Вы находитесь на странице: 1из 39

Over dit boek

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commercile partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automatisch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commercile doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercile doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelheden tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het watermerk van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via http://books.google.com

BROCHURES
m-5526

r.

KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

I I I| I I I I I I I I IHI I I WI I I I I
2172 3918
7

a vvr rm wrANvQ

HEMELVAARTSPREEK
OVER

HEBREN VHI; 1.

DOOR.

D. GHANIPIE DE LA SAUSSAYE.

LEERREDENEN
0 u
B CHNTEPIE DE LA SAUGSAYE.
Eerste reeks, 1%. 8.

E
>
2

LEYDEN,
DE BREUK 8: SMITS.
1861.

M, Ecnc reeks van twaalf preken kost bij inteekening f 2.


crwl elke nrcek afzonderlk voor 25 cents verkrijgbaar SJ

Een beroemd dichter uit den nieuweren tijd heeft


een klaaglied gezongen ter nagedachtenis van de gods
vereeringen der Ouden, en vooral van die grieksche
goden, die als met opzet schijnen te zijn uitgedacht
om de harmonin, de schoonheid en het leven der na

tuur persoonlijk voortestellen. Achttien eeuwen nadat


de God van den Kruisberg de goden van den Olympus
was komen onttrooncn, heeft zich in den boezem van

het ernstige en diepzinnige germaansche volk eene stem


doen hooren, om de verdwijning van die blijgeestige maar
zoo weinig diepzinnige, zoo helder schitterende maar
zoo doorzigtige wereld van het oude Griekenland te

betreuren; is er eene ziel gevonden, gevoelvol en wee


moedig als weinigen, die zich beklaagde over het ver
lies dat de nieuwe wereld had geleden, door zich te
ontdoen van die schatten harer afgodische eeredienst, ten
einde daarmede nen enkelen te verrijken. Het scheen
dezer ziele toe dat, door alzoo den God des kruises te

stellen in de plaats van de goden der natuur, die na


tuur slechts beroofd, de menschheid verarmd, en die
wereld vol verscheidenheid, pozij en leven, vervangen

was geworden door de koude eentoonigheid der ontken


ning, welke ontkenning in waarheid een dood is.
Gel, hoe stuitend dit oordeel ook zij voor het chris
telijk bewustzijn, men zou geheel ontbloot moeten we
zen van alle historische kennis, men zou oor noch oog
moeten hebben voor de behoeften en het streven der
Leenaenensn.

172

menschelijke natuur, voor het onderling verband tus


schen de zich opvolgende geslachten en voor de afhan
kelijkheid waarin de enkele mensch zich bevindt van
den geest zijns tijds, wanneer men, in de stem van
dezen dichter, den noodkreet van een gansch tijdperk,
de verschijnselen eener naar genezing zoekende ziekte
wilde miskennen. Men zou alle medegevoel met het
zedelijk lijden en met de, in elk hart verborgene, be
hoefte aan vrede en harmonie moeten missen, dat wil

zeggen men zou zonder christelijk geweten moeten zijn,


om den banvloek gereed te hebben, zoodra eene ziel de

openhartigheid had om het gevoel van onvoldaanheid uit te


drukken, dat in de harten van duizenden woont die zich

christenen noemen, en om openlijk te verklaren dat


het christelijk mysterie haar niet meer voldoet.
Wat mij betreft, M. H., ik begrijp dat oordeel, ik
begrijp hoe het kon ontstaan, vooral in de omgeving
waaruit deze klaagtoon is opgegaan en in den tijd waarin
zich deze stem heeft doen hoeren. Ik begrijp dat oor
deel in het begin dezer eeuw, te midden van een Pro
testantisme, ten prooi aan den strijd tusschen eene weg
stervende regtzinnigheid, die het geheim om haar in
wendig leven te hernieuwen had verloren, en een opko
mend rationalisme, dat den naam had van te leven terwijl

het dood was. Ik begrijp dat heimwee naar de godsvereering


der oudheid, eene godsvereering, die, door warme va
derlandsliefde bezield,

deze op hare beurt onderhield.

Ik begrijp het, te midden van de overheersching eener


leer, die, daar zij evenmin zich vernieuwde aan de zui

vere bron der openbaring, als zich voegde naar de klaar


blijkelijkste ontdekkingen der nieuwere wetenschap, nu
ook met geene enkele verstandelijke of zedelijke behoefte
van den mensch meer in verband stond, en er zich zelfs

toe verlaagde, om zich als middel van politie te laten

173

gebruiken door een staatkundig behoud, zonder geloof


en zonder toekomst.
Wat zeg ik? Ik zou dat heimwee naar de godsdienst der
ouden en die minachting voor de christelijke gedachte
kunnen begrijpen, zelfs in onze dagen, in de laatste

helft der 19de eeuw en in de omgeving waarin wij leven,


indien waarlijk die christelijke gedachte in niets anders
bestond dan in die enkele, soms afgetrokkene, soms

vrij onbeduidende grondstellngen der zoogenaarnde


moderne theologie, die dikwerf door eene wisselval
lige mode gewetenloos en zonder nader onderzoek
worden toegejuicht, onder de magt van vooroordee
len en invloeden, die ik om de heiligheid der plaats
hier niet nader mag ontwikkelen. Immers, om die naar
waarheid te schetsen, zou de toon der satyre moeten aan

geslagen worden in plaats van dien der predikatie. Ik be


grijp dat die minachting, door den dichter geuit, in eene
nadenkende ziel kan opkomen, indien het christelijk my
sterie waarlijk niets anders ware dan wat zij er van wil

len aannemen, die noch van verborgenheden, noch van


wonderen willen hoeren. Oordeelt zelven, M. H., voor zoo

velen gij althans oordeelen wilt, en niet behoort tot die


bevooroordeelde, eigenzinnige gemoederen, die, slaven als
zij zijn van de mode, deze op hunne beurt helpen vor
men. Oordeelt zelven: het feest van dezen dag is gewijd

aan het herdenken eener gebeurtenis, waarvan die gan


sche zoogenaamde moderne theologie eenstemmig getuigt
dat zij niet heeft plaats gehad. Een menschelijk lig
chaam dat zich boven de aarde zou verheffen, eene wolk
die het zou wegnemen, een hemel die in de lucht

zou zijn: neen waarlijk, roept de hedendaagsche weten


schap uit, wij zijn te verlicht om zulke sprookjes aan
te nemen, wij hebben daartoe veel te goed natuur
kunde en scheikunde bestudeerd; wij nemen dat aan,

174

zoo als wij de grieksche goden aannemen, als pozij, kin


derlijke en eenvoudige pozij , die zelfs een zedelijk denk
beeld bevat en daarom hooger staat dan die van Grie
kenland, en tot voertuig kan dienen voor zedelijke denk
beelden, - maar meer niet!

Is dit oordeel juist, M. H. dan is er


inspanning van den geest, maar slechts
opregtheid noodig om in te zien, dat de
van het stoffelijk feit der hemelvaart

geen groote
een weinig
ontkenning
noodzakelijk

medebrengt de ontkenning van alle de verschijningen

des Opgewekten; dezelfde bezwaren van sto'elijken


aard toch komen bij deze verschijningen voor. Het
is niet meer met de wetten der natuur in strijd dat
een ligchaam worde opgenomen, dan dat het in strijd

daarmede is dat dit ligchaam verschijne en verdwijne,


zonder dat men iets van deszelfs in en uitgaan ge
waar worde, terwijl de deuren gesloten zijn. Voor den
genen, die deze verhalen aanneemt u kan dat, het

welk ons de hemelvaart mededeelt, geen het minste be


zwaar van stoelijken aard opleveren; hij daarentegen,
die om redenen, aan de natuurwetten ontleend, het

laatste verhaal verwerpt kan ook, zoo hij doordenkt,


de verschijningen van den Verrezene, en daarmede het
feit van eene ligchamelijke opstanding, niet aannemen.
Voegt bij die moeijelijkheden op het stoffelijk gebied
de zedelijke tegenstrijdigheid die er in zijn zou om
te gelooven aan de opstanding, terwijl men de hemel
vaart loochent. Dan toch moet men tusschen deze
beiden kiezen, of, dat Jezus nog op aarde verkeere,
of, dat hij na zijne opstanding weder gestorven zij,

hetgeen de gansche beteekenis dier opstanding zou ver


nietigcn.
VVelnu, wat volgt uit de ontkenning van Jezus op
standing? Ten eerste, de ontkenning van al die wonde

175

ren, die in Jezus schijnen te getuigen van de almagt


van dan wil, of van den geest, over het ligchaam, en

die dus zijne opstanding aankondigen en afschaduwen,

zoo als b. v.: zijne verheerlijking bij den doop, zijne ge


daanteverwisseling op den berg, zijn wandelen op de
zee. Bovendien, daar men onmogelijk iets kan mededee
len wat men zelf niet bezit, vraag ik u: hoe had Jezus,
indien hij door de zwaartekracht der stofen door de wetten

die alle aardsche ligchamen beheerschen gebonden ware ge


weest, hoe had hij dan door de kracht zijns geestes andere

geesten van die wetten kunnen vrijmaken of de magt

die anderer geest gebonden hield kunnen ontbinden? Hoe


ware hij in staat geweest om, hetzij brooden te vermenig
vuldigen, hetzij dooden op te wekken, hetzij zelfs zie
ken te genezen, en op zoodanige wijze te genezen als

hij het volgens de evangelische verhalen gedaan heeft?


Wij zouden dan genoodzaakt zijn om alles wat ons van
Jezus wonderen verhaald wordt, dus een vrij aanzienlijk
gedeelte der evangelin, te beperken tot datgene, wat
door ons bekende natuurwetten kan verklaard worden;
en dit niet slechts, maar tot hetgeen van die wetten be
kend was in den tijd en in de omgeving in welken Je

zus leefde, dat wil zeggen, tot al zeer, zeer weinig.


Ilelnu, eenmaal de wonderen, dat wil zeggen, die

daden waardoor s menschen geest aan de natuur ge


biedt en over haar heerscht, eenmaal de wonderen uit
de geschiedenis uitgewischt, 0, ik vraag nu niet,ten einde

niet te veel onderwerpen in ns te omvatten: wat zou


er dan overblijven van die gesprekken en gezegden van
Jezus, die alle te zamen uitloopen op getuigenissen
die hij geeft omtrent zijnen persoon zijn werk,
zijne waardigheid, zijne magt, en die strekken om ons
in volstrekten zin op hem te doen vertrouwen, en wel
met een vertrouwen dat zich niet bepaalt tot dit aard

176

sehe leven, maar dat de eeuwigheid omvat van welke


hij zich heer en meester noemt? Ik vraag nu niet
wat wij te denken hebben van eenen mensch die z
spreekt,

die zulke beloften

doet, zulke eisohen stelt,

en wiens leven toch zou eindigen als dat van alle men
schen. Ik vraag niet: is het wel mogelijk hem dat
vertrouwen, dat geloof te schenken? Maar, mij houdende
aan het onderwerp ons door dezen dag voor oogen ge
steld, en waarvoor ik het woord van den dichter tot

inleiding koos, vraag ik: wat is er in de natuur nog


goddelijk, aantrekkelijk, verheven, dichterlijk? Hoe zal
ik u liefhebben, o gij medoogenlooze koninginne, wier

vingeren, als gevoellooze raderen, mijn doodvonnis teeke


nen; o zielloos werktuig, dat mij vermaalt om dra
uwe eentoonige beweging voort te zetten en na mij an

deren te vermalen? Hoe zal ik die verhevene liederen


der hoop uit de isralitische oudheid mede aanheen:
De hemelen vertellen uw eer 0 God, en de aarde is

uwer wonderen voll? Die hoop is mij onmogelijk ge


maakt door Jezus dood. Indien gij dood zijt, 0 Jezus
van Nazareth! indien het graf in Jozefs hof zich niet
voor u heeft geopend, indien de Olijfberg u niet heeft
aanschouwd, zoo als gij daar uwe handen uitstrektet om

hen te zegenen, die gij achterliet en die gij toch niet


verliet; indien ik van

u niet meer weet dan wat het

lijk van eiken mensch mij kan zeggen, niets dan een
eindeloos zwijgen , eene aanhoudende vurige vraag, waarop
geen antwoord komt; 0, ik kan u dan nog bewonderen,

ik kan u nog zegenen, maar in u gelooven , dat kan ik


niet! Neen, ik verwonder mij slechts over uw wo0rd,ik
verwonder mij over uwe verschijning, alles daarin schijnt
mij vreemd ongehoord , onbegrijpelijk; ik verlies mijn ver
stand door het in te denken; want, met hetzelfde hart,

waarmede ik n bewonder en zegen, vervloek ik u, 0 na

177

tuur, 0 onverbiddelijk en almagtig noodlot, dat alles


verslindt, dat met mijnen dorst naar onsterfelijkheid
schijnt te spelen, door altijd nieuwe afdruksels van het
zelfde beeld voort te brengen, afdruksels die nooit af
gewerkt worden, die altijd schetsen blijven. Vol afschuw
van de werkelijkheid keer ik tot de leugen terug en roep
ik met den dichter uit: 0, geeft mij mijne grieksche
goden terug en met hen mijne sehoone hegoochelingen,
in plaats van zulke werkelijkheden; laat mij maar droo
men, droomen immer voort, en onder den vergiftigen

boom inslapen!

Mits ik

droome, droome! Dat de

worm mij vertere, wat nood? mits ik deze bedwelmen

den geur inademe! Dat het vergif mij doode, als het
haar zoet is! Maakt mij toch niet wakker, maakt
mij niet wakker te midden mijner bloemen! Het ont
waken zou te vreesselijk zijn!

M. H, er is gelukkig eene gansch andere wijze om de


evangeliegeschiedenis, en met haar de geschiedenis van
het menschdom en het leven der natuur, te beschou

wen, dan die, welke ons de leugenen der heidenwereld

en het verdwijnen onzer droombeelden doet betreuren;


eene wijze van beschouwing, die zeker even dichterlijk
is, maar welker dichterlijkheid voor wie haar vatten kan
het stempel der werkelijkheid draagt, ja, die alleen door
hare werkelijkheid dichterlijk is. Dewijl het hier zaken
betreft, die, helaas, geheel vreemd zijn aan die alge
meen heerschende begrippen, aan die begrippen die wij
gewoonlijk versieren met de benamingen van verlichting
dezer eeuw, rede, gezond verstand, enz, en dewijl het

onmogelijk is het feest van dezen dag te begrijpen zon


der deze eerste grondwaarheden, zoo vergenoeg ik mij
u die te ontwikkelen, God biddende, dat Hij door zij

nen geest u derzelver waarheid doe inzien.


Mijne rede zal een kort begrip bevatten der grond

178

denkbeelden van den zendbrief, waaruit ik mijnen tekst


heb gekozen, een kort begrip van dat vertoog dat ein
digt met de verklaring: dat wij zebben zoodanigen H00
gepriester, die gezeten is aan (Ze reger/umd van den
troon der Majesteit in de liemelan.

I.
De stelling, die ten grondslag ligt aan alle schriftuurlijke
onderwijzingen, en die het beginsel zelf is der openbaring,
is de overeenstemming tusschen stoffelijke en geestelijke
wereld, of, om mij van eene naauwkeuriger maar
meer afgetrokkene uitdrukking te bedienen, de uheid
van den Geest in zijne verschillende, hetzij zigtbare,
hetzij onzigtbare openbaringen. Uit deze stelling vormt
zich, ten eerste, het leerstuk der schepping, dat leer
stuk, hetwelk zoo volkomen de isralitische godsdienst
van elke heidensche godsdienst onderscheidt, en dat als
de isralitische stam is waarop het christendom is ge
nt, of liever, als de wortel van den boom waarvan het

christendom de vrucht is. Het is met de verkondiging


van deze grondwaarheid dat de apostel Paulus, wiens
christelijk geloof, wel verre van zijn isralitisch geloof
te vernietigen, het juist heeft verhoogd en gezuiverd,
het is, zeg ik, met de verkondiging van deze waarheid
dat hij zich tot de Heidenen rigt, om daaraan de
groote

en

blijde

boodschap van

de opstanding van

Christus te verbinden. De stelling waarvan ik spreek


bepaalt, ten tweede, de menschelijke bestemming. De
mensch, naar het beeld Gods geschapen, is daardoor ge
roepen en bestemd om heer te zijn over de werken
Gods, dat is over de natuur, om zich de aarde te on
derwerpen en over haar te heerschen. Zij bepaalt, ten

derde, den staat waarin de zonde den mensch dompelt.

179

De dienstbaarheid aan de zonde is onafscheidelijk van


de slavernij aan de natuur. De mensch, zich buiten de
heerschappij Gods tot heer willende verheffen over de
natuur, verliest daardoor zijne heerschappij over haar.
Zij bepaalt eindelijk den aard der verlossing. Het
doel, het einde der verlossing, is het doen ophouden
van de tweespalt tusschen het stof en den geest, tus
schen de natuur en den mensch, allereerst, door den

mensch te heiligen, door zijnen geest te onttrekken aan


den ontzenuwenden en bedervenden invloed der niet
onderworpene

natuur; maar dan ook, ten tweede, door

de heerschappij over de stof aan den geheiligden mensch


terug te geven. Voegen wij hier nog bij, M. H., waarop
wij later terugkomen, dat de schrift deze twee deelen
der verlossing in twee tijdperken verdeelt, terwijl zij
den dood plaatst als overgangspunt tusschen deze twee
tijdperken, die zij de tegenwoordige en de toekomende
eeuw noemt.
Ziet daar,

M.

H., als het ware de lijst, waarin de

schrift de verschillende openbaringen Gods plaatst, dat


wil zeggen die daden Gods waardoor Hij zijne persoon.
lijke inwerking in de wereld kenbaar maakt, en de

leeringen die daaruit voortvloeijen,


Wat die daden zelve betreft, wij moeten daarin on
derscheid maken tusschen die, welke de verlossing aan

kondigen en voorbereiden, en die, welke de verlossing als


vervuld voorstellen; met andere woorden, tusschen die
welke het Oude, en die welke Nieuwe Verbond vormen.
Het is vooral de brief aan de Hebren, die ons het

verband tusschen deze twee verbonden verklaart.


Het Oude Verbond wordt in dezen brief op eene bij
zondere wijze gekenschetst, eene wijze, die den edelen

moed van den schrijver toont om de dwalingen dergenen


aan wie hij schrijft aan te tasten, en om het algemeen
Lnsnnanznen.

180

oordeel niet te ontzien: dit verbond , namelijk, wordt hier


vleesc/lelk genoemd. Dit beduidt niet, zoo als diegenen
zeggen die zich dikwerf van de uitdrukkingen der schrift
bedienen, om denkbeelden te bedekken en in te voeren,

die geheel met de begrippen der schrift strijden , dat de


mozasohe godsvereering eene van die voorbijgaande in
stellingen zou zijn geweest, door middel van welke God
een volk zou opgevoed hebben, zoo als andere volken

hunne pedagogische instellingen gehad hebben, die zoo


vele uitdrukkingen waren hunner nationaliteit. De m0
zasche godsvereering heeft, naar het gevoelen der Nieuw
Testamentische schrijvers, eene algemeene strekking, eene
strekking die de geschiedenis van het gansohe mensch
dom wijzigt en bepaalt. Indien het ude Verbond
vleeseell genoemd

wordt, is dit om aan te toonen

dat het niets tot oZ/eomenkeid wt gemgt, dat het de

verlossing wel heeft aangekondigd, maar niet voltooid;


dat de noodlottige magt der natuur onaangetast is ge
bleven, dat de Geest de banden des doods niet heeft

verbroken, waarin het gansche menschelijke leven als


gekneld is. Inderdaad, M. H. het Oude Verbond, dat

in twee deelen gesplitst is, die elkar volmaken, name


lijk in wet en profeten, toont in beide zijn onmagt.
De wet deeft eene schaduw der toekomende goederen,

niet let beeld zelf der zalven , Heb. X : 1. Het heiligdom


is nog een wereldsck heiligdom, behoorende tot de wereld die
vergaat; het is bestemd voor eene godsvereering die niet
duurzaam zijn kan, afschaduwing als zij is der ware godsver
eering en niet die ware godsvereering zelve. De levi
tisohe eeredienst is geheel, zoo wel in haar heiligdom
als in hare gebruiken en in de personen die de dienst
verrigten, een voorbijgaand beeld, waarvan de werkelijk

heid elders moet gezocht worden Naast die vleesehe


lijke wet in beelden bestaande, is de profetie daar, om

181
die beelden uit te leggen, om de volmaaktheid te be

schrijven, om de vervulling aan te kondigen. De pro


fetie ziet in den tabernakel het zinnebeeld van dien
geestelijken tempel, van dat hemelsche heiligdom, dat
de vergadering is van Gods volk, en dat ook zijn heilige
der heiligen, zijn heilige en zijne voorhoven heeft.
De profetie weet wat het bloed der stieren en bokken
beduidt, en

ziet in de dienstdoende priesters de voor

beelden (typen) van de ware bedienaars de heiligdoms,


en in den hoogepriester het onvolmaakte beeld van
den waren hoogepriester, die de koning zijns volks
zou zijn.

Zoo wijzen beide, wet en profetie, op de

toekomst.

Het is waar, reeds is de profetie een begin

der vervulling.

In de profetie gaat de Geest reeds ver

der dan het scheppen van znnebeeldige instellingen;


door haar begint Hij reeds den mensch te herscheppen,
en s menschen hart te heiligen. Doch de strijd blijft
in al de profeten onbeslist, en wordt niet door eene
eindelijke over-winning bekroond. Voorloopers van Hem
die komen moest, strekken zij zich uit naar een doel,
dat zij niet bereiken kunnen, begroeten zij van verre

eenen dag, die hen


straalt.
Even weinig als zij
even weinig kunnen
brengen. De profeten

nog niet met zijn volle licht be


zelven die volmaaktheid bereiken,
zij anderen tot die volmaaktheid
sterven, zoowel als de priesters,

zonder daarna op te staan, en, zoo hunne bediening niet

bestaat zonder goddelijke bekrachtiging door het wonder,


toch hebben de wonderen van het Oude Verbond iets
waardoor zij in den grond van die des Nieuwen Verbonds
onderscheiden zijn. Die des Ouden Verbonds zijn open
baringen der goddelijke almagt, waarvan de bediening
der profeten de aanleidende oorzaak en het woord der
profeten het middel is. Het zijn geene openbaringen der

182

goddelijke almagt in de menschelijke natuur, waarvan de


menschelijke wil de oorzaak en de verlossing des menschen
het doel is. Het is waar, ook in het 0. Verbond is de na

tuur geen blinde magt, zij is aan geesten onderworpen,


maar die geesten, het zijn de hemelgeesten, niet de be
woners der aarde; het zijn de engelen, niet de menschen.
Thans is de vervulling gekomen, M. H.; thans is de
werkelijkheid dr. Indien het Oude Verbond niet door
middelaarscbap van menschen maar door dat van enge
len is gesticht geworden, het Nieuwe Verbond is in
den mensch bevestigd. De aan de engelen onderworpene

natuur dient onder het Oude Verbond slechts ten nutte


des menschen, door tusschenkomst van die engelen;maar

in het Nieuwe Verbond wordt


ingevoerd, van wien
geschreven staat dat alle engelen Gods hem aanbidden,
namelijk de mensch Jezus.
De mensch Jezus! Gel., er is onder de NieuwTes

tamentisolle schrijvers geen enkele, hetzij apostel, hetzij


evangelist, die, in den op Golgotha gekruisten, alln
den mensch Jezus ziet, of liever, die de verschijning
van dezen mensch Jezus alln verklaart uit zijne men
schelijke geboorte, zoo als die is uit den stam van Juda,
uit het huis van Jozef, den zoon van David. Met meer

of minder uitvoerigheid, en in meer of min uitgestrekten


zin,stemmen zij allen daarin overeen, dat zij den eeuwi
gen oorsprong van dezen Jezus erkennen, en hem Gods

Zoon noemen, in den historischen en te gelijk bovenna


tuurlijken zin, dien de joden aan dezen titel hechtten. De
leer van den brief aan de Hebren ten opzigte van de
natuur en het werk van den Zoon heeft eenen bijzon
deren stempel, die eene eigenaardige zijde van vertroos
tingen en waarheden oplevert. De schrijver van dezen
brief, van de zinnebeelden der isralitische godsveree

ing uitgaande, ziet in de gansche wereld de onreinheid

183

van het heidendom; de geheele menschheid is hem het


volk dat buiten is, dat vr Gods heiligdom staat, zon
der er te kunnen binnengaan. Maar ziet, dr komt uit
het midden van dit volk diegene te voorschijn, die in

de menschheid was ingegaan, zonder uit haar te zijn, te


weten de Zoon Gods, het uitgedrukt: eeld zijner zelf

atmzdigdez'd, let afscknsel zijner deerl/e/zeid. De eeuwi

ge Zone Gods, door wien de eeuwen zijn voortgebragt,


is gevonden in de gedaante van een zoon des menschen,
aan het vleesch en bloed der kinderen deel hebbende en
zich niet schamende deznlken broeders te noemen die zel
ven onrein waren, en die het heiligdom niet konden bin
nen gaan. Hij is hun gelijk: met hen dienende, met
hen stervende,
Toch is hij hun niet gelijk, want hij kent geen zou
de. Als hij sterft, sterft hij niet: hij overwint dengenen
die het geweld des doods had; zijn dood is het offer dat

hij brengt voor de menschheid, door welk o'er hij het


regt verkrijgt om zijnen broederen den hemel te openen,

eenen hemel dien hij door zijne heiligheid heeft ge


schapen.
Hij verlaat wel deze aarde, doch niet door den dood,
daar de dood voor hem slechts een doorgangspunt is
om tot zijne heerlijkheid te geraken. Zijn dood is een in

gaan in het heiligdom.


Thans is hij in dat heiligdom ingegaan; hij is door

het binnenste voorhangsel doorgegaan, en, in dat heilige


der heiligen waar hij is ingegaan, is hij aan de
oogen des volks onttrokken. Maar het volk verwacht
zijne wederkomst; het volk heeft er hem zien ingaan
het heeft hem met de oogen van stap tot stap gevolgd,
tot dat hij achter den voorhang was verdwenen. Toch

hoort het inmiddels zijne stem, want uit den hemel


spreekt hij en openbaart aldus zijn leven.

184

Gezeten zijnde aan de regter/iand van den troon der


Majesteit, in de ltoogate hemelen, komt hij in den geest
weder tot zijne gemeente.

Hij is erfgenaam van alle dingen geworden, nadat


hij de reinigmaking onzer zonden heeft te weeg gebragt,
en aldus, als erfgenaam van alle dingen, spreekt hij
tot ons door die dingen. In hem heeft de profetie een
einde, omdat de openbaring, in hem geschied, eeuwig
durend en volmaakt is. Het is niet langer eene open
baring door engelen, maar door den Zoon. Wij keben
eenen Hoogepriester

die gezeten is aan de egter/laml

der Majesteit in de kemelen.


Ziet daar, M. H. u zoo beknopt mogelijk voorgesteld
de leer, vervat in den brief aan de Hebren.

Behoef ik u nog te zeggen, dat deze leer geheel


berust op de stoffelijke feiten, zoowel der hemelvaart
als der opstanding van den Heer; dat zij zonder
deze feiten, slechts eene zinledige phantasie zou zijn,
zonder eenige beteekenis noch grond?
En nu vraag ik u: Hebt gij behoefte aan deze dingen?
Spreekt deze leer tot uw hart en tot uw geweten? Is er
eenige troost, eene heiligende kracht in de hoop,die ons
hier wordt voorgesteld? Hierover ten slotte een enkel
woord.
II.
Hebt gij behoefte aan eenen hemel, aan eene uit
wendige harmonische wereld, die met uwe inwendige
wereld overeenstemt? Hebt gij behoefte aan het voor
nitzigt van eene zaligheid, welke geen ideaal,maar eene

werkelijkheid zij, aan een bestaan , niet als van schim


men, maar als van levende personen, die zintuigen he

zitten om zich mede te doelen en mededeelingen te

185

ontvangen? Indien gij de stoffelijke feiten van opstanding


en hemelvaart loochent, zoekt dan elders gronden voor
uwe hoop, en ziet of gij die vinden kunt! Ziet toe
of uwe zekerheid verder kan gaan dan tot de voorstel
ling van nevelachtige wezens, zoo als de noordsche
fabelleer die toekent, of van schimmen, naar de mytho

logiche verhalen van het zuiden! Of wilt gij wijsgeer


zijn, en bewijsgronden zoeken voor uw geloof, of liever,
voor uwe ongegronde wenschen: gaat gij redeneren over
de natuur der ziel, ten einde uit hare veronderstelde

onstoelijkheid bewijzen afleiden voor hare onsterfelijk


heid; of wel, tracht gij, uitgaande van het denkbeeld
van God, de goddelijke volmaaktheden tot bewijsgrond

te nemen voor het bestaan en de onsterfelijkheid der


ziel? Ziet dan of uwe redeneringen stand houden tegen
over de werkelijkheid van den dood; ziet of u niet het
zelfde zal gebeuren wat van dien wijze der oudheid ver
haald wordt, dat hij,telkens wanneer hij de schoonste ver
handeling, door de oudheid over de onsterfelijkheid voortge
bragt, las, onder den betooverenden invloed verkeerde,

van den stijl en het genie des schrijvers, maar dat hij niet
zoodra het boek had weggelegd, of hij voelde alle zijne
overtuigingen als water in damp vergaan. Of wel,
indien gij geen denkkracht genoeg bezit, om de
zwakke zijde van eene redenering te begrijpen, zoo

dat gij gelijk zijt aan de groote menigte, die van


alle nadenken

afstand

doet, en voor een wettig of

onwettig gezag, dat zich aan haar opdringt, zich


buigt, - ziet toe of dat onsterfelijk bestaan eener on
stoffelijke ziel eenige aantrekkelijkheid voor u heeft,
of zij u het voorwerp kan zijn eener hope, die vast

staat te midden van de ondubbelzinnige werkelijkheden


des levens.
O, dunkt u waarlijk, dat het vooruitzigt der on

186

sterfelijkheid

alles is

wat gij noodig hebt, in het

gezigt van uwen eigenen dood, bij het sterfbed der


uwen, te midden uwer rouwe, en ziekten, en te

leurstellingen?

Het

vooruitzigt

der onsterfelijkheid!

Maar, waarvan? bidde ik u! Van de ziel? Van de

ziel! Maar wat is dan de ziel? Wat is eene zie! die


geen zinnen meer heeft, noch zintuigen, om te zien,
te hooren, te gevoelen? O, lacht dat u toe, trekt dat
u aan, troost u dat? zulk een ontbloot, koudonbewe-

gelijk bestaan, zonder middelen van gemeenschap, zon

der spraak of aanschouwingsvermogen? Geen plaatselijke


hemel meer! Het paradijs eene denkbeeldige voorstelling

der kindschheid! Geeneligchamelijke opstanding meer


de scheikunde heeft ons van dat vooroordeel verlost !
Geene vereeniging,geene afstanden, geene vergezigten meerl
Allen even nabij, omdat allen even verwijderd zijn.
Maar toch eene ziel! Eene onsterfelijke ziel! O, mij
is bange voor zulk eene onsterfelijkheid, mij beklemt

de angst, als ik aan zulk eene toekomst denk! Nog


eenmaal roep ik het met den dichter uit: O, geeft mij
mijne grieksche goden terug! Ik verkies het schemer
licht van het onderaardsche doodenrijk, boven die onmete

lijke vlakten van kleurloos licht daar boven, want van


nabij gezien zijn het ijsvelden!
GeL, is de dood eene werkelijkheid? Niet waar, hij
is er wel waarlijk eene? Niet waar? de dood is eene wer

kelijkheid, eene sto'elijke werkelijkheid? en eene zede


lijke tevens.

Eene stoffelijke werkelijkheid! Voorzeker: onmogelijk


toch is het zich omtrent den aard van een lijk te ver
gissen en te zeggen: dat lijk leeft! En eene zedelijke
werkelijkheid: voorwaar ook deze is de dood, want wij
worstelen met hem; ons ik - geest, ziel, wil, of welke

ook de naam zij, dien gij er aan geven wilt, _ ons

187

ik stoot den dood af, strijdt met den dood, houdt hem
tegen, tot dat wij eindelijk bezwijken; en als wij be
zweken zijn, laten wij een ledig, hoe gering ook, om

ons heen: ligt toch is er eene enkele ziel die ons betreurt!
Welnu, de dood zou dus eene werkelijkheid zijn, maar
niet de opstanding, en de hemelvaart niet! Dezen zouden
niets zijn dan een dichterlijk lichtbeeld, dat wij, ge
meente, zouden hebben gevormd rondom het lijk van
Jezus, den gekruisten! Dat zou dan het evangelie, de
blijde boodschap bij uitnemendheid zijn, dat ik mij
zou moeten tevreden stellen met een strijd door geene
overwinning , met een verlangen door geene werkelijkheid ,
met een arbeid door geen rust gevolgd, geen andere
althans dan het schijnbeeld eener ruste in het graf! Ik
zou dus mijne eigene natuur moeten verminken, en
wanneer ik de natuur buiten mij in de lente zie ont
waken en bars duizende schatten ten toon spreiden,
zou ik tot mijne ziel moeten zeggen: O mijne ziel,
ruk n los van die ijdelhedenzin de eeuwigheid zijn im
mers noch kleuren, noch schaduw noch lichtzijden;
en

wanneer ik voel dat mijn ligchaam slijt en hoe het

loodzwaar drukkende vonnis in het Paradijs uitgesproken


eene maar al te werkelijke pozij aan mij zelven
volbragt wordt, het vonnis, zeg ik: stof zt g en tot
stof zult gij wederkeeren, dan zou ik mij niet kunnen

troosten met de heilige en heerlijke hoop van Job: Ik


zal uit
vleesck God aanackouwen,
Verlosser
zal ik aanockouwen en nzne oogen zullen kent zien
(Job 19 vers 26", 27)? Ik zou tot mijne ziel moeten zeg

gen: mijne ziele, zijt getroost, want dit ligchaam was


slechts voor de wormen bestemd, en die wormen kunnen
uwe ziel toch niet verteren! - O verre, verre van mij

dat evangelie, dat geen evangelie is, dat evangelie van


enkel denkbeelden en afgetrokkene stellingen, dat evan

188

gelie, dat zich de eerste en innigste behoeften der men


schelijke natuur schaamt, dat evangelie, dat zich eenen

Christus schaamt, die geopenbaard is in ket oleesok,


geregtooardigd in den geest, gezien van de engelen en
opgenomen inkeerlajkkeid 1 Tim. 3: 16: dat Evangelie,
dat niets Wil weten van eene wolke, die den Christus

wegneemt, maar dat tot vergoeding hem zelven herschept


in eene wolk , die ledig is , en ontastbaar.

0, als ik zie de vreesselijke of ongerijmde gevolgtrek


kingen, waartoe mij de ontkenning der evangelische fei
ten onvermijdelijk brengt; als ik let op de behoeften van
allerlei aard, waarmede deze verhalen zamenstemmen; als
ik naga het karakter zelf dier verhalen; als ik na

denk over de goddelijke wijsbegeerte, waarvan deze ge


schiedenis de grondslag is; als ik mij voorstel de zede
lijke hervormingen, die reeds door deze verhalen zijn te
weeggebragt, en nog immer teweeggebragt worden, wel
ke hervormingen wij nog steeds te wachten hebben van

de ontkenning, opdat deze zich wettige: tegenover al deze


zaken, en nog vele andere bovendien, aarzel ik niet het

te verklaren: ik geloof deze verhalenik geloof het evan


gelie van dezen dag; ik geloof de waarheid van wat ons
in de Handelingen wordt medegedeeld: En als Hij dat
gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij dat zagen, en

eene wolk nam kem weg voor kunne oogen. Hand. 1 vers 9.
En deze wolk M. H, ziet, zij wordt mij verklaard
door de leer van den brief aan de Hebren, zoo als die

is te zamen gevat in het vers dat wij lazen, terwijl deze


leer wederkeerig niet verklaard kan worden, dan door

het geschiedverhaal. De wijsbegeerte der openbaring ver


klaart de geschiedenis, en deze verklaart op hare beurt
die wijsbegeerte.

Ziet, wel verre dat voor mij de na

tuur onluisterd zou zijn, thans nu ik eene hoop heb


die verder reikt dan de natuur, heeft die natuur inte

189

gendeel voor mij hare ware wijding ontvangen, nu zij


dient om de dingen des geestes te openbaren, tot ons
te brengen, en als zinnebeeldig voor te stellen. Ik be
groet in dien hemel boven mij het beeld der eeuwige
reinheid,eu in die weldadige zou het beeld van het onuit

puttelijk leven der goddelijke heiligheid; en ik begrijp


de onwillekeurige beweging van den mensch, om, Wan

neer hij bidt, zijne oogen ten hemel te heffen, als om er


God te zoeken.

Ik begrijp

de wolstelingen in den

dampkring, het spel der wolken en de heftige bewegingen


van den wind. Ik zie er het zinnebeeld in van den ar
beid en den strijd der onzigtbare wereld daarboven om
deze wereld hier beneden tot zich te trekken en haren
tegenstand te overwinnen.

Ik

begrijp die duizenderle

kleuren, door het licht des hemels geworpen op den


somberen en kleurloozen aardbodem. Zij toonen mij
het leven, zoo als dat altijd uit den dood te voorschijn
treedt. De gansche natuur wordt mij als n stelsel van zin
nebeelden, een stelsel niet uit mijne verbeelding ontstaan,
maar dat aldus ontdekt wordt ten gevolge der meest

werkelijke ervaringen van het geestelijk leven, en dat


wederkeerig dient om mij deze ervaringen te doen ver

staan. En wel verre van met den dichter te zeggen, dat


allen beroofd zijn geworden om met die schatten eenen
enkelen te verrijken, zeg ik liever, met het woord van
mijnen God, dat de rijkdom van dien nen ten voor
deele komt van allen; dat wij door den rijkdom van dien
nen te midden van den dood reeds het leven inademen,

in het huis der dienstbaarheid, reeds den warmen damp


kring van het vaderhuis gevoelen. Ja, wanneer wij ein
delijk schijnen te bezwijken; wanneer ons geloof, onze

hoop, onze liefde, ons van de ijskoude hand des doods


niet meer hebben kunnen verlossen; wanneer het hart

ophoudt te slaan, het oog breekt, de stem zwijgt; o,

190

ook dan zullen wij nog inwendige zintuigen hebben,


om, in die ijskoude hand, den warmen handdruk te voe
len van Hem,die volkomen zalig maakt, zintuigen, om

in die ziel, die stoffelijk is en onstoelijk te gelijk,

andere stemmen op te vangen, dan die welke ons be


weenen, de stemmen namelijk die het eeuwig loflied aan
he'en, de akkoorden der liemelsehe harpen! Jezus heeft,
dewijl hij eeuwig blijft, een eeuwig priesterschap. Laat
ons dan met vertrouwen toetreden tot den troon der ge
nade! Laat ons toetreden, de sporen volgende van zijn

bloed! Onze hoogepriester in de hemelen, is ook onze


voorganger. Ziet daar den troost van onze rede: dat
wij zulk eenen hoogepriester hebben, die gezeten is, aan
de regter/mnd der Majesteit, in (te lzemeten.

Amen.

v"-I

__ A __ _A_|_..._._ .A___

Van deze reeks Leerredenen , door D. CHANTEPIE DE LA SAUSSAYE, bevat:

N". 1. NAVOLGERS GODS. Leerrede over Efeze v = 1 en 2.

2. DES DOOPERS GETUIGENIS. Leerrede over Joli.III: 29.


3. DE GROOTE BLIJ DSCHAP. Kerstpreek over Luk.1I: 8-12.
4. WAT VOORBIJ GAAT, EN WAT NIET. Leerrede over

I
I

Matth. XXIV : 35.


5. DE LIEFDE GODS. Leerrede over Johannes III : 16.
6. BIECHT EN ABSOLUTIE. Lijdenspr. over Matth. 27 253426.
7. VROUW! WAT WEENT GIJ? Paaschpr. 0. Job. 20 : 1118.

Bij de uitgevers dezes ziet mede het licht:

BIJBELSTUDIN.
MAANDSCHRIFT

DOOR
D. UIIAN'IEPIE DE LA SAUSSAYE.

;
j

Prijs per jamgang inteekening f 3.60.


W Van den eersten jaargang zijn nog eenge weinige exemplaren

tegen mteekeningsprijs te bekomen.


den jaargang is reeds verschenen.

De 8 aevering van den twee

EEN WOORD VAN TOELICHTING.


Naar aanleiding der recensie van Dr. A. Pierson over
de inaugureeie oratie van Dr. J. I. Doedes

noon

11. HN'IEPIE HE LP. SIISSYE.

Ps f 0.90.

LA CPISE RELIGIESE EN HLLHDE.


oluenils ct impressions.

D. OHANTEPIE DE LA SAUSSAYE.
Ps f 200.

HET. PORTRET VAN

DEN VELEEIV. ZEER GEL. HEER

D. CHANTEPIE DE LA SAUSSAYE,
op royaal chineeeh papier

is ad f 1.50 verkrijgbaar

bij den uitgever P. ENGELS te Leyden en zijne korrespondenten.


l
l

DRUK

VAN

DE

BREUK & SMITS.

. __ . ...J. _..'

"2

Похожие интересы