie
van maagsap (die een rol speelt bij de spijsvertering). Daarnaast fungeert het maagslijmvlies als
bescherming tegen agressief zoutzuur, wat zich in de maagsap bevindt.
Maagzweer: Een gat die is ontstaan in de maagslijmvlies of het slijmvlies van de dunne darm. Het zure
en agressieve maagsap komt dan in contact met de zenuwen in de wand van deze organen.
Hartritmestoornissen: Stoornis in het hartritme, waarbij het hart te snel, te langzaam of onregelmatig
slaat, doordat er iets mis is met de vorming van de elektrische prikkel of met de geleiding van die
prikkel. Het hart trekt 60 tot 70 keer samen bij een volwassene in rust. Tijdens inspanning kan dit
oplopen tot 180 keer peer minuut.
TIA: Transient Ischemic Attack, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen,
veroorzaakt door slagaderverkalking of hartritmestoornissen. Kan een voorbode zijn van een
herseninfarct met blijvende gevolgen. Wanneer een bloedvat tijdelijk wordt afgesloten, ontstaan er
uitvalsverschijnselen. Meestal verdwijnen deze binnen 20 minuten en een enkele keer duren ze wat
langer, maar ze zijn uiterlijk binnen 24 uur verdwenen.

81 | P a g e

Beroerte/CVA: Cerebro Vasculair Accident; betreft een hersenbloeding of herseninfarct. Een


herseninfarct komt het meeste voor. Vanwege trombose (dichtgeslibde ader) of embolie (bloedstolsel
die een hersenslagader verstopt), krijgt een deel van de hersenen te weinig bloed, waardoor
hersenweefsel afsterft.
Zwangere vrouwen wordt aangeraden om niet alcohol te nuttigen tijdens de zwangerschap. Het risico
op leer- en concentratieproblemen wordt vergroot, wanneer de moeder minder dan n glas alcohol
per dag drinkt. Bij twee tot zes glazen heeft het kind op latere leeftijd zelf meer kans op
alcoholproblemen. Bij meer dan zes glazen kan de baby het Foetaal Alcohol Syndroom ontwikkelen,
waarbij ernstige neurologische problemen kunnen optreden.
FAS is een stoornis, die wordt gekenmerkt door abnormale gezichtskenmerken, groeiproblemen en
problemen met het centrale zenuwstelsel. Het is een levenslang ziektebeeld die nooit over gaat.
Mensen met FAS kunnen problemen hebben met leren en studeren, met hun geheugen,
spanningsboog, communicatie, hun zich of hun gehoor of en combinatie van al deze problemen.
Tot het 24ste levensjaar is de breinontwikkeling voltooid en zijn de prefrontale cortex en de
hippocampus af. Voor dit jaar zijn deze hersengebieden zeer gevoelig voor de invloed van drugs en
alcohol.
Alcohol is bij volwassenen ook nog schadelijk en bovendien vernietigt het hersencellen. Bij zware
drinkers kan het volume van de hersenen afnemen met 10 tot 15%. De frontale cortex, hippocampus
en het cerebellum kunnen door langdurig gebruik schade oplopen.
Ouderen houden minder vocht in hun lichaam vast, wat inhoudt dat wanneer ze alcohol nuttigen, ze
sneller onder invloed raken, omdat ze de alcohol niet kunnen verdunnen. Daarnaast werken de nieren
en lever minder goed en is de weerstand lager, waardoor er sneller schade aan het lichaam wordt
gebracht.
Kater
Alcohol stimuleert de nieren tot meer vochtafscheiding. Dit kan de hersenvloeistof benadelen,
waardoor de hersenen gevoelig worden voor beweging, doordat de hoeveelheid hersenvloeistof is
verminderd door de alcohol. Wanneer alcohol wordt afgebroken door de lever, ontstaat de giftige stof
acetaldehyde. Acetaldehyde zorgt voor het misselijke gevoel en draagt bij aan de hoofdpijn. Deze stof
moet ook afgebroken worden. Daarnaast spelen foezelalcoholen, die ontstaan bij de bereiding van
alcohol, giftig zijn en langzamer worden afgebroken dan de alcohol zelf, ook een rol bij het katereffect.

82 | P a g e

Alcoholintoxicatie
Bij een alcoholintoxicatie wordt de concentratie alcohol in het bloed zodanig hoog, dat diegene
bewusteloos en in coma kan raken. Bij jongeren is dit mogelijk vanaf een promillage van 1.7 en bij
volwassen ervaren drinkers bij een promillage van 4. Bij een promille van 5 raakt een volwassene in
coma.
Alcohol kan het zenuwstelsel zodanig verdoven dat het ademhalingscentra verlamd kan raken, wat
dodelijk kan zijn. Er zijn verschillende factoren die bijdragen bij het ontstaan van een
alcoholvergiftiging:
- Gewicht
- Ervaring met drank
- Geslacht
- Hersenvolume
Vrouwen krijgen sneller een hoger promillage, doordat zij minder lichaamsvocht hebben dan
mannen.
Onthoudingsverschijnselen
Het lichaam krijgt onthoudingsverschijnselen, wanneer er na een lange periode alcohol genuttigd
wordt, de persoon in kwestie stopt met het nuttigen van alcohol (abstinentie). In de loop der tijd
hebben de organen en het centrale zenuwstelsel zich leren verdedigen tegen de giftige stoffen van
alcohol, waardoor het lichaam tijd nodig heeft om van dit abnormale patroon, weer een normaal
gedragspatroon te maken. Onthoudingsverschijnselen is per individu verschillend, maar vaak heeft
men last van de volgende verschijnselen:
- Trillingen
- Misselijkheid
- Braakneigingen
- Overmatig zweten
- Verhoogde bloeddruk
- Verhoogde pols
- Vermoeid gevoel
- Slapeloosheid
- Onrust
- Achterdocht

83 | P a g e

De mate waarin een persoon last heeft van onthoudingsverschijnselen, ligt aan de hoeveelheid en de
tijdsperiode waarin de persoon alcohol heeft genuttigd. Het lichamelijke ontgiften van alcohol kan tot
11 dagen duren, waarvan de eerste dagen het hevigst worden ervaren. Sombere gevoelens en
slapeloosheid kunnen echter nog weken aanhouden.
Tijdens de detox (ontgifting) bestaat er een kans op insult of delirium tremens. Vaak is er ook een
tekort aan vitamine B1 door het drinken van alcohol, waardoor vermoeidheid, zenuwontstekingen en
spierverlammingen ontstaan.
Binnen 6-12 uur na het stoppen van drinken kan angst, opwinding, slapeloosheid, transpireren,
misselijkheid, braken, trillen, tachycardie, hypertensie en koorts optreden. Binnen 48 72 uur, kunnen
er epileptische insulten, visuele hallucinaties, delirium tremens, desorintatie, slaapstoornissen en/of
geheugenstoornissen optreden (Clijsen M. , Garenfeld, Kuipers, Loenen, & Piere, 2008).
Epileptische insulten
Alcoholonthoudingsinsulten doen zich meestal voor tijdens de eerste 10 tot 36 uur na het stoppen met
drinken. De kans op zon insult is groter wanneer voor een langere periode alcohol is gecombineerd
met kalmeringsmiddelen, wanneer de persoon voordien reeds epilepsie had of wanneer de persoon
voordien een hersentrauma heeft opgelopen. Wanneer de persoon al last had van epilepsie, dan moet
de neuroloog geraadpleegd worden, omdat sommige anti-epileptische middelen zeer giftig kunnen
zijn in combinatie met alcohol. Wanneer een persoon last krijgt van een epileptisch insult wegens
alcohol onthouding, dient er direct 10 mg diazepam rectaal toegediend te worden, gevolgd door
driemaal daags 10 mg diazepam of librium, die binnen een week wordt afgebouwd.
Delirium tremens
Een delirium tremens manifesteert zich 24 tot 72 uur na het laatste alcoholgebruik. Zon delirium kan
enkele dag aanhouden en dodelijk zijn. Medisch ingrijpen is noodzakelijk.
Een delirium tremens is een acute verwardheidstoestand met verlaagd bewustzijn, desorintatie in
tijd en ruimte en episodes van overactiviteit, waarbij de armen, tong en het hele lichaam beven. Hierbij
kunnen zich zeer levendige hallucinaties voordoen. Daarnaast is er sprake van overvloedig zweten,
hardnekkige slaapstoornissen, hevige angsten, koorts, hartkloppingen en uitdrogingsverschijnselen.
Na afloop van het delirium valt de persoon in een diepe slaap en herinnert zich niets van het delirium
tremens bij opstaan.
Er gaan diverse symptomen aan vooraf:
- Koortsaanvallen
- Versnelde hartslag
- Bewustzijnsdaling (tot coma toe)
- Verwardheid
- Hallucinaties
Als behandeling worden benzodiazepines aangeraden.

81 | P a g e

Oorzaak ontwenning/onthouding
Wanneer een clint die verslaafd is aan alcohol, stopt met het nuttigen ervan treden er
ontwenningsverschijnselen op, zoals slapeloosheid, rusteloosheid, transpireren, angstgevoelens en
depressie.
Dit wordt veroorzaakt doordat de samenstelling van de GABA receptor is veranderd, wat de
effectiviteit heeft verminderd van GABA in vergelijking met voor de verslaving en door het gebrek aan
alcohol bindt GABA zich kort aan de receptor, waardoor er minder remmende informatieoverdrachten
worden doorgegeven en er overprikkeling ontstaat. Daarnaast blokkeert de alcohol het glutamaat niet
meer. Het neuron wordt overgestimuleerd, doordat er meer receptoren zijn gemaakt, die ook nog is
gevoeliger zijn geworden voor glutamaat, die zich nu wel kan binden.

Waarom wordt je vrolijk van alcohol?


Alcohol benvloedt tevens het serotonine neurotransmitter systeem in de hersenen. Het stimuleert dit
systeem om meer serotonine af te geven, waardoor er een gelukzalig gevoel en gevoel van
gebondenheid ontstaat.
Naast de benvloeding van het serotonine neurotransmitter systeem, wordt het dopamine
neurotransmittersysteem gestimuleerd. Er ontstaat een overschot aan dopamine in het
beloningscentrum, die zorgt voor een plezierig en euforisch gevoel. Bij langdurig alcoholgebruik,
passen de hersenen zich aan door minder gevoelig te worden voor dopamine. Wanneer er geen alcohol
genuttigd wordt, is er te weinig dopamine in de hersenen en ontstaan er depressieve gevoelens.

Redenen waarom een persoon drinkt


Er zijn diverse redenen/aanleidingen waarom een persoon alcohol drinkt. De bekendste reden is,
omdat het lekker is of men niet uit de boot wilt vallen. Alcohol nuttigen kan ook gebruikt worden om
problemen of stress te vergeten.
Er zijn verschillende misvattingen voor het gebruik van alcohol:
- Alcohol is een dorstlesser
--> Alcohol zorgt ervoor dat de nieren extra vocht uitscheiden, waardoor het lichaam meer
vocht behoeft, om uitdroging te voorkomen
- Alcohol nuttigen verhoogt de gezelligheid
--> Gezelligheid wordt bepaald door mensen zelf en niet door de alcohol
- Alcohol helpt bij het verwerken van problemen
--> Het lijkt door middel van het nuttigen van alcohol problemen gemakkelijker van je af te
kunnen zetten. Dit effect is echter tijdelijk, omdat de oorzaak van het probleem niet wordt
aangepakt.

82 | P a g e

Alcohol als zelfmedicatie


Alcohol kan gebruikt worden als inslaapmiddel. In dit geval wordt er dan gesproken over alcohol als
zelfmedicatie. Het nadeel van alcohol nuttigen als inslaapmiddel, is dat er tolerantie optreedt en er
dus
steeds
meer
alcohol
nodig
is
om
hetzelfde
effect
te
bereiken.
Het is ook mogelijk om alcohol te nuttigen, wanneer er sprake is van een depressie, om zo de
depressieve gevoelens te onderdrukken. Het geeft het gevoel problemen gemakkelijker van je af te
zetten en het lijkt alsof je het minder voelt.
Alcohol en angst
Angst kan soms zo overheersend worden, dat alcohol een (tijdelijke) oplossing lijkt. Op langer termijn
lost het niets op en werkt het juist destabiliserend, waardoor de angst juist weer toeneemt.
Alcohol en depressie
Alcohol lijkt depressieve gevoelens te onderdrukken, doordat je problemen gemakkelijker van je af kan
zetten en ze minder lijkt te voelen. Dit effect is echter tijdelijk en op langer termijn zal de alcohol zelfs
de depressieve gevoelens versterken en zelfs uitlokken.
Alcohol en diabetes
Alcohol verlaagt de bloedsuikerspiegel, waardoor een hypoglycemie kan ontstaan. Aan de andere kant
bevatten sommige alcoholische drankjes (bijv. likeuren) erg veel suiker, waardoor er een
hyperglycemie kan ontstaan. In deze beide gevallen raakt het suikergehalte door alcohol ontregeld.
Daarnaast kan alcohol het effect/werking van medicatie die bij diabetes melitus type II wordt gebruikt,
verlengen, wat het moeilijker maakt om de persoon op de juiste hoeveelheid medicatie in te stellen.

Behandeling
Zorgvragers doorlopen tijdens iedere behandeling, een proces van herstel, waarbij een aantal
doelstelling, die worden samengevat als de vier Rs, centraal staat. Deze samenvatting bestaat uit
remoralisatie, remediatie, rehabilitatie en recovery.
Remoralisatie
De focus in de behandeling van een zorgvrager die afhankelijk is of misbruik maakt van een middel, ligt
op het subjectief welbevinden van de zorgvrager. Zorgvragers hebben hoop nodig, om hun
behandeling te kunnen starten.
Remediatie
De behandeling zet voort en richt zich in deze doelstelling op de vermindering van symptomatische
stress, bijvoorbeeld door de interventie motiverende gespreksvoering.
Rehabilitatie
De behandeling richt zich in deze doelstelling op de verbetering van het functioneren op meerdere
levensgebieden.

83 | P a g e

Recovery
Vanuit het perspectief van de zorgvrager staat het zelfstandig kunnen leven van de zorgvrager centraal.
Er zijn verschillende behandelingsmethoden beschikbaar, die hun effectiviteit hebben bewezen door
onderzoek en kenmerkend zijn voor de verslavingszorg.
Een van deze behandelmethoden is cognitieve gedragstherapie. CGT is een therapie, waarbij er wordt
uitgegaan dat de gedachten van de zorgvrager de gevoelens en het gedrag benvloeden. CTG bestaat
uit uiteenlopende cognitieve en gedragsmatige interventies, zoals zelfcontroletechnieken,
terugvalpreventie en sociale vaardigheidstrainingen. In CGT wordt gebruik gemaakt van een
functieanalyse, waarbij de functie van het gebruik van het middel door een zorgvrager samen met de
hulpverlener wordt geanalyseerd (Clijsen M. , Garenfeld, Kuipers, Loenen, & Piere, 2008).
Een andere behandelingsmethode is farmacotherapie. Deze behandeling is gericht op medicatie en
omvat:
- Onderhoudsbehandeling met vervangende medicijnen (agonisten)
- Detoxificatie
- Het voorkomen van terugvallen in hernieuwd gebruik van het middel
Agonisten zijn stoffen die de werking van een bepaalde lichaamsstof nabootsen door stimulatie van
dezelfde receptoren, zoals methadon. Methadon vervangt de illegale opiaat herone.
Bij detoxificatie, ontgifting, zijn de medicijnen erop gericht de onthoudingsverschijnselen van het
middel te beperken. Naast deze medicatie is er ook medicatie die kan ondersteunen bij de craving naar
een middel en de verleiding om het middel te gebruiken. Bij Naltrexon, Campral en Disulfiram wordt,
de afbraak van acetaldehyde geremd, waardoor de zorgvrager zich ziek gaat voelen op het moment
dat hij alcohol nuttigd. Tot op heden zijn er nog niet voor elk middel medicijnen ontwikkeld voor bij
detoxificatie en terugvalpreventie, zoals cocaneverslaving (Clijsen M. , Garenfeld, Kuipers, Loenen, &
Piere, 2008).

Fasen van verslavingsbehandeling


- Voorfase
In deze fase zorgt de hulpverlener voor dat de zorgvrager gaat twijfelen aan zijn gewoontes die
verbonden zijn met het middelengebruik. De hulpverlener benvloed het balans en versterkt het
zelfvertrouwen van de zorgvrager. Het actiemoment wordt bepaald en voorbereid.
- Detoxfase
- De eerste periode na detox (klinisch)
In de detoxfase en de eerste periode hierna, adviseert en begeleid de hulpverlener de
gedragsverandering.
- De tweede periode, bestaande uit reactivering en resocialisatie
In deze fase wordt er gewerkt aan terugvalpreventie
- De derde periode van begeleid zelfstandig wonen waarin de nadruk ligt op het vinden en behouden
van goede vrienden en activiteiten
De hulpverlener stelt de zorgvrager gerust, inventariseert en vernieuwt afspraken
(Korevaar & Dres, 2011)

84 | P a g e

Detoxificatie
- De zorgverlener observeert de onthoudingsverschijnselen met behulp van een objectieve en een
subjectieve onthoudingsschaal
- Zorgverlener geeft voorlichting aan de zorgvrager en zijn omgeving over het proces van
detoxificatie als de zorgvrager hiertoe in staat is
- De zorgverlener motiveert m.b.v. motiverende gesprekstechnieken de zorgvrager voor verdere
behandeling
(Clijsen M. , Garenfeld, Kuipers, Loenen, & Piere, 2008)
Terugvalpreventie
Terugvalpreventie begint bij het eerste gesprek over minderen of stoppen (in dit geval, wanneer de
clint wordt opgenomen in de Bouman kliniek). Terugval is een onderdeel dat uitmaakt van het proces
van het terugdringen van afhankelijkheid. Dit houdt in dat het een leermoment is. Clint, arts en
zorgverleners moeten hierbij inzicht verkrijgen in de processen die hierbij een rol spelen.
Essentieel is het vergroten van self-efficiency. Dit houdt in het vertrouwen in staat te zijn de gewenste
veranderingen te verwezenlijken en het bekrachtigen van stappen in de richting van het behandeldoel
(GVO).
Definitie terugval en terugvalpreventie
Terugkeer voor een langere periode naar het eerdere niveau van het middelengebruik volgend op een
poging om het gebruik te stoppen of te reduceren.
Met terugvalpreventie wordt het volgende bedoeld:
- Alle behandelingen met als doel om na een sterk verminderd gebruik of het behalen van abstinentie
de kans op terugval te voorkomen
- Cognitieve training met nadruk op het opsporen, uitdagen en herformuleren van irrationele en
disfunctionele gedachten
- De terugvalpreventiemethode gebaseerd op cognitief gedragstherapeutische principes, beschreven
door Marlatt en Gordon (1985), die hoog-risicosituaties voor terugval identificeert en koppelt
cognitieve technieken aan gedragsmatige interventies.
Terugval is elke stap in de richting van een terugkeer naar het oorspronkelijke gedrag. Het wordt ook
gezien als een overtreding van een door de clint zelf gestelde regel (abstinentieregel). Er wordt
onderscheid gemaakt tussen een relapse en lapse. Een relapse houdt volledige herval in en dus
terugkeer naar de oorspronkelijke frequentie en hoeveelheden, waartegen lapse een eenmalig of
kortstondig gebruik inhoudt.

85 | P a g e

Het ontstaan van een terugval


Een terugval ontstaat niet zomaar uit het niets, maar er zijn diverse stappen in de richting van de
terugval gezet. Elke terugval wordt voorafgegaan door een volledig proces van gedachten en/of
gedrag: de terugvalketen. Terugvalpreventie helpt de clint om de zelfcontrole over dit proces te
vergroten.
Blootstelling aan risicosituaties staan centraal in het proces van terugval. Met risicosituaties worden
situaties bedoeld die bedreigend zijn voor het handhaven van persoonlijke controle. Elke risicosituatie
is individueel bepaald, maar uit onderzoek blijkt dat er algemene factoren zijn die het optreden van
zon risicosituatie doen vergroten.
Deze factoren kunnen onderverdeeld worden in de volgende categorien:
- Intrapersoonlijke factoren
Positieve en negatieve emotionele toestanden
- Interpersoonlijke factoren
Conflictsituaties en sociale druk
- Cognitieve factoren
Schijnbaar irrelevante gedachten, zoals ntje kan geen kwaad
- Levensstijlfactoren
Een onevenwicht tussen moeten en willen wat op den dur stress met zich meebrengt, zodanig dat
een kleine hoeveelheid voldoende is om de emmer te doen overlopen.
Doelen van terugvalpreventie
- Anticiperen op terugval
- Effectief omgaan met terugval om
Negatieve gevolgen te beperken
Te leren van de terugval
De gezondheidsrisicos te beperken en het creren van een stabiel leefpatroon
Interventies gericht op terugvalpreventie
- Psycho-educatie of GVO
Om zo ziekte-inzicht, ziektebesef en kennis te vergroten wat kan leiden tot gedragsverandering.
- Zoek voor goede copingsmechanismen met de zorgvrager als alternatieven voor middelengebruik
- Zelfregistratie (inventarisatie van risicosituaties)
De clint schrijft dagelijks op hoe hij zich voelt, welke gedachten hij heeft, waar en met wie
hij was, of er sprake was van craving en of het middel werd gebruikt (waar, hoeveel en met wie). Er
ontstaat zo een eenvoudige functieanalyse waarmee op deze manier risicosituaties in kaart kunnen
worden gebracht die leiden tot gebruik.
- Noodplan
De clint stelt samen met de zorgverlener een noodplan op, waarin concreet is afgesproken welke
interventies een clint kan ondernemen bij terugval.
- Nee leren zeggen
Clinten kunnen (volgens onderzoek) moeilijk omgaan met de sociale druk, wanneer er middelen
worden aangeboden.

86 | P a g e

Dubbele diagnose
Wat is een dubbele diagnose?
De combinatie van verslaving en een psychiatrische aandoening wordt dubbele diagnose genoemd. Dit
vereist een specifieke, gentegreerde behandelaanpak, uitgevoerd door een multidisciplinair team.
Een zorgvrager met een dubbele diagnose heeft gelijktijdig last van misbruik en/of afhankelijkheid van
een middel en een psychiatrische stoornis. Hierbij zijn allerlei verschillende combinaties mogelijk
tussen middelen en psychiatrische stoornissen. Doordat de comorbiditeit tussen beide stoornissen
groot is, is afzonderlijke behandeling meestal niet doeltreffend (LEDD, 2012).
Het tijdig herkennen en beoordelen van zowel middelengebruik als een psychiatrische aandoening is
van essentieel belang voor het slagen van de behandeling. Een vroege en betrouwbare signalering van
het middelengebruik en de psychiatrische aandoening en de daarop adequate beoordeling van de
ernst van de problematiek waren de uitgangspunten bij het opstellen van methodieken voor screening
en assessment bij dubbele diagnoseproblematiek (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire
Richtlijnontwikkeling , 2008).

Frequentie dubbele diagnose


In Nederland heeft naar schatting tussen de 20 en 50% van de zorgvragers in de GGZ te maken met
verslavingsproblematiek. 60 tot 80% van de zorgvragers in de verslavingszorg heeft ook andere
psychische aandoeningen. In het bevolkingsonderzoek van Nemesis had 19% van de Nederlandse
bevolking ooit te maken gehad met middelenafhankelijkheid of misbruik. Onder de mensen met een
ernstige psychische stoornis was dat 41% (LEDD, 2012).

Het ontstaan van een dubbele diagnose


Er werd lange tijd gezegd dat middelengebruik een vorm van zelfmedicatie is. Middelen werden
gebruikt om de psychiatrische symptomen of de bijwerkingen van de medicatie te onderdrukken. Wat
echter nog niet duidelijk was, was dat het gebruik van middelen psychiatrische stoornissen of
symptomen kon uitlokken.
Uit de praktijk is gebleken dat het erg moeilijk is om de relatie tussen het middelengebruik en de
psychiatrische problematiek te ontwarren, waardoor het bijna onmogelijk wordt om n van de twee
aandoeningen als oorzaak van de ander te doen aanwijzen. Dit is de reden waarom er dan ook
gesproken wordt over comorbiditeit in plaats van oorzaak en gevolg te achterhalen (LEDD, 2012).

De gevolgen van een dubbele diagnose


De meeste zorgvragers met een dubbele diagnose hebben veel ernstige problemen op diverse
levensgebieden.

Ze vallen eerder terug in gebruik of psychiatrische symptomen


Ze worden meer opgenomen in klinische settings
Ze zijn minder therapietrouw
Ze zijn vaker dakloos, depressief, sucidaal en agressief
Ze hebben sociale problemen
Ze hebben meer chronische, maatschappelijke moeilijkheden, zoals werkloosheid (LEDD,
2012)

87 | P a g e

Zorgvragers met een dubbele diagnose hebben vaak gebrekkige huisvesting en voeding, het ontbreken
van sociale steun en justitile problematiek bemoeilijken het hulpverleningsproces. Naast deze
problematieken bestaat er vaak somatische problematiek, die wordt veroorzaakt door slechte hygine,
persoonlijke verwaarlozing en de hoge prevalentie van (seksueel) overdraagbare aandoeningen. Bij de
behandeling van deze doelgroep kan het noodzakelijk zijn om interventies op deze gebieden in te
zetten, zoals schuldhulpverlening en maatschappelijk werk.
Om de aanvullende problematiek vast te kunnen stellen bij zorgvragers met een dubbele diagnose
wordt volgens de ggz richtlijn (2008), aangeraden om bij elke zorgvrager een volledige ASI
(meetinstrument) af te nemen, waardoor er inzicht wordt verkregen in de somatische problematiek,
justitile problematiek, schulden, etc.

Behandeling
Tot voor kort krijgt de behandeling van ernstige psychische stoornissen en verslaving apart aandacht
in de GGZ, de verslavingszorg. Dit is echter niet wenselijk, omdat de psychische problemen en de
verslavingsproblematiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, comorbiditeit. In de behandeling
moet daarom aandacht zijn voor beide gebieden en voornamelijk op de onderlinge samenhang.
Daarnaast moet vermeden worden dat zorgvragers gemakkelijk heen en weer worden geschoven
tussen de GGZ en verslavingszorg.
Uit de praktijk is gebleken dat beide soorten behandelingen, los van elkaar of eerst de ene aandoening
en dan de andere, leidt tot een onvolledig en inadequaat aanbod, waarbij er vaak sprake is van heen
en weer verwijzen, uitsluiting, slechte afstemming en drop-outs van zorgvragers.
Amerikaanse, maar ook Nederlandse deskundigen, pleiten voor een gentegreerd behandelaanbod
voor dubbele diagnose zorgvragers, waarbij de behandeling van beide aandoening tegelijkertijd en
door hetzelfde team wordt begeleid en behandeld (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire
Richtlijnontwikkeling , 2008).
De Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ en het Trimbosinstituut
raden aan in hu richtlijn voor dubbele diagnose om gelijktijdig de psychopathologie en
middelenmisbruik te behandelen bij schizofrenie, borderline persoonlijkheidsstoornis en
posttraumatische stressstoornis. Sequentile behandeling, waarbij het middelenmisbruik het eerst
wordt aangepakt, wordt aangeraden bij antisociale persoonlijkheidsstoornis en bij angst en
stemmingsstoornissen.
De meeste onderzoekers staan positief tegenover het verstrekken van medicatie aan zorgvragers met
een dubbele diagnose. Hierbij wordt wel aangegeven dat hierbij voorzichtigheid moet worden
geboden, doordat sommige medicijnen verslavend kunnen zijn, zoals de benzodiazepines. Daarnaast
moet er ook een bewustzijn aanwezig zijn dat sommige medicijnen soms interacties kunnen geven met
het gebruikte middel, waardoor deze wisselwerking kan leiden tot een verminderde therapietrouw of
het ontstaan van nieuwe psychiatrische symptomen.
Bij het voorschrijven van medicatie spelen diverse psychologische factoren een rol, die kunnen leiden
tot een medicatie-afwijzende of juist medicatiezoekende houding bij de behandelaar en/of zorgvrager.
Uit de praktijk is gebleken dat zorgvragers medicatie kunnen afwijzen, omdat het innemen ervan de
aanwezigheid van de psychiatrische stoornis bevestigd. Ook is het mogelijk dat een zorgvrager
medicatie weigert, omdat hij abstinentie nastreeft.
De GGZ Richtlijn Dubbele Diagnose heeft voor de psychiatrische aandoeningen schizofrenie, bipolaire
stoornis, depressie, angststoornis en borderlinepersoonlijkheidsstoornis duidelijke aanbevelingen
gegeven ten opzichte van de behandeling in combinatie met middelenafhankelijkheid of misbruik.
88 | P a g e

Schizofrenie
Cocane: geen medicatie, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering gericht op
psychopathologie en middelenmisbruik, familietherapie
Opiaten: atypische antipsychotica, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering
gericht op psychopathologie en middelenmisbruik, familietherapie
Alcohol: clozapine, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering gericht op
psychopathologie en middelenmisbruik, familietherapie
Bipolaire stoornis
Cocane: quetiapine of lamotriginee, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering,
interpersoonlijke therapie
Opiaten: valproaat, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering, interpersoonlijke
therapie
Alcohol: valproaat ofcarbamazepine, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering,
interpersoonlijke therapie
Depressie
Cocane: fluoxetine, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering gericht op
psychopathologie en middelenmisbruik
Opiaten: fluoxetine of imipramine, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering
gericht op psychopathologie en middelenmisbruik
Alcohol:fluoxetine, desipramine, imipramine of nefazodone, cognitieve gedragstherapie met
motiverende gespreksvoering gericht op psychopathologie en middelenmisbruik
Angststoornis
Cocane: reguliere anxiolytica, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering gericht
op middelenmisbruik en in sommige gevallen op psychopathologie
Opiaten: reguliere anxiolytica, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering gericht
op middelenmisbruik en in sommige gevallen op psychopathologie
Alcohol: paroxetine of buspiron, cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering
gericht op middelenmisbruik en in sommige gevallen op psychopathologie
Persoonlijkheidsstoornis
Zowel bij cocane, opiaten en alcohol worden er geen medicijnen aanbeveeld. Er wordt bij alle drie
middelen cognitieve gedragstherapie met motiverende gespreksvoering bij anti-sociale
persoonlijkheidsstoornis aanbeveeld. Bij de borderline persoonlijkheidsstoornis wordt er dialectische
gedragstherapie aanbeveeld.

89 | P a g e

Etniciteit & vrouwelijke zorgvragers


Onderzoek heeft aangetoond dat er geen specifieke aanwijzingen zijn gevonden dat allochtone
populaties andere behoeften of uitkomsten kennen ten aanzien van de screeningsmethoden en
behandeladviezen. Daarbij moet er wel rekening mee gehouden worden dat voor het onderzoek het
beheersen van de Nederlandse taal een inclusiecriterium was.
Onderzoek heeft aangetoond dat vrouwen over het algemeen ondervertegenwoordigd zijn in de
dubbele diagnose doelgroep. Echter heeft deze groep te maken met specifieke onderwerpen. Vrouwen
lopen namelijk een groter risico dan mannen om HIV genfecteerd te raken, omdat er een grotere kans
is dat ze slachtoffer worden van seksueel en fysiek geweld, waarbij de schadelijke effecten van het
middelengebruik groter zijn. Ook komt in deze groep prostitutie veelvuldig voor. Dit geeft weer meer
kans op een posttraumatische stressstoornis. Belangrijk bij de behandeling van deze groep is om
samen te werken met groepen voor de verwerking en preventie van traumatische gebeurtenissen en
adequate kinderopvang.
In de literatuur is gevonden dat de psychiatrische problematiek bij vrouwen verschilt van die bij
mannen, doordat vrouwen vaker te maken hebben met depressies, angststoornissen en bipolaire
aandoeningen.

90 | P a g e

IDDT
Wat is IDDT?
IDDT staat voor Integrated Dual Dissorder Treatment en is een evidence-based behandelmethode
voor zorgvragers met een dubbele diagnose, met een psychiatrische aandoening en middelen
afhankelijkheid of misbruik van een middel. IDDT verbetert de kwaliteit van leven voor personen met
een psychiatrische aandoening in combinatie met een middelenafhankelijk of misbruik van een middel.
IDDT behandelt tegelijkertijd de psychiatrische aandoening en de verslaving, in plaats van eerst de ene
aandoening en vervolgens de ander (Drake, 2008).
Tot op heden vallen vele zorgvragers tussen wal en schip, die zowel een psychiatrische aandoening
hebben als lijden aan verslavingsproblematiek. Deze zorgvragers worden vaak van de GGZ naar de
verslavingszorg gewezen als vice versa. Het is daarom van belang om tegelijkertijd de psychiatrische
aandoening en de verslavingsproblematiek te behandelen (LEDD, 2012).
IDDT gaat uit van het bio-psycho-sociale model. IDDT is gedurende 20 jaar ontwikkeld en verfijnd door
het New Hampshire-Dartmouth Psychiatric Research Center in Amerika. Zorgvragers met een dubbele
diagnose hebben een grote kans op terugval, hospitalisatie, agressie, opsluiting, dakloosheid en
ernstige infecties als HIV en hepatitis.
In eerste instantie was de IDDT behandeling gebruikt voor in de ambulante zorg door het ACT-team,
maar uit recente studies is gebleken dat IDDT ook effectief is binnen een klinische setting (Van Rooijen
et al. 2007) (Schepers, 2009).

Behandelingskarakteristieken
n van de karakteristieken van IDDT is het multidisciplinaire team. Door middel van een
multidisciplinair team kan er worden behandeld op elk gebied, waarbij de zorgvrager problemen
ondervind. Zon team bestaat uit een team leider, verpleegkundige (liefst een verpleegkundige die is
gespecialiseerd in dubbele diagnose), behandelaar, woonspecialist, psychiater, maatschappelijk werk
en bewindvoering. Het multidisciplinaire team overlegt regelmatig met elkaar om zo de voortgang in
elk gebied van de zorgvrager te evalueren. Succesvolle IDDT programmas zijn op elkaar afgestemd,
betreffende de aspecten van herstel, om ervoor te zorgen dat zorgverleners en dienstverleners werken
aan hetzelfde doel op een coperatieve wijze (Drake, 2008).
Een andere karakteristiek van IDDT is de stapsgewijze interventies. Onderzoek suggereert dat
zorgvragers met co-voorkomende aandoeningen, het meeste vertrouwen krijgen door hun
vaardigheden om te herstellen of de vaardigheden die betrokken zijn bij het zelfstandig wonen te
ontwikkelen en om te voldoen aan de dagelijkse benodigdheden, door de ervaringen van succes in de
fasen van persoonlijke verandering.

91 | P a g e

In de tabel hieronder lees je de verschillende fasen van verandering volgens (Drake, 2008).
Fasen van verandering
Voorbeschouwing

Fasen van IDDT behandeling


Aangaan

Beschouwing & voorbereiding

Overtuigen

Actie

Actieve behandeling

Onderhoud

Terugvalpreventie

Klinische focus
Bouw een therapeutische
relatie op met de zorgvrager;
praktische ondersteuning voor
dagelijkse activiteiten
Help de zorgvrager om zijn
motivatie om het
middelengebruik te minderen
en om te participeren in
andere herstelgerichte
interventies
Help de gemotiveerde
zorgvrager om vaardigheden te
ontwikkelen voor het omgaan
met de symptomen van beide
aandoeningen en voor het
realiseren van de doelen
Help de zorgvrager gedurende
de rehabilitatie om abstinent
te blijven
(Drake, 2008)

Een derde karakteristiek is toegang tot uitgebreide diensten. Succesvolle IDDT programmas bieden
uitgebreide diensten aan, omdat het herstelproces plaats vindt in de context van het dagelijks wonen.
Deze services of diensten zijn beschikbaar om de behoeften van consumenten in alle fasen van de
behandeling te voorzien. Bij deze diensten moet je denken aan: casemanagement, familie diensten,
gentegreerd drugsmisbruik, medische diensten, residentile diensten en assertive community
treatment (Drake, 2008).
Een vierde karakteristiek van IDDT is de voor onbepaalde tijd diensten. Uit onderzoek is gebleken dat
de doelgroep dubbele diagnose een cirkel van terugval en herstel ervaart gedurende hun hele leven.
Onderzoek suggereert ook dat zorgvragers de hoogste kwaliteit van leven nastreven, wanneer ze
toegang hebben tot de diensten voor onbepaalde tijd. Dit is de reden waarom het IDDT model,
organisaties stimuleert om diensten te verlenen aan zorgvragers gedurende hun hele leven, zelfs
wanneer de symptomen mild en/of op dat moment niet aanwezig blijken te zijn. Het IDDT model
stimuleert ook organisaties om geen zorg meer te verlenen, wanneer de zorgvrager therapieontrouw
is en/of weer middelen gebruikt. Onderzoekt heeft aangetoond dat zulke tegenslagen kunnen
optreden als een natuurlijk onderdeel van een levenslange cyclus van terugval en herstel (Drake, 2008).
Een vijfde karakteristiek van IDDT is het gebruik maken van bemoeizorg aan zorgvragers, die zich
bezighouden met de relaties van de zorgvrager. Ze ontmoeten regelmatig met de zorgvrager en bieden
praktische hulp bij de dagelijkse behoeften en woonvaardigheden. Dit stelt de zorgverlener en de
zorgvrager in staat om een vertrouwensrelatie te ontwikkelen (Drake, 2008).

92 | P a g e

Een zesde karakteristiek is motiverende gespreksvoering. Dit is een techniek die elke hulpverlener kan
inzetten om zorgvragers te motiveren tot verandering. Door middel van motiverende gespreksvoering,
wordt de intrinsieke motivatie van de zorgvrager om te veranderen versterkt, doordat de ambivalentie
van de zorgvrager wordt onderzocht en er hiervoor naar een oplossing wordt gezocht. Motiverende
gespreksvoering omvat het volgende:
- Het uitdrukken van empathie
- Het vermijden van argumentatie
- Stimuleren van zelfvertrouwen en hoop
- Het ontwikkelen van discrepantie tussen de doelstellingen en de huidige levenswijze
- Erkennen van prestaties
(Drake, 2008) (Bartelink , 2013)
Een zevende karakteristiek is begeleiding van middelenmisbruik. Zorgvragers, wie gemotiveerd zijn om,
om te kunnen gaan met aandoening, zijn klaar om vaardigheden te ontwikkelen om symptomen in
bedwang te houden en om een leven van abstinentie na te streven. Deze begeleiding kan in een
individuele-, groep- of familiesetting plaats vinden. Zorgvragers die zich in de fasen van actieve
behandeling of terugvalpreventie bevinden krijgen deze begeleiding, die het volgende omvat:
- Technieken om emotionele signalen te identificeren en hiermee om te kunnen gaan
- Technieken om de gevolgen van gebruik te identificeren en ermee om te kunnen gaan
- Vaardigheden om alcohol of andere middelen te kunnen weigeren
- Vaardigheden om problemen op te kunnen lossen
- Technieken om hoge risicosituaties te vermijden
- Copingsstrategin en sociale vaardigheden therapie om, om te kunnen gaan met symptomen of
negatieve gevoelens die worden geassocieerd met middelengebruik (Drake, 2008).
Een achtste karakteristiek van IDDT is groepsbehandeling.
Onderzoek toont aan dat zorgvragers met dubbele diagnose betere resultaten bereiken, wanneer zij
stapsgewijze groepsbehandeling volgen, die beide aandoeningen tegelijk behandeld.
Groepsbehandeling is de ideale setting voor zorgvragers om ervaringsdeskundigen te ontwikkelen. In
groepen, delen zorgvragers hun ervaringen en leren effectieve coping strategien van elkaar (Drake,
2008).
Een negende karakteristiek is de familie psycho-educatie.
Onderzoek heeft aangetoond dat sociale ondersteuning een kritische rol speelt in het bevorderen van
verandering en in het reduceren van terugval en hospitalisatie bij mensen met een psychiatrische
aandoening. Familie psycho-educatie omvangt sociale ondersteuning. Het betrekt de familie van de
zorgvrager bij het behandelproces.
Psycho-educatie helpt zorgvragers te leren over de symptomen en effecten van psychiatrische
aandoeningen en het effect van middelengebruik, over de medicatie die wordt gebruikt in de
behandeling en de uitdagingen die de zorgvrager tegen komt. Zorgvragers leren ook over hoop,
angsten en doelen voor het dagelijks leven (Drake, 2008).

93 | P a g e

Een tiende karakteristiek is de participatie in alcohol en drug zelfhulp groepen.


Zoals eerder genoemd heeft onderzoek aangetoond dat sociale ondersteuning een belangrijke rol
speelt in terugvalpreventie voor personen met een middelenverslaving. Zelfhulp groepen zijn zeer
effectieve groepen als het gaat om sociale ondersteuning voor individuen die gemotiveerd zijn om
abstinent te worden en te blijven. Zelfhulp groepen bieden mogelijkheden aan om ervaringen te delen
en om van elkaar te leren. Het draagt bij aan een gevoel van samenhorigheid voor de zorgvragers
(Drake, 2008).
Een elfde karakteristiek van IDDT is de farmaceutische behandeling.
Onderzoek toont aan dat antipsychotica, stemmingsstabilisatoren en antidepressiva, effectief zijn in
de behandeling voor zorgvragers met een dubbele diagnose.
Ondanks dat het effect van farmaceutica is bewezen bij zorgvragers met een dubbele diagnose, is voor
de behandeling echter ook therapie nodig. Bij het voorschrijven van medicatie aan de dubbele
diagnosegroep is het belangrijk om rekening te houden met, het gebruik van medicatie ondanks actief
middelen gebruik, mogelijk verslavende medicatie en het gebruik van medicatie om craving te
verminderen (Drake, 2008).
Een twaalfde karakteristiek zijn interventies om gezondheid te bevorderen.
De dubbele diagnose doelgroep en individuen die afhankelijk zijn of misbruik maken van middelen
hebben een vergroot risico op een slechtere gezondheid, wat hieronder wordt omvat als:
- Hospitalisatie en de frequentie van bezoeken aan de eerste hulp
- Infecties en ziekten, zoals HIV en hepatitis
- Complicaties n.a.v. gebruik en chronische ziekten, zoals diabetes
- Blootstelling aan geweld als getuigen of slachtoffers
- Sucide
(Drake, 2008)
Bij deze karakteristiek kunnen zorgverleners de zorgvrager ondersteunen door hen het onderstaande
te leren en te motiveren:
- Beweging
- Gezond voedingspatroon
- Veilig en betaalbare woning
- Preventie of behandeling zoeken voor infecties en/of ziekten
- Ontwikkelen en behouden van vriendschappen met personen die geen middelen gebruiken of
misbruiken
De dertiende karakteristiek zijn de secundaire interventies voor zorgvragers die niet reageren op de
behandeling van middelenmisbruik of afhankelijkheid. Succesvolle IDDT programmas hebben een
specifiek plan om individuen te identificeren, wie niet reageren op de behandeling IDDT.
Voorbeelden zijn:
- Posttraumatische stressstoornis interventies
- Het monitoren van zorgvragers die naltrexon of methadon gebruiken wegens erge craving
- Het monitoren van zorgvragers die clozapine of disulfram gebruiken wegens craving en ter
preventie van gebruik
(Drake, 2008)

94 | P a g e

Community Reinforcement Approach


CRA, Community Reinforcement Approach is een multidisciplinaire behandeling, die de psychosociale
en farmacologische benadering integreert en het bio-psycho-sociale model vorm geeft.
CRA, ziet alcohol- en drugsgebruik als gedrag dat onder invloed staat van spontane bekrachtiging.
Hierbij is de relatie tussen het gedrag en de uitkomst belangrijk. Bekrachtigers verhogen de kans dat
het gedrag zich nogmaals zal voordoen. Als de uitkomst positief is, wat is gekoppeld aan het gedrag,
dan wordt er gesproken van een positieve bekrachtiger. CRA gaat ervan uit dat afhankelijkheid van
middelen in stand wordt gehouden door een overmaat aan middelen gerelateerde bekrachtigers en
daarbij ook aan een gebrek aan alternatieve, niet-middelengebonden bekrachtigers.
CRA richt zich op het ontwikkelen van een nieuwe leefstijl, die meer belonend is dan middelengebruik.
Hierbij wordt gekeken naar de bekrachtigers in de directe omgeving van de zorgvrager, zoals het gezin,
werk en de woonomgeving. CRA houdt praktisch gezien in om de zorgvrager te leren dat er
alternatieven zijn voor het nemen van middelen. Onderzoek heeft aangetoond dat een toename in
alternatieve activiteiten leidt tot een vermindering van het middelengebruik.
CRA is te beschrijven in 18 interventies.
1. Functionele analyse
Hier wordt een analyse gemaakt van de aanleidingen, gedachten, gevoelens en
omstandigheden die het middelengebruik stimuleren. CRA richt zich hierbij op een
functieanalyse van plezierige, niet-middelengerelateerde activiteiten.
2. Self-management
Deze interventie richt zich op de aanpak van stimuli die kunnen leiden tot middelengebruik.
Het doel is om tot nieuwe alternatieven te komen voor middelengebruik. Ondersteuning
door externe factoren is in deze interventie belangrijk.
3. Contingency-management
Een interventie gericht op beloning, wanneer de zorgvrager abstinent blijft, door middel van
objectieve gegevens (blaas- of urinetest).
4. Het betrekken van een belangrijke ander
Doordat een belangrijk persoon van de zorgvrager wordt betrokken kan de zorgvrager
worden ondersteund bij de therapietrouw en bij de bevordering van de alternatieve
activiteiten.
5. Medicatie-inname
Een belangrijk persoon van de zorgvrager kan bijdragen bij de therapietrouw van de
zorgvrager. Hierbij is het belangrijk om vaste medicatie tijden te hanteren en indien nodig
uitleg te geven over de medicatie
6. Huisbezoeken
Door huisbezoeken af te leggen kan er zicht worden verkregen op de alternatieve
activiteiten, de leefstijl en sociale interactie van de zorgvrager.
7. Arbeidsrentegratie
Deze interventie kan bijdrage aan een zinvolle dagbesteding, waardoor gevoelens van
eigenwaarde van de zorgvrager positief bekrachtigd kunnen worden
8. Sociale club
Het doel van deze interventie is het verbeteren van de vaardigheden bij interpersoonlijke
situaties.

95 | P a g e

9. Sociale en vrijetijdsbesteding
Er wordt aandacht besteed aan het vergroten van de hoeveelheid plezierige activiteiten in
het leven van de zorgvrager, wat voor een goede dagbesteding kan zorgen.
10. Ontspanningstechnieken
Door deze interventie kan de intrinsieke motivatie om middelen te gebruiken te doen
verminderen. De drang om te gebruiken kan worden vervangen door concurrerende
gedachten en ontspanning
11. Middelen weigeren
Deze interventie omvat diverse oefeningen in het weigeren van middelen in situaties waar de
zorgvrager middelen wordt aangeboden.
12. Problemen oplossen
Deze interventie richt zich op het effectief oplossen van problemen, door de
probleemsituatie als zodanig te herkennen en deze te onderzoeken, zodat er een besluit kan
worden genomen over een relevante actie.
13. Motiverende gesprekken
In deze gesprekken komt motiverende gespreksvoering te pas.
14. Introductie van periode van abstinentie
Met deze interventie wordt een korte periode van abstinentie gentroduceerd aan de
zorgvrager. Hierbij word gekeken op een periode die voor de zorgvrager als een uitdaging
wordt ervaren, maar wel haalbaar is.
15. Communicatietraining
Deze interventie kan worden toegepast om de communicatie tussen familieleden te
verbeteren en zo ook de familieverhoudingen te verbeteren. Interactieve vaardigheden
vergroten de mogelijkheden om conflicten op te lossen en de opstapeling van negatieve
gevoelens.
16. Gezinstherapie
Deze interventie is net als communicatietraining, maar dan gericht op de partnerrelatie.
17. Cognitieve gedragstherapie
Een interventie, bestaande uit een therapie die bestaat uit het onderzoeken van irrationele
negatieve gedachten met daarbij de negatieve gevoelens en deze te veranderen.
18. Verminderen van infectieziekten
Deze interventie kan worden ingezet om de toename van infecties onder drugsgebruikers te
verminderen.

(Roozen, 2006)
Community reinforcement approach, CRA, is een behandeling die bestaat uit een set van
gedragstherapeutische technieken die zich richt op het ontwikkelen van een andere leefstijl, die
meer belonend is dan het middelengebruik. In deze behandeling wordt negatief gedrag zo veel
mogelijk genegeerd en positief gedrag beloond. De focus bij CRA ligt op de benvloeding van de
sociale omgeving door middel van gezins- of relatiegesprekken en op de bemiddeling bij andere
levensgebieden zoals wonen. (Clijsen M. , Garenfeld, Kuipers, Loenen, & Piere, 2008).

96 | P a g e

Motiverende gespreksvoering
In elke behandeling kan er gebruik worden gemaakt van de techniek motiverende gespreksvoering.
Motiverende gespreksvoering is een manier om mensen te helpen zelf motivatie tot
gedragsverandering te ontwikkelen. Er wordt bij motiverende gespreksvoering gesprekstechnieken
gebruikt die gericht zijn op het uitdrukken van empathie, vermijden van een discussie, het versterken
van het geloof in eigen kunnen, gebruik maken van weerstanden en het oproepen van cognitieve
dissonantie. Dit houdt in dat een individu geleidelijk aan meer gaat inzien en voelen, in tegenstelling
tot datgene wat diegene uit (Korevaar & Dres, 2011).
Motivatie is nodig om een handeling te kunnen verrichten. Er zijn twee verschillende vormen van
motivatie; extrinsieke en intrinsieke motivatie. Extrinsieke motivatie is een afdwongen motivatie van
buitenaf. Een voorbeeld is s ochtends opstaan wanneer de wekker gaat, anders kom je te laat op het
werk (met alle gevolgen van dien). Intrinsieke motivatie is de motivatie van binnenuit, om bijvoorbeeld
een hobby te kunnen beoefenen.
Extrinsieke motivatie heeft vaak positieve gevolgen voor simpel en repetitief werk, terwijl intrinsieke
motivatie vaak betere resultaten levert bij meer gecompliceerd werk.
Extrinsieke motivatie kan verder worden onderverdeeld in soorten, op basis van minder naar meer
autonoom (Polkozic, 2012 ).
Door middel van motiverende gespreksvoering wordt de intrinsieke motivatie van de zorgvrager om
te veranderen versterkt, doordat de ambivalentie van de zorgvrager wordt onderzocht en er hiervoor
samen met de hulpverlener naar een oplossing wordt gezocht (Bartelink , 2013).
Motiverende gespreksvoering is gedurende de gehele behandeling van het middelengebruik in te
zetten, zolang er gedragsverandering aan de orde is. (Bartelink , 2013)

97 | P a g e

HEE
HEE, staat voor herstel, empowerment en ervaringsdeskundigheid. Het is een programma die de
ontwikkeling en verspreiding van ervaringskennis van mensen met ernstige en aanhoudende
psychische
aandoeningen
en
beperkingen
als
gevolg
daarvan,
behelst.
HEE is erop gericht om het zelfsturend vermogen van de zorgvrager te vergroten, met als de
achterliggende gedachte individuele herstelprocessen in gang te zetten en bevorderen, om zo bij te
dragen aan een betekenisvolle en volwaardige participatie in de samenleving. Ook biedt HEE, de ruimte
om ervaringskennis te ontwikkelen, uit te wisselen en te kapitaliseren. Het HEE programma draagt bij
aan de veranderingen in zorginstellingen in de richting van een herstelondersteunend zorgaanbod
(Korevaar & Dres, 2011).
Het HEE-team bestaat uit ervaringsdeskundige docenten, die hun ervaringskennis overdragen aan
anderen met het doel zoals hierboven staat beschreven. Het HEE-programma omvat zelfhulpgroepen,
studiedagen,
cursussen
en
themabijeenkomsten
in
een
samenhangend
geheel.
Voorlichting door het HEE-team is op maat afgestemd en adviseert en coacht individuen en
organisaties en geeft lezingen (hee-team, 2012).
In tegenstelling tot de klinische praktijk van de AGZ, omschrijft herstel in de geestelijk gezondheidzorg,
het unieke, persoonlijke processen waarin mensen met psychische beperkingen de draad weer
proberen op te pakken en hun leven opnieuw inhoud en richting te geven. Ze zullen niet genezen van
hun psychiatrische aandoening, maar ze kunnen er wel mee leren leven. De focus van herstel in deze
doelgroep ligt veel meer op wat de zorgvrager zelf onderneemt om zijn leven een gunstige wending te
geven (Korevaar & Dres, 2011).
Er zijn verschillende fasen in herstel, gebaseerd op de doelstelling het te boven komen van
hopeloosheid en van het verlies van een betekenisvolle identiteit, verbondenheid, rollen en kansen.
Daarnaast moeten mensen met een psychiatrische aandoening herstellen van machteloos makende
programmas en van stigmatisering door de maatschappij. De vier fasen in het herstelproces zijn als
volgt:
1.
2.
3.
4.

Overweldigd worden door de aandoening


Worstelen met de aandoening
Leven met de aandoening
Leven voorbij de aandoening

In de eerste fase, overweldigd worden door de aandoening, ervaart de zorgvrager voornamelijk


verwarring en ontredding als gevolg van de overweldigende symptomen. Hij is dan ook vooral gericht
op zowel mentaal als fysieke overleving. In deze fase staan hopeloosheid, machteloosheid en
gevoelens van isolement centraal (Korevaar & Dres, 2011).
In de tweede fase ligt de focus op hoe een leven geleefd kan worden met de psychiatrische aandoening.
Er worden manieren ontwikkeld om actief met de symptomen om te kunnen gaan. In deze fase wordt
er vooral geworsteld met het gebrek aan vertrouwen en aan adequate reacties op de aandoening. De
angst om overspoeld te worden door de aandoening is reeds aanwezig (Korevaar & Dres, 2011).
In de derde fase, leven met de aandoening, is de angst minder aanwezig, doordat het vertrouwen
groeit van de zorgvrager om met de aandoening om te kunnen gaan. In deze fase leert de zorgvrager
zijn beperkingen en sterke kanten te kennen, naast een nieuw zelf te ontwikkelen (Korevaar & Dres,
2011).

98 | P a g e

In de vierde fase van het herstelproces, leven voorbij de aandoening, raakt de psychiatrische
aandoening steeds meer op de achtergrond. De verbondenheid met anderen wordt gevoeld en
capaciteiten en mogelijkheden komen op diverse gebieden tot uitdrukking. In deze fase is er ruimte
voor een nieuwe betekenis en nieuwe doelen in het leven (Korevaar & Dres, 2011).
Onderzoek heeft aangetoond dat belemmeringen voor herstel variren van het ontbreken van de
basale levensvoorzieningen tot inadequate behandeling van symptomen, geen toegang tot langdurige
hulp en goede therapie, middelenmisbruik, traumatische ervaringen en onwaardige behandeling door
anderen. Ook lage verwachtingen, gebrek aan vertrouwen, gevoelens van hopeloosheid, gebrek aan
kennis over copingsstrategien, stigmatisering en financile armoede, zijn herstelbelemmerende
factoren (Korevaar & Dres, 2011).
Naast herstelbelemmerende factoren, zijn er ook herstelbevorderende factoren. Hieronder valt acute
stabilisatie bij crisis, toegang tot behandeling en therapie, de vervulling van de meest basale behoeften,
de aanwezigheid en ondersteuning van een betrokken en competent persoon, die begrijpt wat de
zorgvrager doormaakt, hoop, acceptatie, copingvaardigheden, vaardigheden t.a.v. terugvalpreventie,
zelfzorgvaardigheden, sociale vaardigheden en etc. (Korevaar & Dres, 2011).

99 | P a g e

Individuele Rehabilitatie Benadering


Het doel van IRB is om mensen met ernstige, langdurige beperkingen te helpen om beter te
functioneren, zodat ze met succes en aar tevredenheid kunnen wonen, werken, leren en sociale
contacten hebben in de omgeving naar hun eigen keuze met zo min mogelijk professionele hulp.
De zorgvragers worden door hun beperkingen belemmerd bij het vervullen van
maatschappelijke/sociale rollen. IRB is toepasbaar op verschillende terreinen van sociaal functioneren,
ongeacht leeftijd en soorten beperkingen.
De kern van IRB is dat mensen met beperkingen via gesprekken en activiteiten worden ondersteund
bij het verkennen, kiezen, verkrijgen en het behouden van hun eigen doelen op verschillende
gebieden; wonen, werk/dagbesteding/vrije tijd, leren, sociale en familiecontacten en financin.
IRB is samen te vatten in de volgende elementen:
- Op het individu bepaalde benadering
- Sluit aan bij de (toekomst) wensen van de zorgvrager
- Gaat uit van de capaciteiten in plaats van de beperkingen van de zorgvrager
- Straalt hoop uit, wat de motivatie vergroot
- Is gericht op het vergroten van de autonomie van de zorgvrager
- In eerste instantie gericht op het aanleren en verbeteren van vaardigheden en daarna op het
inzetten van hulpbronnen
(Korevaar, Dres, & Wel, Methodebeschrijving Individuele Rehabilitatie Benadering (IRB), 2010)
IRB is primair gericht op het formuleren en realiseren van roldoelen op de verschillende
levensgebieden. Het kent de volgende vier fasen:
- Verkennen
- Kiezen (doelen stellen)
- Verkrijgen (van vaardigheden)
- Behouden
IRB is op de gehele behandeling van verslaving te pas, op alle momenten wanneer de zorgvrager keuzes
maakt.
(Korevaar & Dres, Handboek Rehabilitatie voor zorg en welzijn, 2011)

100 | P a g e

Referenties
Alcoholhulp.
(2011).
Ontwenningsverschijnselen.
Opgehaald
http://www.alcoholhulp.be/ontwenningsverschijnselen

van

Alcohol

Hulp:

Alcoholhulp. (2011). Risico's van plots stoppen met drinken. Opgehaald van Alcohol Hulp:
http://www.alcoholhulp.be/probleemgebruik-stoppen
Bartelink , C. (2013, Februari). Wat werkt: Motiverende Gespreksvoering? Opgehaald van Nederlands
Jeugd
Instituut:
http://www.nji.nl/nl/(311053)-nji-dossierDownloadsWatwerkt_Motiverendegespreksvoering.pdf
Bibiana. (06-09-2011). Schemertoestand: Bewustzijnsdaling. Aandoeningen (Mens en Gezondheid).
Brink, W. v. (2005). Verslaving, een chronische redivicerende ziekte . Verslaving, 3-14.
Cleary, M., Hunt, G. E., Matheson, S. L., Siegfried, N., & Walter, G. (2009). Psychosocial interventions
for people with both severe mental illness and substancemisuse. The Cochrane Collaboration,
1-146.
Clijsen, M., Garenfeld, W., Kuipers, G., Loenen, E. v., & Piere, M. v. (2008). Psychiatrie voor
verpleegkundigen. Amsterdam: Reed Business.
Clijsen, M., Garenfeld, W., Kuipers, W., Loenen, E. v., & Piere, M. v. (2008). Psychiatrie voor
verpleegkundigen. Amsterdam: Reed Business .
ConsuMed. (1999-2014). Leverontsteking. Opgehaald van Kwaliteit in Medische informatie:
http://www.consumed.nl/ziekten/leverontsteking
De hoop GGZ. (2014). Alcohol. Opgehaald van De Hoop GGZ: http://www.dehoop.org/43054/watgebeurt-er-als-een-alcoholist-afkickt.html
Drake, R. E. (2008). IDDT, Integrated Dual Dissorder Treatment. Case Western Reserve University , 1-6.
Hartstichting.
(sd).
Hartritmestoornissen.
Opgehaald
van
http://www.hartstichting.nl/hart_en_vaten/hartziekten/ritmestoornissen/

Hartstichting:

Jellinek. (2013). Alcohol. Opgehaald van Jellinek: http://www.jellinek.nl/informatie-over-alcoholdrugs/alcohol/


Korevaar, L., & Dres, J. (2011). Handboek Rehabilitatie voor zorg en welzijn. Bussum: Coutinho.
Korsakov Kenniscentrum. (sd). Over Korsakov. Opgehaald van Korsakov Kenniscentrum:
http://www.korsakovkenniscentrum.nl/nl/over-korsakov
Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling . (2008, Octobre 10). Dubbele diagnose;
Behandeling. Opgehaald van GGZ Richtlijnen: http://www.ggzrichtlijnen.nl/
LEDD. (2012). Algemene info dubbele diagnose. Opgehaald van Landelijk expertise -en
implementatiecentrum
dubbele
diagnose:
http://www.ledd.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=8&Itemid=3
LEDD.

(2012). Effectieve interventies. Opgehaald van LEDD, Landelijk Expertiseimplementatiecentrum


Dubbele
Diagnose
http://www.ledd.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=5&Itemid=6

en
:

101 | P a g e

Maag lever darm stichting. (2013). Maagslijmvliesontsteking. Opgehaald van Maagproblemen.info:


http://www.maagproblemen.info/maagaandoeningen/maagslijmvliesontsteking/
McCloskey, J., & Bulechek, G. (2002). Verpleegkundige interventies. Maarssen: Elsevier
Gezondheidszorg.
NAMI. (2013). NAMI Comments on the APA's Draft Revision of the DSM-V, Substance Use Disorders.
National Alliance on Mental Illness.
Nederlands huisartsen genootschap. (2011, November 1). Ik heb hepatitis B. Opgehaald van
Thuisarts.nl: http://www.thuisarts.nl/hepatitis-b/ik-heb-hepatitis-b
Novadic-Kentron. (2009). Terugvalpreventie en succesvoorspelling. Opgehaald van Novadic Kentron,
netwerk
voor
verslavingszorg:
http://www.novadickentron.nl/default.aspx?DocumentID=4b2dbbe7-a055-400a-b48f-41f2092fd91e
Polkozic. (2012 ). Intrinsieke en extrinsieke motivatie. Psychologie. Opgehaald van Mens en
Samenleving .
Thomas, S., Randall, C., & Carrigan, M. (2003). Drinking to cope in socially anxious individuals.
Alcoholism: Clinical en experimental research, 12.
Townsend, M. (2008). Verpleegkundige diagnostiek in de psychiatrie. Amsterdam: Reed Business.
Van Gorp, K., Lemmers, L., & Pussen, T. (1998). Waarom drinken mensen? Woerden: NIGZ.
Vermote, I. (2008). Deel I. Terugvalpreventie: Een theoretisch kader. Terugvalpreventie tijdens de
ontwenningsbehandeling theorie en praktijjk, 1-23.

102 | P a g e

Bijlage 6. Overige interventies


Deze interventies zijn gericht op McCloskey (2002) en zijn beschreven vanuit de positie wat de
hulpverlener moet doen.
De interventies zijn:

Assertiviteitstraining
Behandeling van alcoholmisbruik
Bevordering van lichamelijke oefening
Gedragsverandering: sociale vaardigheden

Assertiviteitstraining

De zorgvrager helpen zijn gevoelens, behoeften en ideen op effectieve wijze te uiten en


tegelijkertijd de rechten van anderen te respecteren
Bepaal welke obstakels assertiviteit in de weg staan (bijv. ontwikkelingsstadium of
psychiatrische aandoening)
Help de zorgvrager cognitieve vervormingen die assertiviteit in de weg staan, te
onderkennen en te verminderen
Maak het onderscheid tussen assertief, agressief en passief-agressief gedrag
Help de zorgvrager duidelijk te krijgen wat zijn rechten en plichten zijn en conflicterende
normen te onderkennen
Help probleemgebieden in interpersoonlijke relaties te verhelderen
Moedig de zorgvrager aan om al zijn gedachten en gevoelens te uiten
Help de zorgvrager fantasie en werkelijkheid van elkaar te onderscheiden
Geef de zorgvrager instructies over de verschillende manieren om assertief te zijn
Geef de zorgvrager instructies over strategien om assertief gedrag in de praktijk te brengen
Geef de zorgvrager de gelegenheid te oefenen door middel van rollenspel en discussie
Help de zorgvrager te oefenen met sociale en gespreksvaardigheden
Prijs pogingen om gevoelens en ideen te uiten
Bewaak de mate van angst en onbehaaglijkheid in verband met gedragsverandering
(McCloskey & Bulechek, 2002)

103 | P a g e

Behandeling van alcoholmisbruik

Het ondersteunen van de zorgvrager met lichamelijk of psychosociale problemen in


verband met het gebruik van alcohol
Bouw een therapeutische relatie op met de zorgvrager
Ga samen met de zorgvrager na welke factoren bijdragen tot de afhankelijkheid van alcohol
Stimuleer de zorgvrager zijn gedrag onder controle te leren krijgen
Help de zorgvrager zo nodig onder ogen te zien dat hij het onderliggende probleem ontkent
om het niet aan te hoeven pakken
Help de gezinsleden te onderkennen dat afhankelijkheid van alcohol een gezinsziekte is
Bespreek met de zorgvrager de gevolgen van het alcoholmisbruik voor de gezondheid
Bespreek met de zorgvrager de gevolgen van omgang met andere gebruikers op het werk
of in de vrije tijd
Help de zorgvrager na te gaan welke negatieve effecten de afhankelijkheid van alcohol heeft
op de gezondheid, het gezin en het dagelijks functioneren
Leg de zorgvrager uit dat de hoeveelheid en frequentie van gebruik die tot afhankelijkheid
leidt van zorgvrager tot zorgvrager verschilt
Stel samen met de zorgvrager constructieve doelen om een alternatief te bieden voor
alcoholgebruik als methode om stress te verminderen
Help de zorgvrager vast te stellen of matiging gezien de gezondheidstoestand een
aanvaardbaar doel is
Stel om bestwil van de zorgvrager grenzen
Controleer veelvuldig of de zorgvrager alcohol nog gebruikt (bijv. blaastest of urinetest)
Help de zorgvrager na te gaan hoeveel tijd hij besteedt aan het nuttigen van alcohol en welk
dagelijks patroon hij hierbij volgt
Help de zorgvrager een alternatieve activiteit te selecteren die onverenigbaar is met het
gebruik van het middel
Help de zorgvrager alternatieve methoden te ontwikkelen om met stress of emotionele nood
om te gaan.
(McCloskey & Bulechek, 2002)

104 | P a g e

Bevordering van lichamelijke oefening

Bevorderen van regelmatige lichamelijke oefening om de conditie en gezondheid op peil


te houden of op een hoger niveau te brengen
Ga na hoe de zorgvrager tegenover lichamelijke oefeningen staat
Stimuleer de zorgvrager om zijn opvattingen over lichamelijke oefeningen en de noodzaak
daartoe te uiten
Help de zorgvrager een positief voorbeeld te ontdekken die hem kan helpen om de
oefeningen vol te houden
Betrek de familieleden van de zorgvrager bij de planning en uitvoering van het
oefenprogramma
Geef de zorgvrager voorlichting over fysiologische effecten van lichamelijke oefeningen en
de voordelen voor de gezondheid
Geef de zorgvrager in overleg met de arts of oefentherapeut, instructies over het type
oefening dat voor hem geschikt is, gelet op de gezondheidstoestand
Geef de zorgvrager instructies over de gewenste frequentie, duur en intensiteit van het
oefenprogramma
Leer de zorgvrager technieken om letsel ten gevolge van de oefeningen te voorkomen
Ontwikkel samen met de zorgvrager een oefenprogramma dat is afgestemd op zijn
behoeften
Help de zorgvrager met betrekking tot het oefenprogramma, doelen te stellen voor korte en
lange termijn
Zorg voor regelmatige bekrachtiging, zodat de zorgvrager gemotiveerd blijft
Geef de zorgvrager positieve feedback over zijn inspanningen
(McCloskey & Bulechek, 2002)

105 | P a g e

Gedragsverandering: sociale vaardigheden

De zorgvrager helpen interpersoonlijke sociale vaardigheden te ontwikkelen of verbeteren


Help de zorgvrager eventuele interpersoonlijke problemen die het gevolg zijn van een tekort
aan sociale vaardigheden te onderkennen
Moedig de zorgvrager aan zijn gevoelens over interpersoonlijke problemen onder woorden
te brengen
Help de zorgvrager na te gaan welke resultaten hij beoogt t.a.v. problematische
interpersoonlijke relaties of situaties
Help de zorgvrager na te gaan welke actie hij kan ondernemen en wat de
sociale/interpersoonlijke gevolgen daarvan zullen zijn
Ga na op welke specifieke sociale vaardigheid/vaardigheden de training zich dient toe te
spitsen
Help de zorgvrager de verschillende stappen van de beoogde gedragsverandering in
rollenspel te oefenen
Geef de zorgvrager feedback over zijn functioneren met betrekking tot de desbetreffende
sociale vaardigheden
Moedig de zorgvrager aan de resultaten van de sociale interacties te evalueren, zichzelf te
belonen voor positieve resultaten en een oplossing te zoeken voor minder wenselijke
resultaten
(McCloskey & Bulechek, 2002)

Preventie van middelenmisbruik (alcohol)

Voorkomen van een levensstijl van overmatig alcoholgebruik


Help de zorgvrager zo nodig zijn stresstolerantie te vergroten
Bereid de zorgvrager voor op pijnlijke of moeilijke gebeurtenissen
Beperk irriterende of frustrerende omgevingsfactoren
Beperk een eventueel sociaal isolement
Moedig verantwoorde beslissingen over de levensstijl aan
Help de zorgvrager na te gaan welke alternatieve stress-hanteringsstrategien hij kan
hanteren

106 | P a g e

FEEDBACKFORMULIER MINORPRODUCT BUITENSCHOOLS


GEGEVENS
Naam student:

Kirsten de Koning

Onderwerp minorproduct:

Kwaliteitsvoorstel voor richtlijn omtrent behandeling en begeleiding van dubbele


diagnostiek in de herstelgerichte setting

Naam lezer:

Wilma Quaak

Functie lezer:

VPK Begeleider & Praktijkbegeleiding

Organisatie:

Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant

Afdeling of team:

Moermontstede

Handtekening lezer:

HET MINORPRODUCT:

Van toepassing

Is in voldoende mate gekoppeld aan een vraag of probleem van de organisatie of afdeling

Geeft de vraag of probleem en analyse hiervan naar waarheid weer

Biedt nieuwswaarde en sluit voldoende aan bij ontwikkelingen in de beroepspraktijk

Is, voor directe collegas, op begrijpelijke wijze geformuleerd en gestructureerd

Geeft aanbevelingen die toepasbaar en bruikbaar zijn in de dagelijkse beroepspraktijk

FEEDBACK

STUDENT HEEFT MINORPRODUCT GEPRESENTEERD:

Ja

Nee

107 | P a g e

108 | P a g e