Вы находитесь на странице: 1из 52

94

Prijs f 0.25

I
48

ut ZENDINGSKLOK
EEN VERHAAL UIT DEN ZENDINGSARBEID OP NIAS
. ;& - .

.
1

door J. N. BIEGER.
VIERDE DRUK.

ZENDINGSBUREAU|OEGSTGEEST - 1921

DE

ZENDINGSKLOK
EEN VERHAAL UIT DEN
ZENDINGSARBEID OP NIAS
DOOR

J. N. BIEGER

ZENDELING-LEERAAR VAN HET


RIJNSCH ZENDINGSGENOOTSCHAP

VIERDE DRUK

Zendingsbureau Oegstgeest - 1921

N.V. VAN DE RHEE'S


DRUKKERIJ, R'DAM

Niet ver van het groote en machtige dorp BAWOLOWALANGI" in de bocht van Telok-Dalam inZuidNias, waar nu de Chineezen en Maleiers hunne win
keltjes opgeslagen hebben om met de bevolking handel
te drijven, stonden in het voorjaar van 1883 vele Niassers, enkelen met lansen en geweren gewapend, druk
met elkander te praten. Eenigen van hen wezen op eens
met den vinger naar de zee, waar op dat oogenblik een
mooi en tamelijk groot vaartuig het land langzaam
naderde.
Het was de Denninger", het Zendingsschip, dat de
Rijnsche Zendelingen gebruikten om een goede verbin
ding te hebben tusschen het Noordelijk- en het eerst
pas begonnen arbeidsveld in het Zuiden van Nias.
't Schip kreeg den naam Denninger" naar den eer
sten zendeling van Nias, die vele jaren op Borneo
werkte, maar na den zendelingenmoord aldaar op Nias
in Goenoeng'-Sitoli een nieuw zendingsveld gezocht en
ook gevonden had.
Een half uur ongeveer, nadat de zooeven vermelde
Niassers het schip zagen, wierp de Denninger" in de
heerlijke baai een honderd meter van het land verwij
derd, haar anker uit.
Twee Europeanen gingen uit het schip en werden
door eenige jonge matrozen naar het land geroeid.
Het waren de zendelingen Thomas en Lagemann.
De eerste een krachtige verschijning met langen don
keren baard en zeer innemend uiterlijk, een man van
middelbaren leeftijd. De ander een nog jeugdig zende-

ling die voor eenigen tijd door het Rijnsche Zendings


genootschap uitgezonden werd om de schare der
heidenboden onder de Niassers te versterken.
De oudere heeft reeds zijn sporen op het zendingsveld verdiend en werd daarom uitgekozen om in het
Zuiden van Nias onder de woeste koppensnellers een
nieuw arbeidsveld te beginnen^
Nauwelijks hebben de vreemdelingen het land betre
den, of de nieuwsgierige menigte plaatst zich in een
bonten kring om hen.
Het schijnt, dat de aanwezige Niassers op de twee
Europeanen gewacht hebben, want n van hen heeft
een oude Hollandsche vlag op een stok gebonden om
den nieuw aangekomenen te toonen, dat zij in het on
gastvrije Zuid-Nias niet onwelkom zijn.
En der Niassers met gouden oorringen versierd en
met meer bonte doeken bekleed dan zijn makkers en in
wiens lendendoek kostbare dolkmessen gestoken zijn,
treedt, als de beide zendelingen het land betreden heb
ben, op hen toe, salueert gelijk een geoefend soldaat en
roept den beiden mannen op Nias' strand het welkom
toe.

De beter gekleede Niasser is een van de zonen van


Faosi-Aro, het gevreesde en groote opperhoofd van het
dorp Bawo-Lowalangi.
Faosi-Aro zelf is niet onder de troep, maar nog in
het dorp, omdat het hem nog niet duidelijk was, of nu
de bleekgezichten wel werkelijk zouden komen.
Thomas en Lagemann zijn niet weinig verheugd, dat
de zoon van den vorst hen welkom heet en schudden
hartelijk en dankbaar gestemd de hand van den jongen
Sioeloe (vorst).
Deze zendt een van de gewapende mannen naar het
dorp om den vorst van de komst der beide zendelingen
te verwitttigen. Dan geeft hij den voorstrijder een tee-

s
ken, die nu opeens zijn zwaardmes ontbloot, met zijn
linkerhand zijn geweer in de hoogte steekt en zijn
lichaam opwerpt, terwijl hij den bekenden oorlogskreet
uitstoot.
Nauwelijks hebben de Niasser strijders, met gewe
ren, lansen, speren en schilden gewapend en in dikke
oorlogsmantels gekleed, terwijl hunne hoofden met
ijzeren helmen bedekt zijn, dit gehoord, of de oorlogs
kreet wordt door allen herhaald. Onderwijl slaan zij
opspringende en dansende de schilden tegen hunne
speren, waardoor een eigenaardig geluid onstaat, waar
mede zij bij een gevecht hunne vijanden bevreesd wil
len maken.
Welk een woest, romantisch schouwspel!
De vredeboden, geheel ongewapend, hebben voor een
oogenblik een onbeschrijfelijk, onaangenaam gevoel.
Of dit de jonge Sioeloe en zijn strijders wel bemerkt
hebben? Woest lachend, terwijl de oogen van onder de
helmen verschrikkelijk schitteren, herhalen zij nog eens
dien oorlogskreet.
Een slaaf biedt daarna den jongen vorst een pruimpje
aan en terwijl hij dit aanneemt en in den mond steekt,
zegt hij tot den oudsten zendeling: Volg mij!"
De zendelingen, gescorteerd door den woesten troep,
volgen den vorsteliiken jongeling naar het dorp van
Faosi-Aro.
De weg naar het dorp begint aan den voet van den
berg erg steil te worden. Hij is met groote en kleinere
steenen belegd, wat het klimmen vergemakkelijkt. Aan
de rechterzijde van den weg, nadat men eenige minuten
geloopen heeft, staat een Hele" (badplaats). Heerlijk
bergwater stroomt met geweldige kracht in de badkom.
Men heeft hier verschillende badinrichtingen. Voor
mannen en voor vrouwen afzonderlijk. Hier aangeko
men blijven de zendelingen een oogenblik staan en ver-

6
wonderen zich over de architectuur der Zuid-Niassers.
Zoo iets hebben zij in het Noorden van Nias niet
gezien. Men gaat verder. Aan de linkerzijde staat een
graf van een Sioeloe met doeken, poppen en hanefiguren getooid. Eenige afgodsbeelden en jonge blade
ren van den kokospalm omgeven het eigenaardig graf.
Hier ontmoeten zij Faosi-Aro, het gevreesde hoofd der
Bawo-Lowalangirs. Uiterst vriendelijk spreekt het
hoofd de zendelingen aan: Zijt ge eindelijk gekomen.
Hoe blijde ben ik. Ik had niet meer op uw komst
gerekend!".
Faosi-Aro verblijdt zich, omdat hij in den geest de
schatten der Europeanen in zijn bezit ziet. Hij weet,
dat de Europeanen kunstvaardiger zijn dan de Niassers,
dat zij geweren en kanonnen hebben om den vijand
te vernietigen. Hij ziet in zijn verbeelding reeds geheel
Zuid-Nias onder zijn heerschappij, want, daar twijfelt
hij niet aan, de Europeanen zullen hem helpen. Immers
ze zijn gekomen om met hem handel te drijven, om
hem te brengen tot aanzien en macht!
Hij vat Thomas bij de hand en beiden gaan voor, ter
wijl Lagemann met de anderen volgen.
Aan den ingang van het dorp staat een poort. Het
geheele dorp is van eenen steenen wal omgeven, waar
op hier en daar stekelige bamboe groeit, en waar het
niet groeien wil, stekelige bamboe geworpen is om. den
vijand het beklimmen van den wal te bemoeilijken.
Het dorpsplein is met steenen belegd. In het midden
liggen groote steenen, terwijl kleinere daarnaast een
soort trottoir vormen.
Het huis van Faosi-Aro is groot. Voor vele woningen
heeft men groote steenen banken geplaatst en voor de
huizen van enkele hoofden staan kolossaal groote stee
nen gedenkteekens.
De zendelingen zijn in het huis van Faosi-Aro

7
gegaan en hebben daar in de groote voorkamer op een
verhevenheid, vanwaar men op het dorpsplein zien kan,
en die ook als slaapplaats voor gasten gebruikt wordt,
plaats genomen. De strijders hebben het zich ook in
de woning gemakkelijk gemaakt. Vele jongens van
verschillenden leeftijd hebben in de nabijheid van de
Europeanen een plaatsje veroverd en zien nu vol aan
dacht naar elke beweging van de vreemdelingen.
Daar opeens slaat een slaaf op de groote, langwer
pige trommel. En anderen beginnen op grootere en
kleinere gongs een geweldig lawaai te maken. Men wil
daarmede de gasten eeren en tevens iedereen verkon
digen, dat er iets bijzonders plaats grijpt in het paleis
van den vorst.
Langzamerhand vult zich de woning van het opper
hoofd, maar merkwaardig, het zijn allen mannen. De
vrouwen geneeren zich om zich openlijk te vertoonen.
Zij zitten in het achtervertrek, dat dienst doet als slaap
kamer van den vorst en diens familie.
Eindelijk houdt het geweldig rumoer van de gongs
op. De trommel- en gongslagers nemen tusschen de
anderen plaats.
't Opperhoofd gaat naar de achterkamer en komt
dan na eenigen tijd terug met zijn vrouw, die zich bij
zonder mooi gekleed heeft en begeleid wordt door
andere Sioeloevrouwen. In haar hand houdt zij een bie
zen zakje, waarin zij dingen verborgen houdt, die voor
een smakelijk Niassisch pruimpje onontbeerlijk zijn.
Zij hebben op Indische wijze, met de beenen onder
het lichaam, voor de Europeanen plaats genomen. De
vrouw van Faosi-Aro ziet nu voor het eerst de zende
lingen aan. Hare begeleidsters daarentegen houden nog
steeds hare oogen op den grond gericht. De Sioeloevrouw opent het bewuste biezen zakje, haalt een half
verdord blad er uit te voorschijn, legt daarin kalk en een

.. . . en chudden hartelijk en dankbaar gestemd d e hand van den jongen 3ioeloe. (pag. 4).

gedeelte van een pinangnoot, doet er wat tabak bij, rolt


dit alles tezamen en geeft het den oudsten gast. Dan
doet ze hetzelfde nog eens en geeft het Lagemann.
Beiden danken vriendelijk en steken het pruimpje in
den zak. Eenige jongens stooten elkaar aan, maar er
wordt verder geen aandacht op geslagen. De hoofdzaak
is, dat de vreemdelingen het geschenk aangenomen
hebben.
De zendelingen halen uit hun koffer eenige stukken
Javaansche tabak en geven dit als tegengeschenk aan
de vrouw, die het dankbaar aanneemt.
Niet lang daarna gaan de vrouwen net zoo deftig als
zij gekomen zijn, aan de hand geleid door een mannelijken bloedverwant van den vorst, weer naar hare ver
trekken terug.
Nu beginnen de besprekingen. Er wordt gesproken
over de plaats, waar de vreemdelingen hunne wonin
gen zullen bouwen. Faosi-Aro biedt hun een plaats in
de nabijheid van het dorp aan, maar de zendelingen
gaan liever niet zoo dichtbij wonen, want ze willen
toch niet de zendelingen van Faosi-Aro genoemd wor
den. Ze zijn immers gekomen om het geheele land te
christianiseeren.
In de nabijheid van het strand had Thomas een
geschikte plaats ontdekt en toen zij Faosi-Aro voor
stelden om daar te wonen, nam deze er genoegen mede.
De zendelingen zijn blijde, dat alles zoo naar wensch
gegaan is. Lagemann fluistert zijn ouderen collega toe:
Wanneer het altoos zoo gaat, dan mogen wij wel
tevreden wezen en dankbaar, dat wij hier met het zen
dingswerk begonnen zijn!" De oudere en meer ervaren
zendeling zegt: Afwachten, er zullen nog genoeg
moeilijkheden komen!" De oudere zendeling zou gelijk
krijgen.
Laat in den avond nadat de Niassers gedanst en gege-

10

ten hadden, legden Thomas en Lagemann zich op hun


medegebrachte matrassen neer, nadat zij God gedankt
hadden voor de goede reis op zee en de goede ont
vangst in Zuid-Nias.
Vele Niassers zijn na den dans en het heerlijk maal
niet naar huis gegaan, maar hebben zich ook in de
woning van den vorst in de nabijheid van de vreemde
lingen ter ruste gelegd. Doch dit gezelschap hindert de
Europeanen niet. Ze zijn doodelijk vermoeid en slapen
heerlijk. Ook de Niassers slapen goed. Enkelen droomen zelfs van goede dagen die nu zullen komen. Van
veel tabak, van menigte koralen, die de vreemdelingen
hun zullen geven. En Faosi-Aro droomt ook; hij ziet
het dorpsplein gevuld met den buit zijner vijanden. In
de hand houdt hij een verrekijker, dien de oude zende
ling hem liet zien, waarmede hij zoo ver kon kijken,
ja, zelfs de vijanden ontdekken, die zich in het alangalanggras verscholen. Hij ziet de klok, waarvan de
blanke man gisteren gesproken heeft. De klok, die de
menschen tezamen roepen moet om Gods Woord te
hooren. Hij ziet in den droom nog meer wonderlijke
dingen. En toen de haan met zijn luide stem hem des
morgens wekte, vond hij het o zoo jammer, dat het
slechts een droom was. Maar, zoo dacht hij, die droom
moet werkelijkheid worden, want anders zouden die
vreemdelingen ook wel g'erust hebben kunnen weg
blijven.
Een half jaar later vinden wij in de nabijheid van het
ongezonde strand, waar de koraalriffen onaangename
en ongezonde geuren verspreiden, de zendingsfamilie
in haar eenvoudige woning. De jonge Lagemann heeft
reeds eenige dagen ziek te bed gelegen. Thomas heeft
zich goed gehouden. Mevrouw Thomas en de kinderen
waren, nadat het huisje gebouwd was, ook naar het Zui-

II

den gekomen en vonden Zuid-Nias nog lang niet zoo


kwaad. De kinderen kregen hier zelfs roode wangen en
prettig, o zoo prettig vonden zij het aan het strand,
waar de zeevischjes zoo lief zwommen en vele schelpen
overal verspreid lagen.
Toen zendeling Lagemann ziek werd, zond Faosi-Aro
een priesteres met een biggetje om door offeren hem
te genezen, maar Thomas stuurde de vrouw vriendelijk
weg, liet den vorst danken voor zijn bezorgdheid, maar
deed er de boodschap bij, dat de bleekgezichten niet
van offeren hulp en genezing verwachtten.
Niet lang daarna werden ook Thomas, zijn vrouw en
de kinderen ziek. Ook vele timmerlieden, die uit NoordNias meegekomen waren om het zendingshuis te bou
wen, werden door malariakoortsen aangegrepen.
Het huis had men op een verkeerde plaats gebouwd.
Dit wist de zendeling niet, toen hij hier het huis liet
zetten. Hij dacht, dat het hier aan de kust, waar een
heerlijke wind de muskito's zou kunnen verjagen,
gezond moest zijn. Hij dacht niet aan de ongezonde
koraalriffen aan de kust, noch aan de moerassen, die
in de nabijheid van het strand aan ontelbare muskito's
een verblijfplaats verleenden.
In een der kleine kamers van de zendingswoning lig
gen de zendingsvrouw en haar 5-jarig dochtertje te
bed. Beiden hebben hevige malariakoortsen. Gisteren
speelde het meisje nog buiten en nu is zij doodziek.
Ook Thomas voelt zich niet goed, maar hij is toch op
gebleven, want buiten werd weer aan de deur geklopt.
De menschen willen hunne beenwonden verbonden
hebben en voor de zieken in het dorp medicijnen halen.
Onrustig werpt het kind zich in haar bedje heen en
weer. De moeder, zelf uiterst verzwakt, ziet naar de
bewegingen van haar lief kind, dat in de laatste dagen
merkwaardig veel over den hemel sprak, en zulke won-

12

derlijke vragen stelde. De moeder buigt haar hoofd


over het kind. Het meisje opent de oogen en zegt:
Waar is vader, moeder? Moeder ik heb zoo'n dorst!"
Mevrouw Thomas staat op, schenkt een glas limo
nade in en geeft dezen drank haar koortsig dochtertje
te drinken.
Buiten slaan de golven over de ongezonde koraalrif
fen. Uit het dorp, boven op den gezonden berg, dringt
tot in het ziekenvertrek het geluid van de gong. De
zoon van Faosi-Aro gaat spoedig trouwen.
Moeder, waar is vader?" vraagt het kind weder.
Zal ik vader roepen mijn kind? Hij is in de medicijn
kamer en verbindt de wonden van de in den strijd
gewonde krijgers!" antwoordt de moeder.
Moeder, roep vader, ik ga naar Jezus en wil daar
den Heiland bidden, dat alle Niassers Gods kinderen
worden!"
De moeder neemt haar zakdoek en verbergt haar
gelaat erin. Ze wil het niet laten merken, dat haar hart
dreigt te breken. Ze gaat naar de medicijnkamer en
valt hier snikkende in de armen van haren man, die
nog tijd en lust heeft om de geslagen wonden van ande
ren te heelen. Hij drukt een kus op haar voorhoofd en
zegt: Houdt je goed, vrouw, nietwaar, zooals de
Heere wil. Wij zijn immers in zijn hand!"
Ja man", antwoordt de moedige vrouw. Zij droogt
haar tranen en beiden gaan naar hun kind.
Buiten rollen de golven over de ongezonde riffen
en de avondwind brengt de dampen tot in het sterfver
trek. Het meisje opent hare oogjes en zegt, terwijl zij
haar handje naar den vader uitstrekt: Vader, hoe laat
is het?" De zendeling kijkt op zijn horloge en zegt:
Bij zessen, mijn kind!" Vader, waarom luidt de goe
roe de klok niet? Zeg hem, dat de avondklok geluid

13

moet worden, ik hoor dat zoo gaarne, want zij roept


den Niasser tot Gods Woord!"
De vader gaat uit het vertrek en zegt den goeroe de
avondklok te luiden. En niet lang daarna hoort men
het bim-bam-bim-bam" van de zendingsklok. Het
melodieus geluid verspreidt zich naar alle kanten. Het
glijdt ook over de golven en over de koraalriffen. Ook
in het dorp boven op den berg, waar frissche winden
de booze muskito's verjagen, schijnt men den klank van
het klokje gehoord te hebben, want de gong zwijgt plot
seling, alsof degene, die daarop geslagen heeft, de meer
derheid erkent van het zendingsklokje.
Het kind heeft, terwijl de klok luidde, de oogjes
gesloten. Mevrouw Thomas ligt weer te bed. Het is
stil in het vertrek. De laatste medicijn-haler is naar
het dorp teruggekeerd. Thomas neemt zijn zakdoek en
droogt daarmede zijn voorhoofd. Hij voelt zich niet
prettig. De koorts woedt ook in zijn leden. Hij gaat
zachtjes in de ziekenkamer, buigt langzaam het hoofd
over zijn ziek dochtertje en ontwaart tot zijn schrik,
dat het kind in een stuip ligt. De sterke man weet niet,
wat hij ziet. Hij wekt de niets kwaadvermoedende
zieke moeder en zegt: Vrouw, o vrouw ons kind!"
Eindelijk komt 't kind weer bij kennis. Maar de toe
vallen herhalen zich en den volgenden dag om halfvier,
anderhalf uur voordat de klok weer zou luiden, komt
de engel des doods en neemt de ziel van het stille,
lieve kind mede naar den hemel.
Vader en moeder staan weenend voor het doode
meisje. Hoort, hij spreekt: Moeder, wij geven het
Jezus. Wij willen ons zelf ook geven. Ach, als maar
de Niassers Gods kinderen worden!"
Een jaar ongeveer is voorbijgegaan, sedert het kind
van den zendeling gestorven is. Zendeling Sunder-

mann is uit het Noorden van Nias gekomen om de zen


dingsfamilie in het Zuiden te bezoeken.
De toestand is niet rooskleuriger geworden! De
Zuid-Niassers, vooral de bewoners van Bawo-Lowalangi, beschouwen de Europeanen als goede melk
koeien en Faosi-Aro gaat iedereen met een slecht voor
beeld voor. Alles is verschrikkelijk duur en wanneer de
bewoners van Bawo-Lowalangi het wagen iets aan de
vreemdelingen te verkoopen zonder medeweten van
den vorst, worden zij zwaar gestraft.
Van het meegebrachte goed is reeds veel door de
Niassers gestolen. Maar de zendelingen laten den moed
niet zinken. Ze weten het immers, dat ze geen heiden
boden geworden zijn om een goed leven te hebben. Zij
wisten het toch, dat nood, gevaar, ziekte, dood, droef
heid. ja, honger en teleurstelling, op hun weg moesten
liggen. Zij werkten verder, predikende in woord en
daad het Woord van hunnen Zender en al lieten de
vruchten op zich wachten het is de Heer, die alles
regeert!
Deze gedachte geeft hun moed om verder te werken.
Het Zendingswerk is Gods werk. De zendeling mag
slechts in dit werk God dienen! En wanneer God wacht
met Zijnen zegen, dan mogen de dienstknechten niet
ongeduldig worden! Dit is wel moeilijk, en hiertoe
behoort veel geloof en liefde aan de zijde van den
gezondene.
Faosi-Aro leeft met iedereen in strijd. Tot nu toe
heeft hij op zijn oorlogstochten geluk gehad en velen
schrijven dit toe aan de aanwezigheid van de Euro
peanen.
De drie zendelingen zoeken een betere plaats voor
een zendingswoning en vinden die ook in de nabijheid
van het dorp. Faosi-Aro heeft zijn toestemming gege
ven. Het is hier beter wonen, maar de plaats is steen-

15

achtig en klein. Zij zijn hier wel dichter bij het dorp,
maar ook dichter bij de menschen, die zoo dikwijls
hunne goederen gestolen hebben.
In de baai van Telok-Dalam ligt weer de Denninger", die brieven heeft meegebracht uit Goenoeng-Sitoli
voor de zendingsfamilie en etenswaren en andere
noodige artikelen. Welk een blijdschap voor de zen
dingskolonie ! Snel worden de brieven uit Europa door
gelezen. Wat krijgen zij op eenmaal veel te hooren.
Goede tijding en slechte tijding. De kist uit Europa,
waarop Thomas en Lagemann zoozeer gehoopt had
den en die hun allerhande dingen zou gebracht hebben,
is niet meegekomen, maar in Padang blijven staan. Dat
is te betreuren, want spoedig zal het Kerstfeest zijn en
zij hebben zich al voorgesteld, hoe mooi zij het feest
tezamen zouden vieren temidden der woeste heidenen.
Den volgenden dag, toen het reeds begon te sche
meren, kwamen de beide zonen van het opperhoofd,
Hela ba dan, de n een krachtige jongeling van on
geveer 25 jaar, de andere een jongeling van ongeveer
18 jaren, tot Thomas. Zij zouden gaarne op het schip
overnachten, want, zoo zeiden zij: Wij willen met de
schepelingen over den aankoop van 2000 kokosnooten
spreken!"
Thomas vond dit goed en nadat de beide jongelingen
het avondeten op het zendingsstation gebruikt hadden,
gingen zij tegen 8 uur in de duisternis naar het strand.
> Zij vonden hier een matroos van het schip met een
sloep om ze naar de Denninger" te brengen.
't Vaartuig ligt niet zoo dicht bij de kust, zoodat de
roeiers eenigen {ijd noodig hebben om bij het schip te
komen.
Diepe duisternis omhult de drie jongelingen. De
klapperboomen op het strand zijn niet meer te zien.
Alleen eenigte donkere plekken duiden aan, waar zij

16

ergens staan. De sterrenhemel wordt door duistere,


snel voorbij drijvende wolken bedekt. De zee met hare
heen en weer schuivende golven ziet er spookachtig
uit. Een klein lantaarntje duidt aan, waar de Denninger" ligt. Daarheen stuurt de matroos, terwijl de
jeugdige Niassers met krachtige hand de riemen
hanteeren.
Ma 'ifoe t!" (Nog een beetje), roept de scheeps
jongen den beiden roeiers toe. Ma 'ifoe t!"
Eindelijk stoot de sloep tegen de Denninger". De
twee Niassers, niet gewoon om uit een sloep op een
boot te klimmen, maken te veel bewegingen, zoodat
de sloep omslaat. Beiden zinken weg in de diepte,
alleen de scheepsjongen weet een touw te pakken en
klimt ongedeerd op het schip.
Spoedig komen de scheepslieden, die het lawaai en
het roepen om hulp gehoord hebben, met licht naar
boven. Maar wonderlijk, de zee is kalm; en spook
achtig schuiven de golven weer over elkander; van de
jonge sioeloe's is niets te zien.
Dadelijk zenden de scheepslieden iemand naar het
strand om het geval aan de zendingsfamilie mede te
deelen.
De zendelingen zoowel als de scheepslieden zijil nu
in groot gevaar gekomen, want men kent het opper
hoofd Hela ba dan te goed. Hij zal denken, dat zijn
kinderen door de scheepslieden op bevel van Thomas
vermoord zijn en de scheepslieden geven Thomas den
raad te doen, alsof zij allen van niets afweten. Maar
Thomas wil hiervan niets hooren. Dan vragen zij den
zendeling of zij in den nacht naar Goenoeng-Sitoli terug
mogen keeren, maar ook dit kan Thomas niet inwil
ligen en gebiedt den schepelingen te blijven, waar zij
zijn. Zij gehoorzamen niet en keeren in den nacht onge
merkt naar het Noorden terug. Natuurlijk werd hier-

17

door de toestand van de kleine zendingskolonie uiterst


gevaarlijk. Toen de morgen aanbrak, zond Thomas een
bode tot Hela ba dan en deelde hem het voorval mede.
Het bericht van den dood der beide jongelingen ver
wekte in het dorp van Hela ba dan groote ontstelte
nis. Spoedig is Hela ba dan aan het strand. Dat de
Denninger" vertrokken was, had het opperhoofd da
delijk bemerkt.
Faosi-Aro heeft van het ongeval gehoord en eenige
zijner krijgslieden naar de zendingswoning gezonden
om zoo noodig de zendelingen tegen Hela ba dan bij
te staan. Verder zijn eenige onderdanen van hem naar
het strand gegaan om de lijken van de verdronkenen
te zoeken.
Intusschen is Hela ba dan naderbij gekomen en
heeft ook zijn onderdanen uitgezonden om de lijken te
zoeken. In de baai zijn een tiental bootjes, gevuld met
Niassers, aan het zoeken. Eindelijk hebben zij de dooden gevonden. Eenige meters diep in het water liggen
de jonge sioeloe's arm in arm op den bodem van de
zee. Tien mannen duiken in het water en brengen de
jongelingen op het strand.
Het weeklagen der familieleden, als de dooden aan
land gebracht worden, is ontzettend.
Zie, het opperhoofd gaat, begeleid door zijn krijgs
lieden, naar de plaats, waar zijn kinderen op het strand
liggen. Hier aangekomen stoot de vorst zijn lans in het
zand, vat met beide handen het boveneinde, waar het
ijzer het hout omklemt, en staart in deze houding lan
gen tijd naar de dooden. De krijgslieden en andere
volgelingen staan op eenigen afstand van den vorst en
wachten eerbiedig op zijn bevelen.
Eindelijk komt er beweging in de houding van het
opperhoofd. Hoe onheilspellend flikkeren die oogen!
Hij gebiedt zijn krijgslieden de dooden op te nemen

18

en naar zijn dorp te dragen. Terwijl eenige Niassers


de dooden op een baar naar het binnenland dragen,
gaat Hela ba dan naar het zendingshuis om met Tho
mas te spreken. Deze geeft hem de goederen, die de
jonge sioeloe's voor hun vertrek naar het schip op den
zendingspost achtergelaten hebben.
Na het Kerstfeest, dat kort daarop volgt, komt Hela
ba dan weer tot Thomas en zegt: Mijn kinderen
hebben mooie kleederen bij zich gehad toen zij ons dorp
verlieten, ook geld. Waar is het geld, waar zijn hunne
kleeren?"
Thomas houdt zich kalm en zegt, dat hij zijn kinde
ren slechts een oogenblik gezien heeft, waar de kleeren
en het geld zijn, weet hij niet. Maar hij wil terstond
iemand naar Goenoeng-Sitoli zenden om te informeeren. Hela ba dan is schijnbaar tevreden en keert
naar zijn dorp terug. Kort daarop zendt Thomas een
bode naar Goenoeng-Sitoli en verzoekt den beambte
zoo spoedig mogelijk te komen om de zaak te regelen.
Niet lang daarna komt de beambte met een klein
oorlogsvaartuig waarop zich tevens een nieuwe zende
ling uit Europa bevindt om Thomas en Lagemann in
hun werk bij te staan. De zendelingen begroeten hem
en den ambtenaar met blijdschap. Ook de scheepslieden
van de Denninger", die gevlucht waren, zijn medegekomen. Zij voelen zich alles behalve op hun gemak.
Men vertelt Thomas, dat de scheepslieden wel eenige
kleedingstukken op het schip gevonden hadden en ook
een zwaardvormig mes, maar geen geld. Wie heeft nu
gelijk? Misschien wel de scheepslieden, maar omdat
men in het onzekere verkeert en de scheepslieden op
eigen gezag teruggekeerd waren, oordeelt de ambte
naar, dat zij het geld moeten teruggeven. Verder geeft
de beambte den zendelingen den raad zoo spoedig
mogelijk Zuid-Nias te verlaten. Maar hierop konden

Hiei aangekomen stoot de vorst zijn lans in het zand . . . . .


(pa*. 17).

20

en wilden de evangelieboden niet ingaan. Zij bleven


en de regeeringsambtenaar ging weer met het oor
logsschip naar het Noorden terug.
De rust scheen hersteld te zijn. Maar helaas een
dag of wat daarop kwam het tegendeel aan het licht,
toen de broeder van een der verdronkenen, met geweer
en zwaardmes gewapend, begeleid door eenige krijgs
lieden, Thomas bezocht. Hij zegt tot Thomas: Ik ben
nog niet tevreden. Een doosje werd niet gevonden en
aan de scheede van het mes (waaraan naar Niassischheidensch gebruik een klein uit bamboe gevlochten
korfje aanwezig moest zijn) ontbreekt een tand van
een krokodil". (In dit korfje zijn alle mogelijke dingen
voorhanden. Tijgertanden, krokodiltanden, ook wel
kleine porceleinen poppetjes uit Europa afkomstig.
Deze voorwerpen dienen om den bezittel van het
zwaardmes ongewone krachten te verleenen. Ook wel
om regen te veroorzaken en te verdrijven).
Het opperhoofd staat geleund op zijn geweer voor
de zendelingen en zegt met een grimmig gelaat:
Waar is de tand van den krokodil?"
Sundermann en de jonge De Weerd, pas uit Europa
gekomen en aan zulke scnes niet gewoon, sidderen bij
dien aanblik. Ook de oudere zendelingen voelen zich
niet op hun gemak.
Thomas antwoordt bedaard: Mijn goede vrienden,
hoe vraagt ge mij dit. Ik ben er toch niet bij
geweest, toen zij verdronken, en zoowel het geld als
de andere voorwerpen heb ik z verzegeld uit de hand
van den beambte ontvangen. Zijt gij niet tevreden, ga
dan toch eens naar Goenoeng-Sitoli en beklaag u bij
den controleur."
Ik zal gaan!" antwoordt het opperhoofd en ver
dwijnt met zijn volgelingen zonder te groeten. De zen
delingen gevoelen zich nog niet veilig. De zendings-

21

vrouw lijdt vreeselijk, maar zij is een buitengewone


vrouw en wanneer Thomas kommervol in de toekomst
ziet, gaat zij naar hem toe, legt haar arm om den
krachtigen, maar nu en dan z zwakken man en fluis
tert hem toe: Nietwaar, wij staan in dienst van den
Meester! van onzen God en geen haar zal van ons
hoofd vallen zonder Zijn wil!"
De zendelingen verwachten iederen dag een overval,
maar de zendingsvrouw heeft gelijk gehad. God waakt
over zijn boden in het wilde Niasland en er gebeurt
voorloopig niets.
Het is Zondagmorgen. De zendingsklok roept de hei
denen tot de godsdienstoefening. Het is buiten nog niet
bijzonder warm. Een heerlijke morgen! Een echte Zon
dagmorgen! Mevrouw Thomas heeft de slaapvertrek
ken in orde gebracht. De huisjongen, die zooeven
klaar gekomen is met het vegen van de voorgalerij,
heeft zich in een net pakje gestoken. Op de tafel in de
kleine binnenkamer legt de huisvrouw een mooi kleed,
want het is vandaag Zondag. Ze wil het huis vooral
op den Zondag zoo mooi mogelijk maken voor haar
man, die zooveel aan zijn hoofd heeft, die in den nacht
dikwijls niet slapen kan, omdat de zorgen hem wakker'
houden. Zij strijkt eenige malen met de hand over het
kleed. Haar man heeft zoo graag alles netjes.
Dan gaat ze op de voorgalerij zitten en kijkt naar
de zee, naar het strand, dat niet ver beneden den voet
van den berg ligt.
Nu zij zoo rustig zit, dwalen haar gedachten van den
een naar den ander. Zij denkt ook weer aan haar lief
kind, dat zij den Heer heeft moeten geven. Zij is toch
ook niet zoo sterk als zij zich aan haar man voordoet.
Wanneer zij zoo aan alles denkt, dan komt de gedachte
bij haar op: Ach, ware ik toch nooit de vrouw van een
zendeling geworden!" Haar gedachten gaan dan terug

22

naar de tijden, toen zij nog een jong meisje was. Hoe
goed had ze het vroeger. Zij denkt aan haar ouders, aan
de broeders en zusters, aan het heerlijke land, waar zij
opgroeide. Hoe lieflijk was het thuis op den Zondag
morgen! Dan luidden overal de klokken, die de menschen tot kerkgaan noodden. Dan genoot men in de
kerk van het gemeenschappelijk zingen van die heer
lijke liederen! Hoe mooi speelde het orgel en wat was
het een genot naar de ernstige woorden te hooren van
den vromen prediker. En dan die wandeltochten in
aangenaam gezelschap in het heerlijk bosch!
De vrouw van een zendeling!" Het is waar zij heeft
veel, veel moeten verlaten, maar betreurt zij het inder
daad de vrouw van een zendeling geworden te zijn?
De zee aan haar voet beneden aan den berg met de
opkomende en wegvloeiende golven ziet zij niet meer.
Haar hoofd rust op haar hand. Zij peinst, zij denkt
ernstig over deze vraag na. Als in een nevel komt voor
haar geest het beeld, hoe haar man, als krachtig, jong
zendeling, eenige jaren geleden haar hand vroeg. Hoe
blijde was zij toen met dit aanzoek. De zielsbeelden
volgen snel elkander op. Zij denkt plots ook aan haar
zielszorger, die op de catechisatielessen eens over het
lijden sprak. Hoe hij de menschen in twee deelen groe
peerde. De menschen, die voor zich zelf leefden, die
slechts aan vreugde en genot dachten en de men
schen, die voor anderen leefden, wier lust het was voor
anderen te lijden ja, indien noodig, ook voor ande
ren te sterven. Hij vertelde dan verder, hoe de eerste
soort menschen geen spoor op aarde achter lieten. Zij
leefden zonder blijvend nut voor hunne medemenschen. De tweede soort menschen waren lichten op
deze duistere aarde, waarnaar hunne armere medemenschen opkeken om den weg tot het vaderhuis te vinden.
De vrouw van een zendeling!'' en spontaan roept

23

zij luide: God ik dank U, dat ik de vrouw ben van een


zendeling!"
Hoor! De zendingsklok begint te luiden: Bim-bam
bim-bam!" Zij roept de woeste heidenen om Gods
Woord te hooren, om den Zondag te heiligen. Onwille
keurig wordt zij herinnerd aan het liefelijk gezegde
van haar dochtertje: Vader, waarom luidt de goeroe
de klok niet? Zeg hem, dat hij de avondklok luid; ik
hoor dat zoo gaarne, want zij roept de Niassers tot
Gods Woord!"
Krampachtig knijpt zij haar handen tezamen. Opeens
kijkt zij achter zich of misschien haar geliefde echtge
noot haar smart ziet. Neen, gelukkig, hij is er niet. Zij
is alleen. Daarover verblijdt zij zich. Zij legt haar gelaat
in de magere handen en weent, weent bitterlijk. Het
verkwikt haar en dan overtrekt een heilig licht haar
gelaat en zij bidt: Heer moge het offer, dat wij u
brachten, niet tevergeefs geweest zijn!"
Bim-bam-bim-bam!" roept de klok onophoudelijk en
ziet, er komen ook reeds menschen. Eenige zelfs sterk
gewapend, maar niet om Gods Woord te hooren. Neen,
omdat de Sioeloe het zoo gewenscht heeft.
Faosi-Aro, met gebaren aan een vorst eigen, staat
plots voor de weenende vrouw. Zooveel takt heeft hij
toch, dat hij voor de droefheid van een vrouw zich in
acht neemt.
Nauwelijks voelt de vrouw zich niet meer alleen, of
zij droogt snel haar tranen, staat op en vraagt vriende
lijk het opperhoofd wat zijn wenschen zijn.
Awe!" (Grootmoeder) zegt het opperhoofd. Het is
vandaag toch Zondag nietwaar? Ik ben met mijn krij
gers gekomen om Gods Woord te hooren, waar is de
Toea?"
Het is goed, dat ge komt, hebt gij ook uw vrouw
medegebracht en de krijgslieden hunne vrouwen, opdat

24

ook dezen Gods Woord hooren?" vraagt de zendings


vrouw.
Lachend zegt daarop de vorst: De vrouwen zijn er
om te werken. Wij mannen om te spreken. Zie!" hij
wijst naar het strand, waar vrouwen en jonge kinderen
met manden op den rug gaan om zoete aardappelen en
andere landvruchten te halen daar gaan zij!"
Kom mede, ik zal u tot mijn man brengen, hij zal
in de loods zijn met den anderen Toea, want daar zal
wel de godsdienstoefening vandaag gehouden worden!"
zegt de vrouw en zij voert het opperhoofd door het
middenvertrek. Hier blijft de vorst voor de tafel staan,
wrijft met zijn ongewasschen handen over het mooie
tafelkleed en zegt: Mooi, Ina (moeder), zou dit niet
iets voor mij kunnen zijn? Mijn deken is reeds lang
versleten en bij de Chineezen heb ik niet zoo iets moois
ontdekt!" De zendelingsvrouw vat hem bij den arm en
zegt: Kom, ga mede, ge woudt toch de godsdienst
oefening bezoeken!"
Zij brengt hem naar achteren, waar haar man met de
andere zendelingen staat, omgeven door tal van inboor
lingen.
De godsdienstoefening is begonnen. Zie, welk een
wonderlijk schouwspel vertoont zich aan ons oog.
Fao'si-Aro, de gevreesde krijgsman, zit op een kist en
laat zijn blikken overal heengaan. In zijn mond heeft
hij een groote pruim en spuwt zoo nu en dan het roode
sap naar alle richtingen. Eenige krijgslieden met hun
speren op de knien hebben het voorbeeld van den
vorst gevolgd. Ook enkele schoolkinderen zijn geko
men. Zij zitten rustiger dan de mannen. Dit hebben zij
op school geleerd.
De jonge zendeling De Weerd is in huis gebleven om
de wacht te houden. De zendelingen Thomas en Lagemann zitten voor een tafeltje, waarop eenige boeken

25

liggen. Mevrouw Thomas heeft naast haar man plaats


genomen. Zij is gekomen tot een goed voorbeeld voor
de inlandsche vrouwen, maar niet n vrouw heeft dat
voorbeeld gevolg'd. De goeroe laat een lied zingen. De
schoolkinderen zingen flink door, maar de mannen, die
het zingen van de blanken o zoo wonderlijk vinden,
stooten elkander aan en maken allerlei grimassen.
Faosi-Aro kijkt nu en dan zijn onderdanen en dan
weer de Europeanen aan en in zijn hart maakt hij ver
gelijkingen tusschen zijn lieden en die vreemde menschen uit Sijefo, die altoos van liefde spreken en van
een God der liefde, die Zijnen Zoon in den dood zou
gegeven hebben om alle menschen zalig te maken. Hij
schudt lachend zijn hoofd. Welk een dwaasheid!
Hoor, de zendeling spreekt van zijn gestorven kind.
Faosi-Aro let op. Ook de wilde krijgslieden schijnen
belangstelling te krijgen in het woord van den Pandita.
Zij houden op met gekheid maken
En ziet, mijn
vrienden, zoo lief als God ons heeft, zoo lief kunnen
wij elkander wel niet hebben, maar wie Gods kind
geworden is, leert toch Gods liefde verstaan en pro
beert ook in dit opzicht God gelijk te worden. Daarom
willen wij menschen van Sijefo ook u liefhebben.
God geeft ons daartoe de kracht. Wij verbinden uwe
wonden, terwijl wij geen betaling nemen. Wij onder
wijzen uw kinderen, opdat zij kundiger zouden worden.
Ja, zoo lief hebben wij u, dat wij ook ons kind gegeven
hebben. Nietwaar (hier wordt zijn stem week) het had
niet behoeven te sterven, zoo wij in Sijefo gebleven
waren? Wij hebben het gegeven, opdat wij u zouden
gewinnen, opdat ge met ons Gods kinderen zoudt wor
den. En wanneer het noodig zou zijn, dan willen wij
ook ons leven in den dood geven, zoo gijlieden daar
door slechts andere menschen zoudt willen worden!"
Mevrouw Thomas pinkt een traan uit haar oog. De

26

schoolkinderen luisteren doodstil of zij iets begrijpen


kunnen. Ook in de ruwe harten der wilde koppensnel
lers-schijnt een zaadje voor de eeuwigheid gevallen
te zijn. Het opperhoofd houdt strak zijn oogfcn gericht
op dien blanken man met dien langen baard, die zoo
oneche" (knap) is in het spreken, dat hij de harten
kan week maken.
Na de godsdienstoefening gaan de Niassers naar
hun dorp terug, maar het schijnt alsof zij bij het weg
gaan minder rumoerig zijn.
Geen land wordt veroverd zonder bloedige offers.
Geen volk wordt gechristianiseerd zonder veel lijden
en ontbering aan de zijde der zendboden.
Aan den avond van dezen dag, toen de klok haar
lied gezongen had en een zachte avondwind in de
woning van den zendeling koelte bracht, hoorden de
van het veld terugkeerende Niassers door Europeanen
een lied zing'en.
't Is uw zaak, o Hoofd en-Heer!
De zaak, waarvoor wij staan,
En daar het geldt Uw zaak, Uw eer,
Kan zij niet onder gaan;
Maar 't tarwegraan, opdat het blij,
Ontspruit' en groei' en vruchtbaar zij
Moet sterven in der aarde schoot;
Eerst aan het eigen leven dood,
Door sterven dood,
Aan 't eigen leven dood!
Eenige dagen zijn sindsdien verloopen. Wij vinden
in de studeerkamer van de zendingswoning zendeling
Thomas en den jongen De Weerd tezamen. De oudere
collega deelt den jongeren zijn ervaringen mede, die hij
in Zuid-Nias opgedaan heeft.
Gisteren heeft Thomas in de Niassische taal onder-

27

wezen. Vandaag wil hij De Weerd met dezeden en


gebruiken van het volk bekend maken. Onderwijl
Thomas vertellenderwijze onderwijst, maakt De Weerd
in zijn cahier aanteekeningen.

Zeden en gebruiken der Znid-Niassers.


In Zuid-Nias", zoo verhaalt de oudere zendeling,
heeft men drie standen, die scherp van elkander
gescheiden zijn. Men heeft:
1. De adellijken (Sioeloe).
2. De vrije onderdanen (Sato).
3. De slaven (Sawoejoe of Harakana).
Men heeft onder de sioeloe's ook rangen. De eerste
sioeloe is het hoofd van een dorp. De kinderen van
een sioeloe moeten, voordat zij zelf sioeloe worden,
een aantal feesten gegeven hebben. Gewoonlijk zes of
zeven feesten. Op zulke feesten wordt veel gedronken
en gegeten. Het schijnt nu en dan alsof aan het feest
vieren geen einde wil komen, want ieder kind van een
sioeloegeslacht beijvert zich om zoo spoedig mogelijk
zijn plicht na te komen, om in den rang zijner voor
ouders op te klimmen. Uit het geslacht der sioeloe's
is de regeerende vorst voortgekomen. Deze behoeft niet
altoos de oudste te zijn. Wie sterk van lichaamsbouw
is, veel moed heeft, brutaal en rijk is en vriendelijk
tegen de sato, komt het eerst in aanmerking. Deze
vriendelijkheid houdt op, wanneer hij zijn doel bereikt
en het heft in handen heeft.
Zoo is het wel te begrijpen, dat ieder uit het geslacht
der sioeloe's het eens probeert heerscher te worden
in zijn dorp. Moord en doodslag komen daarbij dikwijls
voor. Zoo b.v. verdreef Faosi-Aro met hulp van het

38

dorp zijner vrouw alle rechtmatige trooncandidaten en


rijke sioeloe's met hunne familie's uit Bawo-Lowalangi. De uitgewekenen verzamelden zich op een ande
ren heuvel en bouwden een nieuw dorp. Het nieuwe
dorp had vijftig bewoners. Niet lang daarna beoor
loogde Faosi-Aro dit nieuwe dorp. Elf mannelijke per
sonen uit het sioeloegeslacht kwamen daarbij om het
leven. De overgeblevenen werden tot slaven gemaakt
en naar Bawo-Lowalangi medegevoerd.
Daar Faosi-Aro geen geld had, want in zijn jeugd
had hij niet gespaard, liet hij zich nu hij de teugels
van het bewind in handen had honderd batoe goud
door zijn eigen onderdanen uitbetalen.
Een batoe goud heeft een gewicht van een gulden
en een waarde van tien tot twaalf gulden. Dit was het
begin van zijn rijkdom, eer en macht.
Toen men hem verweet, dat hij de sioeloe's ver
moord had, zeide hij, dat dit slechts een wraakoefening
was, omdat de gedoode sioeloe's zijn oudsten broe
der vergiftigd hadden en zijn broeder hem bevolen
had wraak te nemen.
Ook de sato hebben hunne vaste regelen. Uit de
sato worden de raden en ministers gekozen, die teza
men met het hoofd een soort regeering vormen. Deze
sato* kunnen nooit sioeloe worden, daar een sioeloe
*
steeds uit een sioeloegeslacht moet voortspruiten.
De sato mogen niet naar goeddunken hun dorp verla
ten om ergens anders te wonen, want ieder vorst zoekt
zijn onderdanen vast te houden, omdat zij noodig zijn
voor het bestaan van een dorp. Gaan ze toch weg en
neemt een ander dorp ze op, dan is dit dikwijls oorzaak
van langdurige oorlogen tusschen de beide dorpen.
In het Zuiden van Nias waren tot voor enkele jaren
zeer veel slaven. De eenoogige vorst van het grootste
en machtigste dorp Bawo-Matoea, die den roemrijken

29

naam voerde: Sanabo Hoelandra" (degene, die de


Hollanders verslagen heeft), en die voor 60.000 gulden
aan gouden sieraden in zijn huis had, beschikte over
500 slaven en slavinnen. (Opmerking: De Zuid-Niassers hebben tweemaal de soldaten der regeering ver
slagen).
Slaven worden zij, die gevangen genomen worden
of die door schulden maken gedwongen werden zich
.zelf te verkoopen.
De kinderen der slaven worden weer slaven. De
meeste slaven wonen familiegewijze in hun kleine hui
zen, niet altoos in de nabijheid van hun meester. De
behandeling is, naar gelang de bezitter goed of wreed
is, verschillend. Werken, ja, zelfs hard werken onder
regen en zonneschijn, moeten zij allen. Bij ziekte wordt
slechts zelden voor hen geofferd. De dooden worden
eenvoudig zonder kist in het bosch of op het veld
geworpen, waar honden zich aan hun lichaam vergas
ten. Ik zelf zag in Bawo-Mataloeo hoe men het lichaam
van een dooden slaaf aan een touw over de steenen
sleepte. Toen ik daartegen protesteerde, werd mij
gezegd: Het is maar een slaaf!"
De slaven worden verkocht, verruild en wegge
geven. De prijs van een sterken en goed gebouwden
slaaf is 70. en een varken.
Hier en daar vindt men ook gegoede slaven, die eenig
bezit hebben. Zij worden dikwijls gebruikt om de an
dere slaven te bewaken. Bij groote uitzondering kun
nen zij zich vrijkoopen. Het is mij eenmaal voorgeko
men, dat ik een man ontmoette, die zich zelf en zijn
moeder tegen den prijs van 700. losgekocht heeft.
Dikwijls loopen slaven weg naar andere dorpen.
Wanneer zij teruggebracht worden, ontvangt de bren
ger de helft van den prijs. Vele van de weggeloopen

30

slaven worden niet uitgeleverd. Dit is weer oorzaak,


dat dorpen elkander beoorlogen.
Worden de slaven teruggebracht, dan brengt men ze
onder de hevigste martelingen ter dood, tot een waar
schuwend voorbeeld voor de andere slaven.
Eens werden drie slaven levend aan een boom vast
gespijkerd. Van twee slavinnen sloeg Faosi-Aro met
zijn zwaardmes den ruggegraat door, omdat zij eenige
bladeren van de owiplant gestolen hadden.

De Priesters.
Het gewone priesterdom is niet erfelijk, maar naast
de priesters staan de priesterkoningen, die dikwijls
meer macht en aanzien hebben dan de opperhoofden.
Hunne kinderen worden gewoonlijk weer priesters.
Verscheidene stammen, die vroeger tot n stam
behoorden dat wil zeggen n stamvader gehad
hebben hebben gemeenschappelijk twee zulke
priesterkoningen. De eene priesterkoning bewaart het
mannelijke afgodsbeeld der voorouders, de andere
het vrouwelijke.
De titel, dien deze priesterkoningen dragen, is: BoroNadoe (d.i. hoeder, bewaarder van het afgodsbeeld).
De Boro-Nadoe zijn van vorstelijken bloede. Zij vor
men den hoogsten adel in het land. Eenmaal in het
jaar offeren alle dorpen in opdracht van de BoroNadoe, opdat de planten en veldvruchten goed mogen
gedijen.
Een verzoek hunnerzijds mag door niemand gewei
gerd worden. Zij dragen geen wapenen. Zij mogen niet
in den strijd mede-optrekken. Wordt een der BoroNadoe's vermoord, dan brengt ieder goud bijeen om
den dood te wreken.
De Boro-Nadoe wordt door ieder Ama (Vader)

31

genoemd. Enkele spijzen mogen zij niet gebruiken.


Alle zeven jaren bezoeken zij officil de dorpen, die
tot hun ressort behooren. Zij worden dan overal met
de grootste eerbewijzen ontvangen. De opperhoofden
komen eerbiedig nader en de Boro-Nadoe breidt zege
nend zijn handen over hen uit en besprengt hun
voorhoofden met water. De verzamelde menigte
wordt ook met water besprengd. Van alle familin
ontvangen zij geschenken. De dragers van de geschen
ken worden door den priestervorst nog extra gezegend.
De godsdienst der Zuid-Niassers is voornamelijk
voorouderdienst. Zij gebruiken daartoe in hoofdzaak
twee menschenfiguren, uit een bepaald soort hout
gesneden. Verder wordt nog een klein afgodje ver
eerd, dat een rijken kinderzegen moet schenken.

Het koppensnellen.
Ook het koppensnellen schijnt in Zuid-Nias met
den voorouderdienst verband te houden. In vroeger
tijden (zoo wordt verhaald) hebben de Noord-Niassers
(door de Zuid-Niassers Aramo" genoemd) een hoofd
van een sioeloe gesneld. Daarvoor moet door de ZuidNiassers telkens en telkens weer wraak genomen wor
den. Namen zij geen wraak, dan zouden de voorouders
toornig op hen worden. Dit is ook de oorzaak, waarom
men bij iedere gelegenheid hoofden laat snellen, zoo
b.v. bij het uitbreken van een oorlog, ook wanneer
een sioeloe een huis of een gemeentehuis bouwt, ver
der wanneer een sioeloe sterft of opdat de vestingmuur
niet moge invallen. Voorts dient men hoofden te snel
len, wanneer alle voorgeschreven feesten gevierd zijn.
Ik zag eens in een gemeentehuis 47 hoofden, die op
n dag gesneld waren. Dat noemden zij Goddelijke
Religie".

32

Voordat men moordenaars zendt of voordat men


slag levert, moet eerst een varken geslacht worden.
Uit de lijnen van het hart van het geslachte dier ziet
de priester, of men geluk of ongeluk zal hebben. Zijn
de lijnen goed, dan wordt den afgoden geofferd en
Lowalangi (God) wordt om een zegen gevraagd.
Voordat zij dan op de menschen jacht gaan maken,
leggen zij een aantal klokjes op de aarde en wordt door
hen het volgende uitgesproken:
Hier is de plaatsvervanger van mijn ziel
Het losgeld van mijn lichaam.
Druk neer mijn vijand, verheerlijk mij.
Maak zoo licht mij als een nachtvlinder.
Licht gelijk de vlinder, die bij dag vliegt.
Schenk mij uw hulp o Godl
Want mijn vijand heeft zich aan mij bezondigd.
Werp stof in zijn oogen, dat hij mij niet ziet!"
Na dit gebed gaan ze weg, in hun hart ten volste
overtuigd, dat geen vijandelijke kogel of een Steek van
de lans hen wonden kan.

De oorlogDe Zuid-Niassers trekken in den oorlog in drie


kolonnen ten strijde. Ook in den hevigsten strijd wordt
deze orde niet verbroken. Tusschen deze drie kolon
nen, die met lansen en geweren zijn gewapend, worden
de scherpschutters met geweren opgesteld. Iedere
kolonne heeft twee officieren, voorvechters genoemd.
En van deze voorvechters treedt op. De ander houdt
zich schuil, totdat de eerste gevallen of vermoeid is.
Ongeveer tien schreden van elkander verwijderd
nemen de strijdende partijen hare stellingen in. Op de
voorvechters worden hoofdzakelijk de lansen gewor-

33

pen en de geweren afgeschoten, deze mogen nooit


hunne wapenen wegwerpen. De naar hen geworpen
lansen pareeren zij met schild en lans, en tegen de
kogels zoeken zij zich te beschermen, door zich plot
seling op den grond neer te werpen.
Waar het bij den voorvechter hoofdzakelijk op aan
komt is, dat hij stand weet te houden. Een schrede
terug kan den moed der volgelingen doen wijken, want
dan komt de vijandelijke voorvechter een schrede
nader.
Wordt de voorvechter gewond of is hij doodelijk
vermoeid, dan eerst mag hij terug en treedt de reserve-voorvechter in diens plaats.
Terwijl de voorvechters met elkander strijden, wer
pen de krijgslieden uit de kolonnes elkander met hun
lansen. Dikwijls wordt de lans door den vijand han
dig opgevangen. Ieder gevangene wordt niet alleen
gedood, maar ook vreeselijk toegetakeld en in stuk
ken gesneden. Zijn hoofd neemt men naar het dorp
mede.
De vluchtelingen worden door de hunnen met min
achting behandeld. Ja, het komt voor, dat zij gedood
worden. Na ieder gelukkig gevecht komen de over
winnaars met palmen getooid, zingende in hun dor
pen terug. Hier aangekomen, ontvangen zij van den
vorst nieuwe namen. Zooals zij zich in den strijd
gedragen hebben, zoo worden hunne namen. B.v.
olifant, tijger, negen booze geesten, de ijzeren hand,
hoed, jas enz.
Als teeken, dat vijanden in de nabijheid zijn, geldt
regen bij zonneschijn of de aanwezigheid van een klei
nen vogel, die snel wegvliegt, wanneer men hem toe
roept: Vlieg weg, wanneer vijanden in de buurt
zijn!"

34

Het huwelijk.
De Zuid-Niassers mogen niet uit hun eigen stam
een vrouw nemen. Vier getrouwde vrouwen en even
veel mannen halen de bruid af, die stil volgt, zonder
dat men haar behoeft te trekken, zooals dit in NoordNias het geval is.
In en voor het huis van den bruidegom verzamelen
zich de verwanten om bruiloft te vieren. In het huis
vindt de inzegening plaats door een priesteres. Het
jonge paar neemt plaats onder de afgoden der voor
ouders. De priesteres legt haar hand op het hoofd van
de bruid en zegt:
Uw vader en uw moeder zijn tevreden!
Onze vader en onze moeder (het opperhoofd en
diens vrouw) hebben het gehoord
Uw verbintenis is volgens het recht.
De ouden hebben U getrouwd, zooals het behoort.
O, dat ge jongens, o, dat gie meisjes tot kinderen
krijgt!
Uw oom van moeders zijde is met uw huwelijk
tevreden.
Veel goud hebt gij hem gegeven.
Uw moeder is tevreden. Uw vader is tevreden.
Want zij hebben voor u een prijs ontvangen!"
Daarna neemt de priesteres een kind en legt het op
den schoot van de bruid en spreekt:
O, dat ge negen zonen en negen dochters moogt
krijgen!
Opdat het opperhoofd door u verheerlijkt worde!"
Dan wordt het kind op den schoot van den bruide
gom gelegd en zegt de priesteres tot hem hetzelfde
an zooeven.
Is deze ceremonie voorbij, dan wordt gegeten. Na
den maaltijd wordt water in een vat gedaan en goud

35

een waarde vertegenwoordigende van een gulden


in het water gelegd als loon voor de priesteres. Zij
neemt van dit water en besprenkt daarmede de hoof
den van het jonge paar, terwijl zij nog het volgende
uitspreekt :
,.Ik ben tevreden, gij hebt u aan mij onderworpen!
Gij hebt mij gegeven, wat mij toekomt! Ik ga weg!"
Wanneer de priesteres zich verwijderd heeft, gaan
ook de gasten paars- en groepsgewijze weg.
Vier dagen daarna brengt het jonge paar in gezel
schap van eenige bloedverwanten een bezoek aan de
ouders van de jonge vrouw. Zij nemen geschenken
mede, worden door de ouders goed ontvangen, getracteerd, en dan ook van geschenken voorzien.
Is het eerste kind geboren, dan wordt het na eenige
dagen tot den grootvader gebracht en ontvangt het
kind van hem geschenken.

De dood.
Bij het sterven vertoont zich ook bij dit hoogdunkende volk een gevoel van verlatenheid en droefenis,
die mij dikwijls tranen in de oogen deden komen. Niet
den stervende wordt, zooals dit in Noord-Nias
gewoonte is, het laatste eten door de bloedverwanten
gegeven, maar den doode. Zij houden de spijze voor
den mond van den gestorvene. Hier begint reeds de
voorouderdienst.
Wanneer de ziel het lichaam verlaten heeft, begint
het doodenbeklag. Hoe voornamer en rijker de doode
was, hoe luider het geween. Al zijne kleeren en sie
raden worden hem nogmaals aangedaan of in zijn
nabijheid ten toon gespreid.
Wie met den doode het naast verwant was, blijft
tot hij begraven wordt in diens nabijheid. Wordt de

36

doode uit het huis gedragen, dan doen zij alsof zij het
lichaam willen vasthouden en verhinderen, dat het
weggebracht wordt.
Is een groot sioeloe gestorven, dan wordt hij op
een draagstoel met touwen vastgebonden en op het
dorpsplein met veel geschreeuw rondgedragen.
Niet in, maar buiten het dorp wordt de doode in de
kist geborgen, want zou dit in het dorp zelf plaats vin
den, dan ware het niet onmogelijk, dat de geest van
den doode andere geesten van de levenden zou mee
nemen.
Met arme dooden gaat men niet zoo zorgvuldig om.
Zij worden gauw in een kist gelegd of op de begraaf
plaats ergens aan een boom gebonden.
Ook gebeurt het wel eens, dat men ze eenvoudig op
den grond in het bosch neerlegt. Van een b e g r a v e n
der dooden kan men in Zuid-Nias dan ook eigenlijk
niet spreken. Zij worden in hunne kisten op de Atela
(begraafplaats) op palen geplaatst.
Naar het dorp Hili sihn loopt een weg in de na
bijheid van zoo'n Atela. Daar was het mij niet mogelijk
adem te halen, vanwege de slechte lucht, die daar
heerschte."
Eenige maanden zijn na dit onderricht voorbijge
gaan. Moeilijkheden na moeilijkheden stapelden zich
voor de kleine zendingsfamilie op. De zendingsvrouw
wordt ernstig ongesteld. En de jonge De Weerd wordt
krankzinnig. Maar de duisternis der ziel duurt geluk
kig niet lang. Spoedig wordt een tweede graf in ZuidNias gegraven en de jeugdige zendeling daarin
gelegd, ver, ver weg van zijn geliefden.
Weer ligt de Denninger" in de schoone baai van
Telok-Dalam. Mevrouw Thomas is zoo ongesteld
geworden, dat zij het eiland moest verlaten. De moe-

37

dige vrouw neemt met haar kinderen van haar man


en van Lagemann afscheid.
Het schip heeft zijn anker gelicht. De beide mannen
blijven alleen achter en gaan stilzwijgend weer naar
de zendingswoning. Een oogenblik komt het Thomas
voor, alsof alle vreugde met het vaartuig verdwenen
is. Een akelig onbeschrijfelijk gevoel vervult zijn hart.
Zijn keel is als toegeknepen. De groote sterke man is
zwak, zeer zwak geworden; onwillekeurig pinkt hij
een traan uit het oog. Daar plotseling komen hem
weer de bekende regels van het heerlijke lied in de
gedachten:
Maar 't tarwegraan, opdat het blij,
Ontspruit' en groei' en vruchtbaar zij
Moet sterven in der aarde schoot;
Eerst aan het eigen leven dood,
Door sterven dood,
Aan 't eigen leven dood!
Deze regels verklaren hem eenigermate het onbe
grijpelijk waarom" in het zendingsleven.
Thuis gekomen bespreken beide mannen nogmaals
het zendingswerk op Zuid-Nias. Zij merken beiden,
dat de situatie hoe langer hoe neteliger wordt. FaosiAro wordt door bijna ieder dorp beoorloogd. Thomas
en Lagemann hebben zich tot nu toe strikt neutraal
weten te houden, maar een gebeurtenis zou aan dezen
toestand plots een eind maken.
Faosi-Aro had, zooals ons hierboven werd mede
gedeeld, steeds succes bij het beoorlogen zijner na
buren. En dit succes schreef men hoe langer hoe
meer toe aan de kracht, die er van de blanken uit
ging. Van de blanken, die nu in de onmiddellijke na
bijheid van Faosi-Aro woonden.
Ook had men bij de blanken instrumenten gezien,
waarmede men heel, heel ver kon zien. Ja zoo ver-

38
telde men elkander met die instrumenten kon men
het verborgene openbaar maken.
Eens toen de naburen weer een inval wilden doen
in het dorp, en zij zich in het hooge gras verscholen
hadden, werden zij door Faoela, den hulpgoeroe van
Thomas, gezien, die dit dadelijk Faosi-Aro mededeelde.
Toen de vorst hiervan bericht ontvangen had, zond
hij dadelijk een zijner sioeloe's met een honderdtal
strijders naar de aangeduide plaats. Gelijk slangen
bewoog zich de troep onbemerkt door de boomen en
het hooge alang-alang (gras), tot de in een hinderlaag
liggende vijanden. Hier aangekomen laat plots de
sioeloe den oorlogskreet hooren, die nu door een hon
derdtal kelen herhaald wordt. De zwaardmessen zijn
uit de scheede genomen en gelijk een wervelwind wer
pen zich de woeste strijders vaji Faosi-Aro op de
niets vermoedende vijanden.
Een hevige strijd vangt aan. De vijand vlucht wel
dra en laat eenige dooden op het slagveld achter. Met
de hoofden der verslagenen komen de krijgslieden van
den strijd terug. Op het dorpsplein aangekomen, voe
ren zij een krijgsdans uit. Zie, hoe woest hunne geba
ren zijn en hunne oogen van onder hunne helmen en
oorlogshoeden schitteren! De trommels en de gongs
worden geslagen. Een gestoelte met den kop van een
draak er voor en de pooten van een draak er onder,
wordt uit een der huizen gehaald. Foasi-Aro plaatst
zich daarop met den sioeloe, die den slag gewonnen
heeft. Sterke mannen nemen het op en dragen het toe
stel met de beide mannen er op, op hunne schouders.
De wilde krijgslieden scharen zich daar omheen. De
bebloede hoofden worden door jongelingen voorop
gedragen en de stoet stelt zich langzaam in beweging.
Een voorzanger dicht een lied ter eere van het opper
hoofd en van de overwinnaars. Het luidt ongeveer als
volgt.

39

De voorzanger zegt op zingende wijze een regel


van zijn gezang. De menigte, die zich met den voor
zanger langzaam voorwaarts beweegt, stampt met den
rechtervoet krachtig op den grond en herhaalt het
laatste woord of de laatste zinsnede van den regel.
(Nu en dan worden door enkelen woeste gebaren
vertoond om den toeschouwers te toonen hoe sterk
en moedig men is).
Voorzanger: Oeio! De vorst van Hilli-geho (een
dorp) toog op ten strijde".
De menigte herhaalt het laatste woord en stampt
steeds voortgaande hevig met den rechtervoet.
De menigte: Jaiah - Ten strijde".
Voorzanger: Talrijk waren zijn volgelingen en
groot was hun moed".
Menigte: Jaiah - Hun moed".
Voorzanger: Hij had gedacht te overrompelen ons
dorp en dat bij nacht".
Menigte: Jaiah - Bij nacht".
Voorzanger: Zij hadden zich verborgen als muize*
in het hooge gras".
Menigte: Jaiah - Het hooge gras".
Voorzanger: De vorst van Hili-geho toog op ten
strijde".
Menigte: Jaiah - Ten strijde".
Voorzanger: Met hem hadden zich verbonden zo
nen van Hili-sihn".
Menigte: Jaiah - Hili-sihn".
Voorzanger: Groot was hun moed, sterk hunne
bewapening".
De menigte beweegt zich woest. Jaiah-Bewapening".
Voorzanger: Zij werden uitgeleid door vrouw en
kind".
Menigte: Jaiah - Vrouw en kind".

40

Voorzanger: Tot daarheen, waar men pleegt zich


te baden".
Menigte: Jaiah - Te baden"
Voorzanger: Om te vernielen de plaats onzer
inwoning".
De menigte beweegt zich verschrikkelijk woest.
Jaiah - Onzer inwoning".
Voorzanger: Om te snellen onze hoofden".
De menigte is niet kalm te houden. Jaiah - Onze
hoofden".
Voorzanger: Om gevangen te voeren onze dochteren".
De menigte stoot met de lansen op den grond en
maakt met voeten en handen ontzettende bewegingen.
Jaiah - Onze dochteren".
Voorzanger: Om te bespotten Faosi-Aro, den
vorst"
Menigte: Jaiah - Den vorst".
Hoe-hoe-hoe-hoe-hoe!" Zoo schreeuwt en tiert de
heiden in zijn verschrikkelijke opwinding.
De menigte springt woest dooreen. De schilden
worden tegen de lansen geslagen. De bebloede hoofden
tronen op lange stokken boven de opgewonden volks
menigte. Faosi-Aro en zijn sioeloe houden zich vast
aan de leuning van het gestoelte, want de dragers zijn
zich zelf niet meer meester. Hoe-hoe-hoe-hoe-hoe
hoe-hoe-hoe-hoe!" Men werpt elkaar doorborende
blikken toe. Het is een duivelsch schouwspel!
Na eenigen tijd worden de menschen rustiger. De
voorzanger begint weer en de menigte zingt het
refrein. En dan, wanneer men moede is, gaat een ieder
op de steenen banken zitten. Nog eens elkaar vertel
lende, hoe het in den slag toeging. Intusschen worden
de varkens door eenige slaven uit de stallen gehaald
en geslacht. Tot diep in den nacht wordt feest gevierd.

4i
Zendeling Thomas is in zijn woning alleen. Lagemann is in Saoea. Thomas heeft het woeste zingen en
schreeuwen gehoord. Hij blijft ook tot middernacht
op. Hij kan niet slapen. Hij denkt aan de moeite en
het verdriet in de afgeloopen drie jaren. Zijn hoofd
rust tusschen de beide handen. Zijn gedachten zijn
bij vrouw en kinderen, die nu ver van hem verwijderd
zijn. Hij denkt ook aan het graf aan den voet van den
berg, waarop zijn goede vrouw bij het scheiden nog
eenige roode en gele bloemen geplant heeft. Hij denkt
aan het werk der zending in Zuid-Nias.
Hoe-hoe-hoe-hoe
hoe-hoe-hoe-hoe!" klinkt het
woest en hoonend tot hem door. De zendeling huivert.
Het werk der zending lijkt tevergeefs. Tevergeefs
die tranen. Tevergeefs dat lieve kind. Tevergeefs
die vele goederen door dieven geroofd! O, dat is nog
het minst, maar dat andere
! Alles, alles voor

niets!
Hoe-hoe-hoe-hoe-hoe-hoe-hoe-hoe!"
Zou dat waar zijn? Zijn gedachten gaan terug naar
dien Zondagmorgen, toen hij over de liefde sprak en
toen hij zeide, dat zijn lieve vrouw en hij hun kind
gaarne geofferd hadden, zoo slechts de Niassers Gods
kinderen zouden willen worden. Wat keek Faosi-Aro
hem toen strak aan en wat waren die woeste krijgers
rustig geworden!
Hoe-hoe-hoe-hoe-hoe-hoe-hue-hoe!"
Maar 't tarwegraan, opdat het blij
Ontspruit' en groei' en vruchtbaar zij
Moet sterven in der aarde schoot;
Eerst aan het eigen leven dood,
Door sterven dood,
Aan 't eigen leven dood!
Neen". De zendeling staat op, loopt eenige malen
door het vertrek. Neen!" het kan niet voor niets

42

geweest zijn. Een liefdedaad kan nooit zonder vrucnt


blijven en een liefdewerk, zooals het zendingswerk
moet vruchten voortbrengen; ook wanneer die vruch
ten eerst in andere tijden rijpen!
Een week later ligt een klein oorlogsvaartuig in de
baai van Telok-Dalam. Bestuursambtenaren zijn ge
komen om eens te informeeren naar den toestand in
Zuid-Nias. Zij spreken ook met de zendelingen en het
gevolg is, dat de regteering het beter acht, dat de
evangelieboden het Zuiden van Nias verlaten. Thomas
en Lagemann protesteeren, maar de regeering gebiedt.
In allerijl brengen Thomas en Lagemann hunne
goederen op het schip. Maar iets hebben zij vergeten.
De trouwe klok! De klok, die zoo dikwijls de Niassers
tot Gods woord geroepen heeft. De klok blijft in
Zuid-Nias.
Ziet, het oorlogsvaartuig verlaat de baai. Zwarte,
dichte rookkolommen duiden aan, dat het schip zich
in beweging gezet heeft. Thomas en Lagemann staan
op het dek en staren weemoedig naar die plaatsen,
waar zij Gods Woord gezaaid hebben en toch niet
mochten oogsten.
Hoor, wat is dat?" De beide mannen kijken on
willekeurig elkander aan. Uit de verte hooren zij de
stem van het zendingsklokje. Hoor! Het klinkt zoo
lieflijk, zoo innig tot het schip door. De klank komt
over de ongezonde koraalriffen over het graf van het
lieve kind, dat nu achter moet blijven, sprekende nog
altoos van een liefde, die de koppensnellers niet
kennen.
Het schip vaart langzaam de baai uit en de stem
van het zendingsklokje roept steeds den scheidenden
na: Bim-bam-bim-bam! Hoe kunt gij mij verlaten,
verlaten mij!"

43
Vele jaren zijn sindsdien voorbijgegaan. In NoordNias gaat het zendingswerk met veel zegen voort. Op
de westkust van Nias heeft zendeling Krumm vrucht
baar mogen arbeiden, maar Gods werk op aarde ver
langt offers en Krumm en zijn voortreffelijke gade
leggen hunne moede hoofden kort na elkander neer in
een Niassisch graf.
^un eenig kind gaat zonder ouders ziekelijk naar
Europa. Andere Godsboden komen en bezetten hunne
plaatsen. Het zendingswerk gaat voort, ook wanneer
de arbeiders er niet meer zijn. Ook de Iraono-Lase,
waar vroeger de zendelingen Kdding en Mohri in
Fagoel hebben gewerkt, maar daarna hun werk heb
ben moeten staken, omdat het slechts ploegen op
rotsen was, krijgen een nieuwen zendeling, die in de
nabijheid van Fagoel zijn woning bouwt en hun van
Jezus vertelt. Het is zendeling Bieger. Maar niet lang,
slechts zes jaren, kan hij hier blijven, dan verlangt men
zijn krachten in Zuid-Nias om daar in de plaats van
Thomas weer opnieuw het Zendingswerk te beginnen.
Het zijn andere tijden geworden. De regeering heeft
haai beambten ook naar het Zuiden van Nias ge
zonden. Weer wordt Telok-Dalam bezet. Faosi-Aro is
reeds lang dood. Zijn graf staat langs den steilen weg,
die het strand met het dorp verbindt
Bawo-Lowalangi heeft niet meer zoovele inwoners.
Het dorp ziet er vervallen en arm uit. Het is wel het
armste dorp van geheel Zuid-Nias geworden.
Zie, een Europeaan met een breeden 'hoed en een
stok in zijn hand gaat langzaam den bergl op naar
boven. Hij wischt zich het zweet van zijn voorhoofd
en blijft dan even staan om het verrukkelijk schouw
spel aan den voet van den berg te bewonderen. Eenige
meisjes met bamboekokers op haar naakte rugfgen
gaan hem voorbij om in de Hele" (badplaats) water
te halen. Ze gaan schuw zonder een groet voorbij.

44
De zendeling blijft hier eenige minuten staan. Zijn
borst gaat hijgend op en neer, want de steile weg
en de gloeiende middaghitte hebben hem vermoeid.
Zacht fluistert hij: Dus hier hebben Thomas en Lagemann gewerkt. Hier zooveel geleden!"
Hoor, wat is dat? Van boven uit het dorp dringt
een eigenaardig bekend geluid tot hem door. Een
geluid, dat hij meer gehoord heeft, dat hij in het
Noorden van het eiland zoo dikwijls hoorde. Het is
alsof een klok zachte tonen fluisterde! De zendeling
denkt na. Het is toch niet mogelijk, dat men hier een
klok heeft. Hoor, weer die tonen: Bim-bam-bimbam!" Alsof iemand met een hout tegen een klok slaat.
De zendeling hoort nog* eenigen tijd toe, maar de
tonen zwijgen. Nu uitgerust gaat hij weer verder den
berg op. Boven op den berg in het dorp gekomen,
ziet hij hoe arm en vervallen er alles uitziet. Magere
varkens loopen langs de huizen om voedsel te zoeken.
De mannen zijn weg. Het dorp is bijna leeg. Slechts
eenige opgeschoten jongens en oude vrouwen, die
niet meer het dorp verlaten kunnen, zijn in de huizen.
De civiel-gezaghebber heeft de mannen noodig voor
rodidienst. De jongere vrouwen zijn met hare kleine
kinderen in de ver verwijderde velden om de tuinen
te bewerken.
Sidofa is nu opperhoofd van het dorp. Hij heeft
niet meer die macht en het aanzien, dat zijn vader
eens bij het volk genoot. Daar komt hij juist uit zijn
woning, door zijn zonen begeleid, die eenige jacht
honden aan touwen vasthouden.
Schijnbaar zijn ze van plan op de jacht te gaan.
Maar nu zij den zendeling gezien hebben, blijft Sidofa
staan en groet hem. Dan keeren zij allen met den
Toea Pandita terug in het huis. Alleen de jongste zoon
blijft beneden om op de honden te passen.

45
Hoe heerlijk koel is het in het groote huis van den
vorst!
Sidofa schijnt tijd genoeg te hebben, of keert hij
misschien terug om andere dingen van den toean te
bedelen? Bieger heeft zich voorgenomen de menschen
niet te zeer met tabak te verwennen, daarom heeft hij
nu ook niets meegenomen.
Sidofa laat den bezoeker op de plaats zitten, waar
voor jaren Thomas en Lagemann den eersten nacht
sliepen. Hoewel het koel is in de woning, schijnt het
opperhoofd het toch warm te hebben, want hij heeft
zijn jasje met korte mouwen uitgetrokken en wuift
zichzelf met een Japanschen waaier, die een Chinees
hem geschonken heeft, omdat hij er zoo om bedelde,
koelte toe.
Ook heeft hij last van zijn oogen, die geweldig tra
nen. Zijn houding is nog vorstelijk, maar anders heeft
de vorst van Bawo-Lowalangi ook niets, wat hem op
een vorst doet gelijken.
Daar, hoor, weer hetzelfde geluid, dat de aandacht
van den zendeling zooeven op de wandeling trok:
Bim-bam-bim-bam!" De zendeling vraagt Sidofa,
waardoor dit geluid veroorzaakt wordt.
Welk geluid?" vraagt het opperhoofd. De zende
ling bootst het geluid na en wanneer Sidofa hem be
grepen heeft, zegt hij: De klok van Toea Torna!"
(De Niasser kan geen medeklinker aan het eind van
een lettergreep uitspreken).
Mag ik haar zien?" vraagt de zendeling. Daarop
staat Sidofa op en zegt: Kom mede, de klok is in
de achterkamer!"
Sidofa brengt Bieger in de vertrekken, die als slaap
kamers dienst moeten doen. Hier ligt of staat de
zendingsklok, die Thomas voor jaren gebruikte om de
woeste Niassers tot Gods Woord te roepen.

46
De kleine jongen van Sidofa slaat er met een stok.
op. De zendeling treedt nader, legt zijn hand op de
klok en vraagt Sidofa, of hij hem de klok niet geven
wil. Zij zou dan in de loods, waar de godsdienstoefe
ningen gehouden worden een plaats krijgen om haar
werk van vroeger voort te zetten.
Maar Sidofa schijnt daarin geen lust te hebben
Wat eens mijn vader toebehoorde Toea, dat behoort
nu aan mij!" is zijn antwoord.
Nu goed!" zegt de zendeling, gij kunt de bezitter
van de klok blijven, maar geef haar mij in bruikleen,
opdat wil u en de uwen kunnen roepen, wanneer het
Zondag is!"
Neen, Toea!" zegt daarop het hoofd, ik heb de
klok noodig voor mijn feesten. Zij heeft voor mij meer
waarde, dan mijn gongs!"
Goed!" zegt de zendeling weer, ik wil haar van u
koopen!"
Ook dat gaat niet!" zegt stijfhoofdig het opper
hoofd, de klok blijft in mijn bezit!"
Zendeling Bieger heeft om gezondheidsredenen met
zijn familie Zuid-Nias moeten verlaten, nadat hij daar
twee en een half jaar gewerkt had.
Andere vredeboden zijn in zijn plaats gekomen, tot
dat het eindelijk in Zuid-Nias licht werd. Het nieuw
geboren morgenrood belooft ons een heerlijken, kostelijken dag. De ontberingen en het lijden van de zende
lingen en niet minder van de zendelingsvrouwen
beginnen thans vruchten te dragen. Maar Bawo-Lowalangi opent zich niet voor Gods Woord. En de
klok, de zendingsklok blijft nog steeds in de woning
van den vorst hangen.

47

Op den 25en Maart 1915 ontving men in Europa 't


volgend bericht: De klok werd door Sidofa voor
het werk der Zending afgegeven". Wonderbaarlijk
heerlijk, Sidofa en de zijnen willen zich niet meer tegen
de kracht van het evangelie verzetten.
Bawo-Lowalangi opent zich voor Gods Woord.
De zendingsklok, door Thomas gebruikt, is weer in
eere hersteld. Met vernieuwde kracht roept zij weer
de heidenen en ook de Christenen tot Gods Woord.
Een jaar later ontvingen wij een nog v e r b 1 ij d e nder bericht. Barani, het groote en machtige opperhoofd
aller Zuid-Niassers, wonende in het volkrijke dorp
Hili Simaetano, heeft, nadat hij reeds lang blijken
gegeven had een vriend van het Christendom te zijn,
met het heidendom gebroken. Toen hij 't dooponderwijs uezocht, werd zijn moeder plotseling ernstig on~
gesteld. Zijn sioeloe's en raden smeekten hem toch
voorzichtig te zijn en niet het Christendom aan te
nemen. Zij schilderden in schreeuwende kleuren de
strafgerichten der voorouders, die hem en zijn volk
bij een breken met het heidendom moesten treffen.
Barani liet zich niet van zijn plan afbrengen. In
dezen tijd van groote verzoeking wierp hij zelfs al
zijn afgoden weg. Verschillende manden, gevuld met
schedels der vijanden, eertijds door zijn voorouders
gesneld, werden met de afgoden openlijk verbrand. En
ziet, God sterkte Barani in zijn geloof en werk. Zijn
moeder mocht genezen!
Barani is nu Christen en duizenden uit alle dorpen
in Zuid-Nias hebben zijn voorbeeld gevolgd. Ontel
bare afgoden zijn verbrand of zullen na den oorlog
naar Europa gezonden worden om hier een heerlijk
getuigenis af te leggen van de macht van het Evan
gelie.

48
Thomas, Lagemann en ook Bieger hebben geploegd
op harde rotsen en in hope gezaaid, anderen mochten
oogsten. Soli Deo Gloria!
Een Zondagmorgen in Zuid-Nias in 1918. Hoor, de
zendiugsklok in Bawo-Lowalangi luidt den Zondag
in hirn-bam-bim bam!"
Zij roept, als in Thomas' tijd, de Niassers tot Gods
Woord. Zij zingt en spreekt van een barmhartigen
en genadigen God. Maar Godlof, zij spreekt niet meer
alleen. Ook in Hili Simaetano en op andere plaatsen
in Zuid-Nias hoort men zendingsklokken, en waar nog
geen klokken zijn, worden de heidensche gongs
gebruikt.
Zie, hoe de vrouwen en meisjes hand aan hand
nu beter gekleed dan voorheen zingende naar 't
huis des Heeren gaan. Hier een kerkje, daar nog een
loods. Kijk, hoe de mannen en kinderen vroolijk
volgen.
O, hoe anders ziet het er nu in Zuid-Nias uit dan
voor 35 jaar, toen Thomas met het Zendingswerk
begon.
.
Lezer (es), wilt ge niet medehelpen, dat overal de
heidenen tot kennis der waarheid komen!

N.V. Van de Rhee's


Drukkerij, Rotterdam