Вы находитесь на странице: 1из 355

Over dit boek

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.

Richtlijnen voor gebruik

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commercile partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automatisch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commercile doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercile doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het watermerk van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.

Informatie over Zoeken naar boeken met Google

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via http://books.google.com
- - - - - - - - - - -- ----------
-- -- -- --
- - - - -- ---- --
- --
- -------------------- --

Z
d

:
k
l

Bibliotheek Universiteit Wan Amsterdam

01 3251 9273
-

-
- <--***
j BATAVISCHE
o U DH E D EN ,
O F T E -

4 VE R H A N DE L IN G
V A N

P. CLUVERIUS,
Over de drie Uitlopen , en Monden

VAN DEN RHYN,


Mitzgaders,
Wegens de vyf Volken, die eertyds aan
deelve gewoont hebben, te weten, ,
TOXANDREN, BATAVIEREN, CANI
NEFATEN, FRISEN, en MARSACEN.
Uit de oude Hitorien ; en wereldbechryving met
groote moeite opgehaalt tot het ontdekken, en
wegnemen der milagen, waar door de oudheid
| dier volken te chendig verduitert geweet is. "
k met Aanmerking
VerryktLand-kaarte n, enen opjder Hoofd-tuk,
Kont-printe n.
*- z-----

7 u. E E D e D E EL. Es'
##
IN s GRAVENHA
By EN GEL BREGT BO
Boekverkoper, in de HaltN:
de Waarheid, 1709.
---- - - -
----
---- ---- -
|
|

|
|
----|
*|
|
--------
} --
-
-
|-- -
A
- ----
-

__ A_ JA,157
*
A~

eezezorF
- /
// _
- -

/ ->zT o* * - - _

*_22/ze e -



k
w 3
PHILIPPUS CLU VERIUS
VAN DE D R IE

U IT L OP EN,
E N M O N D EN
V A N

D EN ' R H Y N,
En van de Volken, die eertyds
daar aan gewoont hebben.
XV. HO O FD STUK.

Van Lugdunum Batavorum,


of Leiden in Holland.
## Tolomeus telt in de Bechry
SS vinge van het Belgich Gal
# li een tad Aovyd)eivo, Baraevedv,
Lugodinum Batavorum , het
welk ik boven uit dien el
ven Schryver aangetoont heb tot den
oever van den midden Rhyn te be
horen. De naam elf, het zy alo door
A 2 Pto
**

P. Cluverius van de
Ptolomeus gechreven, of door 't on
regt destyds, of wel door enig oner
varen uitchryver aldus vervalcht, is
inderdaad niet', als 't behoord By
Antoninus in de Reis-bechryvinge der
Provincien , en by den Schryver van
de Reis-kaart vind men beter Lugdu
num. Het is jegenwoordig een zeer
vermaarde Stad , leggende op de ri
vier den Rhyn, en een zeer aangena
me zitplaats der wetenchappen, ge
noemd Leyen. De gemeine Latiniten
meinen , dat men dee Stad naar die -
taal Legia moet noemen, als hebbende
haar naam van een legioen, of legioe
nen, die aldaar haar legerplaats ouden
gehad hebben. Dog die naukeuriger
zyn, een nieuw woord op zyn Latynch
gevormt hebbende, chryven Leida ,
dewyl die gene, dewelke netter pre
ken, deelve in de land-taal ook Lei
den noemen, 't welk de egte, en wa
re naam des Stads is. En Leien is van
Leiden afgevloeit. Want het is by de
inwoonderen deer Landen zeer ge
bruikelyk de letter d in 't midden der
woorden te laten melten. Alo is het
Zeeuwch eiland, 't welk eertyds Schal
den genoemd wierd ( van de rivier de
Schel
e-LEIET
r -

3 Uitlopen van den Rhyn.


Schelde, eertyds Schalde gehete) de l
in u veranderd zynde ( dit is by dit
volk ook zeer gemein, gelyk ook in
t geheel Vrankryk, en Engeland) Schau
l den genoemd geworden; naderhand de
- d laten melten en een w in plaats ge
teld hebbende , Schauwen. Daarna
wederom, de a in een o veranderd zyn
de , werd het nu Schouwen genoemd.
Maar dat het woord Leiden uit de ou
de naam Lugdunum voortgekomen, en
by faute des tyds, en inwoonderen
verdraeid is, moet niemand twyffelen,
nademaal de gelegentheid van de plaats
daar mede over een koomt. Dog dat
An van Fieleman aan het trand
bechreven werd , en Leiden daaren
tegen ontrent even duiend paen daar
van af legt, dewegens moet men zig
niet bekommeren , Ptolomeus is ge
plaatenwel
woon tienmaal En
te mien. meer
dat opmen
andere
te- w

den aan de Z plaatt , dewelke daar - -

juit al wat van daan zyn , is ook wel 's


by Pliniusz, Strabo , Mela , en andere \
wereld-bechryvers gechiet De Reis
bechryvende kaart egter heeft Lugdu
mum van de Z af in 't vlakke land.
Men moet niet twyffelen,
n A 3 dat hetZeer
een
- - -n

6 P. Cluverius van de
zeer oude plaats is , alwaar Druiu
Germanicus de twede legerplaats ge-
teld heeft , by de welke dat kateel
ook door Brinio, als uit Tacitus aange
gemerkt heb , ingenomen is, moet
men niet twyffelen ; nademaal ze als
een voorname tad der Batavieren van
Ptolomeus gemeld werd. Tot welke
/ waardigheid zy aantonds van den be-
ginne af niet heeft kunnen teigeren,
o men meinde, dat ze ontrent de ty
den van Ptolomeus eert getigt was.
Het is waarchynelyk, dat ze door de
Romeinen eert tot een Kateel aan
dees zyde des Rhyns opgebouwt is,
by 't welke de legerplaats der Solda
ten geweet heeft. Wanneer het den
naam van Lugdunum bekomen heeft ,
is niet ligt aan te tonen. De oorpronk
des naams chynt egter dudanig te
zyn. By na midden in de Stad is een
eiland, 't welk den Rhyn in tw kil
len verdeeld maakt, welker linker de
oude Khyn , en de regter de nieuwe ge
noemd werd. Midden in het eiland,
dat is by den ouden Kil, die eertyds
afcheidinge van Galli was, is een Heu
vel, matig hoog, door menchen han
den, als baarblykelyk kan gezien wer
den,

\
Uitlopen van den Rhyn. ?
den, opgeworpen, om daar op een
terkte te kunne bouwen. Van de
en heuvel gie ik, dat de tad den
naam gekregen heeft. Want het woord
Dun betekent in de oude taal der Gau
len een Heuvel, of Berg ; naar tuig van
Clitiphon, een oud Schryver by Fiatr
chus, die een boek van de Rivieren ge
chreven heeft. Waar van daan Lug
dunum ( Lions ) by den Samen-vloed
van de Rhone en Saone yn naam ook
gekreegen heeft, om dat het op een heu
vel , gelyk Seneca in yn 91. brief,
of onder een heuvel, gelyk Strabo in 't
4 boek zegt, geboud was. Dio Ca
ius getuigt in het 46. boek, dat dee
Stad eert genoemt is geweet Asyuperor.
Waar uit ik vermoede, dat Lugdunum
Batavorum van den beginne af ook Lu
gudunum genoemd geweet is. Hier
van daan is het woord Asgebare" by Pto
lomaeus verbaterd. Of nu den Heu
vel tot Leiden door de Soldaten van
Druus onder den Kaier Augutus, of
naderhand onder enig ander Kaier,
op geworpen is, oude ik niet ligt
eggen kunnen. Dit is eker , dat de
tenen, met welke de terkte op den
Heuvel gebouwd is, door haar gedaan
A - tC
8 P. Cluverius van de
te deelve oudheid verbeelden, als de
terkte op het trand des Oceans by
den mond van den Rhyn. Die geen,
dewelke taande houden wil, dat die
terkte door Engitus, Koning der Fri
en, ontrent het jaar 45c. gebouwd is
en ulx uit chriften bewyen, al de
andere aken , dewelke in die chrif
ten fabeleulyk verhaald werden, niet
mogen verwerpen. Het werk chynt
inderdaad van een Romeinche opbou
winge , by Antoninus in de Reis-be
chryvinge der Provintien, werdende
dee woorden geleen: A Lugduno ca
put Germaniarum Argentorato, M. P.
CCCXXV. ('t welk onvertaanbaar
is, dog al hier na klaar werden) wel
ke woorden tot nog toe in deer we
gen vertaan yn, alsof Antoninus Lug
dunum Batavorum het Hoofd van Ger
manin genoemt had. Dog door wat
bewyreden, kan ik niet wel uitvinden.
Want Lugdunum ( Lions ) by den a
menvloed van de Rhone en Saorfe werd
wel te regt van den Schryver van de
land-kaart het Hoofd der Gallin ge
noemd , om dat het genoeg bekent is,
dat het een voorname tad van Galli
geweet is. Om welke reden de Pro
-
vintie
- Uitlopen van den Rhyn. 9
vintie elfs Ludunenis (die van Lions),
al van de tyden van Kaier Augutus,
af genoemd geweet is. Maar in de
Germanin ( te weten aan dees zyde A

des Rhyns ) heeft Colonia Agrippinen


is (Ceulen) wel de voornaamte geweet,
gelyk uit alle Hitorien blykt, en voor
namentlyk uit die van Ammiamus Mar
cellinus, dewelke deelve in 't 15. boek
een tad van een feer grote naam in het
twede Germani noemt. En kort na
derhand als hy de teden van beide de
Germanin optelt, telt hy deelve in
het elve Germani op de eerte plaats.
Waarom ik verwondert ben, van waar
dee by-naam aan Lugdunum Batavorum
toegechreven oude kunnen werden ;
en ik vrees, dat enig neus-Wys iende,
dat in de Reis-kaart dat ander Lug
dunum ( Lions ) het Hoofd der Galin
genoemd werd, by Antoninus aan ons
Lugdunum t Leiden j een diergelyke by-.
naam toegechreven heeft, noemende
het elve het Hoofd der Germanien. Maar
ik hebbe een andere ware giinge.
Want ik vermoedeg dat de voorwoor
den aldus behoren geleen te werden:
A Lugduna Argentoratum Caput Germania
rum. [ dat is : van Leiden tot Straat
burg
e
1o P. Cluverius van de )

burg het Hoofd der Germanien J Want


dat Straatsburg een voorname tad der
Germanien ten tyde van Antoninus ge-

weet heeft, blykt elfs hier uit, dat


Antoninus, en de Schryver van de Reis
kaart de reien uit vercheide plaaten
aldaar, als tot een vermaarde plaats
bepaalt hebben. Behalven dat het in
de Kaart met een groter merk, gelyk
ook andere voorname plaaten, aange
tekent taat. Weshalven my grotelyx
chynt gemit te hebben die man, de
welke in andere aken oo groot was,
my altyd o beminde, en welken ik
als een vader altyd geeert heb f want
ulx deed hy my door yn liefde doen !
joephus Scaliger , dewelke gemeint
heeft, dat het ten tyde van den Kaier
Valentinianus een wyk geweet heeft.
Op dat yne mislag des te meer bly
ke, moet de aak hoger opgehaalt wer
den. En voor eert wel moet het vers
van Auzonius by gebragt werden, om
dat hy 't hier uit geoordeelt heeft. De
Poet ullende den Moeel bechryven
begint aldus op te zingen:
Tranferum celeremnebuloo tumine Navam,
Addita miratus veterinova mania vico:
eAEquavit
-

Uitlopen van den Rhyn. 11


eAEquavit Latias ubi quondamGauta Cannas,
Infleteque iacent inopes uper arva caterve.
'Unde ster ingrediens memoroa per avia olum,
Et nulla humani pectans vetigta cultus,
Pretereo arentem itientibus undique terris
Dumnium , tiguaque perermt fonte Ta
n44 ;
Arvaque Saurornatum nuper metata colonis:
Et tandem primu Belgarum conpicor oris
Nivomagum, divi catra incluta Contantini.
Purior hic campu aer ; Phoebuque ereno
Lumine purpureum reerat iam uaus Olym
pum.
Nec jam conertis per mutua vincula ramis,
'Quieritur excluum virtdi caligine caelum,
Sed liqutdum jubar, C9 rutulam wientibus
ethram ,
Libera perpicui non invidet aura diei,
In peciem quum me patrie , cultumque
'nitentis -

Burdigale, blande pepulerunt omnia viu;


Culmina villarum pendentibus edita ripis,
Et virides Baccho colles, zo amana fluenta
Subterlabentus tactto rumore Moelle.
Salve amnis laudate agris, laudate colonis,
Dignata imperio debent cui mania Belga.
Dat is :
De nelle Naue in duitre troom eert over
varend 3
t
N Ver
12 P. Cluverius van de
Verwonderd over wal, en muir, en nieu
wen arend
Van 't wyk, daar Gali 't Roomch
Cannen eert geleek,
En 't ongeweena gebeent der lyken blank,
en bleek -

Het land rondom nog met , ben ik door


boch, en beemden, - -

Daar menchlyk voettap , nog gedientig


heden weemden, /

Over den Daun gevoert , dien drogen


kleinen beek,
Daar 't gantch land dort lyd. Waa
rom ik zeer haatig week
Naar dien o uivren bron der vogtige Ta-
bernen,
Daar de Sauromaten door bezin, en ker
72672

Verblyd jongt tonden. En zie eindlyk


zeer verheugd

Neumagen, daar 't begin zig opdoet van


de deugd
En zeen, en dapperheid van de manhafte
Belgen, -

Daar d'akkerman den oegt des wyntoks


niet kan welgen,
'Ow oude legerplaats, vergode Contantyn,
Vermaard door toevoer van den Rhyn
che, en A4oeel wyn.
- - - - Hier
Uitlopen van den Rhyn. 13
Hier ademt men een lugt veel uiverer ; z .
den Hemel, - -

En Son veel fricher , en ook warrem ,


luit 't gewemel
Van 't blauw lazuir op; 't geen o neus,
als oog verblyd. | |
Geen tralen werden door 't gevlogte loof
vermyd.
Maar helare glans des daags ten hemel
waard getogen
AMaakt hier geen tralen , nog krioel door'
lugt voor d'ogen.
Geheel verrukt wierd ik gedagtig aan d
tad
Van myn geboorte, choon Bourdeaux ,
en uiver nat.
'K zag Heuvelen ten top geteigert, en ook
vlekken - - -

Al hangend boven op, daar wynranks bla


den lekken,
En 's Moeels 's blyde troom, o aan
genaam voor my,
Als oit Garonne was , vol druiven zy
(2/2/2 zy. w

Gegroet zyt, chone troom, gelieft om uwe


telgen, - -

En tad, de itplaats eens des Ryx in 't


- land der Belgen.
Over
*

14 P. Cluverius van de
-
Over dee woorden chryft Scaliger
aldus : Auonius ten tyde van den Kaier -
Valentinianus, den vader, Stedehouder der
Gallin, van Straatsburg naar Trier reien
de , had eert Straatsburg in 't lang en
breed doorgezien , en ig verwondert over
de nieuwe muiren , waar mede dat vlek
onlangs omringt was ; nademaal hy gedag
tig was, dat die plaats weinige jaren te
voren van de vyanden verwoet, en de
elve aldaar een bloedige nederlaag gehad
hadden. Want in het veld van Strats
burg waren aoor aen zeer dapperen Kaier
Claudius 7ulianus onder Contantius ontel
bre troepen der vyanden verlagen. Der
halven daar van daantrekkende, als gezegt,
reide hy naar Trier. En die van Straat.
burg reit naar Trier, moet nooifakelyk
over den Naue varen. En kort daar na :
Dog Auzonius heeft de rivierte Bingen niet
overgevaren, want dat is te verre , maar
niet wyd van het boch Onderwald , om
dat van daar de naate, en korte weg naar
Neumagen is, waar van hy naderhand ge
wag maakt. Scaliger heeft geoordeelt,
dat Auonius naar Trier gereit is, om
dit vers :
En Stad, de zitplaats eens des Ryks in 't
land der Belgen.
'T
Uitlopen van den Rhyn. 15
'T welk Trier betekent. Dog 't
geen hy eert zegt, dat het nootake
Iyk is, dat die van Straatsburg naar
Trier reit, den Naue (of Nake ) over'
moet varen by het Stedeken Bingen,
daar in is hy zeer verre van de kort
te, en naate weg af. Want de naa
te, en bete weg is van Staatsburg
door Zweibrukhen, Limpag , Otweiler,
en Grimberg. Daarna volgt eert Trier,
in welke reis de rivier de Naue niet
eens aangeraakt werd. Maar of Au
zonius te Trier gekomen is, # het
uit dit vers oneker is, alzo blykt het
genoeg, dat hy niet van Straatsburg,
maar van Bingen afgereit is. Want
hoedanige overtappinge oude het
zyn van Straasburg af tot de Naue
toe onder enig gewag van plaaten ?
Daar hy egter in een veel korter pa-
tje tuchen de Naue , en Neumagen
van bochen, van den Daun, en het
daar rondom droge land, van de Ta
bernen met den bron , en de landen
aan de Sarmatirs toegetaan, gewaagt.
Maar dat Auonius, van Bingen afge
reit is, zal ik kort hier na aantonen.
Nu taat my te bewyen, dat Straats
burg ten tyde van Auonius geen wyk,
, maar
H-H- --
l
16 P. Cluverius van den
maar een zeer vermaarde Stad geweet
- is. Hier toe dient eer veel de getui
genie van Ptolomeus, Zoimus en Mar
cellinus , buiten het geag van Antoni
nus, en den Schryver van de Reis-kaar
te. Niemand kan onbewut yn, dat
Ptolomeus I die lang voorden tyd van
Valentinianus yn land-bechryvinge ge
chreven heeft J gene wyken , maar
allenelyk de voornaamte teden opge
telt heeft. En nademaal dee in de
bechryvinge van het Belgich Galli
van Straatsburg ook gewaagt , en 't
elve het hondert negende Kaierlyke
legioen toechryft, oo geeft hy onge
twyfelt een tad te kennen. Zdimus
in het begin van het derde boek de
lag by Straatsburg, en de overwin
ninge van den Kaier Julianus verha
lende, noemt het openbaar geen dorp,
maar een tad. Van gelyke noemt Mar
cellinus het mede een # in yn e
tinde boek. Dat men alle dee Schry
vers van logentaal , of mislag oude
betigten, daar de bewys-rede van Sca
liger o kragteloos is, oude ik niet als
enkele dwaasheid agten. Alle de Hi
torien van die eeuw getuigen gea
mentlyk, dat door den Keier fulianus
CCIR
r Uitlopen van den Rhyn. 17
een grote lagtinge der Germanen by
Straatsburg gechied is. Maar hoe komt
hier dit vers van Auonius mede over
CCn. - - -

..... Daar Galli 't Roomch Cannen eert


geleek ?
Want men kan geen gelykenie ma
ken tuchen de nederlaag van Can
nen , en die van Straatsburg. Want
in de nederlaag der Cannen yn de
Romeinen gebleven , en de vyanden
in die van Straatsburg. Ook is het
cker, dat Auonius van een nederlaag
der Romeinen in Galli preekt, en
het woort eerlyds geeft een afgelegener
tyd te kennen, als die van den lag
van Julianus, onder het gebied van den
Kaier Valentinianus, den vader, voor
gevallen is. Indien Auonius de lag by
Straatsburg te kennen gegeven had,
had hy beter kunnen eggen onlangs ,
als meer te pae komende; gelyk hy
ook aantonds onder feit: -

Daar de Sauromaten door bezin, en kernen


Verblyd jongt tonden.
II. Deel. B En
-
-

18 P. Cluverius van de
En dit is elf onder de Kaiers Dio
cletianus, Contantius , en Maximinianus,
lang voor de lag van Stratsburg ge
chiet, gelyk ulx getuigt werd by Eu
tropius in het IX. Boek, daar hy zegt:
Naderhand hebben zy vercheide oorlogen
te gelyk , als ider afonderlyk , gevoert |
[ te weten die drie Kaiers] de Carpen, -
en Baternen ondergebragt, en de Sarmar
ten overwonnen hebbende, van welke natien
zy grote troepen der gevangene in de Room
che grenen geplaatt hebben. Te weten
in Galli, gelyk Auonius getuigt. In
dien dan die plaatinge der Sauroma
ten in Galli onlangs by Auonius ge
zegt werd gechiet te zyn , hoe veel
te meer moet hy dat dan zeggen van
de lag van Straatsburg, die door den
Kaier 7ulianus gelagen is? Deze woor
den: -

- - - door boch, en beemden,


- - - -

Daar menchlyk voettap, nog gedientighe


den weemden.
Vertaat Scaliger van de bochagtige
treek lands tuchen de Naue, en Neu
magen naar de Moezel. Dog hy heeft
niet aangemerkt, dat het wyk, #
Ul
Uitlopen van den Rhyn, 19
Auonius uit vertrokken is, aan dee
bochen aan lag. Want het wyk be
chreven hebbende:
daar Gali't Roomch
Cannen eert geleek,
So laat hy er dee veren op volgen:
e e e en 9 e ben ik door boch en beemden,
Daar menchlyk voettap, nog gedientighe
den weemden,
Over den Daun gevoert , dien drogen
kleinen beek,
Daar 't ganich land dort lyd.
'De Dumnius werd by den Schry
ver van de Reis-kaart in de reis van
Bingen naar Trier Dumnos genoemd,
en is jegenwoordig den Daun, gelyk
te zyner plaats breder aangetoont zal
werden. Die Schryver telt in dieel
ve reis van den Daun eert Belginum ,
daar na Neumagen, gelyk Auonius ook
doet. Waar door het baarblykelyk is,
dat Auonius niet van Straatsburg, maar
van Bingen afgereit is, 't welk eert
een wyk geweet zynde toen ter tyd
op de manier van een tedeke, dat met
B 2 - nieuw
zo P. Cluverius van de
nieuwe muiren omringt was. Maar de
Leer moet alhier vermaand werden,
dat ik dit gechreven heb niet zo
zeer, om die vermaarden man ( Sca
liger ) tegen te preken, als wel, op
dat die vermaarde Stad haren zeer
ouden luiter behouden mogte, mit
gaders om die vervalchte plaats by
Antoninus tenemaal te zuiveren. Straats
burg dan al ten tyde van Ptolomeus
een vermaarde Stad, en naderhand ook
zeer berugt in de Hitorien der Ro
meinen geweet zynde is buiten twyf
fel van Antoninus het Hoofd der Germa
nin genoemd. Maar dit is Lugdunum
Batavorum ( Leiden ) niet geweet,
wiens naam nergens, als by de we
reld-bechryvers Ptolomeus Antoninus,
en den Schryver van de Reis-kaart te
vinden is. Maar Straatsburg werd uit
drukkelyk door Ammianms Marcellinus
in het X V. B. onder de voornaamte
Steden van Germani opgetelt ; waar
van de overige zyn Magontiacum , de
Vangionen, en Nemeten. Hadrianus 7u
nius in zyn Batavie van Leiden pre
kende zegt, dat men het woord Hoofd
in de betekening van begin opvatten
moet, als of Lugdunum het begin der
Ger
Uitlopen van den Rhyn. 2r
Germanin geweet had. Maar dit is
een opentlyke mislag, want 't elve
oude by de Romeinen veel eer het ein
de , als het begin der Germanin , als
- men op de gelegentheid van Leiden,
en Romen agt geeft, behoort hebben
genoemt te werden. Daarom is den
oever van den opper Rhyn eertyds
ook het eerte Germani by de Romei
nen genoemt geweet; En den onder
te oever het Twede. En indien men
alhier het Hoofd voor het begin oude
moeten vertaan , oo oude ulx ook
gechieden moeten by den Schryver
van de Reis-kaart in Lugdunum (Lions)
by de amenvloed van de Saonne, en
Rhome, het welk hy het Hoofd der
Gallin noemts. Het welk opentlyk
valch is. Want als men uit Italien
koomt, is Lions het begin der Gallin
niet ; nademaal er tuchen die tad ,
en het Alpes gebergte nog vele ande
re teden # Hieronimus Surita in
zyn Verbeteringen op de Reis-bechryvinge
van Antoninus chryft aldus: Ik begryp
dat Lugdunum alo het Hooft der Germa
nin vertaan wert te zyn , gelyk Pli
nius de Segobrigenen het hoofd van Celti
berin genoemt heeft , dat is der elver tad
B3 ge
22 P. Cluverius van de
gelegen in het opperte gedeelte van Celtibe
rin. Dog dee gelykenie heeft niet
veel aan, en is niet onder groote mi.
lag. Want dit Lugdunum Batavorum is
in het onderte gedeelte van het on
der Germani. Daar en boven al nie
mand twyffelen, die de volgende woor
den van Plinius leet, of hy heeft, als
hy Segorbe het Hoofd van Celtiberien
noemt, daar door de voornaamte tad
van dat gehele land vertaan. In het
III. B. III. Hoofd: de Krygs-loon
trekkers van die Provincie (Spanje)
optellende , na andere, zegt hy : En
het Hoofd van Celtiberie zyn die van Se
gorbe , die van Toledo, aan de rivier den \

Tajo leggende, het hoofd van Carpentarie.


Hier ziet men, dat hy zegt, dat To
ledo het Hoofd van Carpentarie is. Is
dit ook, om dat het in het opperte t

gedeelte gelegen is ? Maar dat het


midden in de grenen van de Carpen
tariers geweet heeft, kan men uit de d

Kaart van Ptolomeus leren. Laat ons


daarenboven Plinius elve horen in het :

volgende Hoofd-tuk van 't elve boek, t


wat hy door 't woord hoofd vertaat,
alwaar hy zegt : De regeringe der Vo
contien, onze bondgenoten, heeft tw Hoof
- den,
t
Uitlopen van den Rhyn. 23
den, Vaio , en Lucus Auguti. Hy wil
namentlyk de tw voornaamte ##
te kennen geven. Gelyk Ortelius in
zyn Wereld-bechryvende Schat, ge
lyk hy te voren qualyk gegit had we
gens het Kateel aan den mond des
Rhyns , heeft alo alhier ook qualyk
gegit, dat Leiden den naam gekregen
heeft, als zynde de legerplaats der Le
gioenen van Germani, daar Plinius van
gewaagt ; daar dee, als boven aange
merkt daar door vertaat alle de le
gerplaaten op den oever des Rhyns
van deelfs bron af tot zyne monden
toe. Dit chynt my 't voornaamte
wegens de oudheid van Lugdunum Ba
B4Z/07 W/72. -

Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofd-tuk.


Pontanus over dit Hoofd-tuk zyne gedag
ten uittende zegt niet veel 't geen den Ne
derduitchen lezer leren kan. Nog hy preekt
de verbeteringe, die cluverius in dit Hoofd
tuk wegens het Caput Germaniarum (Hoofd
der Germanin ) in de Rys-bechryvinge van
- Antoninus maakt , in 't minte niet tegen ;
gelyk ulx ook tegen reden gechiet oude zyn.
Over het woord Lngdunum, waar van daan
't elve oorpronkelyk is, mitgaders of Lei
den Lugdunum Batavorum genoemd mag wer
B 4 den
24 P. Cluverius van de
den, maken vele, die de glorie van de Ba
tavierche naam niet al te goed guntig zyn,
al veel twyffels, onder andere Simon Ogerius
( wiens Pozy gedrukt is tot Douay in het
jaar 1588.) in eker vers aan Janus Douza,
den vader, alhier in de Voor-reden te vin
den. Veelvuldige bedenkingen over den
oorpronk van het woord van Lugdunum zyn
aldaar ook aangehaalt. Weliswaar, dat Clu
verius alhier zegt , dat men den naam van
Lugdunum Batavorum nergens vinden zal, als
by de Wereld-bechryvers Ptolomaeus, Anto
minus , en den Schryver van de Reis-kaart ;
maar het geag van dee drie dunkt hem, en
alle regtzinnige, ook bewys genoeg. Waa
rom Petrus Bertius niet te onregte in zyn Boek
de Germania Veteri, of Oud Germani, zegt :
Lugdunum Batavorum et , nec in tripi potet.
Dat is : Lugdunum koomt de Batavieren toe
en kan de elve niet ontrukt werden, Gelyk hy
in het XXIII. Hoofd-tuk aldaar ook leerr,
dat de Tabernen , waar van in het vers van
Auonius gewag gemaakt werd, Rhein-zabern
HS, * * - -

XVI.
Uitlopen van den Rhyn. 25
xvI. HooFD-sTUK.
Het Roomch Wapenhuis, het
Luthuis van Agrippina,
of Roomburg ; Trajectum,
Arenacum, en andere plaat
en der Batavieren ; mit
-. gaders het Heilig boch.
E Sehryver van de Reis-kaart
D# na tw duiend paen
van Leiden gewag van het Lut
huis van Agrippina , het W7elk met de
elve verwe betreken is, waar mede
de warme wateren, of Baden , door
gaans door de Roomche Provincien in
die elve Kaart betekent werden. Wel
ke plaats geleerde mannen (waar on
der de voornaamte is Marcus Velzerus,
zeer ervaren in oudheid, en een van
de tw Opper-regenten van Augsburg)
voor de wyk van Roomburg uitleggen.
En dit is inderdaad niet ongeleert, na
demaal drie zeer grote bewysredenen
hier toe trekkende zyn. De eerte is
B 5 in
=m
l
26 P. Cluverius van de
in de naam van het wyk , 't welk
een Roomchen naam opentlyk uit
galmt, en baarblykelyk getuigt , dat
de plaats eertyds door de Romeinen
getigt is. De twede bewyreden kan
genomen werden uit de afgelegent-,
heid van die plaats van Leiden , de
welke aldus af te meten is. De Schry- l

ver van de gemelde Reis-kaart, en An- |

toninus in zyn Reis-bechryvinge tellen


tien duiend paen tuchen Lugdunum
( Leiden) en Albiniana , welk wy hier
na aantonen zullen Alphen nu te zyn.
Indien men de patie tuchen Alphen
en Leiden in tien gelyke delen ver
deelde, zal het zeer weinig verchil,
len , of twe tiende parten, dat is tw
duiend paen zullen met Roomburg
overeenkomen. Het derde bewys werd
genomen uit de oude bychriften in
tenen, en ontelbre andere overblyf
els van Roomche oudheden, dewel
ke in vorige jaren alhier ontdekt, en
uit gegraven zyn. Waar van de afbeel
dingen by Hadrianus 7unius , en Petrus
Scriverius in de Bataviche Oudheden
te vinden zyn. Ik heb elf ook eer
tyds een gedeelte derelve in 't elve
wyk doorgaans in 't veld verpeid ge
- zien.
Uitlopen van den Rhyn. 27
zien. Wegens den naam ben ik van
deelve gedagten, als Velerus is. Wiens
woorden het U niet vervelen moge,
Leer, dat ik hier by voege. Hy dan
in de uitlegginge van enige bladen van
die Reis-kaart, na dat hy dit volgen
de uit Tacitus XII. jaarboek voor af
had laten gaan: Agrippina (de vrouw
van Kaier Claudius) om haar magt, en
gezag aan de volken der bondgenoten me
de te doen zien, doet de oude oldaten, en
een volk.plantinge in de tad der Obien
( Ceulen ) waar in zy geboren was, over
gaan, en is die tad van haar de naam
gegeven , Colonia Agrippina, chryft al
dus: Ik zie dat dee eerzugt in de naam
van Colonia , in dit Luthuis de overhand
gehad heeft. Dog ik twyffel ook niet zeer,
of dit Luthuis behoort ook tot Agrippina,
de dogter van Germanicus. Mogelyk heeft
dit gebied-zugtig, en gaauw wyf met een
eker beluit Batavie, om haar trotsheid te
tonen, uitgekoren, om de eerbiedigheid tot
haar by dat volk te vergroten, waar uit
men de lyf-trawanten van de Kaiers, en
Kaierinnen gewoon was te verkieen. So
dat de tigter van dit Luthuis inder
daad oneker is. Dit kan ik egter niet
verwygen, indien een van de tw
- Agrip
28 P. Cluverius van de
Agrippinen, 't zy de vrouw van Clau
dius, 't zy die van Nero, dit Lut
huis getigt heeft , om haar magt en
gezag aan de natien der bondgenoten
te doen blyken, o heeft zy 't elve
niet naar een land-gebouw, nog op
een lage grond, nog klein, maar naar
de waardigheid van de Roomche
grootheid getigt. Indien het elve
dudanig geweet is, o moet ik my
inderdaad verwonderen, dat men gants
geen gewag daar van by Tacitus in de
Bataviche optant vind. Want de Ba
tavieren , en Caninefaten ouden dit
buiten twyffel ook al weggenomen
hebben, gelyk zy de tw legerplaat
cn, die nog lager waren, gedaan
hadden, of de Romeinen oudens 't
elve in den brand getoken hebben,
gelyk aen die tw Katelen by de ge
melde legerplaaten opgeworpen ge
chiet is. Waarom ik ten hoogte
twyffel , of wel een van die Agrip
pinen het elve getigt heeft. Dog ik
kan ook niet wel zien, waar van 't
elve na hare tyden dien naam van dat
van Agrippine grekregen heeft. Wy
ders heb ik het bychrift van den teen,
dewelke getuigt, dat het wapenhuis
- w door
/
-

Uitlopen van den Rhyn. 29


door Severus , en Aurelius weder op
gebouwd is, hier voren bygebragt.
Dat dee teen in het wyk Roomburg
gevonden is, getuigen, als boven me
de gezegt , Aurelius Cornelius , en de
Schryver van de grote Chronyk van
, Holland. Waar uit geleerde luiden
gien , dat Roomburg eertyds dat Room
che Wapenhuis geweet is, 't welk
de gemeine Schryvers aan den mond
des Rhyns toechyven. Dog inderdaad
koomt het clve veel meer met dee
plaats overeen , om dat ze midden in
het land is. En o hier oit een lut
huis geweet is, o is er immers geen
# over eenkomt , als tuchen
een luithuis, en een wapenhuis, in
een gerute plaats buiten de legerplaat
en opgerigt. Dat de oorpronk van
het wapenhuis zeer oud is, kan men
opentlyk genoeg hier uit afnemen, om
dat het ten tyde van den Kaier Seve
rus al door oudheid vervallen was, daar
egter de Roomche gebouwen altyd
van een zeer vat werk geweet zyn,
gelyk doorgaans uit de overblyfels van
de oudte oudheden blykt , wegens
het verval o van het luthuis, als van
het wapenhuis, weet ik niet ekers
by
3o P. Cluverius van de
by te brengen. Na de tien duiend
paen van Leiden maakt Antoninus ,
en de Schryver van de Reis-kaart ge
wag van een plaats , , Albiniana ge
noemd , en hier vandaan telt Anto
minus XVII. M. paen tot Trajectum,
Met dee patie, en gelegentheid aan
dee zyde des Rhyns, als ook met
die naam , koomt het Hollands dorp
Alphen zeer wel overeen. Want de
Hoogduitche praak heeft Albiniana
zeer ligt kunnen verdraeien in Alben;
waar uit naderhand Alpen, en einde
lyk Alphen gekomen is. Dog ik kan
niet nalaten aan te merken, dat by
Antoninus gelezen werd Albimanis, en
nog erger by den Schryver van, de
Reis-Kaarte Albamanis. Maar om dat
en de patie, en de gelegentheid met
Alphen overeenkomen, o hebben ge
leerde luiden niet onvertandig het
woord van de Reis-kaarte verworpen
hebbende 't elve van Albimanis verbe--
terd in Albinianis. Want het verval van ni
in m is zeer ligt. Dat het een Room.
che legerplaats, en van enig Overten
Albinus genoemd , opgeworpen is ge
weet, werd by de geleerde ligter ge
loofd, als beween. Wat my aangaat,
Uitlopen van den Rhyn. 3r
ik kan niet vinden, wat ik hier on-
trent verekeren, of verwerpen zal.
Midden 's wegs tuchen Lugdunum, en
Albiniana, dat is V. duiend paen van
jder afgelegen, vertoont de Reis-kaart
een plaats, genoemd Matilonis. Dee,
is nu ter tyd ledig, gelegen hebbende
regt tegen over het overrhynch dorp
Coukerke. XVII M. paen van Albi
niana, en XXVII. M. paen van
Lugdunum telt Antoninus in zyne Reis
bechryvinge Trajectum , met welke
naam , en gelegentheid aan dees zyde
des Rhyns, mitgaders met de afge
legentheid de nu ter tyd zeer vermaar
de tad Utregt zeer wel over een koomt,
met een 't amen getrokken woord
Oitert genoemd. Antoninus alleen van
de oude maakt er gewag van ; aan
wien zyalle geheugenie van hare oud
heid verchuld is. Lambertus Horten
ius chryft aldus : Dat het by een gelyk
voor gewis gehouden werd, dat ze van den
beginne Antonina genoemd is geweet (Het
welk Ortelius niet te onregte zig niet
heeft willen laten wys maken ; alzo
Hortenius geen geag van enig Schry
ver hier toe gehad, nog bygebragt
heeft ) maar , zegt hy wyders , # et
- -
32 P. Cluverius van de
het waarchynelyk is, dat de plaats elve,
o om de vrugtbaarheid des gronds, over
vloed van granen , als de gelegentheid om
de waren naar de eilanden des Oceans ,
en het Celtich Gallie voor troom van den
Khyn af te voeren, al ontrent den overgang
van 7ulius Cear in Germani onder de
barbaren , ( dat is die 't Roomch ge
bied niet onderdanig waren ) door koop
handel vermaard geweet is. Wat Cel
tich Gallie hy hier vertaat, of welk
het felve zyn mag, kan ik nog niet
wel begrypen. Ook kan ik daar toe
niet wel gebragt werden, dat ik ge
loven zoude, dat hy de Commenta
rien van 7ulius Cear , en de Hito
rien van Tacitus grondig geweten heeft.
Want dat de barbariche volken der
Germanen #
dien tyd aan den Rhyn
gewoont hebben , met welken gene
handeling onder malkander , en o
veel te min op de eilanden des Oceans
geweet is, vermein ik , dat de on
vertandigte wel uit beide die Schry
vers oude kunnen blyken. #unius git
in het II. Hoofd-tuk, uit den elven
Hortenius , dat die Stad van AM. Anto
nius, een Stedehouder van 7ulius Cear,
dewyl dee het-Belgich Galli 't on
derbragt
Q

Uitlopen van den Rhyn. 33


derbragt, gebouwd is, en daar van
den naam gekregen heeft, zeggende:
Hy had te dier tyde in Batavie toen der
Romeinen bondgenote een Kateel, tot be
veilinge des Rhyns opgeworpen , daar de
oldaten hare winterguartieren houden mog
ten. Maar nog Iunius , nog Hortenius
hebben de Hitorien van Cear genoeg
doorgezien. Ik zal hier na aantonen,
dat nog Caar, nog iemand van zyne
Stedehouders ( Generals ) met oldaten
tot in de landpalen der Batavieren
door gedrongen zyn. En dat de Ba
tavieren toen ter tyd geen teden, nog
geen tedekens in het eiland gehad
hebben, is hier voren al genoegaam
aangetoont. Wyders weet ik niet,
- waar de gedagten van Beatus Rhenanus
geweet zyn, als hy dit Trajectum aan
den Rhyn voor Maatrigt, een Stad
aan de Maas, uitgelegt heeft. Want
wat overtrekt is er voor die gene, de
welke van Leiden naar Ceulen trekken,
door Maatrigt ? Maar de naam van
AMaatrigt heeft Rhenanus op den dool
weg gebragt; om dat defe Stad by Si
gebert van Gemblours, en andere Schry
vers van de latere eeuw dikwils Tra
jettum genoemd werd. De Stad Utregt
II. Deel. C werd
A
- --
- V
' -

34 P Cluverius van de
werd nu gemeinlyk in het Latin Zyl.
trajectum genoemd met een naam, die
uit den gemelden Sigebert genomen is.
Dee chryft aldus in zyne Tyds-be
chryvinge, op het jaar 697 , daar hy
de gechiedenien van den Keizer Ju
tinianus verhaalt : Willebrordus , door
den Paus Sergius, Clemens bygenoemd, en
tot Bichop geheiligt zynde, om het volk
der Frten te prediken, heeft uitgifte van
den Vort Pipinus zyn Bichoplyken zetel
in de plaats Vultaburg getelt, die nu
Ultrajectum genoemd werd, van den
naam van het volk Vulten, en Trajectum
amen geweyd , als of men zelde de Stad
der Vulten. Want Trajectum betekent in -
de Galliche taal een Stad. Het Welk
Stgebert uit Beda gehaalt heeft. Want
dee in het V B X II. Hoofd der
Engelche gechiedenien van den el
ven Bichop Clemens prekende, dien
hy Wilbrordus noemt, zegt : Maar
Pipinus heeft hem begiftigt met een plaats
Z/art een bichoplyken toel, in zyn doorlug
tig Kateel, 't welk met den ouden naam
der volken Wiltaburg, dat is, de Stad
der Wilten , dog in de Galliche praak -

Trajectum genoemd werd. Maar waa


rom preekt men hier van de Galli
che
Uitlopen van den Rhyn. 35
che praak in 't Land der Frien, ge
lyk zy vermeinen? daar al enige eeu
wen voor Caears tyden de Germanen
de Gallen uit het grootte gedeelte van
het Belgich Gallie verjaagt hadden,
en geen enig Gallich volk oit , of oit
daar weder in gekomen is? Daarenbo
ven o het waar is, dat het woord Tra
jectum een Stad betekent, hoe heeft
dee plaats dan by Antoninus een tad
genoemt kunnen worden onder enig
eigen naam, of enig byvoegel ; daar
er oneindige teden ganch Galli door
geweet zyn? Of waarom heef Sigeber
tus elve de Stad Maatrigt, Trajectum,
dat is, een tad, gonoemt , onder eni
gen byonderen naam ? Eindelyk hoe
heeft de naam van die tad voor de Ro
meinen verborgen kunnen zyn, die
door hare legerplaaten, en oldaten,
deen oever bezet hadden, als het volk
der Walten nog onbekend was?Inderdaad
het woord Trajectum van de Romeinen
of aan een tad, of aan een dorp gegeven,
betekent niet anders, als een overtogt
van een rivier. Niet alleen in dit land,
maar allezints vind men de namen van
teden, dorpen, of wyken uitgaande
in trigt, tregt, of dregt. Want dee
C 2 zyn
36 P. Cluverius van de
zyn altyd by rivieren, of andere was
teren. Alo is in Holland Haetregt ,
en Moertregt, aan de rivier den Yel,
niet verre van Ter Goude; Papendregt,
en Slidreget aan de vloed van de ou
de Waal, en in het eiland elve Dor
dregt. En ook nog in een ander ei
land Barendregt , digt aan de onder
gepoelde landen. En in Gelderland
Trigt , op den regter oever van de
troom de Linge. In Braband Woen
dregt , en Oendregt, op den regter
oever van de Schelde, en Berendregt
aan de moeraen. In Vlanderen Swyn
dregt by de linker zyde van de Schel- .
de, en Kieldregt aan de meiren, mit
gaders Adregt op den regter oever van
de Schelde , niet verre van Gent.
Daarenboven nog over den Rhyn tw
dorpen niet verre van Utregt, het een
in Gelderland Loedregt, het ander in
het Stigt van Utregt Mydregt , beide
aan een graft gelegen. "Waarom m
# chynt gedwaalt te hebben, als
y van meininge was, dat men Dor
dregt in het Latyn Durodrechtum moet
noemen, gelyk als of men zeggen wil
de Duri Forum, (de markt, of markt
- - tad
Uitlopen van den Rhyn. 37
tad van Duru ) zynde de naam van .
Duru een fabuleue benaminge van
een veronnen mench. Want hy legt
Dregt uit, als een markt, of een plaats,
daar de koophandel gechiet. Petrus Ber
tius het gezag van #unius opvolgende
verekert dit ook in zyne bechryvin
ge van Holland. Dat Maatrigt haar
naam bekomen heeft, om dat de rei
igers gemeinelyk aldaar over de Maas
trokken, zal ik elders aanhalen. Maar ,
oude men mogen zeggen hoe komt
een Latynche benaminge by de Ger
manen ? Ik antwoorde, dat ulx by de
Latynen, of Romeinen, elve ook is,
dewelke als zy een plaats of tw , of
wel meer defe naam gegeven hadden,
die zy uit de taal der inwonders , al
hoewel niet al te uiver, legts opge
vat hadden, o hebben zy deelve aan
andere diergelyke plaaten gegeven,
Dat het by de latere Romeinen gebrui
kelyk geweet is diergelyke plaaten
een naam te geven , kan eker wyk
in Italie aan de rivier Liris, daar eer
tyds Minturnen geweet heeft , tot
voorbeeld trekken, 't welk by de Ita
lianen nu Trajetto genoemd
r C werd, met
- een
38 P. Cluverius van den
een enkel Latynch, en geen Italiaanch
woord. En hoe veel geloofs men aan
Sigebert van Gemblours, en andere chry
vers van die eeuw geven moet, kan
men wel aan een voorbeeld uit hem
zien. Hy zegt dan : Dat den Kaier
Gratianus de tad, ( die Antoninus Pius
met zyn oon Aurelius gebouwt , en Som
monobria, van de byleggende rivier genoemt
oude hebben) onder zyn Heerchappye heb
bende Ambianis heeft laten noemen (ab ambi
tu) om den omtrek der rivieren. Wat beuze
ling, of wat oud wyfs praatje is dit? Sa
marobria is het hoofd der Ambianen by
Ptolomeus. Dat Samarobria , of Samaro
briga de oudte, en voornaamte tad der
Ambianen geweet is, alwaarJ: Cear o
verwintert heeft, is immers genoeg uit
deelfs Commentarien over den Galli
chen oorlog te zien Cicero elf maakt in
zyne brieven daar gewag van. Moet ik
dan Sigebertu liever geloven, dewelke
getuigt, dat die tad van Antoninus eert
getigt en Samarobria genoemdsi?Ikben
inderdaad van die gedagten niet. Hy had
voorwaar alleen uit de hitorie van Am
mianus Marcellinus kunnen leren, dat in
deelfs leeftyd byna alle de voornaamte
teden # volken, hare eige
- VCI
Uitlopen van den Rhyn. 39
verworpen hebbende, de namen der
volken elve aangenomen hebben. Al
o werd by dien Schryver Auguta Rau
racorum (Augt. by Bazel ) de Ranraci
genoemd , en Noviomagus Nemetum
( Nymagen) de Nemeten, Bormicamagus
Vangionum (Worms ) de Vangionen ;
Divedurum Mediomatricum (men meent
A4ets ) de Mediomatricen ; Auguta Tre
virorum ( Trier) de Treviren, Aduatuca
Tungrorum (Tongeren ) de Tungren. Au
guta Sueienum (Soions) de Suezionen;
Durocortorum Rhemorum ( Rheims ) de
Remen. Lutetia Pariiorum ( Paris ) de
Pariien, Avaricum Biturgum ( Bourges en
Berry ) de Biturigen. Welke namen tot
deen dag toe, alhoewel wat verba
terd, die elve plaaten behoudende
zyn. Op deelve wye dan is Samara
briva van Cazar , Cicero, en Ptolomeus,
in getal van vele de naam veranderd
hebbende naar de eige naam van het
volk , ( de Ambianen ) waar van 't de
hoofd-tad was, de Ambianen genoemt.
Hier van blyft nog de gewone naam
in 't elve getal: Amiens. Wyders is
buiten twyffel dat ## Kateel
van Pipinu, 't welk Beda Wiltaburg
noemt , die plaats #eet , die nu
4. nog
== mem

4o P. Cluverius van de
nog ontrent 36oo paen boven Utregt
Wiltenburg genoemd werd, alwaar 7u- w

nius getuigt, dat in zyn tyd vele merk- l


tenemen van oudheid uitgegraven zyn.
Daarom vermoede ik , dat dewyl die
plaats o digt by de tad Utregt was,
(alwaar Willebrordu zynen Bichoply
ken zetel door toetaan van Pipinus ter
neder getelt heeft) de milag van Be
da hier uit geproten is, en dat hy ge
meint heeft, dat de Bichop in het
kateel elve zyn zetel geplaatt heeft,
Dit oude ik egter niet willen tegen
preken, dat dit Trajectum naderhand
zyne benaminge van het volk der Vul
ten, of Wilten , gekregen heeft ; de
wyl Gerardus Noviomagus in zyne hito
rie van Batavi uitdrukkelyk getuigt,
dat hy in boeken voor 6oo. jaren ge-
chreven defe tw namen , Wiltrajec
\ tum, en Oltraiectum gelezen heeft. Ge
lyk dan het Trajectum aan de Maas tot
ondercheid van dat aan den Rhyn - ,

Maatrigt bygenoemt is , alo is dit


tot ondercheidinge van het ander met |
de naam der Vulten , of Wilten byge
noemd. Welke naam naderhand in
'Ultrajectum, en kort daar na weder in n

('trajectum overgegaan is, waar van nu


- - nog l
Uitlopen van den Rhyn. 4r
-nog de naam van Otregt, en nog meer
verbaterd Otert over is. Het geag van
Hortenius, dewelke oorlogen tuchen
de Catten en Wilten veriert, en dat de
naam van Wiltenburg al bekend geweet
is voor de aankomt der Romeinen in
dee geweten, is gantch van geen
waardye. Antoninus voortreiende van
Utregt naar Ceulen, telt XV. M.
paen boven Trajectum ( Utregt ) Man
maritium ; met welke naam, patie, en
gelegentheid aan dees zyde des Rhyns
het jegenwoordig dorp van Gelderland
Maurik genoemd, overeenkoomt. Dus
verre heb ik dientig geoordeelt de na
men der plaaten in het land der Ba
tavieren by Antoninus, en den Schry
ver van de Reis-kaarte te vinden, door
nieuwe namen uit te leggen. De ove
rige namen, zyn by deelve zo ligt
niet uit te leggen, o om dat de Reis
bechryvinge verwerd, en het getal
der mylen verergerd zyn. De Schry
ver van de Reis-kaarte heeft tw rei
reien van Leiden naar Nimmegen
gaande, den nen aan de linker zyde
door het Pratorium Agrippine (Room
burg ) Matilone , Albintana , Nigrum
pullum, Laures, Fletionem, Leve fanum,
- - C 5 Cor
4z P. Cluverius van de
Carvonem, cy- Catra Herculis, LXIV.
M P ; de andere aan de regter zyde,
door Forum Adriani, Flenium , Tabla ,
Capingium, Grinnes tot de twaalfde my
le, en paen. LXXIV. M. Alhoewel
er tuchen Leiden, en Forum Adriani
het getal der duiend paen niet by
taat. En het is niet te onregte, dat
de reis aan de regter zyde het getal
van mylen aan de linker zyde te bo
ven gaat ; Want de weg langs den
oever des Rhyns is veel nader.
Egter nademaal Grinnes, (dat nu Rhe
nen aan de overzyde genoemd werd)
in de verte weg gelegen is en even
wel in de linker zyde niet geteld werd,
o chynen dee twe reis-wegen door
malkander verward, en vermengt te
zyn. Want als men op den regter
oever reit , wat heeft men dan met
Grinnes te doen, daar men als men op
den linker oever reit, door Carvo ( dat
dit de Stad Grave aan de Maas is, zal
ik aantonts aantonen ) trekken moet ?
v

Om de waarheid te eggen, de kruis


nydinge van dee tw reis-wegen
koomt wat onhebbelyk voor. En die
op de linker zyde reid , oude beter
door Grunnes gaan , en die op de reg
tICT
Uitlopen van den Rhyn. 43
ter, door Carvo. En het getal van
XXIV. M. paen maakt de orde van
beide de reizen nog meer verdagt, die
aldaar tuchen Grinnes , en Novioma
gum ( Nimmegen) geteld werden, daar
hier nauwlyx XIII. M. paen zyn.
Maar Antoninus op de linker zyde ook
naar Herenatium , 't welk nu Arnhem
is door Albiniana, Trajectum, en Man
maritium voorttrekkende reit hier van
daan naar Carvo. Waar uit iemand
oude mogen twyffelen , of Carvo je
genwoordig de tad Grave wel is, als
leggende op den linker oever van de
Maas, verre buiten den naaten , en
korten weg. Dog nademaal de Schry
ver van de Reis-kaarte de reis ook van
Lugdunum naar Arenattum door Nim
megen neemt, en ulx ekerlyk niet
langs den korten weg, oude ik lig
telyk geloven, dat en hy, en Antoni
nu niet te onregte door Carvo Gravel
de reis bechreven heeft , niet om dat
dit de naate weg was, maar om dat
aldaar de leger-plaats, en Romeinche
oldaten waren. Dat het Noviomagum
by den Schryver van de Reis-kaarte
de elve plaats is, dewelke nu ter tyd
Nieumegen, en met een ligter uitpraak
- ' Nim
44 . P. Cluverius van de
Nimmegen genoemd werd, moet men
beluiten uit de nabygelegentheid van
Arenacum, waar van daan daar kan hy
maar X M. paen telt. Daar vandaan
de reis tuchen Noviomagum [ Nimme
genjen Atuaca LXVII. M. P. Want
o veel afgelegentheid is er tuchen
Nimmegen , en Tongeren. Antoninus telt
tuchen Mannaritium, en Carvo XXII.
M. paen, en ook o veel tuchen
Carvo, en Herenatium. Waar in hy o
ver van de weg niet afgeweet heeft.
Want de afgelegentheid tuchen Mau.
rik , en de Grave is by na overeenko
mende met die van de Grave, en Arn
hem. Daarenboven heeft het getal der
paen alleen maar drie duiend de reg
te afgelegentheid tuchen Maurik, en
de Grave te boven gegaan. De Schry
ver van de Reis-kaarte heeft veel be
ter den reis tuchen Carvo , en Are
natium op XXI. M. P. gechat. Or
telius zig uit de Reis-kaarte niet ont
winden kunnende heeft in de Kaarte
van het oude Nederland Arenacum van
Harenatium verchillende doen zyn ;
Dit laatte tellende midden tuchen
beiden, o Carvo[ waar mede hy ook de
tad Grave vertaat] als Vetera, nu San
#6/7,
Uitlopen van den Rhyn. 45
ten. Dog hy had moeten indagtig zyn,
dat het Herenatium van Antoninus, of
Harenatium , gelyk ommige afchrif.
ten houden, 't elve is, als Arenatium
van den Schryver van de Reis-kaarte.
En hoe weinig verchil is er tuchen
Arenatium van de Reis-kaarte, en Are
nacum van Tacitus ? Inderdaad o er
enig verchil in die woorden is, o is
het elve- zeer klein. En dat Arena
cum van Tacitus Arnhem is ('t welk eer.
tyds aan dees zyde van den midden kil
des Ryhns was)heb ik hierboven bewe
en. Laat ons dan niet onbedagtzaamlyk
Harenacium, of Herenatium van Antoni
nus van Aarnhem afcheiden. Dat hier
een legerplaats der Romeinen geweet
is, waar hen en de weg van Antoninus,
en van de Reis-kaarte te regt loept,
heb ik boven mede uit Tacitus aange
toont. Derhalven zyn die boven ge
egde de ware gelegentheden van Are
natium , Noviomagium , en Carvo ; van
welke plaaten Carvo wel tot de Bata
vieren niet bekoort , als zynde aan
dees zyde van de Maas [ ten opzigte
van Galli] buiten den grond der Ba
tavieren. Maar de Schryver van de
Reis-kaarte telt tuchen Carvo , A#
- 0
46 P. Cluverius van de
Noviomagum de Catra Herculu [ de les
gerplaats van Hercules ] een plaats XIII.
M. P. van Carvo , en VI II M. P. -
van Nimmegen gelegen. Welk getal
ik egter vervalcht vermoede te zyn,
om dat het de patie , dewelke tu
chen de Grave , en Nimmegen is heel
veel te buiten-gaat, o veel te meer,
om dat hy tuchen Aarnhem , en Nim
megen , 't welk by na mede even ver
re van malkander is , maar X. M. P.
teld. In welke afgelegentheid alhier
't getal der duienden van paen te
groot is, of tuchen Carvo, en de Ca
tra Herculis, of wel tuchen dee laat
te plaats, en Nimmegen, is niet ligt
te eggen. Derhalven kan men geen
ekere plaats voor de Catra Herculis
vat tellen. Dit kan men alleenlyk
uit de Reis-kaarte eggen, dat ze ge
weet heeft tuchen Grave, en Nim
megen. Derhalven kan ik my over de
milag van Gerardus Noviomagus niet
genoeg verwonderen, die de Catra
Herculis door het dorp Arkel digt by
Gorcom uitgelegt heeft. Ik had ook
wel gewencht, dat dee man het ove
rige tuchen Lugdunum , en Carvo uit
gelegt hadde, o oude ons waarlyk
/ . geen
Uitlopen van den Rhyn. 47
geen toffe, om te lagchen , ontbro
ken hebben. Maar die geloof tellen
konde in 't verhaal, dat de familie van
Arkel haar oorpronk van Hercules Ale
mannus I den Hoogduitchen Hercules ] ge
nomen heeft, daar er in tegendeel o
danig geen geweet is, oude 't ander
ook wel geloven kunnen. Niet min
der , ja groter is de milag van Orte
lius , die ook enige pelinge op den
naam volgende de Catra Herculu uit
gelegt heeft door een tedeken in Gel
derland, genoemd Erkelens, niet ver
re van Gulik. Maar als men van Gra
ve naar Ceulen reit o klimtmen naar
Erkelens opwaarts aan , en Weder ne
derwaarts aan naar Nimmegen, en ou
de men hier van daan weder naar Ceu
len trekken? So gechiet het nament
lyk, dat men menigwerf dwaalt, als
men een enkele naakte pelinge op een
naam onder enige waarchynelyke re
den volgt. Maar laat ik tot myn voor
nemen wederkeren. Ik meine dan dat
het dwaasheid zyn zoude alle de ove
rige namen in de Reis-kaarte tuchen
Leiden , en Nimmegen vermeld te on
deroeken. Want alhoewel men over
deelve tweints kan redenaveen 2

. O
48 P. Claverius van de
o kan daar uit de waarheid, nog eni
ge ekerheid gehaald werden. Nament
Iyk om dat er gene overblyfelen van
die namen te vinden zyn , en de dui
ende mylen, dewelke die chryver
telt , met gants geen gelyke afgele
gentheid overeenkomen Dehalven
heb ik voorgenomen deelve odanig
te laten, als zy gevonden werden, o
veel te meer, om dat hier door aan
andere Schryvers gants gene chade
toegebragt werd. Egter moet ik dier
gene milag wederleggen, dewelke
dan Voorchoten , en dan Voorburg , en
wederom anders Voorhout I alle drie
dorpen J voor het Forum Adriani ne-
men, en niet aanmerken, dat het elve
in de Reis-bechryvinge van Leiden
opwaarts naar Nimmegen toe geteld
werd , en dat dee dorpen beneden
Leiden alle op van malkander aflopen
de wegen leggen. Wyders is het een
zeer glibberige giinge wegens de tw
dorpen , Catwyk op Z , en Catwyk op
Rhyn, van de naam der Catten, om dat
men gelooft, dat hare nakomelingen
Batavieren bygenoemd zyn. Dat ulx
in Cats van Zeland, en in Catwyk van
Gelderland aan de Maetenemaal valch
* 1S
Uitlopen van den Rhyn. 49
is, heb ik boven * aangetoont. En
de reden chynt egter even groot te
zyn, om 't elve van die tw plaaten
o wel te eggen, als van de tw Hol
landche Catwyken. Dog eer ik tot
andere aken overga, zal het niet on
gevoeglyk zyn wegens het Sacrum Ne
mus [ het Heilig boch ] der Batavieren,
waar van Tacitus in het IV. B der
Hit gewaagt, alhier ook een weinig
te preken. De plaats van Tacitus is
dudanig: Civilis f denkende op afval,
en om # wapenen tegen de Romei
nen op te vatten] hebbende de voornaam
te van het volk, onder chyn van een gat
maal, in een heilig woud beroepen, als hy
haar door de nagt , en vrolykheid verhit
zag, beginnende van den lof, en glorie
des landaards telt ten einde toe op het on
regt, de roveryen , en de andere qualen
des dientbaarheids. De meete Schrys
vers van de Bataviche gechiedenien
nemen dit woud voor het Haagche
Boch , andere wederom voor de
plaats, dewelke tuchen Leiden en 's
Gravenhage Schakenboch genoemd
werd, alwaar egter maar weinige bo
II. Deel. D ImCfi
* Ziet het VIII. Hoofdtuk , en de Aanmer
kinge op het elve.
-E- * - 7
----, r-tv - T-weer
-

-
5o P. Cluverius van de v

men ontrent taan, waar van zy dee


naam zoude hebben kunnen bekomen.
Dog ik oude tot der elver meining
niet ligtelyk kunnen overgaan. Want
het lage ( gelyk Tacitus in het V. B.
der Hit. zegt ) en 't moeraig Eiland,
eer de graft van Corbulo, en andere
naderhand gegraven waren, als het
door de vloeden des Oceans voorna
mentlyk in dit gedeelte, 't welk naat
aan de Z is, dikwils overlopen wierd,
o is het niet ongelooflyk dat de bo
men alhier uitgeproten of door die
vloeden om verre gepoeld, of oda
nig beletzel ontfangen hebben van oit
of oit een volle groei te kunnen kry
gen. Ook is het niet waarchynelyk,
dat Civilis zyne lands-luiden den afval
aanraden, mitsgaders Raet ullende
laen over het aenvallen op de winter
Leger derRomeinen,en het ombrengen
der oldaten, een plaats zo digt by die
winterlegers gelegen, en derhalven on
bequaam tot het beluiten van geheime
aanlagen uitgekorenoude hebben. Ik
heb boven aangetoont, dat hetOppidum
Batavorum ( de Stad der Batavieren )
buiten het Eiland, 't welk nu ter Ba
w -
tyd
k * En ulx is boven ook mermalen tegengepro
CII,

Uitlopen van den Rhyn. 51


Batenburg is, het hoofd van 't gantche
volk, en de zitplaats van Civilis ge
weet is. In welke plaats het waar
chynelyk is, dat de voornaamte lands
luiden ook te zamengekomen zyn, als
er over het gemein geraadlaagt moet
werden. Ik oude dan mogelyk niet
al te dwaalyk gien , dat dit heilig
woud hier niet ver af geweet heeft.
Want dee gehele Land-treek (gelyk
ik elders in de bechryvinge van het
Boch van Ardenne aantonen zal ) is
niet als enkel dik Boch geweet.
Paulus Merula, een Hollander, * in
zyn Boek, 't welk hy van de Wilder-
mien, of Regt, Placaten , en Ordonnan
tien van de Pagt, in het Nederduitch
gecheven heeft, houd taande, dat de
oude naam van dit woud Schakenboch
geweet is, welken naam de Romei
D 2 nen
* Profeor in de Academie van Leiden, en Hi
tori-Schriver der Verenigde Nederlanden, gebo
ren tot Dordregt den 19. Augutus 1558., en tot
Rotok getorven den 2o. Julius 16C7. gelyk de
Heer foannes Kirchmannus getuigt in het gelagt
Regiter van de Merula 's , gedrukt voor zyn
geprek over het leven, en de Schriften van deen
Paulus Merula gehouden, te vinden agter delelfs
zeer geleerd, eu elegant Tractaat de Funeribus R2
manorum , of van het behandelen der lyken van de
Romeinen. -
52 P. Cluverius van de
nen naderhand in het Latyn in Sacrum
nemus ( Heilig Boch ) fouden veran
dert hebben, om dat het woord Scha
ken voor de Romeinen moielyk om
uit te preken was, en ook te gelyk, -
om dat e de aak elve uitdrukken
ouden. ,,Want het woord Schaken be
tekent by de inwoonders deer Lan
den dat geen, 't welk by de Latynen be
tekent iemand met geweld beroven, wegne
men, en chenden. Waar van daan dit Boch
by de Romeinen Sacrum (dat is gemein
lyk Heilig) genaemt wierd. Maar de
Leer moet weten, dat dit woord o
wel vervloekt en onheilig betekent, als
Heilig)alsofzy zeggen wildenchelmch,
en vervloekt s om dat de reiigers al
daar menigwerf beroofd, en uitgechud
wierden. Maar my dunkt, dat hy
hier niet weinig gedwaalt heeft. Want
het Woua wierd Heilig genoemd, om
dat het aen enig God der Germanen
toegewyt was. Want van dudanige
Bochen preekt Tacitus, aldus in zyn
Boek van de zeden der Germanen, in
het IX Hoofd-tuk : Wyders nog de
Goden binnen wanten, en muiren te belui
ten, nog deelve naar eenige gedaante van
menchelyke tronye te doen gelyken agten
- Ky
-

Uitlopen van den Rhyn. 53


zy betamelyk voor de grootheid der heme
lingen. Zy wyen wouden , en Bochen,
en heten met de namen der Goden dat ge
heim, 't welk zy met eerbiedigheid alleen
zien. Dat ider Boch aan een ekeren
god toegewyd geweet is, blykt door
gaans uit de Hitorie van Tacitus. De
e zegt in zyn twede Jaarboek: Cear
over de Wezer getrokken zynde vertaat
door het aenbrengen Z/4/2 een . overloperje

dat Arminius een plaats tot het gevegt


uitgekoren had, en dat er ook andere vol
ken te amen gekomen waren in een Boch,
't welk aan Hercules toegewyd was, en
dat ze een aanval des nagts op de leger
plaats ouden durven betaan. f, het IV.
Jaarboek maakt hy gewag van het
Boch van Baduhenna. In het boek van
de zeden der Germanen in het 45.
Hoofdt, van het Volk der AEtyen
prekende zegt hy : Zy vieren de moe
der der Goden. Tot een kenteken van haar
bygeloof dragen zy formen van wilde uy
nen. Dit, in plaats van Wapenen , en -
harer aller becherminge, maakt den eer
der van de Godinne, elfs onder de vyan
den , veilig. In het elve Boek 4o.
Hoofdt, zegt hy dat de Rheudignen,
de Avionen, de Angilen, de Varinen ,
D 3 En
54 P. Cluverius van de
Eudoen, Suardonen, en Nuithonen in een
Eiland des Oceans de Godinne Herthum
( dat is de Moeder de Aarde; Want
Erth is "g, de Germanen aard) geert
hebben. p diergelyke wye is het
Boch der Batavieren ook aan den een
of den anderen toegewyd geweet.
Maar van de Goden, en gewyde Bo
chen der Germanen zal ik op zyn
plaats * wydlopiger handelen. Nu
zal ik tot het overige wegens one Ba
tavieren overgaan.

Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofd-tuk.


Niet te onregte zegt Cluvurius in dit Hoofd
tuk, dat men menigwerf in dwalingen ver
valt, als men door een enkele pelinge op
enige naam verleid , onder andere reden ,
of bewys, aantonts beluit maakt, dat een
huidendaagche naam van een oude en be
kende naam afdaalt; byonderlyk om dat ,
gelyk hy ook meer als eens bekennen moet,
de reis-wegen zeer verchillende voorko
men. Of hy nu van die iekte tenemaal
ontdaan is, kan uit het vervolg blyken.
Dog ik wil hem o ## voor, als tegen
preken. Voor eert dan wil ik wel aanne
men dat Roomburg het Praetorium Agrippinae is,
Oml

1 * In yn Boek de Germania Antiqua, ofte Oud


Hoogduitchland. '
Uitlopen van den Rhyn. 55
om dat boven het geag , en redenen van
de aangehaalde Schryvers deftige oudheid
en wereld-bechryvers, als Petrus Scriverius,
Petrus Bertius, en andere, daar in overeen
komen. By de plaaten uitgaande in het
woordeken dregt, die hy naukeurig optelt,
had hy boven Swyndregt over Antwerpen
ook kunnen voegen Swyndregt over Dor
dregt. By de voorbeelden, die hy bybrengt
van de grote Steden , die ten tyde van
Amm. Marcellinus de namen harer volken
aangenomen hebben, kan ook gevoegt wer
den Auguta Turonum (Tours. ) Als hy zegt,
dat Samarobriva, of Samarobriga, Amiens is,
en niet Cambrai , St. Quintyn , of Bauvais
( gelyk enige zeer grovelyx dwalende ge
meint hebben ) heeft hy het # ge
lyk ter wereld. Samarobriga; dat is de brug
van de Samara of Somona ( Le Somme die
by St. Valery in 't Canaal tuchen Vrankryk
en Engeland loopt ) is een voorname Stad
by Caear in het V. Boek van de Gaulichen
Oorlog. Steden in briga ( dat is een brug in
de taal der oude Celten ) uitgaande , dien
nu de Hoogduitchers een brucke ( als Kwei
brukke, &c, de Nederlanders ten brugge, en
de Pruien een brigge noemen , zyn alle
aan Rivieren, 't zy grote, of kleine, ge
legen. Sulx blykt geheelGalli, Hipani,
en andere landen door , daar ze in briga,
hrikke, of brige, uitgaan. Alo is in Hi
pani Flaviobriga (Bilboa, 't welk wel aan
z, dog ook aan een uitlopend watertje legt,
Juliobriga ( ValWitlo aan 5 Rivier den Ebro )
4. , Au
56 P. Cluverius van de
Augutobriga aan de Rivier de Tajo tuchen
Toledo , en Alcantara, en oneindige elders
meer. Met dee meininge van Cluverius
wegens Samarobriga koomt nevens alle regt
zinnige ook over een Lodewyk Guiccardin in
de bechrivinge van Beauvais. So dat het zeg
gen van Sigebere van Gemblours niet meer te
agten is, als dat van Xoximus in diergely
ke zaken, als dewelke chryft, dat de Rhyn
in de Atlantiche z loopt; (dee is voor by
de Straat voor de Africaanche kut rond
om de Canariche Eilanden ) dat Parys een
Steedje van Hoogduitchland , en Bonomie ( Bou
logne ) een Stad van Neder-Duitchland is. Uit
welke tw late paages, mitsgaders uit een
ander van Jfidorus, joannes Iacius Pontanus
in het eerte Boek IV. Hoofdt, op 't ein
de van zyn geleerd Boek geintituleert : Ori
gines Francicae , ( Oorpronken der Franken )
een beluit chynt goed te willen maken ,
dat juit niet onder tegenpreken is. Dit
zegge dan van Zozimus , en diergelyke , is
van o groot geag, als dat van den Arabi- -
chen Wereld-Bechryver, by den zeer geleer
den, dog zyn Lands glorie in dat geval wat
te veel voortaande , Joannes Seldenus, in
zyn befaamd Tractaat De Mari Clauo, eu
de dominio maris. Van de gelote X , ofwel van
de Heerchappye van de Xj in het twede Boek,
eerte Hoofdtuk , op het eind bygebragt.
Dee Arabier zegt : Dat de Engelche z
aan de Noord zyde rond om Spagne loopt , en
dat St. Jago ( in Gallicien ) aan de Engelche
K legt; en diergelyke ongerymtheden #
- - Otle
Uitlopen van den Rhyn.
Soude het hier door niet wel gechiet zyn,
57
dat de eerte , en braafte Rehrs-geleerde,
dewelke grote hervomers waren , dog ten
tyde, als het helder ligt der Letteren nog
niet gantch doorgebroken was, de materi
der ubtitutien by de Engelche K. (zy meinden
de Spanche ) die ondergrond is, vergeleken
hebben, en dat de meete regtsgeleerde de
er tyden deelve daarom tot nog toe niet
in den grond vertaan ? Dog laat ons voort
gaan. Cluverius zegt dan ook op 't einde
van dit Hoofd-tuk, dat hy hier voren (hy ,
geeft het XIII. Hoofd tuk te kennen )
aangetoont heeft, dat Batenburg het Oppidum
Batavorum is, 't welk ik hem doorgaans te
gengeproken heb den Leer telkens tot
de Voorreden wyende , gelyk ik als nog
dee. En hier over beript Pontanus ( in 't
laate van 't geen hy tegen dit Hoofd tuk
chryft ) hem dewyl hy hier elf betaat, 't
geen hy in andere o mipryt. Soude het
met Arenacum , Vada , en Grinnes mede o
al niet zyn ? Of die plaatsen moeten aan
den buitenten oever verplaatt, gelyk Clu
verius C. XIII. vermeint , of de Rhyn van
cours verandert zyn , gelyk Petrus Bertius
aanmerkt L. 1. De Germania C. XXI. ; al
waar hy Herematium uitlegt door Kranen
bnrg. Pontanus maakt dit laatte ook verchei
den van Arenaeum , o veel te meer ( zegt
hy) om dat er ontrent Nimmegen een Dorp
is Arichum genoemd. Petrus Bertius in dat
elve B. XXIII. Hoofdt, kan ook niet goed
keuren, dat men Carvo door Grave uitlegt,
/ CIn
- is

58 . P. Cluverius van de
en zegt, dat het mogelyk wel Cellem mog
te zyn. Wat Schakenboch, of Sacrum Nemus,
aangaat, dewegens vermeint Pontanus, dat
het niet alleen by de oude Germanen, maar
ook by de Romeinen gemein is geweet alle
Bochen voor Heilig te houden, en deelve
met een ekere chrik , en huivering te eeren,
om dat Plinius in het XII. B. VIII. Hoofd.
aldus chryft : De eenwoudige landen wyden
- als nog aan God naar haar oude wye een boom
toe. En wy biddeu niet min Beelden van goud,
en elpen been blinkende aan, als de # 9
en tilwygentheden elve, die men aldaar wind.
Pontanus merkt wyders aan, dat dit by
geloo by de Germanen tot den tyd van Ca
rolus Magnus ( dat is in de VIII. eeuw) toe
niet alleen in de gemoederen der meete
menchen vat ingeprent gebleven, maar
ook met buitengemeine vieringen onderhou
den is, gelyk als uit defielfs Capitularien ,
en wetten blykt. Het welk Pontanus wyd
en breet in zyn Boek van de Oorpronken
der Franken uytlegt

, ,,s ... I .

#S"Wz
ff: E!
- - er arare -
Uitlopen van den Rhyn. 59
xvII. HooFD-STUK.
Van de oorpronk der Bata
tavieren, en wanneer de
elve in kennie, ende ver
wandchap der Romeinen
gekomen zyn. -

N dit boventaande betaat meetal


't geen ik wegens het land, teden,
en dorpen der Batavieren uit de ou
de gedenktekenen heb kunnen uitvor
chen. Nu is myn voornemen van het
volk elve, en deelfs oerpronk ,
dapperheid in Oorlog, en zeer hogen
# in den kryg , te preken. Taci
tus chryft van den oorpronk der Ba
tavieren in het IV. B. der Hit. al
dus: De Batavieren, zo langzy zig over
den Rhyn hielden, een gedeelte der Cat
ten zynde, door een inlandchen oproerver
dreven hebben 't uitterte van 't Gallich
gewet, 't welk van bouwluiden ledig was,
en te gelyk een Eiland tuchen ondiepten
leggende ingenomen , 't welk van
-
":90%
- ETT -- ------------------ ------------ in

6o P. Cluverius, van de
door den Ocean, van agteren, en ter zyden
van den Rhyn ompoeld werd. En in 't
Boek van de zden der Germanen zegt
hy in 't XXIX. Hoofdt. De Bata "
vieren alle dee volken in dapperheid over
treffende bewonen niet veel van den oever,
maar een Eiland des Rhyns, hebbende eer
tyds een volk der Catten geweet, en door
een inlandchen oproer in die woonplaat
zen overgegaan, alwaar zy een gedeelte -

des Roomchen Ryx tonden te werden. De -


Batavieren zyn dan van de Catten oor
pronkelyk, dat dee nu ter tyd He
en en Turingers genoemd werden, zal
ik ter zyner plaats aantonen. Of zy
de naam der Batavieren uit haar vader
v land mede gebragt, dan of zy nu al
uit het land der Catten vertrokken
zynde deelve eert onder zig, aange
nomen hebben, bevinde ik, dat qua
lyk te ordelen is. Men vind er eg
ter, dewelke vermeinen, dat ze dezen
naam gevoert hebben, als wanneer zy
nog een gedeelte der Catten in Ger-
mani waren, 7anus Douza, de Soon,
in zyn Batavi, brengt tw overblyf
els van den naam tot een bewyre
den by, van welke het een in Bat
tenburg by de Rivier den Eder , #
Ct

|
Uitlopen van den Rhyn. 61
het ander in Battenhauzen niet verre
van den Vloed. Verra in Heen nog
over is. Deg dee giinge is zeer glib
berig , als op gene bewylyke reden
teunende. Weshalven ik deelve niet
voor goed keuren, nog verwerpen
wil. Dio Caius zegt in het LV. B.
Ook vremde , en buiten orde aangenome
ruiters, dewelke den naam der Batavieren
hebben van Bataoua, een Eiland des Khyns,
om dat ze magtig zyn in de komt van te
paard te ryden. Welke woorden die
Schryver inderdaad buiten alle aandagt
chynt gechreven te hebben. Want
wat is dat : De Batavieren hebben de
naam van het Eiland Bataoua, om dat ze
wel te paard kunnen ryden. Wie kan
twyffelen, of het Eiland heeft den
naam van het volk, en niet het volk
van 't Eiland bekomen ? Of heeft Dio
aldus gemeint. Dat dit Volk, 't welk
een Eiland des Rhyns bewoont, den
naam der Batavieren wegens de kont
van te paard te ryden bekomen heeft.
Dit is waarlyk maar een giing, en
-mogelyk buiten waarheid. Wyders
is een binnelandchen oproer ooraak van
haar vertrek geweet , waar door zy
tegen wil, en met geweld
r
door #aIICIS

/
62 P. Cluverius van de
lands-luiden verdreven zyn. Gerardus
Noviomagus door de Hitorien ( o hy
zegt ) van de Hertogen van Gelder,
mitsgaders van die van Cleve, veel
geholpen zynde verhaalt veel wegens
den oorpronk der Batavieren, en der
elver eerte aankomt in het Eiland;
het welk by Hadrianus Junius gelooft
werdende o heeft hy 't in elve in 't
eerte Hoofd-tuk van zyne Batavie
met meer bewyredenen getragt te
bevetigen. Maar dat het maar enke
le beuelingen, en fabulen zyn, werd
ten overvloede door 't gezag van Ta
citus overtuigt. Want dee verekert,
dat de Batavieren niet uit eigen wil
onder 't gelei, # zy beuelen ,
van Bate die zyn tiefmoers liten, en
lagen chuwde, en ontvlugte, maar
dat ze door een oproer verlaagt zyn Ook
zal ik ten overvloede te zyner plaats
aantonen, dat de naam der Tungren ,
dewelke in die Hitorie mede veriert
werd nog niet bekend is geweet ten
tyde, als de Batavieren het Eiland des
hyns in bezit namen. De tyd van
haar vertrek is niet ligt te bepalen.
Hadrianus Junius is van gedagten, dat
ze in dien oorlog verdreven zyn, als -

7AV4/4-1
Uitlopen van den Rhyn. 63
wanneer tuchen de Hermunduren en cat.
ten een groten lag gelagen is , dewyl ze
een troom vrugtbaar om zout te tellen, en
op de grenzen lopende, met geweld trag
ten aan zig te trekken, gelyk Tacitus in
het XIII Jaarboek, 57. Hoofdt. ver
haalt. Maar hier in toont hy dat hem
de geheugenile van alle hitori, en
tyd rekeninge zeer verre ontgaan is.
ant dien oorlog is gevoerd ten ty
de, als Cl. Nero tot Romen regeerde.
En de Batavieren hebben lang voor
de tyden van Julius Caar dee gewe
ten bezeten. Daarenboven getuigt
Tacitus, dat ze door een binnenlandchene
oproer, en niet door een uitheemchen
oorlog, verjaagt zyn. Naar het chynt
heeft Julius Cear van derelver naam
eert gewag gemaakt in het IV. B.
van de Gaulichen Oorlog, daar hy
egt: De Maas koomt voortvloien uit den
Berg Vogeus ( Mont de Voye ) die op
de grenen der Lingonen ( Le Duch de
Langres ) is, en maakt, een eker gedeelte
des Khyns ontfangen hebbende, 't wek de
Waal genoemd werd, het Eiland der Ba
tavieren. Junius brengt j Cear, als
een ooggetuigen by wegens het Ei
land der Batavieren. Gerardus Novio
magus
- - T - - - -

- E-TELE

64 P. Cluverius van de 1

magus zegt ook, dat hy't elve Eiland,


als overwinnaar zynde, bechouwt
heeft. Dog dee beide zyn door een
mileidende giinge in milag verval
len , dewyl ze niet bewut waren ,
door wat reden, op wat manier, en
wanneer de Batavieren tot de kennie
en bondgenoodchap der Romeinen
overgegaan zyn. Want Cear chynt
hier van gantch geen gewag te ma
ken. En Strabo, die de naate is, de
welke na Cear dee geweten be
chryft, chynt van de naam der Ba
tavieren niet geweten te hebben, de
wyl hy er nergens van gewaagt. En
dat enige uit Strabo van enen Verome
rus, Koning der Batavieren, melden ,
daar in werden ze inderdaad door de
verbaterde uitchryvinge des woords
mileid. Want Strabo zegt in 't VII.
Boek: dat Seitacus den zoon van Segi
merus, den overten der Cherucen,#.
nim tot vrouw gehad heeft, de dogter van
Veromerus, of gelyk andere uitchrif
ten hebben, van den overten der Bat
ten. Welk woord Barrar ( Battoon, der
Batten ) om dat de eerte letter een B
is,opdee plaats door een gewaande ver
beteraar onbechromt veranderd is
1In
/

Uitlopen van den Rhyn. 65


in Balasar I Bataouoon, der Batavieren !
maar hoe oude Seitanis, de Soon van
den Veldheer der Cherucen , een
Vrouw uit het Volk der Batavieren,
dat daar ver genoeg van daan was,
hebben komen te trouwen? Dog men
zal antwoorden, om dat de Batavieren
van de Catten afkomtig waren ; En
de Cheruien waren de nabuiren der
Catten, en toen ter tijd met deelve
Bondgenoten ten Oorlog. Dit kan ik
wel niet ontkennen. Maar men had
zig moeten erinneren, dat de Batavie
ren ten tijde van de Regering van den
Kaier Tiberius, als wanneer Strabo zyn
Wereld - Bechrijvinge optelde, al
lang zo van de Cherucen, als van de
Catten elve zeer vervreemd in 't ge
moed geweet zijn , dewijl de Rivier
den Rhijn, en de bezettingen der Ro
meinche leger-plaaten beide de natien
van malkander afcheideden. Jazy zyn
zeer vertoord, en elfs hare Vyanden
geweet, als blijkt uit de woorden van
Tacitus in 't IV. B. der Hit: lang geoef:
fend in de Germaniche Oorlogen. We
halven my de verbetering van Xylan
der veel beter en gelukkiger vorkoomt,
als dewelke eene letter veranderende in
II. Deel. E plaats
66 P. Cluverius van de
plaats van Barrar leet zarro (dat is: der
Catten in plaats van der Batten ]. Want
het konde ligt gebeuren, dat een Soon
van een Veld-Heer der Cherucen een
Dogter van een Veld-Heer der Catten
ten huwlijk kreeg ; nademael er een
zeer terke verknogtheid te dier tijde
tuchen die twee Volken tegen de ge
meine Vyanden de Romeinen was.
Wyders vertalen zy niet wel als zy
3viaire in het Latijn voor een Koning
uitleggen, het welk van Veromerus al
daar gezegt werd. Want dat woort
beteickent in het Griekch eigentlijk
een Veldheer. Gerardus Noveomagus chrijft
in de Hitorie der Batavieren aldus :
want de Batavieren hadden voor een ge
bruik de jonge manchap, die van den land
bouw vry was, in de wapenen, en voorna
mentlijk in het te paard ryden te oefenen,
en deelve daar in genoegaam geoefend zyn
de naar uytheemche geweten, om oldye te
verdienen, te zenden. Derhalven is het
gechiet, dat enige benden der Batavieren in
den Mithridatichen Oorlog onder L. Cezar,
toen ter tyd Stedehouder van Achaie, den
Vader van 7ulius Caear, mede in den kryg
dienden, nevens, en te gelyk met Carolus
#naehus, Soon van den Koning der Tungren.
- Der
-

- Uitlopen van den Rhyn. 67


Derelver vroomheid, en dapperheid is zo
groot geweet , dat den Raad, en 't volk
van Romen dien Coning, en 't volk der Ba
tavieren door een volkomen beluit voor vrien
den verklaart hebben. En 7ulius Cazar
heeft na het overlijden zyns Vaders de ben
den der Batavieren altijd grotelijks in eer
gehouden, tellende deelve tot zyne lijf-tra
wantenen heeft den eerten arend (Roomch
Veld-teken) aan deelve in twyffelagtige
Oorlogen toevertrouwt. Ook heeft hy meet
door derelver toedoen Britanni onderge
bragt. Ook heeft 7. Cear, gedurende den
Gaulichen Oorlog, elf tot Nimmegen toe
komen afreien, en tot gedagtenis van zyne
vriendchap jegens de Batavieren een gedeel
te van het Kateel, 't welk op den Oever
van de Waal taat, op de manier der Ro
meinen door zyne bouw-meeters, en werk
luiden tegen het geweld des trooms doen
terkmaken , en van hem is dat gebouw
Domus auxiliaris (het Huys ter hulpe,
nu Valkhof) genoemd. Gelijk dee maar
enkele verieringen zyn , dewelke op
geen geag van eenig oud Schryver,
elfs van geen fabuleue , of verdigt
els-chryver teunen (ten ware, dat
Noviomagus de Hitorien van yne Her
togen oude willen bybrengen) zoo
E 2. VCI's
68 P. Cluverius van de
vermeine ik, dat dit alles geen weder: .
legginge, maar belagchen waardig is.
Ik al met zekere , en ontwyffelbare
bewyreden uyt de bete chryvers aan
tonen, wanneer, en op wat manier de
Batavieren eert in de kennie , en
bondgenootchap der Romeinen geko
men zyn. Dio Caius dan in het LV.
B. het getal, en namen der Romein
ehe Legioenen optellende chrijft al
dus: De lijf- trawanten betaan uyt tien
duiend, zynde in tien delen verdeild; de
beetting van de Stad in es duizend ; de
e zyn in vieren verdeild, zo in vreemde
Kuyters, die buyten de gemeine orde zyn,
dewelke den naam der. Batavieren hebben,
van het Batavich Eiland, 't welk in den
Rhyn is, om dat ze zeer wel te paard kun
men ryden. 'T getal derelve, als ook dat
van de Evocaten kan ik niet vat eggen.
De Kaizer Augutus heeft deelve eert be
gonnen te gebruiken, als hy voor de twede
maal de oude benden zyns Vaders tegen An
tonius by een veramelde. So heeft 7ulius
Cezar dan al Batavieren in zyn leger
gehad ; het welk Lucanus in zyn hel
dendigt over den Burgerlijken Oorlog
in 't eerte Boek uytdrukkelijk te ken
men geeft, alwaar hy de volkend#
- J3 l
ve
Uitlopen van den Rhyn. 69
Galli, die Cear in zyn leger tegen
Pompejus aanvoerde, met namen uyt
drukkende aldus chryft.
Et qui te laxis imitantur, Sarmata, bra
Ctts,
Vangiones, Batavique truces.
Dat is : t

En de Vangionen, en fiere Batavieren,


Navolgende uwen broeck, Sarmaat, in
plooi, en wieren.'
Dewyl dan baarblijkelijk genoeg is,
dat de hulpbenden der Batavieren in
het leger van J. Cezar geweet zyn,
Zo moet men onderoeken, wanneer,
of op wat manier deelve in de bond p

genootchap der Romeinen gekomen


zyn. Dit kan men uit J. Cezar elve
oploen, als dewelke in het IV. B.
van den Gaulichen Oorlog aldus
chrijft : Na het ten einde brengen van
den Germanichen Oorlog (die hy tegen
de Uipeten, en Tenchtheren gevoert
had ) zo heeft Cezar om vele redenen voor
genomen over den Rhyn te trekken, om dat,
dewyl hy zag, dat de Germanen oa ligtelyk
- , E 3, zig
zo P. Cluverius van de
zig konden laten bewegen, dat ze elf wel
in Galli overkomen ouden , als zy eens
uamen te horen , dat het leger van het
# Volk konde, en ook dorte over
den Rhyn trekken. Hier quam nog by, dat
dat gedeelte van de Ruiterye der Ozpeten,
en Tenchtheren, het welk ik boven verhaalt
heb, dat om te tropen, en te fourageren
over de Maas getrokken, en in den lag
niet geweet was, na dat de hare gevlugt
waren, zig in de grenen der Sicambren be
geven, en met deelve verenigt had. Aan
welke als Cear boden geonden had, die
van haar afeichen zouden, dat de gene,
die hem, en Galli den Oorlog aangedaan
hadden, zig zouden hebben over te geven,
o hebben y geantwoord, dat den Rhyn het
gebied van 't Romeinch Volk eindigde, En
indien dat hy niet billik oordeelde, dat men
tegen zyn dank in Galli overging, wa
rom hy dan afeichte, dat iet zyns gebieds.
of magts over den Rhyn oude zyn ? Dog
de Obten, (de Ceulenaars) die mede van
de overrhynche zyn, ( want toen ter tyd
waren zy nog niet door Agrippa over
den Rhyn gebragt) hebben geanten naar
Cezar geonden , vriendchap gemaakt, erg
antz-luiden gelaten, ten hoogten veroe
kende, dat hy hen tog te hulp komen wilde,
Z24
Uitlopen van den Rhyn. 7x
mademaal zy waarlijk door de bueren ge
queld, en verdrukt wierden. Caear laat
derhalven een brug maken; en, de
elve voltoit zynde, zo zegt hy kort daar
na: Het gantche werk binnen tien dagen,
na dat de Materialen begonnen waren by
een gebragt te werden, voltrokken zynde,
zo trekt het leger over. Cear, aan beide
de zyden van den brug een betendige bezet
tinge gelaten hebbende, trekt naar de gren
zender Sicambren. Ondertuchen komen
er afgezaten van vele bondgenootchappen
by hem, aan welke hy, dewylze vrede en
vriendchap verogten, mildadiglyk geant
woort, en geboden heeft hem pands-luiden
toe te zenden. De Sicambren van dien tyd
af aan, als de brug eert begonnen was,
zig op het aanraden van die gene , die zy
van de Tenchtheren, en Oipeten byig had
den, tot de vlugt gereet gemaakt hebbende,
waren uyt hare grenen geweken, hadden
alles met haar genomen, en ig in eename
plaaten en bochen verborgen. Cear wei
mige dagen lang in derelver zitplaaten ver
toeft, alle wyken en gebouwen in den brand
getoken, en haar koren-gewas af laten ny
den hebbende is weder in de grenen der
Obien gekeert , en zyn hulp aan dee be
looft hebbende , indien ze van de Sueven
E4 lat
------------ - - - - - -------- ------------
- -- -- - - -

72 P. Cluverius van den


lat quamen te lijden, heeft dit volgende
uit haar vertaan. Dat de Sueven , na
dat ze door verpieders vertaan hadden ,
dat de brug opgelagen wierd, naar haar
manier raad gehouden hebbende, naar alle
geweten boden geonden hadden, latende
bekend maken, dat ze uit hare teden trek
ken, hare Kinderen, Vrouwen, en alle ha
re goederen in de Bochen ter neder tellen,
en dat alle die wapenen voeren konden, op
eene plaats te amen komen ouden; dat dit
by na de helft van de uitgeogte manchap
van die geweten was, dewelcke de Sueven
bezaten , dat zy aldaar den aankomt der
Romeinen afwagteden, en voorgenomen had
den aldaar den trijd te wagen. Cazar dit
vernomen , en alles uitgevoert hebbende ,
warom hy met het leger over den Rhyn ge
trokken was, om de Germanen chrik aan
te jagen , zig over de Sicambren te wre
ken, en de Ubien van een belegering te
verloen, in 't geheel agtien dagen over den
Rhyn doorgebragt hebbende, en oordelende
genoeg uytgevoert te hebben tot lof, en noot- |
akelijkheid, heeft fig weder in Galli be-
geven, en den brug afgebroken. Hy zegt
hier, dat vele bondgenoodchappen ge
anten geonden hebben, om vrede en
vriendchap te veroeken. Welke zyn
dan
Uitlopen van den Rhyn. 75
dan die bondgenootchappen ? Het
was het bondgenootchap der Ubien
niet. Want dee hadden al te voren,
als uit de eige woorden van Caear
blijkt, alleen van de over-Rhymche gean
ten geonden, vriendchap gemaakt, en
ands-mannen gegeven. Ook was het het
# der Sueven niet (de
welke wy elders uit andere Schryvers
met onwrikbre bewyen aantonen zul
len de Catten geweet te zyn) want
dee wagten Caear midden in hare
grenen af, gereed zynde om een lag
met hem te wagen. Ook was het niet
het bondgenootchap der Bruteren ,
die naat aan de Sicambren zyn. Want
deer vryheid was altijd tegen de Ro
meinen gekant; en Druzus Germanicus
heeft deelve eert ondergebragt op de
Rivier den Eems, gelijk Srabo in het
VI I. B. getuigt. Ook is het der Fri
en bondgenootchap niet geweet.
Want zyn eert door den elven Dru
zus niet als Vrienden, maar als Vyan
den, getemt; gelijk Dio in 't L IV.
B. chrijft. Ook veel min de verder
afgelegene bondgenootchappen der
Cauchen , en Cherucen. Want dee
waren te verre afgelege, als dat Cezar
5 haar
74 P. Cluverius van de
haar chrik aangejaagt oude hebben.
Dat die bondgenootchappen digt by
de grenen der Sicambren geweet zyn,
kan men hier uit afnemen , dat, na
dat ze vertaan hadden, dat Cezar over
den Rhyn getrokken was , zy aan
tonts geanten geonden hebben, vre
ende, dat hy haar door de grenen der
Sicambren mede met de wapenen mog- ,
te komen te beoeken. Dat de Sicam
bren tuchen Ceulen , en Schenken
chans den uitterten oever des Rhyns,
en de Ubin hoger op tot daar de Main
in den Rhyn loopt, bewoont hebben,
zal te yner plaats aangetoont werden.
By gevolge yn de #
#, dewelke gezanten geonden heb
en, nootakelijk beneden de Sicam
bren geweet. En alhier zyn geen vol
ken geweet, als die in 't Eiland des
Rhyns waren, te weten de Batavieren,
ende Caninefaten, en over den Rhyn
de Maratirs, welke ik naderhand aan
tonen zal , dat het gedeelte van Gel
derland, de Veluwe genoemd, bewoont
hebben. Het is dan allergelooflijkt,
dat deer bondgenootchappen geanten
naar Cezar, om vrede, en vriendchap
geonden hebben; o veel te meer:
at
Uitlopen van den Rhyn. 75
men op geen plaats gewag vind van
het onderbrengen der Batavieren, die
egter een zeer vermaard volk waren.
Daarenboven, nademaal 't bekend is,
dat de Batavieren in het leger van Ce
zar tegen Pompeius geweet yn, o moet
-t
men niet twyffelen, of Cazar, indien
hy ze met vriendchap tot ig gekre
# , of met de wapenen verwonnen
ad, oude enig gewag van deelve in
yne gedenk- chriften gemaakt heb
ben. En alhier is geen gewag , nog
- ## als alleen, 't geen zo aan
onds bygebragt is. Dog hy chynt
in het VII. B. van die elve bondge
nootchappen te gewagen , daar hy
chrijft: Cazar gebiet het paarde-volk uit
te trekken, en laat een lag te paard: Als
de yne het te quaad kregen, o tuurt hy
hen ontrent vierhouderd Hoogduitche Rui
teren, die hy in den beginne voorgenomen
had by ig te houden, tot hulp. Want
onder de Germanen (of Hoogduitche)
waren gene andere vrienden der Ro
meinen, waar van Cazar hulp-benden
oude kunnen gehad hebben. Ten wa
re men hier door de Ubin vertaan
wilde, welkers bondgenootchap, al
hoewel wyd , en groot , odanig in
magt
76 P. Cluverius van de
magt gekrenkt was (gelijk Cezar in 't
IV. B. van den Gaulichen Oorlog ge
tuigt) dat ze ig met hare eige krag
ten niet tegen de Sueven, dat is Cat
ten, kunnen bechermen, en hulp van
Cezar verogt hebben. Waarom het
naauwlijks te geloven is , dat Cezar
u.
Ruiteren uit haar bondgenootchap uit
geogt heeft. Dog welke deelve Ger
manen ook geweet ijn , o preekt
Cazar egter ekerlijk van dieelve bond
genootchappen, die geanten in de
grenen der Sicambren geonden had
den, naderhand in het elve boek eg
gende: Cezar vernemende, dat de vyan &

den terker in Ruiterye waren, en dat hy


alle doortogten beloten zynde, niet ter we
reld uit Provence , nog uit Italie te ver
wagten had , end boden over den Rhyn
aan die bondgenootchappen, die hy in vo
rige jaren bevredigt had, en ontbiet paar
de-volk van deelve, mitsgaders ligt gewa
pende voetknegten , die onder hen gewoon
waren te trijden. Na haar aankomt, om
dat ze legte paarden hadden, o neemt Ce
zar de paarden van de overte der oldaten,
en ook van andere, elf van Roomche Rid
ders, en van de oude uitgediende ; die in
het leger waren, en verdeelt deelve onder
de
Uitlopen van den Rhyn. 77
de Germanen. , Dee bondgenootchap
pen kunnen by na gene andere ge
weet hebben, als die der Batavieren,
Caninefaten, en Marzatin. En nade
maal van die Ruiteren der Germanen
by Cezar elf in zyne chriften van den
Burgerlijken Oorlog, en ook by A.
Hirtius in zyne boeken zo van den Gau-
lichen Oorlog, als in zyne andere
chriften zo van den Alexandrijnchen,
als Africaanchen Oorlog, gewag ge
maakt werd, wie kan dan twyffelen,
of y yn deelve, die Lucanus getuigt
in het heir van Cazar geweet te yn,
en dewelke Dio chrijft, dat meeter
lijk te paard ryden konnende tot lijf
trawanten door Augutus in Cezars
leger gekoren zyn ? Daarenboven is
hen de naam van Germanen hier om
uyt een langduirig gebruik elf na de .
tyden van Cazar altyd by gebleven.
Want zy werden alleen uit de gant
che Belgiche Provincie by de Schry
vers meer met de naam van Germanen,
als Gallen, genoemt, alhoewel meer
andere Germanen in die elve Provin
cie waren. Dog menoude my aldus
mogen tegenwerpen : De bondgenoot- .
chappen , van welke Caezar paarde
- VO
78 P. Cluverius van de
volk ontboden heeft, werden van hem
over den Rhyn geteld. En hier bo
ven is door my het eiland der Bat #
ren aan dees zyde des Rhyns in 't H
gich Galli geteld. Niemant kan in.
derdaed ontkennen tegen o baerbly
kelijke bewyen, waar mede ik ulx
aangetoont heb, dat het eiland der Ba
tavieren een gedeelte van de Belgiche
Provincie geweet is, gelyk ook niet,
dat de Germaanche Batavieren, die
magtig in de kont van te paard ryden,
en door Augutus uit de oldaten van
Cazar tot lijfs-trawanten gekoren wa
ren, deelve yn, dewelke Caezar uit
de over-rhynche bondgenootchappen
op ontboden heeft. Derhalven moet
men 't geen trydig chijnt met enige
waarchynelijke reden tragten te ver
nigen. Dat Cezar elf niet tot in het
eiland der Batavieren toe geweet heeft,
kan een jegelyk genoeg ien, die met
aandagt zyne boeken van den Gauli
chen Oorlog geleen heeft. Derhalven
dewyl hy dee geweten niet doorien
#t, o heeft het eer ligtelijk kun
-

nen gebeuren, dat hy onkundig van


deelve geoordeelt heeft. Dat hy on
ervaren , en onkundig van dee land
- treken
Uitlopen van den Rhyn. 79
treken geweet heeft, blykt elf uit
de bechryvinge der Rivieren den
Rhyn, en de Maas. ,,Welke bechry
vinge ik veroek het den lezer niet ver
vele, dat ik nogmaals hier in voege tot
bevetinge van myne meininge. Hy
zegt dan in het 1V. B. van den Gau
lichen Oorlog: De AMaas komt uit den
berg Vogezus ( mont de Voye) voort.
vloeien, dewelke in de grenen der Lingo
nen (Duch de Langres) is; En een ge
deelte des Rhyns, 't welk de Waal genoemd,
werd, ontfangen hebbende, maakt het ei-
land der Batavieren uit, en vloeit niet wy
der als 8o, duiend paen daar van daan
jn den Ocean. Maar de Rhyn heeft zyn
oorpronk uit de Lepontiers, dewelke in de
Alpes wonen, en loopt langs een lange af
gelegentheid door de grenen der Nemeten
Helvetin , Sequanen , Mediomatricen,
Tribocen, Treviren, met een groten drift ;
en als hy den Ocean nadert vloeit hy in ver
cheide delen van malkander af, na het ma
ken van vele en grote eilanden (van welke
een groot gedeelte van wilde, en barbaarche
# bewoont werd, waar onder er zyn,
die gelooft werden van vichen, en eieren
der vogelen hare levensmiddelen te hebben)
en loopt alo met vele monden in den Ocean.
In
8o P. Claverius van de
Indien de Maas voor ig elf door zyn
eigen mond, gelyk Cazar wil, in den
Ocean loopt, o heeft den Rhyn ten
zyner tyde nog meer Eilanden, als een
kunnen maken, nog door meer mon
den als door enen enkelen in den Ocean
kunnen uitvloeien. Gevolgelijk heeft
Cazar een grote milag ontrent dee
geweten, en maakt een grote verwer
ringe in den land- treek. Dog, het
woord gelooft werden getuigt opentlyk,
dat hy niet als door horen zeggen, de
gelegentheid van dit land geweten heeft.
Als hy derhalven de bondgenootchap
pen der Batavieren en Caninefaten over
Rhynche noemt, o chynt hy met de
naate, kil des Rhyns , waar door de
Waal loopt, Galli geindigt te hebben.
Daarenboven konde hy ook dee reden
gehad hebben, waarom hy de Batavie
ren mogte buiten Galli gedagt heb
ben te zyn; namentlijk om dat zy en
kele Germanen zynde, en op der el
ver manieren levende, met het overige
Galli gantch niet gemeins hadden,
nog ook met deelve geen raad loe
gen, om de Romeinen den Oorlog aan
te doen. Ook zal men nergens in de
Commentarien van Caezar, of by enig
Il
/

Uitlopen van den Rhyn. 81


ander Schryver vinden, dat de Bata
vieren raad gelaagt, of de Germanen
den Oorlog aangedaan hebben. En dit
konde zeer grotelyx tot de meininge
van 7unius, indien hy 'er opgelet had,
dienen, als dewelke verekert heeft,
dat het eiland der Batavieren over den
Rhyn, dat is, een gedeelte van Ger
mani , is. Maar onder den Kaier
Augutus na 7ulius Cezar heeft de chei
dinge van Germani, en Galli be
gonnen beter bekend te werden, als
zynde deelve de ware naam des Rhyns,
die tot Leiden toe loopt ; dewyl M.
Agrippa de Ubin aan dees zyde des
Rhyns overbragt, en Druzus Germa-
micus aantonds daar op de Sicambren ,
en Frien overwon. Derhalven heb
ben Tacitus, Plinius , Ptolomaeus, en
wie er meer zyn , wel te regt ge-
egt, dat het land der Batavieren een
gedeelte van de Belgiche Provincie
is. H. 7unius in 't V. Hoofd-tuk van
zyn Batavi, gantch ombewut , of
ten minten ongedagtig aan de gehele
Hitorie van Cezar wegens den Gau
lichen Oorlog, van de Batavieren by
de Romeinen in den Oorlog dienende
prekende zegt: Cazar noemt die benden
II. Deel. F int
3z P. Cluverius van de
in het derde boek (hy had moeten eg:
gen , in het eerte) uitdrukkelyk een legioen,
waer op hy zig om haar dapperheid ten
hoogten vertrouwde ; odanig, dat hy
de oldaten, dewelke door den chrik by de
Germanen, dewelke onder Ariovitus dien
den, haar aangejaagt verlagen zynde by na
in wanhoop vervallen waren, geroemt heeft,
dat hy met het legioen alleen ('t welk en
het Oude, en het Germaniche bygenoemd
wierd) wel tegen den vyandaan zoude dur
ven gaan. Wat Batavich legioen is er
in 't leger der Romeinen geweet, eer
dee oit in 't Belgich Galli, 'k laat
taan Germani , gekomen waren ?
want J. Cazar was de eerte die Gal
# Comata ( 't langhairig Galli) 't on
ergebragt heeft. En hy heeft het be
gin van deen Oorlog van de Helve
tin genomen, naderhand heeft hy vers
der zyn leger tegen Ariovitus #
voert. Hier van is hy tot den Oorlog
tegen de Belgen overgegaan, van we
ke de Batavieren de laatte zyn ; die
hy Cezar egter elf in Germani plaatt,
En wanneer de Batavieren onder de
Romeinen hebben begonnen te dienen,
is genoeg, en ten overvloede aange
toont. Dat dit genoeg zy wegens den
OOIT
Uitlopen van den Rhyn. 8;
oorpronk der Batavieren, mitgaders op
wat manier, en wanneer zy in de ken
nie der Romeinen gekomen zyn. Al
hier oude wel 't naate zyn te vragen,
of ze in haar gebied overgegaan zyn zo
ras zy in haar kennie gekomen wa
ren, of niet ? Ik zoude wel meet met
die eens zyn, dewelke 't eerte taan
de houden, als daar toe gebragt wer
dende door 't woord van Cezar : be
vredigt had. Want hy zegt : Hy zend
boden over den Rhyn in Germanie naar die
bondgenootchappen, dewelke hy in vorige
## Want ## #
wierden by de Romeinen bevredigt,
# tot in der elver gebied, en
edwang overgingen. De pands-lui
den, ### # r: Cani
nefaten aan Cezar, als hy ze bevredig
digde, gaven , trekken ook tot een
groot bewys-teken. So dat die gene,
dewelke deelve tenemaal buiten het
gebied, en Provincien der Romeinen
tragten te luiten, elve zien moe
ten, met hoedanige bewyredenen zy
hare meininge genoegaam taande hou
den mogen. De woorden van Tacitus
in zyn boeksken van de zeden der Ger
manen zyn klaar, en helder genoeg ,
F 2. daar
84 P. Cluverius van de
daar hy zegt: Van alle dee volken zyn
de Batavieren in dapperheid de voornaam
te, bewonende niet veel op den oever, maar
een eiland van de Rivier den Rhyn, zyn-
de eertyds een volk der Catten , en door
een inlandchen oproer in die zitplaaten
overgegaan, alwaar zy een gedeelte van 't
Roomch gedied tonden te werden. En
Zozimus in 't III. B. der Hit: van 't
eiland der Batavieren prekende zegt :
Dit eiland eert in 't geheel onder 't gebied
der Romeinen taande wierd toen ter tyd
van de Salin bezeten. Maar 't al ge
voeglijker zyn elders deswegens te re
denkavelen.

Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofd-tuk,


Pontanus herhaalt op dit Hoofd-tuk 't geen
hy op het derde Diceptat: 7.albereits gezegt
had, om dat het alhier ruim zo wel te pa
e koomt. Cluverius namentlyk brengt een
plaats uit Dio Caius by, dewelke alzo gele
en werden de onvertaanbaer , of ten min
ten verwerd voorkoomt aldus : ook vremde
Ruiteren buiten orde gekoren, dewelke de naam
der Batavieren voeren van Batua , 't welk een
eiland des Rhynt is, om dat ze meeterlyk te paard
ryden. Hoedanig men dee woorden met Clu
verius wend, of verkeert, zo hebben ze egter
met hem of geen, of maar een twyffelagti
gen
Uitlopen van den Rhyn. 85
gen zin. Maar het woordeken om dat, in
het Griekx #rt, werd door Pontanus verbeterd
in 3, (dewelke, of dee) met het wegnemen
van een letterken , en dan is de zin klaar
en loflyk aldus: De Batavieren, dewelke mee
terlyk te paard ryden, hebben de naam van Ba
#, een eiland liggende in de Rivier den Rhyn.
Het welk over een komt met de vertalinge
van Xylander, die Dio alhier in zin, en niet
woord voor woord navolgt, en dit aldus
uitbrengt: de Batavieren werden genoemd naar
Batua, een eiland des Rbyns, wiens inwoonders
meeterlyk te paard ryden. Pontanus is gevolge- -
lyk met Dio van meininge, dat de naam der
Batavieren hier van oorpronkelyk is.

XVIII. HoofdsTUK.
Van de Beyvering der Bata
vieren o in het paard ry
den , als in het wemmen,
mitgaders van haar Oor
logs dapperheit onder julius
Caezar.

NE oude het wel voegen iet te


\", zeggen wegens de Republicq
der Batavieren, en de huilyke Re
F 3.. geringe
- -
--- ----

- ------------

86 P. Cluverius van de
Regeringe van dit volk, ten ware de
zeer geleerde Heer Hugo Grotius onlangs
byonderlyk een boek van de oudheid
van de Bataviche Republicq uitgege
ven had, en ik elders , als ik in 't
algemein over de Regeringe van alle
de Germanen preken zal, ook al veel
wegens de Batavieren tonde by te
brengen. Het naate is dan , dat ik
over haar Oorlogs dapperheid myn ge
prek laat gaan. Het welk alhoewel
vele zeer breed en wydlopig verhandelt
hebben , egter dewylze eenige aken
#, ook enige # met
groter lof, als betaamde, door liefde en
neiginge tot het Vaderland opgeheft
hebben, zal het de # wel waardig
zyn alles , 't geen hier toe behoort,
eens weder op te halen. Voor eert
dan wil de nyd van de doorlugti
ge nakomelingen van o een edel volk
afbidden, indien ik wat te vrymoedig
voor de waarheid kome te preken; op
dat ze namentlyk niet tot kleinagtinge
duiden 't geen ik alleen de waarheid
toe geve. Want ik hebbegantch geen
reden van haat of nyd tegen het volk
elve, maar daar en tegen vele en gro
te ooraken tot liefde, en erbij: C1C1.
Uitlopen van den Rhyn. 87
heid. Dog by opregte, en openherti
ge gemoederen my met vele woorden
te verontchuldigen zoude onbehoor
lyk zyn. De meete Schryvers over
de Bataviche aken verekeren uit de
woorden van Tacitus in deelfs boex
ken van de zeden der Germanen : Dat
de Batavieren de voortreffelykte, en edelte
van alle de Germanen zijn, om dat Taci
tus aldaar zegt: Van alle dee volken zyn
de Batavieren in dapperheid de voornaem
te, en om dat Plinius in 't IV. B. zegt:
Het zeer edel eiland der Batavieren. Voor
zo veel de woorden van Tacitus aan
aat, zo moet ik zeggen, dat ze deel
ve of niet begrypen, of wel ontveifi
en te vertaan. Want de meininge
van dien Schryver is niet, dat de Ba
tavieren de voornaamte in dapperheid
van alle de Germanen zyn , maar al
leenlyk van diegene, dewelke aandees
zyde des Rhyns waren. Want hy zeg
weinig te voren: Nu zal ik verhalen de
intellingen, en gewoontens van ider deer
volken, en zeggen, waar in ze verchillen,
mitsgaders welke natien uyt Germani in de
Gallin overgegaan zyn. # hy telt dan
op de Treviren, Nervin, Vangionen, Tri
bosen, Nemeten, Ubin, waar na hy de
88 P. Clurverius van de
e woorden volgen laat : Van alle de
volken zyn de Batavieren in dapperheid ,
voornaamte. Dat de Batavieren in dap
perheid de voornaamte van alle d
Germaniche volken aan dees zyde de
Rhyns geweet zyn , heeft toen te
tyd wel voornamentlyk gebleken, als
de Batavier Civilis wederpannig wer
dende het geheel Belgich Galli me
de tot wedertand in de wapenen bragt
In welken Oorlog de Batavieren al
leen, als mede haar bloedvrienden de
Caninefaten, ook inwoonders des ei
lands zynde, aan hare oude dapperheid
gedagtig geweet zyn. De ooraak,
waarom zy de andere Germanen
aan dees zyde des Rhyns zynde in dap
perheid te boven gingen, is deze ge
weet : Die andere namentlyk door
Galliche (Franche) manieren bezeten,
en bedorven vervielen tot leuiheid zo
des ligchaams, als des geets. Dog de
Batavieren , en Caninefaten aan hare
oude manieren, die ze uyt Germani
mede gebragt hadden, zeer vat hou
dende waren van kinds-gebeente tot har
digheid, en arbeid geyverd. Zy waren met
vellen, of krygs-kleden overdekt, een groot
ge
Uitlopen van den Rhyn. 89
gedeelte de lighaamsgantch naakt ynde;
En 't grootte gedeelte van haar levens-mid
delen betond in melk, kaas, en vleech ;
en drank uit Gert, of Koorn; gelyk Ca
zar, en Tacitus van de zden der Ger
manen verhalen. Op dee oude ma
nier van leven dan haar oude betrag
tinge tot de wapenen behoudende zo
is het ligtelyk komen te gebeuren ,
dat ze de andere Germanen aan dees
zyde des Rhyns zynde in krygs-dap
perheid quamen te overtreffen. Maar
men moet niet ligtelyk voor eker tel
len, dat de Over-Rhynche Germanen
by de Batavieren niet te vergelyken
geweet zyn. Men moet maar agt ge
ven op de Catten, Cheruchen , Frien,
Bructeren, Cauchen, Longobarden, Mar
comannen, Quaden, en andere. Wel
kers uytvoeringen ik vermein dat die
der Batavieren verre te boven gaan.
Hoe dikwils hebben de Frien, en Cau
chen, met veragtinge der Roomche
mogentheid, wederpannig geweet ?
Hoe lang de Catten en Cherucen door
rote legers 't ondergebragt het
## gebied gehooraem geweet
zyn , heeft Quintilius Varus met zyn
'-, F 5 dood
9o P. Cluverius van de
dood en totale nederlaag der legioe
nen genoegaam betuigt. En wat quam
hier uit anders, als een geduirigen
# te pruiten ? tot dat kort nader-
hand de gehele naam der Romeinen
uitgantch Germani uitgejaagt wierd.
Van dee Germanen dan, en niet van
de Batavieren, zyn de woorden van Ta
eitus in het boexken van de zden der
Germanen te vertaan: De vryheid der
Germanen is trenger als het ryk van Ar-
aces. Daarentegen hebben de Batavie
ren geen ondervindinge van de Wa
penen der Romeinen gehad, als ten
tyde wanneer zy onder 't gelei van
ivilis tegen deelve de Wapenen ##
vatteden. Van den beginne af aan heb
ben zy ongedagtig aan haar oude glo
rie, en aan # vryheid,
# regen
die ze van hare voorouders
hadden, niet door geweld, of ervaar
nis van een veldlag, maar door vrees
(alhoewel ze in een zeer wel bezet ei
land des Rhyns veiligheids genoeg
hadden) van zelf zig in de magt van
cazar overgegeven, gelyk dee elf
getuigt; wiens woorden, hier boven
al bygebragt, ik alhier herhalen wil,
op
Uitlopen van den Rhyn. 9t
op dat de waarheid zo veel te helde
rer voorkome. De dan chryft in 't
IV. B. van den Gaulichen Oorlog al,
dus : Cezar dit vernomen, en alles ver.
rigt hebbende , waarom hy het leger over
den Rhyn gevoert had, om de Germanen
een chrik aan te jagen, en de vlien van
de belegering te ontzetten, en hier mede ag
tien dagen in 't geheel doorgebragt hebben.
de , als ook denkende genoeg tot lof, en
nuttige dient uitgevoert te hebben, heeft zig
weder in Galli begeven, en den brug doe,
afbreken. Hier ziet men, dat hy dSue,
ven door zyn aankomt van de belege
ring der Ubin verdreven heet: #
# hy, zig over de Sicambren gewro.
ken, alle hare wyken, gelyk hy te vo
ren verhaalt had, en gebouwen verbrant,
en kwam afgeneden hebbende. Welke zyn
dan die andere, die hy chrik aange
jaagt heeft? De Batavieren namentlyk,
en de Caninefaten, die afgezanten om
vrede, en vriendchap gezonden, en
Pands-mannen gegeven hadden. Wat
is hier anders uyt onttaan, als dat ze
altyd durende leveranciers der Romei
nen geweet *# mannen, gelyk Ta
citus in 't IV. B. der Hitorien chryft,
- en wapenen aan dat Ryk verchaffende,
Waar
92 P. Cluverius van de
waar door zy 't gebied door Germa
ni , en Britanni verkregen hebben.
Het is met een woord aldus: Sy heb
ben niet godvrugtiglyk hare wapenen,
en magt tegen de Catten , hare eige
voorouders, en bloedverwanten, en
tegen de overige Germanen aan de Ro
meinen, de gemene vyanden van de
Germaniche naam ten diente gege
ven. Dog als zy (de Batavieren) nu
al vermaard geworden waren, door
wie zyn ze anders beroemd en geert
gewerden, als door de Romeinen, die
hun trouwe dient met zeer grote lof
opgehett, en verheven hebben? En zo
men de aak regt inien wil, wat won
der is het, dat de Romeinen meer de
uitvoeringen, en bedryven van haar le
er bechreven, en met lof verheven
# , als die van hare cherpte
vyanden de overrhynche Germanen?
welkers dapperheid egter zo paarzaam
niet van de Romeinen elve gepreen
is , dat ze niet zeer groot en on
vergelykelyk in de ogen van een neer
tig onderoeker voorkome. Tacitus
zegt in 't IV. B. der Hit: Ende onder
door de Roomche mogentheit en bontgenoot
chap
-f
Uitlopen van den Rhyn. 93
chap met hun geweldiger verdrukt te jn,
verchaffen zy het ryk alleen mannen en wa
penen. En in 't boexken van de zden
der Germanen zegt hy daarenboven :
De eer, en 't ken-teken van de oude bont
genootchap blyft nog overig. Want y dra
gen geen maat van chatting, of pagters
verchoont van laten , en opbrengingen en
alleen maar aan een zyde geleit tot dat men
zig van hen in den tryd bediene, werden zy
als geweer en wapenen tegens d'Oorlogen
bewaart. Waar uit pruit die eer? Is
het hier uit niet geweet, om dat ze
niet met de wapenen, of door geweld
t'ondergebragt zyn, maar voor de wa
penen van 7. Cezar vreende zig van
elf aan zyn gebied overgegeven heb
ben? Ik ben inderdaad van die gedag
ten. Waarom zy ook zo veel te
meer bechaamt zyn moeten , hoe
veel te meer zy van Germanich bloed
zynde van die trenge vryheid der Ger
manen ontaart zyn Dog dat dit ge
noeg zy wegens den waren zin van de
woorden van Tacitus. Laat ons n tot
Plinius overgaan. Deelfs woord het
eer edele is niet gemeind op het volk,
maar op het eiland. Alzo is het, #
- - * - 1c
P. Cluweriut van de
# elve Schryver in het IV. B. i3!
Hoofdt: onder de XXIII. Eilan.
den van 't Germanich trand, dewel
ke door de wapenen der Romeinen be
kend waren, ook zeer edel zegt te zyn
Burchane, Gleari, en Attani. En wa
rom ulx? Soude het zyn, om dat der
elver inwoonderen ook de edelte van
alle waren? Dit kan men niet ligt ver
ekeren. Hy heeft ze de edelte ge
noemt , als meinende de meet bekende
onder de andere. Alo is het eiland
der Batavieren het edelte: dat is het
meet bekende, om dat het , gelyk
Zoimus in 't derde boek zegt , groter
als enig in een Kivier leggend eiland is,
en (indien men 't begeert) om deelfs
inwoonders door haar dient by de Ro
meinen wel meet bekend waren. Maar
na dat ik de valche en idele loftuitin
gen genoegaem wederlegt heb, is myn
voornemen ook wegens de ware glo
rie en roem van dat volk eens te pre
ken; dewyl declve o naakt nog mi
maakt is, dat ze flatteryen van noden
hebben zoude: De eer, zegt Tacitus, en
't kenteken van de oude bondgenootchap
blyft nog overig. By gevolg waren #
niet onlangs, maar van ouds, als 7.
Ces
Uitlopen van den Rhyn. 95
Cear Galli't onderbragt, gelyk bo.
venaangetoont, in het bondgenootchap
gekomen. Tacitus chryft in 't IV. B.
van zyne Hit: van die elve volken
wyders aldus : Lang in de Germaniche
Oorlagen geoefend, en kort naderhand hare
glorie door Britanni vermeerdert zjnde ,
als hebbende derwaarts benden overgeen
den, dewelke naar de oude intelling door
de edelte hunner lants - luiden geregeert
wierden, Dee Schryver wygt hier
van de Borgerlyke Oorlogen, alsmede
van dcn Alexandrynchen, en Africaan
chen, daar Lucanus, en Die egter ge
tuigen, dat ze mede in deelve geweet !
zyn. Wat reden heet Tacitus dan ge
had, om ulx te verduiteren? Hadden
zy dan daar zonder roem gedient ? Im
mers gantch niet. Het mag in der
daad tenemaal iet anders zyn. Want
ik al aantonen uit de Commentarien
van Caar, en Hirtius, dat ze in die Oor
logen veel roem behaald, en vele def
tige daden uitgevoert hebben. Daar
enboven is het ook te geloven , dat
Gear haar mede naar Britannie over
evoert heeft. Dit is altyd waar, dat
y derelver dapperheid, al eer hy ze
tegen Pompeius aanvoerde, in Gallite
gen
\

96 P. Cluverius van de
gen de Gallen elve uitnemend bevond
den heeft. Dog eer ik de getuigeni.
en der Schryveren tuk voor tuk by
brenge, o vermein ik, dat het van
myn pligt is het kenteken der Bata
vieren, waar door zy allermeet by de
Schryvers, onder de gemeine naam
der Germanen bekend zyn , voor te
tellen. En dit is de kont van te
aard te ryden , en allerlei Rivier,
eerd, en wapenen behoudende, over
te wemmen. Plutarchus chryft in
Otho aldus: Tegen de waart-vegters, de
welke door hunne ervaarnis , en moedig
heid in 't aanvallen voornaam geagt wier
den, heeft Alphenus Varus de Batavieren
aangevoert. Want dee jn de voornaam
te van het Germanich paarde-volk. Dio
Caius egt ook in het LV. B. De
vreemde, en buiten orden ynde Ruiteren,
dewelke de naam der Batavieren (dee
yn voornaam in de komt van te Paart te
ryden) van het eilant Bataoua , 't welk
in den Rhyn is, hebben. Tacitus chryft
aldus in het IV. B. der Hit: Zy had
den in haar land ook Ruiteren , die een
voorname drift en kennis in 't wemmen
hadden, hare wapenen, en peerden behou
dende, ende alo gewoon ynde met gehele
f ben
Uitlopen van den Rhyn. 97
benden door den Rhyn te rukken. Hier
van ullen eer vele voorbeelden in de
getuigenie elve der Schryvers, die
ik nu ga bybrengen, voorkomen. Ce
ar dan getuigt in het VII. B. van den
Gaulichen Oorlog, als geheel Galli
wederpannig was, en hy Noviodunum
(in Berry niet verre van de Loire , het
welk enige meinen Neuvy te zyn, en an
dere gelerde rond uit zeggen, niet bekend
te wezen) betreed, ten tyde als zyne
Soldaten in een zeer groot gevaar wa
ren, dat de Batavierche Ruiters chie
lyk aan deelve hulp, en behoudenis
toegebragt hebben. Want dee zyn
zyne woorden: Cear gebied het Paarde
volk uit de legerplaats te trekken en laat
een lag te paard, als hy ag, dat de yne
het nu te quaad kregen, o chikt hy hen
ontrent vier honderd Germaniche Ruiteren,
die hy van den beginne voorgenomen had
met zig te houden, te hulp, welkers ge
weld de Gallen niet hebben kunnen tegen
houden. Zy derhalven na verlies van vele
in de vlugt gedreve zynde hebben zig we
der naar hun leger begeven. En nader
hand in het elve boek van dien el
ven afval prekende egt hy : Cear
bemerkende, dat de vyand hem te paard
II. Deel. G te
98 P. Cluverius van den
te terk was , en dat hy , alle wegen
beet, en beloten ynde, geen hulp ter we
reld uit Provence, of Italin krygen kon
de, o tuirt hy over den Rhyn in Germani
naar die bondgenootchappen , dewelke hy
in vorige jaren bevredigt had, en ontbiet
paardevolk van deelve, mitgaders ligt
gewapend voet-volk, die onder dat paarde
volk gewoon waren te tryden. Als dee
aangekomen waren, o heeft hy iende, dat
e gene goede paarden hadden, van de Co
lonellen, en andere Roomche Ruiteren, en
uitgekorene paarden afgenomen, en onder
de Germanen verdeelt. En kort nader
hand, daar van Vercingetorix den Ar
verner in het land der Sequanen g
eicht werd, chryft hy aldus : Het
welk vernomen hebbende o gebiet Cear
yn paardevolk, in drie delen verdeilt ,
vok tegen den vyand aan te trekken. Toen
wiert er lag gelevert in alle de delen te
gelyk. 'T gros van 't leger blyft taan,
den tros wert onder de legioenen ontfangen.
Waar Cear maar ag, dat de yne het
te quaad kregen, of te eer geprengt wier
den, daar na toe geboot hy de velt-tekenen,
en de kragt van 't leger heen te trekken.
Het welk en de vyanden veragterde in het
vervolgen, en de one door hoop van hulp
'Z'67"
Uitlopen van den Rhyn. 99
verekerde. De Germanen eindelyk aan de
regter zyde een hogen heuvel bemeetert
hebbende joegen den vyand van de plaats
af, en vervolgde den elven in 't vlugten
tot de rivier toe, daar Vercingetorix met
yn voet-volk tont , en maakten er vele
van ter meer. Het welk by den vyand
gemerkt ynde, o heeft de ret vreende
dat omcingeld werden ouden , ig op de
vlugt begeven, en over al wierden er vele
ter neder gemaakt. Dio chryft in het
X L. Boek nog klaarder van dee over
winninge : Daar en boven (zegt hy)
hebben de Germanen , dewelke Caear tot
hulp op ontboden had, niet weinig tot dee
overwinninge aan de Romeinen behulpaam
geweet. Want hare toutheid door hunne
grote ligchamen, en kragt verekerende o
hebben y door de tant-orde der omleggende
vranden heen gebroken.
Caear chryft kort naderhand in 't
elve boek , als hy Vercingetorix in
de Stad der Mandubirs Alexia (Alize
nu een dorp aan de voet van den berg
Auxois, niet verre van Flavigny, alhoe
wel andere verchillen) bevogt, aldus:
Dat werk begonnen zynde werd er een lag
te paard gelagen in die vlakte, dewelke
ik boven geegt heb tuchen de heuvelen
- G 2 drie
1oo P. Cluverius van de
drie duiend paen lang te zyn. Weder
yds wierd.terk gevogten; En als de one
het te quaat kregen, heeft Cear hen de
Germanen te hulp geonden, en de legioe
men voor de legerplaats getelt, op dat 's
vyands voetvolk geen chielyken inval qua
me te doen. Door dee bygevoegde beet
tinge der legioenen kregen de one meer
moeds; en de vyanden in de vlugt gedre
'ven waren malkander door de menigte in
de weg , en maar nauwe poorten gelaten
hebbende , o wierden y in malkanderen
gedrongen. De Germanen vervolgden haar
met grote hevigheid tot de vetingen toe.
En daar gechieden een grote nederlaag. En
kort daar na: Na vele omgebragt, en een
groot getal paarden genomen te hebben,
quamen de Germanen weder te rug. Van
dee bevegtinge chryft Velleius Pater
culus niet buiten de grootte vleijnge
voor Cazzar, en het Roomch volk
aldus: Ontrent Alexia yn o grote aken
uitgevoert, welke nauwlyks voor een mench
te betaan, en te volvoeren by na voor nie
mand, als voor een God , is. Cear
chryft nog naderhand ontrent het el
ve Alexia: Als de Gallen vertrouwden ,
dat de hare de overhand in de lag had
den, en agen, dat de one door menigte
ge e
Uitlopen van den Rhyn. 1or
gepert wierden, o hebben e aan alle kan
ten, o wel die gene , dewelke in de be
chaningen waren, als dewelke tot hulp
aangekomen waren, door gechreeuw , en
gehuil de gemoederen van de hare verterkt,
om dat het gevegt in hun aller geigt ge
gechiede, en dapperheid nog lafhertigheit
verborgen blyven konde. Wederyds wierd
het volk door begeerte tot lof, en vrees
voor chande tot dapperheid geprikkelt. Als
dan de lag van den middag af tot Sonnen
ondergang geduirt had, nu hebben de Ger
manen, alle hare benden aan ne yde digt
by den anderen geloten hebbende, een inval
in den vyand gedaan, en deelve verlaagt ;
dewelke op de vlugt gedreven ynde, o yn
de pies-werpers omringt , en geneuveld.
Aan de andere zyde hebben de one den
wykenden vyand tot de legerplaats toe ver
volgt, en den elven geen gelegentheid ge
laten om zig weder te veramelen. Dio
Caius chryft wegens dee overwin
ninge in het LIII. Boek aldus : Dog
als de hulptroepen te paard, en andere
aanquamen, o hebben de Gallen daer niet
veel voordeel door gehad. Want y yn
in een lag te paard door de Romeinen ver
lagen, daar de hulp-benden der Romeinen
ook veel tot de overwinninge deden. In het
G 3 boek,
1o2 P. Cluverius van de
boek, 't welk Aulus Hirtius voor het
agte by de even boeken van Cear
van den Gaulichen Oorlog gevoegt
heeft, als Caear tegen de Belgen Oor
log voerde, chryft hy aldus : Onder
tuchen tonden de dagelykche chermute
lingen in 't geigt van beide de legerplaat
en niet til, dewelke by de ondiepten, en
overgangen van dit moeras gechieden. In
welk tryden de Germanen (dewelke Cear
daarom over den Rhyn doen trekken had,
om e tuchen het paarde-volk in 't gevegt
te laten tryden) dewyl e met grote tand
vatigheit alle te amen door den poel ge
gaan waren, en na 't verlaan van weini
ge, die wedertand boden, tandvatiglyk
de overige menigte vervolgt hadden, o is
er een chrik gekomen niet alleen onder die
gene, dewelke van na by verdrukt, of van
verre gewond wierden , maar ook onder
die, dewelke gewoon waren van verre hulp
toe te brengen, waar door zy chandelyk in
de vlugt gedreven zyn; en hebben van de
elve geen einde gemaakt , na dat e de
hoogte plaaten dikwils verloren had
den , of in hare legerplaaten quamen,
of dat ommige ig chamende nog veel
verder weggevlugt waren. Door welkers
gevaar alle de benden odanig in wanor
de
Uitlopen van den Rhyn. 1o3
de geraakt yn , dat men qualyk oordelen
kan , of e in voorpoet, alhoewel niet
groot , opgeblaener , of in tegenpoet , al
hoewel matig, angtvalliger zyn. Nader
hand in 't elve boek, als de Vel
doverte C. Caninius by Uxellodu
num der Cadurcen ( Oaldun ) beig
was, leet men aldus: Als hy in dit te
ondertaan gantch geen gevaar ag , end
hy al yn paarde-volk, en de Germaanche
voet-knegten , die eer nel waren, naar
het leger der vyanden voor af. Hy (Ca
minius) elfverdeelt een legioen trydveerdig
met zig aan. Als hy digt by den vyand
gekomen was, vertaat hy uit de vooruit
geonde verpieders , dat haar legerplaats
na het verlaten van de hoge plaaten
(want dit is de gewoonte der barbaren)
aen den oever van de rivier nedergedaalt
was. Maar dat de Germanen , en het
paarde-volk op haar op 't onvoorient toe
gevlogen waren, en laags geweet hadden.
Het welk vernomen hebbende voert hy 't
gewapende , en lagvaardige legioen aan;
En alo metter haat aan alle kanten een
zein gegeven hebbende, werden de hoge .
plaaten bemagtigt. Het welk gechiet
ynde, hebben de Germanen, en het paar
G4 devolk,
1o4 P. Cluverius van de
devolk, na dat ze 't zein geien hadden ,
eer hart den tryd vervolgt. Alle de Re
gimenten doen aantonts van alle kanten een
inval , en bekomen na 't verlaan , of ge
vangen nemen van alle de vyanden een gro
ten beuit. Tot hier toe yn de Germaan
che Batavieren over al onder de hulp
troepen, en Caar heeft nauwlyx ene
overwinninge gehad, of ze was door
derelver dapperheid verkregen. Na
derhand is den Borgerlyken Oorlog
tuchen Cear en Pompejus onttaan.
In den welken Lucanus # B. als boven
verhaalt, getuigt dat Cear de Batavie
ren ook aangevoert heeft. Cear ge
tuigt elf in het I. B van den Borger
lyken Oorlog, dat hy deelve in Hi
pani gebruikt heeft tegen Afranius,
en Petreius, Veld-overten van Pompeius
eggende : Des anderen daags bereit hy
fig tot het voltrekken van de begonne ver
terkingen. Zy peilden de diepte van de
Rivier Sicoris (Segre) of e daar ook
door trekken konden. Cear dit bemerkt
hebbende doet de ligt gewapende Germa
men, en een gedeelte van de Ruiteren over
de Rivier trekken, en telt vele wagten aan
deelfs oever. Ook heeft hy ze ge
bruikt in Epirus (Albanien) als hy
Ponze
Uitlopen van den Rhyn. 105
Pompeius by Dyrrachium ( Durao) be-
ettede , gelyk hy in 't III. B. van
den Borgerlyken Oorlog getuigt: Op
dien elven tyd ( zegt hy) is daarenboven
op tw plaaten lag gelevert. En nader
hand: Op de ene plaats heeft Volcatius
Tullus het geweld van een legioen door
hulp van drie Regimenten uytgehouden, en
't elve van haar plaats verlaagt. Op de
andere plaats zyn de Germanen uit one
verchaningen getogen, na vele nederge
maakt te hebben tot de hare behoude we
dergekeert. Hy heeft e ook in The
ali gebruikt , gelyk Appianus in
het twede boek van de Borgerlyke
Oorlogen getuigt , alhoewel hy van
hen tot nadeel gewaagt eggende: Hy.
heeft het klein tedeken Comphen uit gram
chap, om dat het de poorten voor hem
geloten had, ingenomen, en aan de Sol
daten te plunderen gegeven, dewelke hon
gerig zynde zig ten overvloede veradeden,
en de wyn inwelgden; Dog de Germanen
hebben zig boven alle door de dronkencha
zeer belagchelyk aangetelt. Dog dee
dronkenchap is zo voor de Germa
nen, als de overige oldaten heilaam
geweet. Want Plutarchus chryft al
dus in Valius Cear : na dat hy Comphen
- G 5 66%
1o6 P. Cluverius van de | |
een Thealiche stad ingenomen had, heeft
hy niet alleen het leger gepyt , maar het
elve ook wonaerlyk uit een iekte gehal
pen. Want nademaal ze daar een groten
overvloed van wyn vonden , o hebben ze
na deelve boven mate gedronken te hebben
wierende, en als dul zynde langs den weg *
de dronkenchap verdreven, en haer iekte
in een vercheiden taat van het omgekeert
ligchaam verandert. Daar na heeft hy
zig van hen ook bedient in de Phi
lippiche velden, alwaar hy voor de
laate maal met Pompejus laags ge
weet heeft, van welke lag die Schry
ver in het elve boek aldus chryft :
Cear heeft drie duient van de toutte
voetknegten in de agterhoede getelt, en de
elve bevolen, o gauw zy bemerkten, dat
de omcingelde vyand toe quam lopen, dat
ze dan ook voort komen ouden , en met
gevelde pieen naar der elver aangeigten
meet teken ouden, want dat die onerva
re jongelingen, dewelke zigelve door de
choonheid van haar gedaante behaagden ,
het gevaar van odanige choonheids chen
dinge niet ondergaan ouden. En kort
daar na : De Pompeianen meer in getal
zynde omcingelden het tiende legioen. En
toen gaf Cear hetr zein aan die, dewelke
g,72
-

w r
Uitlopen van den Rhyn. 107.
in de agterhoede waren. Dee voor den
dag gekomen zynde teken, en chenden met
gevelde pieen de aangeigten van de Rui
teren, dewelke de onvertaagtheid van de
e wanhopige niet dulden kunnende, en haar
aangeigten en ogen voelende doorteken ig
chandelyk op de vlugt begeven hebben, en
de Ruiterye van Cear, die eert gevreet
had omzet te ullen werden, heeft daar #
aantonts de legioenen, die aan die zyde
gantch naakt waren, omcingelt. Dat
het Germanen geweet zyn, geeft Flo
rus in het IV. B. II. H. te kennen
zeggende : Maar den uitlag van dien
Oorlog is niet min verwondelyker. Want
nademaal Pompeius o groten overvloed van
Paarde-volk had, dat hy ig inbeelde lig
telyk Cear te ullen omcingelen, o is hy
egter elf omzet geweet. Want als er lang
getreden wierd , onder dat de zege naar
de ene of andere zyde neigde, en de Rui-
terye door lat van Pompeius gelyk als uit
getort uit een vleugel voor den dag quam,
o hebben de Regementen der Germanen
chielyk o groten inval in dit uitgetort
paarde-volk gedaan, dat die eerte Ruite
rye, en dee laatte voetknegten chenen te
zyn. Op dee nederlaag van het vlugtende
Paarde-volk is de ondergang van het ligt
ge
1o8 P. Cluverius van de
gewapende volk gevolgt. De chrik daar
door wyd en zyd verpreid zynde , dewyl
de benden malkander in wanorde bragten,
is de overige nederlaag gelyk als gelyker
hand uitgewerkt. Van dien elven lag
chryft Caear elf aldus in het III. B.
van den Borgerlyken Oorlog: Op dien
elven tyd quamen alle de Ruiteren, gelyk
bevolen was, uit den linker vleugel van
Pompeius aanrennen, en degehele menigte
van de pieswerpers tortede zig gelyk als
uit. Welkers geweld one Ruiterye niet
wedertaan, konde, maar moet een weinig
van haar plaats, wyken. Waar door 't
Paarde-volk van Pompeius o veel te hevi
ger aanviel, en ig met gehele benden uit
breidende heeft 't elve een ons midden
ligchaams benden aan de opene zyde begon
men te omcingelen. Het welk by Cear be
merkt zynde, heeft hy aande vierde mid
den-ligchaams bende, die hy uit es Regi
menten te amen getelt had, het zein ge
geven. Dee zyn eer nellyk voort komen
lopen, en hebben met hare grimmige vaan
troepen odanigen inbreuk in de Ruiterye
van Pompejus gedaan, dat niemand tant
hielt, maar dat ze alle ommewendende niet
alleen haar plaats verlieeten , maar aan
tonts met volle galop zig al vlugtende op
- - zeer
Uitlopen van den Rhyn. ro9
zeer hoge bergen begaven. Dewelke aan
een kant geholpen zynde, zo yn alle de
Spies , en linger-werpers als verlaten,
en onder bytand ongewapend zynde ter
neder gemaakt. Door dien elven inbreuk
hebben de Regimenten, dewyl de Pompeja
janen in het midden ligchaam nog vogten,
en tegentand boden, de linker vleugel om
cingelt, en zyn van agteren op deelve
aangevallen. Te elver tyd beval Cezar
de derde bende van 't midden- ligchaam,
dewelke gerut geweet, en zag tot dientyd
toe op haar pot gehouden had, voort te ko
men. Derhalven , als verche, en onge
chonde in plaats van de vermoeide qua
men, en de andere van agteren aanvielen,
o hebben de Pompejanen ulx niet uittaan
kunnende ig alle op de vlugt begeven. En
Cezar is in yne giinge niet bedrogen ge
weet, dat van die Regimenten, dewelke
in de vierde midden ligchaams bende tegen
de Ruiterye getelt waren, het begin van de
overwinninge den oorpronk nemen oude,
gelyk hy elf in het aanmoeden van yne
oldaten rond uit voorpelt had. #
door dee is de Ruiterye eert in de vlugt
gejaagt; door deelve is de nederlaag der
Spies -, en linger-werpers verooraakt ,
door haar is het midden - ligchaam ", -

N
11o . P. Cluverius van de
de lag- orde van Pompeius aan de linker
zyde omcingeld, en het begin van de vlugt
voortgekomen. Voorwaar een uitne
mend, en eer heerlyk lof-geprek van
Cezar, indien hy maar de naam van
de dapperte Regimenten niet verwe
en had. -

Dat Caar dan na het aan een kant


helpen van yn mede-yveraar Pompeius
eindelyk tot den top van de hoogte
magt geteigert is, heeft hy alleen aan
de dapperheid der Germanen moeten
dank weten. Maar ik moet alhier de
vermaarde nakomelingen der Batavie
ren vermanen , dat e niet al te be
geerlyk alle deen lof van Oorlogs
dapperheid, en verkregen zege ig al
leen toechryven. Want daar waren
es gehele Regimenten, dewelke het
niet waarchynlyk is uit Batavieren
alleen in het begin van de vriendchap,
en bondgenootchap te amen geteld
geweet te zyn. Daar en boven zegt
Florus uitdrukkelyk, dat het voetvolk
eweet is. En de grootte dapper
# der Batavieren was in de Ruite-
rye. Dat de Batavieren, die Cear in
yn leger gehad heeft , paarde - volk
geweet is, en de uittekente van alle
de
Uitlopen van den Rhyn. 111
de Germaanche Ruiteren, getuigt
Dio in het LV. Boek als boven ver
haalt. Heb hier voren ook geegt,
dat Caear mede ligt gewapende Bata
vieren te voet tuchen de Ruiterye
in den tryd vegtende gehad heeft.
Lucanus chryft mede in het I. Boek,
dat er behalven de Batavieren ook
andere volken van dees zyde des
Rhyns, als de Treviren, Vangionen,
en Nervien, in yn leger geweet yn,
dewelke Cear alle in zyne boeken van
den Gaulichen Oorlog met de naam
van Germanen noemt. Het is dan e
ker, dat dee alle te gelyk met de
Batavieren in de vierde midden - lig
haams bende getaan hebben. Maar
laat ons tot de eige dapperheid der
Batavieren wedcrkeren. Cear heeft
deelve na het verdryven van Pompeius
ook in AEgypten tegen Koning Pto
lomeus aangevoert, gelyk A. Hirtius
getuigt in het Boek, 't welk hy we
gens den Alexandrynchen Oorlogge
chreven heeft, alwaar hy zegt: Tu
chen de legerplaats, en den weg, die
Cezar nam , liep een nauwe Rivier met
zeer hoge oevers, die in den Nyl uytliep.
En hy was ontrent nog VII. M. paen'
Z/4/g
112 P. Cluverius van de
van de legerplaats des Conings af. Als
de oning vernomen had, dat Cear langs
deen weg aanquam, heeft hy alle zyne
Ruiteren, en uitgelezene geu inde voet
knegten naar die Rivier geonden, die Cae
zar den overtogt beletten, en van verre van
de oevers een ongelyk gevegt beginnen ou
den. Want de dapperheid had geen voort
gang, of de lafhertigheit onderging 't ge
vaar. Het welk ons voet- en paarde
volk met een pyt noopte, dat ze o lang
tegen de Alexandrynen tryden moeten,
Derhalven yn de Germaanche Ruiteren
ter elver tyd verdeilt, om de ondieptens
des Riviers op te oeken, en zyn ten dele
aan de lage oevers de Rivier opgewommen;
en het volk der legioenen, grote bomen, die
beide de oevers raken konden, afgehouden,
en overgeworpen hebbende , zyn langs een
chielyk ingeworpen dyk de Rivier overge
komen. Voor welkers inval de Wyanden o
bechroomt geweet zyn , dat ze de hoop
van hare behoudenis in de vlugt getelt
hebben. Dat dee Batavieren geweet
zyn, geeft de kont van te paard over
een Rivier te rukken te kennen. Ook
moet men niet twyffelen, dat ze by
Cazar in den Hipanichen Oorlog ge
'weet zyn tegen Cn. Pompeius, den
- Soon
Uitlopen van den Rhyn. 113
Soon van Cn. Pompeius. Maar, men
moet aanmerken, dat in het leger van
Pompejus ook Germanen geweet zyn,
gelyk Cezar elf in het III. B. van
den Borgerlyken Oorlog getuigt, al
waar hy het gantche leger van Pom
peius optelt, eggende : Alexandrie had
tyfhonderd van de Gabinianen, o Gallen,
als Germanen , dewelke A. Gabinius al
daar tot een beettinge by den Coning Pto
lomeus gelaten had. En naderhand van
deelve in het elve Boek: Dee betonden
uit Gabiniaanche krygs-knegten , dewelke
nu al tot in de gewoonte van het Alexan
drynche leven, en ongehondenheid gekomen
waren, en den naam, en krygs-tugt van het
Roomch volk ontleert, vrouwen getrouwt,
en voor 't grootte gedeelte kinderen hadden.
Dog dee waren geen Batavieren, maar
of Nervien, o ze voetknegten, ofTre
vieren, indien ze ruiteren waren, uit
Galli al voor den borgerlyken oorlog
overgevoerd. Gelyk de Labienanen
Gallen , en Germanen geweet zyn,
van welke Hirtius in het boek van den
Africaanche oorlog aldus chryft :
Daarenboven had hy Gallen, en Germanen
uit de vlugt, en veld-lag van Pompeius ge
wapent, dewelke hy (Labienus ) met zig
II. Deel. " H van
114 P. Cluverius van de
van Brundiium overgevoert had, enaldaar
nog naderhand vercheide van vrygemaakte
aven-kinderen, en van laven aangenomen,
en deelve het gebruik van een getoomt paard
eleert. En kort daar na: Labienus door
dee hoop, en toutheid aangeet heeft met
IOCCC. Galliche en Germaanche ruite.
ren, &c. En naderhand: Somtyds hiel
den de Labienaanche Germanen, en Gallen,
na het geven van haar woord, met de rui
teren van Cear onder malkander Samen
praak. Men moet niet twyffelen, dat
de Germaanche Batavieren, die hy
over den Rhyn telt, onder dee ruite
ren van Cear geweet zyn. Maar dat
de Labienaanche Germanen van dees
zyde des Rhyns geweet zyn, te weten
de Treviren, die uit Galli uitgevoert
waren , toont die Schryver niet dui
terlyk daar na in het elve boek aan:
In het veld, zegt hy, daar dit gechiede,
was een zeer groot buiten-gebouw, met vier
torens opgebouwd, het welk het gezigt van
Labienus belettede, o dat hy niet bemerken
konde, dat hy door de ruiterye van Cear af.
geneden wierd. Hy heeft dan niet eer de
benden van 7ulius Cear gezien, of hy be
merkte, dat de zyne van agteren gelagen
wierden. Waar door het Numidich paar
- de-volk
Uitlopen van den Rhyn. 115
de-volk chielyk verchrikt zynde, heeft hy
't regel-regt met de vlugt naar de legerplaats
toegezet. De Gallen , en Germanus, die
blyven taan waren, van de bovente plaats,
en van agteren omring zyn alle na dappere te
gentand geneuveld. En nog kort nader-
hand; Als Cear den aftog had laten bla
en, en al zyn paarde-volk weder in zyne
verchaningen gekregen had, o heeft hy na
het uiveren van het veld wonderlyke lyken
der Gallen , en Germanen bevonden , de
welke ten dele zyn geag uit Galli gevolgt
waren, en ten dele door geld en beloften
zig tot hem begeven hadden, ook ommige,
die uit de lag van Curio gevange, en be
houde een gelyke vergeldinge in het verde
len van haar trouw hebben willen doen.
Dee waren Labienus gevolgt, als hy
Cear verlatende tot Pompeyus overging.
Dat dee Germanen Treviren geweet
zyn, is niet te twyffelen, om dat ze
ruiteren waren, want dat de Treviren
zeer voornaamt van geheel Galli magtig te
# geweet zyn, getuigt Caear in het
. B. van den Gaulichen oorlog. Maar
de Germanen van Curio, 't zy Bata
vieren, ofwel Trevirenelf, oze rui-
teren, 't zy Nervien, o ze voetkneg
ten geweet zyn ( want Caear getuigt
- H 2 ook,
116 P. Cluverius van de
ook, dat de trydbaarte Nervien meer te
voet, als te paard vermogten) waren hem
van Caar overgegen in de legioenen,
met welke hy Sicilien bemagtigt heeft;
dog naderhand is hy met deelve door
het leger van den Coning Juba verla
gen, weinige oldaten door den vyand
het leven behouden zynde, waar van
Cear aldus chryft in het 2. B. van
den Borgerlyken oorlog : De overige
benden, des nags hare Capteinen naar Va
rus geonden hebbende, hebben zig aan hem
overgegeven, welkers Regimenten 7uba des
anderen daags voor de Stad aanchouwen
de, en eggende , dat het zyn prooi was,
heeft een groot gedeelte der oldaten doen om
hals brengen, en enige weinige uitgeogte in
## ryk weder geonden. Te # de
ermanen, om de dapperheid, en gro
ten naam van het volk. Dus verre van
de Batavieren, die onder 7ulius Cear
gedient hebben.
. Cear den borgerlyken 'oorlog ten
einde, en den algemeinen taat van
Romen in tilte gebragt hebbende, en
ullende nu naar den Aiatichen oor
log verreien heeft zyne oldaten voor
af naar Macedonien geonden, gelyk
Dio in het 45. B. getuigt. Dat onder
- dee
e

Uitlopen van den Rhyn. 117


dee de Germaanche Batavieren ook
geweet zyn, al kort hier na blyken,
als ik die hitorie uit Dio te voren een
weinig hoger zal ophalen. Daarenbo
ven getuigt Appianus opentlyk in het
II. B. van de Borgerlyke oorlogen,
dat Cear naar den Getichen, en Par-
tichen oorlog XVI. legioenen , en
X, duiend ruiteren voor af geonden
heeft, hoe veel ruiters hy ook tegen
Pompeius aangevoert heeft. Indien ze
dan alle overgeonden zyn, o zyn de
Batavieren daar ook onder geweet.
Maar laat ons tot de hitorie van Dio
voortgaan, dewelke kortelyk hier in
betaat. Cear ondertuchen op het
Capitool vermoort zynde, o heeft
denRaad, op dat de voorafgeonde
ne krygsknegten niet oproerig werden
ouden, M. Antonius over haar getelt.
De oldaten, de moort van Caar ver
taan hebbende , keren weder in Ita
lien, en blyven te Brundiium til. De
wyl Antonius van Romen daar naar
toe reit, o tuirt Caear Octavius eni
ge met geld voor af, die Antonius
voorkomende die krygs-luiden voor
hem aannemen ouden. Die krygs
knegten ontfingen Antonius in het
H 3 eert
1'18 P. Cluverius van de
eert vriendelyk, hopende van hem
meer te ullen verkrygen, als van Oc
stavius belooft wierd. Na dat hy ( An
tonius) een jder maar vier honderd e
tertien belooft had , en daar uit een
tumult onttaan was, o heeft hy eni
ge Capteinen voor zyne , en zyn
vrouws ogen doen ombrengen, waar
door toen wel een tilte verooraakt
wiert. Maar naar Galli trekkende,
en niet verre van Romen zynde heb
ben zy weder begonnen oproerig te
werden , en de Veld-heren, die over
haar geteld waren, veragtende o zyn
de meete tot Otavius overgegaan.
Het Martiche legioen heeft ook ge
heel en al , mitsgaders het vierde zig
by dee gevoegt. Octavius dee by hem
ekregen hebbende, dewyl hy onder
en, gelyk hy onder de andere gedaan
had, geld verdeilde, trok ook vele van
de overige tot zig, en wierd chielyk
meeter van de oliphanten van Anto
nius, dewyl hy op deelve, als ze met
lat voor by gingen , aanviel. Ota
vius dan , en Antonius hebben hier
om elk voor zig een leger veramelt.
Antonius belegerde Brutus te mutina. .
w - -
ont
(Modena.) Octavius om Brutus teetten

*
-
- - 2
-

Uitlopen van den Rhyn. 119


etten nadert Mutina met zyn leger.
Niet verre van die tad werd lag ge-
levert, waar van Dio Caius in het 46.
B. aldus chryft : Als de legerplaatzen
tegen malkanderen tonden, o zijn er eni
ge dagen lang ligte chermnzelen te paard,
onder enig voordeel aan de een ,#
zyde, voorgevallen, tot dat de Germaan
che ruiteren , dewelke Ottavius met de
oliphanten in zyn magt gekregen had, we
der afgevallen zyn. Want uit de leger
plaats met de andere getogen, en voor alle
andere voor aftrekkende, als of ze alleen
tegen den tegemoet komenden Wyand try
den ouden , o hebben zy zig chielyk bui
ten alle hoop tegen de benden van O#avius
gewent, en dewyl dee gantch geen quaad
vermoeden hebbende al volgden, hebben zy ,
onder deelve een grote nederlaag gemaakt.
Dat dee Batavieren geweet zyn ,
geeft het woord ruiteren opentlyk te
kennen. Of der elver daad trouw ,
of ontrouw te noemen is, kan ik niet
wel belien. Het is voorwaar een
grote ontrouw tot den vyand over te
lopen, en zyn eigen volk om hals te
helpen. Maar my dunkt, dat ander
ins o een getrouw volk van o vuil
een chelmtuk vrygeproken kan # -

- - - CIl,
12o P. Cluverius van de
den. Want zy hadden te Brundiium al
den eed aan Antonius afgelegt. Als
zy naar hem met de oliphanten trok*
ken , zyn ze door Octavius onder
chept, en tegen wil en dank by zyn
leger gevoegt; het welk uit Dio blykt :
dewelke, als hy verhaalt, dat Octavius
de oliphanten bekomen had , o zegt
hy van die dieren: hy heeft ze genomen,
en van de oldaten: hy heeft ze onder zyn
magt gebragt. De Batavieren dan aan
haar eerten eed gedagtig zynde, o
ras als zy de gelegentheid gevonden
hadden, zyn weder tot haar Veldheer
Antonius, als door de trouw van haar
woord verbonden zynde, overgegaan.
Wyders zyn alle de gene , dewelke
onder Antonius gedient hadden, nadat
deelve door Octavius overwonnen
was, voor vyanden verklaard. Dog
een Samenwering , of wel een ver
bond, tuchen Ottavius, Antonius, en
Lepidus gemaakt zynde, oo heeft Oc
tavius die gene, dewelke door hem ver
wonnen, en van den Raad voor vyan
den verklaart waren, by een vera
melt, en te weeg gebragt, dat de ol
daten zig onder malanderen met ede
verbonden, dat zy tgen geen leger,
- 't
v

Uitlopen van den Rhyn. 121


't welk onder de gehoorzaamheid van
#. Cezar getaan had, vegten ouden.
Het welk de legers van Antonius , en
Lepidus aanging, dewelke voor 't
grootte gedeelte uit Krygs-knegten
van J. Caezar betonden. Op dee
chynen de Germaanche Batavieren
met Otavius veroent te zyn. Hier
door hebben # onder Octavius , en
Antonius teg# tegen Brutus, en Ca
ius gedient. Welken oorlog geindigt
zynde o heeft Octavius onder de ou
de oldaten (gelyk Dio in het XLVIII.
B. getuigt ) landeryen verdeilt , en
haar aantonts uit den dient ontla
gen. Naderhand twphalt tuchen
Ottavius en Antonius onttaan zynde,
o hebben de oude oldaten zig tot
cheids-mannen van haar twit getelt.
Aan L. Antonius dag betekent zynde,
daar Octavius zig tiptelyk liet vinden,
terwyl Lucius ulx weigerde, o heb-
- ben ze deen over verongelykinge ve
roordeelt, en de aak van Oitavius aan
genomen. Op dee manier zyn de Ger
maanche Batavieren Octavius wederom
toegedaan; gelyk hier na aantontsbly
ken zal , dat ze onder de oude olda
' ten geweet zyn. Met Cazar Ottavius
H 5 dan
122 P. Cluzerius van de
dan ten oorlog uit getogen zynde heb
ben zy Lucius te Perui belegert zyn
de bemagtigt. Naderhand heeft men
den oorlog tegen M. Antonius onder
taan, die na de dood van Fulvia, de
vrouw van Antonius , belit is. De
oldaten van Ottavius zyn in bouwplaat
en veronden. Dat ze in den Siciliaan
che oorlog tegen Sextus Pompeyus niet
geweet zyn , blykt hier uit , dat de
oldaten van Ottavius in 't overgaan der
rivieren, 't welk zy met moeite deden,
zeer veel geleden hebben. Indien de
elve Batavieren geweet hadden, zo
ouden y ligtelyk volgens haar komt,en
gewoonte overgewommen hebben.
Naderhand is de tweden oorlog tu
- chen Ottavius , en Antonius onttaan.
Als Ottavius om den elven te voeren
naar Griekenland trok, o heeft hy ,
gelyk Dio in 't L. B. zegt , alle olda
ten , die maar van enige waardye waren,
naar Brundiium te amen gebragt. De
oude oldaten waren hier ook onder,
en een gedeelte derelve waren de in
dapperheid zeer voorname Batavieren,
dewelke de Kaier Augutus in dee
veld-togt eert tot zyn lyf-trawanten
aangenomen, gelyk Dio Caius "L#
* *
x

Uitlopen van den Rhyn. 123


LV. B. getuigt, daar hyaldus chryft:
Maar de lyftrawanten zyn in getal tien
duiend, in tien delen verdeild, en de be
ettinge van Romen is es duiend. Dee
zyn op vier manieren verdeild, daarenboven
nog de uitheemche ruiteren, die buiten de
gewone ordre zyn, dewelke die der Bata
vieren zyn , hebbende haar naam van het
eiland Bataoua , 't welk in den Rhyn is,
en wiens inwoonders zeer magtig in de komt
van Swemmen zyn. Derelver getal, ge
lyk ook dat van de opontbodene kan ik niet
te regt zeggen. Hy (Augutus ) heeft de
elve eert begonnen te gebruiken, als hy de
oude oldaten zyns vaders voor de twede
maal tegen Antonius by een vergaderde,
en hy heeft ze naderhand behouden.

Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofdtuk,


Van de regeringe van 't land der Bata
vieren al ik niet meer melden, als Cluverius,
my vernoegende den leer te wyen tot me
nigvuldige chryvers, welkers deftige , en
onwederprekelyk chriften nu al ruim een
eeuw lang met den druk gemein gemaakt
ZWI), - -

'#men nopende de toffe van dit voor


gaande Hoofd-tuk met Cluverius meet over
eenkomende , wil alleenlyk dee toffe met
InCCT
-
V

124 P. Cluverius van de


meer getuigenien ophelderen , en voor
eert wegens de komt van te paart te ryden
en te wemmen, brengede getuigenie van
Tacitus by, uit het leven van JAgricola, 18.
Hooft-tuk, die door P. Cornelien Hooft
aldus vertaalt is : Maar , gelyk daar men in
beraadt weggelt , # waaren er niet , het
overleg en detant vatigheit des Hooftmans, heeft
hen overgeet. Alle pakken afgeleid, heeft hy
het puik der hulpelingen, die de watten kenden,
en naa huns vaderlands wye , den lagh van
fwemmen hadden, met dewelke y teffens zig en de
wapenen , en de paarden tieren, zo chielyk op
geonden aan de tyanden, dat dee, die Vloot,
na cheepen, na zee waaren wagtende , ver
baat , geloofden dat er niet paars, niet on
winlyx was voor luiden, die zo ten oorlog qua
men. En wederom uit het 2 Jaarboek 8 Hooft
tuk : En de ruiters met de keurbenden zyn
d'eerte watten, als de vloedt nog niet aanwier,
zonder vreet gepaeert: de laate troep der hulp
luiden en de Bataviers in dat deel, terwyl zy den
meeter op 't water maken, en hunne komt in 't
fwemmen tonen willen, zyn ontordent, en zom
mige verdronken. Dat de Batavieren voorna
mentlyk in den lag en beivering van het
zwemmen uitgetoken hebben, wert alleins
bevetigt , ja elf , het geen de verwonde
ringe nog grooter maakt, dat e al zwem
mende haare waapenen en paarden behouden
hebben. Tot getuigenie van welke aak
het den Kaier Hadrianus niet verveelt heeft
met een Heldendigt den lof van Soranus den
Batavier (gelyk hem Suidas, en one H. junius
r - in 't
Uitlopen van den Rhyn. 125
in 't 6. H. van zyn Batavi noemen) tot de
nakomelingen over te brengen met dudanig
grafchrift, waarin hy toont, dat hy ig over
deugt en dapperheit verwondert heeft: "
Ille ego Pannoni olim notiimus orn,
Inter mille vivos primus fortique Batavos,
Hadriano potui qui judice vata profundi
AEquora Danubii cunctn tranare ub armns,
Emiumque arcu , dum pendet in are , telum,
e-Acredit , ex alia ixi fregique # :
Quem neque Romanus potuit nec Barbarus unquam
Non jaculo miles , non arcu vincere Parthus:
Hic fitus , hic memori axo mea fata acravi.
Viderit, amne aliqun pot me meafacta equatur,
Exemplo mihi um , primus qui talia gei.
Dat is.
Ik eertyds voor de voornaamte en dapperte
onder duienden der Batavieren in de Pannoni
che # eer bekend, die naar het oordeel
van den Kaier Hadrianus in volle wapenen de
wyde brete van den diepen Donauw-troom hebbe
konnen overwemmen, en die een pyl uit myn boog
gechoten , dewyl deelve in de lugt hangt , en
weder aan 't dalen is, met een andre pyl getroffen
en aan tuk gechoten heb, en den welcken nooit
of Romynch of uitheemch oldaat met den werp
pies , nog Parther met den boog heeft kunnen
overwinnen, leg hier begraven, #. in de
en gedagtenis bewarenden teen myn heldendaden
vereeuwigt. Laat nu imand ien , of hy na my
myne daden kan navolgen, die myn elven tot #
66
126 P. Cluverius van de
beeld getrekt heb, als ik eert dudanige dingen
uitgevoert heb, Xiphilinus, die de hitorien van
Dio in 't kort by een getrocken heeft ( al
hoewel hy van dee daad , die Suidas aan
Soranus toechryft, geen byonder gewag
maakt) verhaalt dit nog daar en boven van
de Kaier Hadrianus : Als hy ( Hadrianus )
de oldaten aldus geoefent had, o is het Paar
de-Volk der Batavieren in volle wapenen over den
N
Donauw troom gerukt. Het welk gemerkt ynde,
o hebben de Barbaren ig odanig over de Romei
22672 beginnen te verwonderen, en vertelt tetaan ,

dat zy wederyds tot malkanderen gekeert zynde


Hadrianus tot een cheidman gebruikt hebben tot
het byleggen der verchillen, die y onder mal
kander # - * .

Buiten dee komt van wemmen en te paard


ryden, wewegens de getuigenien uit oude
chryvers dooryn
een verameld H. ,Junius , en Cluverius
oo oordeelt by
Pontanus, t

dat men eene aak uit Tacitus niet behoort


had over te laan, dat namentlyk de Bata
vieren als dan wel meet op haar kragt waa
ren, als 't werk tot punt en handgemeenchap
gebragt wierd. De woorden van Tacitus in
het leven van Agricola op het 35 en 36 Hooft-
tuk yn dee : Agricola toen, vreende, dat,
mits de overchietende menigte der tyanden, de l
zijnen teffens aan 't voorhooft en aan de zijden l

ouden bevogten werden, opende de ordeningen - -

hoewel de pits daar door fig oude komen uit te


rekken, en dat veele vermaanden, men behoorde
de keurbenden te ontbieden, ende zijnde gereder
ter hoopt , en tyf tegens wederpoet, verliet
w
yn,
paart
Uitlopen van den Rhyn raz
paard, en ging te voet voor de vindal, taan.
Ende in 't eerte byeenkomen , werdt van verre
getreden. De Brittannen, teffens met onver-
vaartheit, teffens met komt, chuwden met henne
overgroote waarden en korte childekens , het
#verpgeweit der onen oft chudden 't af, en y
luiden zelfs overgoten d'onen met groote kragt
van #ter 3 tot dat Agricola drie regementen
van Batavieren, en twee van Tung in, ver.
maandet werk tot punt-en handgemeenchap
te brengen. Waar in zy door outheit van
Krydient geoefent waaren , en de vyand,
wanhebbelyk , voerende kleine childen en over
groote waarden. Want de waarden van de
Brittannen , onder punt , mogten tegens geen
edrongen gevegt. Derhalven als de Batavieren
# het treffen te mengen, te toten met de
chiltpennen, de aangeigten te chenden, en
na 't # dergenen, die in 't vlak 'tegengetaan
hadden, de pits op te beuren tegens de hit vijf exe,

xx. HoofD-sTUK.
Van de Batavieren, de Lyf.
trawanten der Kaieren.
Olius Cear heeft de eerte der Room
che Vorten voor zig gewapende
lyf-wagten ingetelt, en heeft Span
jaarts ontrent zig gehad, gelyksueto
nius in deelfs leven in het '86. H.
ge-
118 P. Cluverius van de
' getuigt. Deelve Schryver verhaalt,
dat Augutus ( in zyn leven 49. H. )
Calagurritanen (dee is een Spanche
Natie ) by # gehad heeft. Ik ver-
mein, dat dee deelve zyn, dewelke
Caear gehad, en kort voor hy ver
mord wierd, laten gaan had. Na
het overwinnen van Antonius heeft
Augutus de Calagurritanen van zig
gewend , en de Bataviren in hun
plaats verkoren, als overtuigt zynde
door ontelbare ondervindingen van
der elver dapperheid, en trouw. Sue
tonius in Augutus by na het elve chry
vende dat Dio verhaalt, zegt uit de
krygs benden heeft hy de Legionen, en hul
troepen der Provincien verdeelt , de vloot
heeft hy te Mienen, en nog een andere tot
Ravenna gelegt tot beveilinge van de Mid
deladche Z. Ook heeft hy een ekerge
tal ten dele tot becherminge van die Stad
( Rome ) ten dele tot zyn Trawanten
uitgekoren, de bende der Calagurritanen ,
die hy tot den tyd van het overwinnen van
Antonius, als mede die der Germanen,
die hy tot de nederlaag van Varius tot zy
me child-knapen by zig gehad had, laten
gaan hehbende. Hy heeft de Calagur
ritanen, een Spaanch Volk zynde tot
- eerte
Uitlopen van den Rhyn. 129
eerte lyf-trawanten gehad. Na het
overwinnen van Antonius heeft hy de
Germaanche Batavieren in derelver
plaats getelt, dewelke hy tot de Ne
derlaag van Varius in Germanie be
komen behouden heeft. Dio Caius ,
als boven gezegt, verhaalt inderdaad, .
dat Augutus toen ter tyd de Batavie
ren tot lyf-trawanten aangetelt heeft,
als hy de oude Soldaten van 7ulius
Cear voor de twede maal tegen An
tonius by een veramelde. Maar men
moet Suetonius meer geloof geven ,
dewelke getuigt , dat de Batavie
ren eert na het verlaan van Anto
nius daar toe aangeteld zyn. Want
de Batavieren waren, als voren ge
meld, in de lag van Modena na het
verlaan van het volk van Augutus
tot Antonius overgelopen. ' So dat
Augutus aan deelve niet ligt zyn lyf
wagt zoude toevertrouwt hebben, ten
ware hy hen genoegaam door langwy
lige ondervindingen van getrouwheid
ekent had. Wyders Schryft Dio in
# 56. B. , na het verhalen van de
nederlaag van Varius aldus : Dog om
dat er vele zo Gallen, als Germanen zig
te Rome onthielden , de eerte gm andere
II. Deel. - I aken
13o P. Cluverius van de .
aken buiten 's lands reiende, en de laate
onder de lyf-trawanten, o heeft hy (Au
gutus)vrezende dat ze iet ondernemen mog
#n, de laatte naar de Eilanden veron
den, en de eerte ongewapend bevolen uit
de Stad te vertrekken. Wanneer de Ger
maanche Batavieren uit de Eilanden
wederom geropen, en in hare vorige
bedieninge herteld ouden mogen zyn,
is gantch, en geheel oneker.
't (oude wel kunnen zyn, dat Augu
#
tus deelve kort naderhand wederge- -

ropen had, na dat hy , horende , dat


er een gedeelte van het krygs-volk
( gelyk Dio in het 56. B. verhaalt )
van de nederlaag van Varius nog ove
rig was, Tiberius veronden had, om
zig over den vyand te wreken. ,,Dat
het een Regiment geweet is, blykt
uyt Suetonius in Galba 12. H. alwaar
hy zegt : Hy heeft het Regiment der Ger
manen eertyds van de Kaieren tot lyf
wagt ingetelt, en zeer getrouw door vele
bevindingen ontlagen;# men ook
uit Tacitus in het 12. Jaarboek, daar
hy chryft : Nero gaat uit tot het Re
giment, 't welk op de manier van de
kryg de wagt hield. Als ook uit Dio,
die in het 25. B. getuigt een Regiment
onder
, S- -

Uitlopen van den Rhyn. 13r w

onder Severus geweet te zyn, alhoewel /

de vertaler aldaar qualyk dit woord


Voor een legioen uitgelegt heeft. Zo
ephus in het 19. B 1. H. van de
Joodche Oudheden verhaalt ook, dat
het Germanich Regiment lyf-wagt van
Gajus geweet heeft. De verdere Kaiers
hebben namentlyk het voorbeeld van
-Augutus #. Tiberius heeft ze
altyd aantonds in het eerte jaar van
Zyne regering gehad, gelyk uit Taci
tus in # I. # ## als hy
den oproer van het Pannonich leger
verhaalt , blykt, daar hy zegt : Dit
ter oren van Tiberius komende, alhoewel
hy zig bedekt, en de droevigte tydingen
meet verborgen hield, hebben hem o verre
bewogen, dat hy zyn zoon Druus met de
voornaamte der tad, en tw hof-vendels
derwaarts ond, onder enige eker genoege
bevelen, om naar gelegentheid der aken
raad de laan. En de vendels wierden met
wilgelee oldaten boven gewoonte verterkt.
aar nevens trok een groot gedeelte van de
Hof ruiters, en de kragt der Germanen,
dat elke toen 's Kaizers lyf-trawanten by.
de hand waren. Dat ze na den tyd van -

Tiberius ook by Caius Caligula geweet


Zyn, getuigt Suetonius in deelfs leven * .

- I 2. 43. H.
---- --

132 P. Cluverius van de


43. H. zeggende : Wegens het getal der
Batavieren, die hy ontrent zig had, ver
maand zynde heeft hy het geweld van de
Germaanche veld-wagt by de hand genomen.
# verhaalt op de boven aange
aalde plaats, dat de Germaanche lyf
trawanten de vermoorders van Cajus
om wraak nageogt hebben. Ook is
het wel te geloven, dat de Kaizer
Claudius deelve naderhand in die bedie
ninge gehouden heeft, uit de voor
aangehaalde woorden van Suetonius in
het leven van Galba 12. H. Uit het XII.
Jaarboek van Tacitus is het elve ook
baarblykelyk, dewelke , na de dood
van Claudius , van Nero prekende al -w

dus chryft : Als toen op 't midden van


den dag, den dertienden van October, de
deuren van 't palais chielyk opgelagen zyn
de , treed Nero , van Burrhus vergeel
chapt uit tot het regiment, 't welk naar
Krygs-gebruik de wagt houd. Nero heeft
ze ekerlyk gehad volgens tuig van
Tacitus in het XV. Jaarboek, alwaar
Hy chryft in het LVIII. H.: Daar
enboven heeft hy ( Nero, na het ontdek-,
ken van 't eedgepan) mede de tad, de
muren met rotten krygs-volx en de z met
de rivier bezet hebbende, als in gevangenis
- - getelt.
Uitlopen van den Rhyn. 133
getelt. En het voetvolk , en ruiterye ge
mengt onder de Germanen, op welke de
Vort , als uitheemche zynde, zag ver
trouwde, vlogen over de markten, door de
huien , en 't platte land, en ook door de
uaate ampt matige teden. Dee zyn de
elve geweet, dewelke die chryver
te voren in het XIV. Jaarboek een
regiment oldaten genoemt heeft, zeggen-
de aldaar in 't XV. H. : Ten laatten is
hy (Nero) elf op het tonneel getegen,
met veel orgvuldigheid den cythar beproe
vende, en 't voorpel laande, daar zyne
goede vrienden bytonden. Daar was een
regiment oldaten by gekomen , Honderd
mans, en Kornellen, en Burrhus pryende 't
geen hem bedroefde. Daarenboven had
Nero aan zyn moeder Agrippina ook lyf
trawanten uit die elve natie gegeven,
gelyk die chryver mede in het XIII.
Jaarboek XVIII. H. getuigt. Dit wierd
Nero bekend, o dat hy de krjgs-wagten, de-.
welke gelyk voor haar, alsgemalinne des Kai
Aers, en ook 's Kaiers moederplagten gehou
den te werden, en de Germanen, haar boven
die eer tot lyfwagten toegevoegt, beval te
vertrekken. Galba naderhand, als boven
emeld, het Kaizerryk bekomen heb
ende heeft de ofrenie
der Germa
72672
e -
- -
v'
134 P. Cluverius van de
men van een gecheiden , en weder naar
haar vaderland, als of ze al te genegen
tot Cn. Dolabella waren , by wiens tui
nen zy in tenten leiden. Dog ulx heeft
hy waarlyker door gierigheid gedaan,
gelyk Suetonius opentlyk aantekent.
Dat regiment is na hem wederom door
Vitellius aangenomen. Tot kennie van
welke aak de woorden van Tacitus in
het eerte B. der Hit: niet weinig te
pae komen. Hy dan prekende van
Vitellius tot Vort door 't Germaanch
heir-leger tegen Galba gekoren chryft
aldus : Vitellius in neder Germani geko
men zynde was orgvuldiglyk in de winter
quartieren der legioenen geweet. Aan de
meete wat hun rang wedergegeven, en
chande vergeven, en de chand-vlekken ver
ligt ; het meete door eerugt, en ook voor
een gedeelte met oordeel. Het is waarchy
nelyk , dat de Batavieren toen ook .
weder in hun vorige lyf-wagts eer
herteld zyn , als aan dewelke veel ge
legen was, waer heen zy neigden, of voor,
of tegen zynde, gelyk one Schryver
naderhand in 't elve boek zegt. Dat
Vitellius Germanen gehad heeft , ge
tuigt hy kort daar na opentlyk : Cecina
(zegt hy in 't LXI. H.) voert er dertiz
-

*
* duiend
-
Uitlopen van den Rhyn. 135
duiend uit het bovente Germani, waar
van de kragt de een-en-twintigte keurben
de geweet is. . By jder werden gevoegt de .
Germaanche hulp-benden, uit welke Wi
tellius ook zyne troepen gevult heeft, om
met het gentche geweld des oorlogs te
volgen. Hy heeft dan ongetwyffeld de
regimenten der Batavieren ook met
zig aangevoert , als aan dewelke , als
boven gezegt , veel gelegen was , waar
henen zy helden voor of tegen. Hy heeft
ze ekerlyk na de overwinninge van
Bedriacum , die door de dapperheid
der Batavieren verkregen was, tot lyf
trawanten aangenomen. Want aan -
welke oude hy de bewaringe zyns lig
haams met meer veiligheid betrouwen,
als door welkers dapperheid hy het
Kaizerryk bekomen had ? Dat hy ze
ontrent zyn overlyden gehad heeft,
getuigt Dic in den korten uittrek van
Xiphilinus, alwaar hy wegens Sabinus,
en de oldaten, die naar Vitellius og
ten, verhalende chryft: Als zy by de
Germanen de lyf-trawanten van Vitellius
gekomen waren, o zyn ze op 't hoogt be
droeft zynde vertrokken. Naderhand is
den afval der Batavieren, ondert 't be
leid van Claudius Civilis gevolgt. Na
- I 4 dat
A

136 P. Cluverius van de


dat deen oorlog door den Veldheer

Cerialis by gelegt was, o oude ik


niet ligtelyk kunnen geloven, dat zy,
nademaal ze kort te voren oproerig
weet hadden , tot lyf-wagt van
Vepaianu aangenomen geweet Zyn.
Dat Domitianus, de oon van Vepaianus
deelve ontrent zig gehad # , kan
men enigints gien uit het punt
digt van artialis, 't welk tot opchrift
heeft: Het Germanich Mom-aangeigt:
(Apophoret 176.) -
Sum figuli luus , rufi perona Batavi,
gue tu derides, hat timet ora puer. *
Dat is: -

Ik ben een pel 2/4/4 672 pottenbakker, 672

een mom-aangeigt van een rochen Batavier;


Het aangeigt, daar gy om lagt, doet de
kinderen chrikken.
Dog dee giinge is geheel oneker.
Want dit Batavich mom - aangezigt
- * konde

* Anderen leen hier voor puer , pater. So dat


, als dan de zinoude zyn. Dat aangezigt, daar gy
om lagt, doet uw vader zidderen, en beven, als ky't
in den tryd tegen hen ziet. -
- -
Uitlopen van den Rhyn. 137
konde wel lang voor den tyd van Do
mitianus gebakken geweet zyn. Ook
is het niet-eker , of Martialis dee
punt-digten onder Domitianus, of wel
naderhand onder Nerva, of Trajanus ge
chreven heeft. Men vind nog een
ander punt-digt in t VI. B. aan nen
Rufus gechreven het welk men uit
enige verdere digten van dat boek aan
Domitianus toegechreven zien kan, dat
onder Domitianus gechreven is. Dat
punt-digt is dudanig, zynde het 82.:
Quidam me modo , Rufe , diligenter
Inpetium , velut emtor , aut lanita,
Cum vultu, digitoque ubnotaet,
Tune es, tune, ait, ille AMartialis,
Cujus nequitias , jocoque novit
Aurem qui modo non habet Batavam ?
Subri modic ; levique nutu
AMe, quem dixerat ee, non negaci.
Cur ergo , niquit , habes malas lacernas? ,
Repondi : quia um malus poeta. -

Hoc ne epius accidat poete,


Mittas, Rufe , mihi # lacernas.

Dat is: / .
7emant , o Rufus , my gantch naukeu.
rig doorgezien hebbende, als of hy een koop
- 7/3/4/2

*-
e

138 P. Cluwerius van de


man van laven, of chermers, geweet
had, na dat hy met zyn gezigt, en vin
ger al enig teken gegeven hadde, o zegt
hy : zyt ge , ja zytge niet die AMartialus,
wiens geile verskens, en makeryen bekend
zyn by al wie maar geen Batavich oor
heeft ? Ik heb daar op een weinig gegrijns
lagt, en met een kleine wenk niet ontkent
te zyn, dien hy gezegt had. Waarom hebtge
dan , zeide hy, a quade klederen aan 3
Ik antwoorde : Om dat ik een quaad pot
ben. Op dat zulx my, den pot, niet meer
overkome, o tuirt my , o Rufus , goede
klederen. -

De zeer geleerde , en beroemde


Heer Petrus Scriverius heeft my we
gens dit punt-digt, als ik over 't elve
bezig, en van dieelve gedagten was,
zeer geleerdelvk vermaant, dat de
meininge van Martialis dudanig was:
Dat zyne veren aan een jgelyk te Ro
me behaagden, behalven aan het Ba
tavich oor, dat is, aan de Batavieren,
die de wagt in het hof van Domitia
nus hielden. Want dee Germanen , .
uitheemche, ruwe menchen, en on
kundig in de wetenchappen zynde
hadden niet veel vermaak in het ho
rcn van de veren van Martialis. Die
x gene,

* . ' v
- w
Uitlopen van den Rhyn. 139
gene , dewelke het gemene woord
Batavam [ Batavich Juit het elve punt
digt uit geworpen, en het woordeken
everam [treng ] in deelfs plaats ge
telt hebben , tonen in der daad, dat
e ganch onkundig in alle oude hi
torien yn. * Domitianus heeft dan het
regiment der Batavieren tot yn lyf.
wagt gehad. Ook oude ik niet den.
ken, dat AVerva, of Trajanus het elve
vermaat hebben. Tacitus, dewelke ten
tyde van het twede burgemeeterchap
van Trajanus het boexken van Ger. . . .
mani bechreven heeft, van de Ba
tavieren prekende egt aldus : De eer
' en het kenteken van de oude bontgenoot
- chap
* Eramus in eker gechrift over dit Batavich
oor , te vinden in Batavia illutrata Petri Scriverii
(het vet heerlykt Batavie van de Heer P. Scriverius.)
chryvende werd uit liefde tot zyne lands-luiden
quaad tegens Martials. En dee paage of niet
vertaande , of niet vertaan willende vaart duda
nig uit : Zegtge , Martial, dat de Batavieren al
leen uwe aardigheden niet vertaan, zeker daar
was weinig aan gelegen, al was het, dat ze nie
mand las , nog vertond , o zeer zyne met de s
heuche, en kuiche manieren van preken try
dende. Dog Scriverius , en Cluwerius leggen die
plaats beter uit. En om de waarheid te zeggen,
wat wonder is het, dat een ongeleerd vremdeling
de kragt , en aardigheid van een hoogdravende
*,
uitheemche taal niet vertaat, ofte regt begrypt ?
-
- ----------- "- |

14o P. Cluverius van de


chap blyft nog overig. Want y werden door
geen chattingen geprengt nog van pagters
geplaagt als van arbeid en opbrengingen wy
fynde ; en alleen tot het gebruik der veld
lagen aan een kant gehouden, oo wordene
gelyk als geweer en wapenen tot de oorlo
gen bewaard. By gevolge dan yn e
ook onder de lyf-trawanten van Traja
nus geweet. Hadrianus in der daad
heeft de Bataviche ruyterye ontrept
ig gehad, als Xiphelinus in het kort
begrip van Dio getuigt, eggende: als
hy ( Hadrianus ) de oldaten aldus geoe
# had, o is het Paarde-Volk der Bata
vieren in volle wapenen over den Donauw
troom gerukt. Het welk gemerkt ynde,
o hebben de Barbaren ig odanig over de
Komeinen begonnen te verwonderen, en ver

-,
telt te taan, dat y wederyds tot malkan
deren gekeert ynde Hadrianus tot een cheid
man gebruikt hebben tot het byleggen der
verchillen, die y onder malkander had
den. Want hy vermaant, dat men na
mentlyk alo het woordeken Bastia, in
Bzwaar veranderen moet ter ooraak van
de komt van door de grootte en nelt lopende
rivieren, met volle wapenen aan, heen te
rukken , welke kont eendragtig van
alle de Schryvers de Batavieren toege
| - chreven
Uitlopen van den Rhyn. 141
chreven werd. De Batavieren wer,
den ook overal by Zozimus Bzzzie ( Bas
taoi ) genoemt. Hier uit moet men
niet twyffelen, of deelve zyn ook by
de volgende Kaizeren lyf-trawanten
eweet tot den Kaizer Severus toe.
# Severus deelve byzig gehad heeft,
blykt uit Die, dewelke onder 't gebied
van Severus ( want ulx blykt uit het
- #, 46 , en 55. B.) de Romeinche
itorie bechryvende, en de legioe
nen, dewelke toen ter tyd in ween
waren , te gelyk met het regiment
der Batavieren optellende in het 55.
B. aldus chryft: Hy (Augutus) heeft ,
deelve begonnen te gebruiken , als hy de
oude oldaten zyns vaders voor de twede
maal tegen Antonius opontbood; en hy heeft
ze in 't vervolg behouden ; ook zynze nu
nog een regiment, ryen in de hand , gelyk
als Capteinen, voerende. Van wien, en
wanneer zy die eer van ryen , of
tokskes, te dragen gekregen hebben,
is niet-ligt uit te leggen. Eenige oude
bychriften op tenen in vorige jaren
in het eiland der Batavieren gevonden,
waar van enige de tyden van Antoni-
nus , en Geta voordragen, getuigen,
dat ontrent deen tyd de eer van het
- - - - - gan
- - - ----- * TW :

141 P. Cluverius van de


ganche volk der Batavieren vermeer
dert geweet is. Want in dee bychrif.
ten werden y niet bondgenoten, als eer
tyds, maar broeders en vrienden van het
Roomch volk en ryk genoemd. Het
al niet buiten reden yn de afchriften
elve alhier by te voegen.
Afchrift van den eerten teen.
LEG, AV G. PR. PR. CV RANTE
CAE CH L. B-ATO E. P RA E.
GENS BATA V ORV M AMICI ET
FRATRES ROMANI I M PER II.
Afchrift van den tweden teen. w

G E N S
BATAvoRvM
AMICI ET FR AT RES
ROMANI IMPERII.

Afchrift van dan derden teen.


FoRTvN.AE. Av G. s A C.
PRO SA LVT
T E. ITV. AC

#
Uitlopen van den Rhyn. 143
- GETAE, NOBI LISS. CAES 7
C I V. BA TA V I : -
FRA T RES. ET A MIC I. P. R.
V. S. L. M. -

In welke tw eerte afchriften de


Batavieren vrienden, en broeders van het
Roomch Ryk, en in het derde, van het
Roomch volk genoemd werden.
Dog Antoninus Caracalla chynt na
den tyd van Severus de Bataviche lyf
trawanten van zig te hebben laten af
gaan. Want als hy (gelyk Herodianus
in het IV. B. verhaalt) aan den oever
van den Donauw lag, heeft hy alle de
Germanen aldaar by zig getrokken, ende
tot vrienden verenigt; odanig, dat hy uit
dee gyne medemakkers oorlogen, en tot
zyne lyf-trawanten de terkte, en choonte
uitgeleen heeft. Of iemand der Kaize
ren naderhand de Batavieren tot yf.
# heeft kan men niet lig
telyk aantonen. Dat deelve egter in
de # tyden den kryg gevolgt heb
ben, blykt genoeg. De woorden van
futus Lipius in zyne aantekeningen
op het XIII Jaarboek van Tacitus zyn
dee: 7a elf uitheemche koningen hebben
haar leven aan deelve betrouwt.
-
Ik #
ook
-
.
- mm.
- - en

144 P. Cluverius van de


ook van Herodes van 7udea, dat hy onder
zyne trawanten Germanen gehad heeft. Aan
de kant chryft hy daar by: By Voephus
in het XVII. B. Maar my dunkt, dat
die zeer geleerde man hier ingedwaalt
heeft. De woorden van #oephus den
Iyk-uit-vaart van den Coning Herodes
in het 17. B. 1o. H. bechryvende zyn
dudanig : Na dee volgden de oldaten,
door de oorten der natien verdeeld ; voor
eert de lif-trawanten; Na dee de Thra
cirs; daar na de Germanen ; eu nader-
hand de Gallen , alle gelyk als ten tryde -

uitgerut. Dat dee Germanen niet onder


de Jyf-wagt behoort hebben, kan men
opentlyk genoeg zien uit de woorden:
Na dee, dewelke na de lyf-wagt vol
gen , en de laatte van de eerte uit
drukkelyk afcheiden. Dog dit is twyf
felagtig, of die Germanen Batavieren
# zyn, of wel enige andere van |
de Germanen, die aan dees zyde des
Rhyns zyn, 't zy Tribocen, Nemeten,
Vangionen, Treviren, Nervien, Tun
gren , Sunicen , Gugergen , Mena
pirs , Toxanden , of Bethain.

I Aaft
Uitlopen van den Rhyn. 145
Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofdtuk
- Pontanu jegens dit Hoofd-tuk, en de
volgende niet in te brengen hebbende hond
hier ook op met zyn tegenchryven. De
toffe meer hitorich, als Geographich zyn
de zal ik my mede niet wyders inlaten, ten
ware in 't vertalen nog iet te binnenchoot. ,

xx. HooFD-sTUK.
Van den krygs-dient, en oor
T - logs dapperheid der Bata
: vieren onderden Kaier Au
gutus, en de overige Kai
26/'07/2,
n - w * ' , -- .

#n, erD:#
ook andere Germaanche Batavieren,
n: behalven de lyf-trawanten, in de le
4 gers der provincien geweet zyn. Tacis
tus in 't IV. B. der Hitor van de oor- .
pronk, woonplaats, en #
der Batavieren prekende chryft aldus:
Lang geoefend in de Germaniche oorlogen,
e II. Dl. K - de
146 P. Cluverius van de
en kort naderhand haar glorie door Britan
ni vermeerdert hebbende , dewylze daar
henen regementen overgeonden hadden, de
welke volgens een oude intelling door de
edelte der lands-luiden geregeert wierden.
Uit het woordeken lang kan men baar
blykelyk genoeg afnemen, dat ze aan
tonds in het begin van de regeringe
van Augutus in het Germanich leger
gedient hebben ten tyde, als M. Agrippa
de Ubin over den Rhyn liet trekken.
Naderhand ook onder de broeders Dru
us , en Tiberius , ten tyde als zy Ger
mani tuchen den Rhyn, en de Elbe
bevredigden. De grote dapperheid,
, en # van enen Germaan , die on
etwyffeld een Batavier geweet is,
eeft het einde van den Dalmatichen
oorlog gemaakt, denwelken die elve
broeders onder den Kaizer Augutus ge
voert hebben. Want als Germanicus
een terke tad der Dalmaten beleger
de, en deelve niet bemagtigen kon- -

de, o heeft, gelyk Dio in het LV. B.


chryft, een ruiter met name Pulio , een
Germaan van natie, een teen tegen den
mair geworpen hebbende, een voor-toren van
defelve odanig doen chudden, dat ze aan
fonts met een man, die daar op tont, ter
5. - meder
Uitlopen van den Rhyt. 147
neder gevallen is. Dit heeft de overige a
danigen chrik aangejaagt, dat zy, de mui
ren verlaten hebbende , zig in 't kateel be-
geven, en zig met het zelve naderhand
overgegeven hebben. Na 't overgeven van
dee tad , o heeft Bato verogt we
gens de vrede een amengeprek te hou
den; en met Tiberius dewegens ge
handelt hebbende is den oorlog ter ne
dergelegt. Ten tyde van de regeringe
van Tiberius zyn er Batavieren in het
Germanich leger des Kaizers geweet,
als hy tegen de Cherucen ( die van
Brunwyk, Zel, &c.) over de Wezer
in aantogt was, gelyk als Tacitus in het
twede Jaarboek met dee woorden ge
tuigt : Cear niet Veldheerlyk agtende de
legioenen in gevaar te tellen onder bruggen
te laan, en wagten daar by te tellen, laat
de ruiterye langs een droogte over de rivier
gaan. Daar over hadden 't gebied Stertinius,
en eAEmilius een uit het getal der eerte pyl
dragers, op 't wyd van een zynde plaate
aanvallende, omden vyand van malkander
te preiden. Daar de rivier het nelte loopt,
is Cariovalda Veld-heer der Batavieren uit
gevallen. Den elven hebben de Cheruten
veinzende te vlugten in een vlakte met bo:
chen omheimt s": ; , 2,
Daarna chieljk
tj
148 P. Cluverius van de
te zamen komende, en van alle kanten uit,
pringende toten zy op de wedertaande, en
vervolgende de wykende ; en als dee zig in
een rondte by een veramelden , o zyn ze
door een gedeelte vegtenderhand, en door een
gedeelte van verre in wan-ordre gebragt.
Cariovalda, 's wyands woeden lang uitge
taan hebbende, en de zyne vermanende,
date met een digt in een gedrongen hoop
de aanvallende troepen der vyanden van een
cheuren ouden, en hy elve op de meet in
een gedronge invallende is door het over
groot getal der pylen, en na het doortoten
van zyn paard, ter aarde nedergevallen,
- gelyk ook vele edelen rond om hem te beurt
viel. De overige zyn of door eige kragten,
of door de ruiterye, dewelke met Stertinius,
en eAEmilius te hulp quam , uit het gevaar
gereddet. Ook is het ontwyffelbaar,
dat er Batavieren in het leger van Cajus
Caligula geweet zyn, als hy den drift
van de Germaniche veld-togt had, en
naar Britanni over wilde ; nademaal
hy het eiland elve der Batavieren in
getrokken is. Kort daar na, zegt Taci
tus, is hare glorie door Britanni vermeer
derd, dewyl er regimenten van haar daar
heen overgeonden waren. 'Telve is ge
chied door den Kaizer Claudius, gelyk
- Dia
Uitlopen van den Rhyn. 149
Dio in het LX. B. getuigt: Aulus Plau
tus , zegt hy , een van den Roomchen
# zynde , en een zeer vermaard man,
eeft het leger naar Britanni overgevoert,
deuyl Bericus, die door een oproer uit het
eiland verdreven was, den Kaizer Claudius
daar toe bewoog. En kort naderhand
zegt hy: Na dat zy tot aan ekere rivier
toe voortgetrokken waren, denwelken de uit
heemche (Britannen ) geloofden, dat de
Romeinen onder brug niet overtrekken kon
den, o hielden zy op den over oever haar
leger-plaats ander veel orgs te dragen.
Derhalven heeft Plautius de Germanen uit
geonden, als dewelke gewoon waren elf de
nelt-lopende rivieren in volle wapenen over
te wemmen. Dee op den vyand, die hier
gantch niet op bedagt was , aanvallende
hebben niemand van de mannen gewont,
guetende alleen maar de paarden, dewelke
de wagenen voorttrokken. Dee in wanorde
gebragt zynde, waren die gene , dewelke
op deelveaten, van zigelve geen meeters.
Daar na heeft hy Fl. Vepaianus ( die na
derhand Kaizer geweet is) en deelfs broe
der, den Veldheer Sabinus, geonden. Dee
de rivier ook overgetrokken zynde hebben eer
vele barbaren op 't onvoorient omgebragt.
De overige zyn daarom egter niet op de vlugt.
K
- 3 geto
15o P. Cluverius van de
getogen; Maar zy hebben des anderendaags
een veld-lag gelagen, met gelyke wient,
tot dat C. Sidius Geta, na dat hy by na in
der vyanden magt had moeten vallen, haar
odanig overwonnen heeft, dat hem uit die
reden triumph-eren, alhoewel hy geen Bor
germeeter geweet had, gegeven zyn. Van
daar hebben de barbaren zig by de rivier den
Teems , daar deelve in den Ocean loopt,
en door het waend Z-water overloopt,
begeven , en zyn met gemak over deelve
getrokken, als kennie hebbende van de
plaaten, die een vate grond hadden, en
doorwaadbaar waren. Als de Romeinen
haar op de hielen volgden , o hebben ze
groot gevaar gelopen. Als de Germanen
naderhand weder overgewommen, en enige
ook hoger de rivier op over een brug over
gekomen , en de barbaren van alle kanten
bezettende waren , o hebben zy een grote
nederlaag onder deelve verooraakt. Dog
als zy al te onvoorigtig de overige vervolg
den,o zynij in ontoegankelyke moeraen ver
vallen, en hebben vele van de hare verloren.
So dat de dapperheid van de Germaan
che Batavieren overal een groot gewigt
tot de overwinninge geweet is. Als
P. Otorius Scapula in het negende jaar
daar na onder de regeringe van den
even
k
w

Uitlopen van den Rijn, 15,


elven Kaizer Claudius de wederpan
-,

nige Britannen weder tot gedientig


heid bragt , chryft Tacitus aldus daar
van in het XII. Jaarboek : Hy bewut
zynde, dat de eerte uitlag vrees, of ver
trouwen verooraakt, rukt met de nelle re
gimenten voort, en na 't verlaan van de
gene, die wedertand boden, en de verprei
de agtervolgt hebbende, op dat e niet weder
te amen rotten ouden, en een chadelyke,
en ontrouwe vrede den veldheer nog oldaten
rut laten oude, o tragte hy de wapenen
van de verdagte af te nemen , en deelve
met zyn legerplaeten * tuchen de rivieren
Antona, en Sabrina omcingeld hebbende te
bedwingen. 'Twelk eert de 7cenen gewei
gert hebben, een magtig volk , nogte door
tryden gekneut, om dat zy gewillig met
ons in bondgenootchap getreden waren. En
de hebben d'omleggende volken, op raad van
dee , een plaats tot den lag gekoren, die
met een boerchen dyk omheint was, en men
nauwen toegang # , op dat de ruiterye
K 4 daar
* Heb dee plaats alo vertaalt, omdat ze ander
ints onvertaanbaer is. Ende futus Lipius daar op
in zyne aantekeningen , mitgaders Theodorus
Rykius naziende bevinde, dat zy mede van gedag
ten zyn, dat ze niet volkomen is. Wehalven my
aan den gemenen text, en vertalingen gantch niet
- tore.
/
152 P. Cluverius van de
daar niet door oude kunnen komen. De
Romeinche Veldheer betaat die vetingen,
alhoewel hy de troepender bondgenoten onder
de kragt der legioenen aanvoerde, te door
breken, en de regimenten verdeelt hebbende,
o telt hy de ruiterye ook aan 't werk. Toen
braken zy na 't gegeven zein den dyk door,
en vertoren de vyanden, die in hare bezet
tingen belemmerd waren. Het is te ge-
loven, dat onder dee hulptroepen ook
regimenten der Batavieren geweet zyn.
Want hier na zal blyken, dat de Bata
vieren tot den tyd van Vepaianus toe
onder de Britanniche hulp benden ge
weet zyn. - ' -

Ten tyde van de regering van Nero,


als Domitius Corbulo in Ai oorloogde,
zegt Tacitus in het XIII Jaarboek:
Ook heef men door Galati, en Cappadoci
volk opgeogt. Hier by is nog een legioen uit
Germani gevoegt , met vleugels van rui
terye , en regimenten voet-volk. Buiten
twyffel van Germaanche Batavieren,
welkers dapperheid door zeer vele on
dervindingen bekend was. Die Schry
ver zegt kort naderhand : Corbulo telt
de regimenten der bondgenoten, en de hulp-
troepen der Coningen aan de vleugels, en
het ede legioen in het midden. In het
XIV.
ve
/

Uitlopen van den Rhyn. 153


XIV. Jaarboek als Corbulo op bevel van
Nero Tigranes tot Coning van Armeni
aantelt, zegt deelve Schryver : Men
heeft hem ook een bezettinge gegeven voor
eert van duiend mannen uit de legioenen,
en drie regimenten der hulp-benden, mitga
ders nog twe vleugelen ruiterye. In het
XIII. Jaarboek, als een gedeelte der
Frieen enige ledige akkers, die tot ge
Abruik der oldaten afgeonderd waren, in
bezit genomen hadden , o heeft Nero ge
boden, dat zy die akkers verlaten ouden.
En dee dit bevel veragtende , o heeft de
hulp ruiterye, die daar chielyk heen geon
den was, haar daar toe genootaakt , met
het gevangen nemen, en verlaan van de
gene, dewelke al te hertnekkig zig daar te
gen kanteden. Die hulp-ruiterye is niet
als van Batavieren geweet, als dewelke
daar naat by waren. Want one Schry
ver zegt in het IV. B. der Hitorien:
Ook was er uitgelee ruiterye te huis, die zig
voornamentlyk beyverde om met volle wa
penen te paard al wemmende over den Rhyn
te rukken. Hier ontrent is nergens een
brug over den Rhyn; en nogtans is de
ruiterye chielyk overgetuirt. In het XIV.
Jaarboek, mede ten tyde van Nero,
als Suetonius Paulinus in Britanje oor
K 5 logde,
-

154 P. Cluverius van de


logde , zegt Tacitus : dat hy het eiland
Mona ( 't werd nu Angleey genoemd
leggende tuchen Groot Britanje, en
Ierland ) zynde magtig van inwoonders,
en een onthoud-plaats van overlopers, trag
tede aan te taten, dat men hier toe plat
boomde chepen boude tegen de ondiepe, en
onzekere trand. Alo is het voet-volk over
ezet. De ruiterye is over de ondiepte ge
volgt, of daar het dieper was met de paar
den overgewommen. De komt van wem
men maakt genoegaam bekend, dat
het Batavieren geweet zyn. Kort voor
de dood van Nero, als de Gallin onder
't gelei van Julius Vindex wederpan
nig waren, heeft Verginius Rufus de
Batavieren ook tegen de wederpannige
in zyn leger aangevoert. Daarom zegt
Civilis, de Batavier, by Tacitus in het
IV. B. zyner Hitorien, als hy den
afval aanraad : Dat ze niet moeten denken
aan de krygs-troepen van Vindex ; dat door
de Bataviche ruiterye de eAEdun, en Ar
vernen vertrapt waren ; dat onder de hulp
troepen van Virginius Belgiche hulp-benden
geweet hadden , en dat, indien men alles
naar waarheid overdagt, Galli door haar
eige kragten vervallen was. Hier voegde hy
by , o er enige krygs-pligt in der Romeinen
legers
Uitlopen van den Rhyn. 155
legers in wang gegaan had, dat hy oude
regimenten by hem had, die de legioenen van
Otho onlangs verlagen hadden. Welke
woorden ik ommige zie verdraeien we
gens de Edun, en Arvernen ontrent
de gechiedenien van J. Caear, als hy
Noviodunum een tad in Berry beleger
de. Maar men had behoren aan te merken,
dat Civilis, die een uitheemche was, by
, zyne uitheemche lands-luiden alo ge
proken heeft;dewelke gene Jaarboeken,
nog gedenkchriften hadden, waar uitzy
kennie van aken ontrent voor 125.ja
ren voorgevallen krygen mogten Het is
eker, dat Civilis van de laatte weder
pannigheid van Vindex preekt, in wel
ke uit het eerte boek der Hitorien van
Tacitus blijkt, dat de Edun , Sequa
nen, en Arvernen geweet zyn. Want
van het leger , 't welk Vindex over-,
wonnen had, prekende chryft hy al
dus : De Germaniche legers, 't welk het
gevaarlykte in o grote kragten is, waren
bekommerd, en vergramd door de hoogmoed
van de verche overwinninge, en door vree,
als of ze voor de andere partye geweet wa
ren. En naderhand van de elve pre
kende zegt hy : Derhalven waren zy op
de Sequanen, en Edien , en vervolgens,
Z2/247
-
- -

-
156 P. Cluverius van de
maar dat de bondgenootchappen rykdom had-
den vertoord. Het woord rykdom toont
niet duiter aan, dat de Arvernen al
hier onder de andere bondgenootchap
pen vertaan werden. Want o er enige
geweet is, o was het bondgenootchap
der Arvernen groot, ryk, en magtig. .
Dit laatte heeft Civilis dan niet te ken
nen willen geven, maar hy heeft haar
in gedagten gebragt, dat er onder de
hulp-troepen van #
tegen den
# Vindex ook Belgen
geweet zyn, van welke de Batavieren
de dapperte geweet zynde hare vijan
den de Edun, en Arvernen, waar uit
het leger van Vindex betont , door
hare dapperheid verlagen, en verjaagt
hadden. En nademaal nu de Batavie
ren, Belgen zynde, de wapenen te-
gen de Romeinen opvatteden , dat
alle de Belgen 't elve ook behoorden
te doen, en dat ze dan alle te gelyk
voor de algemeine vrjiheid trijden
ouden. Wyders waren dee Batavie
ren die elve, dewelke onder Paulinus
Suetonius in Britanni gedient hadden,
als hulp-benden van het XIV. legioen,
en dewelke naderhand door Nero te
gelyk met het XIV. legioen uittannie
--
Bri
w

- -

- * * - - - t
w -

Uitlopen van den Rhyn. 157


tanni tegen 7ulius Vindex op ontboden
Waren, gelyk uit het IV. B. der Hito.
rien van Tacitus blykt, alwaar hy zegt:
dat het Vitellius bevel geweet was, dat
gy weder naar Britanni geonden wierden
( na de lag van Bedriacum) van waar
34 door Nero opontboden geweet waren.
Uit het aangehaalde blykt ook genoeg,
dat de Bataviche Regimenten onder
de Germaniche hulp-benden elf in
het leger van Vitelliu, 't welk hy uit
Galli naar Itali tegen Gala aange
voert heeft, geweet zyn. Naderhand
zegt Tacitus in het eerte B. der Hit:
59. Hoofd-tuk: Daar waren in het bond
gegootchap der Lingonen ( na het verlaan
van Vindex ) VIII. Regimenten van Ba.
tavieren, hulp-troepen van het XIV le
gioen , zig als toen door de twedragt der
tyden van het legioen afgecheiden hebbende,
zynde van grote aangelegentheid, ofze voor,
of tegen waren. En kort daar na de reis
van het leger onder Vitellius uit Galli
naar Itali bechryvende zegt hy: Het
bondgenootchap der Lingonen was naat
by , het welk aan de partye getrouw was.
Dee goedertierlyk ontfangen zynde treden
met zedigheid daar tegen. Dog 't was een
korte blydchap uit ooraak van de "#
CA
-

--
158 P. Cluverius van de
heid der regimenten, dewelke van het XIV.
legioen, als boven gezegt, afgeweken zynde
Fabius Valens b7 zyn leger gevoegt had.
Eert quamer gekyf, en kort daar op gevegt
tuchen de Batavieren, en die van de le
gioenen voor te vallen. Dewyl de genegent
heid der oldaten zig by de ene, of andere
voegde, waren zy by na tot een veld-lag
uit geborten; ten ware Valens met het traf
# van enige weinige de Batavieren, aan
et opperbevel, dat zy nu al vergeten had
den, gedagtig gemaakt had. Dat de Ba
tavieren ook in den lag, dewelke de
Vitellianen tot haren nadeel tegen de
Othonianen op het trand van Ligurien -
(dat gedeelte van Itali aan de Midde
landche zee, daar nu Genua, en Livorno
is) ontrent Albium Intemelium gelagen
hebben, geweet zyn , kan men zien
uit dee woorden van Tacitus in het
twede B. der Hit : Twaalf equadrons.
ruiteren, en uitgeogte uit de regimenten zyn
op den vyand los gegaan. Te weten door
bevel van den Veldheer Valens. In
dien ze uitgeogte geweet zyn, o zyn
die waarlyk gene andere , als Bata
vieren geweet, dewelke de voornaamte
van alle de Germanen aan dees zyde
des Rhyns ( ten opigte van Galli ) 472
Uitlopen van den Rhyn. 159
krygs-dapperheid
in van zeer grote aan
, en
gelegentheid, naar welke zyde zy helden,
en voor of tegen waren. Dog Fabius had
VI 1 I. regimenten der Batavieren, dewel.
ke van het veertiende legioen afgecheiden
waren , by zyn leger gevoegt, Tacitus
chryft in Het eerte B. der Hit: aldus:
De Germaniche vendelen wankelden lang,
dewyl ze nog wak van lighaam, en ver
zagt in gemoederen waren, om dat ze door
Nero voor af naar Alexandri gezonden,
en van daar door het lang varen ziek we
dergekeert zynde o veel te zorgvuldiger
door Galba gekoeterd wierden. Van de
elve preekt hy naderhand in het elve
B. 7o Hoofdt, in deer voege : Cecina,
weinig dagen in Helvetien getoeft hebbende,
tot dat hy kundchap van de meininge van
Vitellius krege, en zig te gelyk gereed ma
kende, om over de Alpen te trekken, ont
fangt de blyde tyding uit Italien, dat de
Syllaner vleugel, die zig omtrent de Po op
hield tot den eed van Vitellius overgekomen
was. De Syllanen hadden Vitellius in
Africa tot Voorborgermeeters gehad , kort
naderhand door # opontboden, om voor
af naar eAEgypten geonden te werden, en
uit ooraak van den oorlog van Vindex te
rug gehouden, en toen ter tyd in Itali bly
- wende,
1
*&o P. Cluverius van de
vende, door optekinge der Honderdmans
men , die van Otho niet witen, en aan
Vitellius verpligt, de kragt der aankomende
legioenen , en 't groot gerugt van 't Ger
manich leger verheften , zyn in de partye
overgegaan , en hebben de vate ampt-ma
tige teden van de Overpadaanche
landdouwe, als Milaan, Novare, Epo
redi, en Vercelles, als een ekere gift den
nieuwen Vort bygevoegt. Dit heeft Cecina
uit hun elve vernomen. En om dat dat
zeer brede deel van Itali door de beettinge
van ne vleugel niet bechermt konde wer
/ den , o heeft Cacina de regimenten der
Gallen , Luitanen , en Britannen, mit
gaders de vendels der Germanen voor af
geonden. Dat er ook Batavieren onder
dee geweet zyn, toont die Schryver
in het twde B. der Hit : aan, daar
hy zegt : De meet-bloeiende zyde van
Itali, o veel velds en teden, als er
tuchen de Po , en de Alpen legt , wierd
door de wapenen van Vitellius ( want de
regimenten door Cecina voor afgeonden
waren ook al aangekomen ) ingehouden.
Een regiment der Pannonirs viel in hunne
handen, en tuchen Placenti (Piacenza)
en Ticinum ( Pavie) wierden honderd ol
daten, en duiend cheeps-mannen onder
- . r. T. chept.
|
-
Uitlopen van den Rhyn. 16r
chept. Door welke voorpoed de Vitelli
anche oldaten nu nog door troom, nog oe
vers gekeert konden werden. Daarenboven
wierden de Batavieren , en Overrhynche
door de Po elve gaande gemaakt ; Den
welken zy regt over Piacenza overgetogen
zynde, na het wegrukken van enige ver
pieders, hebben de overige odanigen chrik
aangejaagt , dat ze gantch ontteld , en
mileid tydinge aan de hare bragten , dat
het gantch heir van Cacina daar al was.
Naderhand is er in het Fabiaanch le
ger een waar oproer ontrent Pavye
door de Batavieren onttaan, #
ik dientig agte met deelve woorden,
als ze door Tacitus in het clve boek
bechreven is, alhier by te voegen,
om dat in deelve vele aken tot lof
en glorie van de oorlogs-dapperheid
der Batavieren gevonden werden. Hy
zegt dan: De regimenten der Batavieren,
dewelke ik boven verhaalt heb, dat ten tyde
des oorlogs van Nero van het veertiende
legioen afgecheide waren, als ze naar Bri
tannie trokken , en na het vertaan van de
beweginge van Vitellius, in het bondgenoot
chap der Lingonen ( Langres) by Fabius
Valens zig gevoegt hadden, gedroegen zig
trotzelyk, als ze by de tenten van jder le
II. Deel. L gioen
162 P. Claverius van de
gioen quamen , ivetzende, dat door haar
het volk van het XY V. legioen getemd,
Italie uit Nero's handen gerukt, en het
gantche fortuin des oorlogs in hare handen
betaande was. Dit was chandelyk voor
de oldaten, en hart voor den Veld-heer
om te horen, zynde de *# door kyven,
en krakkeel tenemaal bedorven. Eindelyk
begon Valens vermoeden te krygen, dat uit
dee brood-dronkenheid wel een trouwloo
heid oude kunnen komen te pruiteu. We
halven na het bekomen van de tydinge, dat
de vleugel der Treviren verjaagt, de Tun
gren door Othos vloot verlagen, en dat het
Narbonnener Galli omringt wierd, o be
veelt hy , te gelyk uit orge om zyne bond
genoten te bechermen, als uit krygs-lit,
een gedeelte der Batavieren hen te hulp te
trekken. Het welk vertaan, ende rugtbaar
geworden zynde, begonnen hunne met ge
zellen te treuren, en de legioenen te knorren
, dat ze van de hulp en bytand van de
,,aller dapperte mannen ontbloot wier
, den , dat die oude krygs-luiden, die
,,in o vele oorlogen overwinners ge
,,weet hadden, gelyk als uit den lag
,, weg geleid wierden , na dat den
Vyand nu al in 't gezigt was. 7ndien
aan de Narbonnener province meer gelegen
74'45
Uitlopen van den Rhyn. 163
2" , als aan Romen, en de weltand van
het Kaizerrijk, dat zy alle ook daar henen
volgen ouden; ,, dan indien de weltant 2

teun, en zuil van de overwinninge


,,in Italie lag, dat men dan de aller
terkte leden niet gelyk als van haar
lighaam , moet afcheuren. Als Xy
dit forelyk voorgaven , en Valens , door
het openden van zyne lyf-trawanten , de
muiterye begonde te bedwingen, o vallen zy
p hem aan, werpende met tenen, en ver
volgen hem op zyn vlugt, roepende , dat
hy den roof der Gallien, en het goud der
Vienneners, (aan de rivier de Rhome)
den loon van al haar arbeid, agter de hand
hield, en na het wegrucken van de bagage
o dooroeken y de tenten van den Veld-heer,
als ook de aarde elfs met pietzen en pie
ken. Want Valens had ig in een kleed van
een laaf by een bevelhebber der ruiterye ver
borgen. Als toengaf Alphenus Varusynde
legermeeter , als den oproer allengskens
tilde , raad, verbiedende de Kollonellen
de ronde te doen met klank der trompetten
zwaar door de oldaten tot haar krygs-pligt
opgewekt werden. Derhalven vogten y alle
aan 't uffen, ienden malkanderen met ver
zonderinge aan ; en elf daarom vreende,
dat e van nimand betiert wierden, oo
2. t/gy's

s
"

164 P. Cluverius van de |


verogten y vergiffenis met tiluygen, lyda
aamheid, en eindelyk met beden en tranen.
Dog na dat Valens ongedaan 671 7% et tra/16,74

in zyn ogen, en buiten hoop behouden voor


den dag quam, o ag men niet als vreugde,
erbermenu en genegentheid. Want verbleid
fynde (gelyk de gemene man aan weerskan
ten onmagtig is ) droegen e hem met lof
en geluk-weninge en van tanderts en ven
delen omringt weder op yn Veld-heers regt
toel. Hy, volgens een nutte agtinnigheid,
nam van niemand traf , en om door het
ontveinen niet te verdagter te chynen heeft
'er enige wynige bechuldigt , als wel we
tende, dat in burgerlyke oorlogen de oldaten
meer als de Veld-heren, geoorloft is. Ook
is er een lagby't elve Ticinum (Pavye)
gechiet, waar van die # in het
twede Boek der Hitorien aldus zegt:
En midden in de rivier was een eiland,
waar henen de chermers met chepen trag
zende te geraken door de Germanen al wem
mende voor hy gelipt wierden. En als er
by geval al een goed getal voorby geraakt
was, o heeeft Macer enige chuiten met
de gewindte chermers vervuld, en deelve
aangerant. Dog chermers hebben o grote
tandvatigheid tot een veldlag niet, als
wel oldaten hebben; ook kende zy al wag
gelende
*
Uitlopen van den Rhyn. 165
gelende uit de chepeno ekere avonden niet
toebrengen, als die gene, dewelke vat op
haar benen, en den oever tonden. En als
de neigingen der beteuterde vercheide, en
de roeiers, en voorvegters door malkander
vermengd , en verbyterd wierden, zo zyn
de Germanen van elve in de ondiepten af
geprongen, houdende de chepen vat, en
in de gang-borden opklimmende, of deelve
van na by onderdompelende; Het welk alles
in 't gezigt van beide de legers gechieden
de , hoe 't elve de Vitellianen aangenamer
was, o veel te meer vervloekten de Otho
nianen dien bevelhebber , dewelke ooraak
van de nederlaag was. (Macer.) En dit
gevegt raakte na 't afrukken van de overi
ge chepen door de vlugt gecheiden. Hier
om , als by Bedriacum tuchen de
Vitellianen , en Othonianen in den
laatten lag lang, en hevig gevogten
was, chryft Plutarchus in Otho aldus:
Tegen de chermers , die door ervaarnis,
en moedigheid voornaam tot den tryd ge
houden wierden, heeft Varus Alphenus de
Batavieren aangevoert. Dee zynde uit
muntendte van de Germaanche ruiteren,
bewonende een eiland des Rhyns. Tegen
deelve hebben weinige van de chermers
tand gehouden; ": haar grootte gedeelte
44f
166 P. Cluverius van de
is in de vlugt tot de rivier toe gejaagt, en
in der vyanden regimenten, die aldaar ge
plaatt waren, vervallen , door welke zy
al vegtende tot den laatten man omgeko
men zyn. Van dien elven lag chryft
Tacitus in het twede boek der Hito
rien met dee woorden : Hier by quans
een nieuwe hulp door Varus Alphenus met
de Batavieren, die de bende der chermers
verlagen hadden, en met chepen zig over
de rivier gezet hebbende door de regimen
ten , dewelke in de rivier elve (de Po)
tegen haar tonden, ter neder gemaakt wa
ren. Alo zyn de overwinnaars in de zyde
der vyanden ingevallen. En de midden le
ger-verdeling ( corps de Bataille ) door
broken zynde, vloden de Othonianen aan
alle kanten haar weg naar Bedriacum ne
mende. Dat was een zeer groot rak, zynde
de wegen door de verlagene lyken vertopt,
zwaar door de nederlaag, enlagtinge te groter
wierd. Alo is eindelyk door der Ba
tavieren dapperheid de overwinning
by Vitellius, en door die zege het
Keizerryk verkregen. Na de lag van
Bedriacum verhaalt Tacitus naderhand
in 't elve Boek dat men goed vond de
Othoniaanche krygs-knegten weder
nadr Britanje te verenden , en dat midde
lerwylen
Uitlopen van den Rhyn. 167
lerwylen de regimenten der Batavieren te
amen vertrekken ouden om de oude tw
palt tegen die van het veertiende legioen.
En in o grote haat der gewapende is niet
lang rut geweet. Als een Batavier tot
Turin eker werk-baas , als een bedrieger,
vervolgde, en een van het legioen denel
ven , als zyn huiwaard, voortond, o
zyn elx mede-pits broders by een gerot zyn
de van cheld-woorden tot doodlaan over
gegaan , en daar oude een vinnig gevegt,
onttaan geweet zyn , ten ware tw hof.
regimenten de zyde van die van het legioen
aangenomen hebbende in die van 't legioen
een vertrouwen, en in de Batavieren vrees
verooraakt hadden. Dee laatte dan heeft
Vitellius, als hem getrouw zynde, by zyne
troepen doen voegen, bevelende het legioen
over de Griekche Alpen langs o een om
trek van weg te trekken, om Vienne (aan
den Rhofne) te ontgaan. En kort na
derhand: De regimenten der Batavieren,
op dat ze niet iet bloedigs onder taan mog
ten , zyn weder naar Germani geonden ,
als zynde genoeg voor diegene, dewelke een
begin o wel van een binnenlandchen , als
buitenlandchen oorlogouden willen maken.
So groot was namentlyk de dapperheid
der Batavieren, en odanigen chrik
L4 had
168 P. Cluverius van de S.

hadden zy er onder. Als Vitellius na


derhand zyn leger by een trok tegen
de Veld-heren van Vepaianus , o
zegt Tacitus daar na : Hy heeft egter de
hulp-troepen uit Germanie , Britanje , en
de Hipanien op ontboden, loffig, en zyne
nootakelykheid ont veinende. Op deelve . .
manier waren de Land-voogden , en pro
vincien ook marrende. Hordeonius Flauws
was, dewyl de Batavieren nu al verdagt
waren , angtvallig in zyn eigen oorlog.
Om dat door bevel (gelyk Tacitus in het
1V. B. der Hit: chryft) van Vitellius
de jongemanchap der Batavieren tot uitle
inge by een geropen wierd. En hy uyt zyn
eigen aard (waarmoedig zynde wierd door
zyne bediende nog meer bewaart door der
elvergierigheid, en overdaad, dewyl zy
oude , of tot den oorlog onmagtige luiden
aannamen, om ze voor geld weder te laten
gaan. Daarentegen wierden jongelingen be
meden de XVIII jaren, maar choon van
gedaante ( want de meete zyn in haar
jongheid kloek) tot onkuisheid vervoert.
Hier uit proot een nyd; en de opgetemde
bel-hamels van den oproer hebben het o
verre gebragt , dat die uitleing van jonge
manchap afgelagen is. Civilis de voor- -
naamfle van het volk, en wakkerte van
Uitlopen van den Rhyn. 169
de gemeente in een heilig boch onder chyn
van een gatery by een geropen hebbende, en
ziende, dat ze door de nagt en vreugde nu
al verhit waren, begint tot haar te pre
ken zyn aanvang nemende van den lof, en
luiter van het volk, en telt hen te gelyk
op de verongelykingen, roveryen, en de an
dere qualen van dientbaarheid : En raad
hen alo den afval aan. Na dat hy de
Caninefaten, aan zyn zyde getrokken
had, o heeft hy aantonts de Britanniche
hulp-benden door bedekte boden overgelokt,
als ook de regimenten der Batavieren, die,
als boven gezegt, naar Germani geonden
waren, en zag toen ter tyd te A4agontiacam
ophielden. Naderhand, de Frien op
ontboden hebbende, heeft Brinio de
Veldoverte der Caninefaten twee le
gerplaaten der Romynen gelegen in
het eiland der Batavieren aan den oever
des Rhyns ingenomen en geplondert.
Daar op heeft Civilis de hooft Veld
heer des oorlogs in het eiland elve
een veldlag gelagen, en als het regi
ment der Tungeren tot hem overge
vallen was, o yn de regimenten der
Romynen # Ook is een vloot
van XXIV chepen ten dele geno
men , en ten dele overgekomen. Een
L 5 ge
-

17o P. Cluverius van de | |


gedeelte, egt Tacitus, der roeiers belet
teden , gelyk als uit onkunde, de pligten
, van 't bootvolk , en krygslieden. Kort na
derhand telden zy ig tegens hen aan, en
etteden de agtertevens tegens den vyand
lrken wal aan ; en eindelyk loegen y de
Schippers en Capiteinen, die met haar niet
eens wilden yn, dood, tot dat de gantche
vloot van XXIV chepen of overquam, of
genomen wierd. Hier uit tond Civilis
naar het gebied der Gallien. En egter
raad hy de Gallen aan hunne vryheid
te handhaven. De vleugel der Bata
vieren valt van den Land-regent Mum
mius Lupercus tot Civilis over. Dee
laat een voordelige lag tegens Luper-
cus by Vetera. De Bevelhebber van
de vleugel der Batavieren, Cl. Labeo
enoemd, gevangen zynde, op dat hy
gedood werdende geen haat br zyne lands
luiden , nog vatgehouden geen aad van
tw-palt verooraken oude, werd naar de
Frien vervoerd. Ontrent deelve tyd quam
een bode door Civilis afgeonden by de re
gimenten der Batavieren, en Caninefaten,
terwyl zy op bevel van Vitellius naar Roman
trokken. ## willen zig by Civilis
voegen. En als ze te Bon quamen,
wierd hen de overtogt belet. Drie dui
end
Uitlopen van den Rhyn. 171
fend van die der legioenen, en enige chie
lyk by een geraapte regimenten der Belgen,
als ook van uitheemche, en oetelaars,
dog een hoop, die tout was, eer het gevaar
voor handen was, vallen uit alle de poorten
uit, om de Batavieren minder in getal zyn
de rond om te bezetten. Dee gedagtig
zynde aan de oude krygs-kunde veramelen
zig in in een gedronge troepen, aan alle
zyden digt aan een zynde, en van voren,
van agteren , en ter zyde zig beveiligen
de. En alo breken zy door de #
orde van de one ( van de Romeinen, te
weten) door , en verbreken deelve. Als
de Belgen weken, werd het legioen verjaagt,
en liep vol chrik naar de wallen, en poor
ten. De gragten wierden door de lyken ver
vuld. En de meete quamen niet alleen te
neuvelen door doodlaan, en wonden, maar
elfs door het vallen, of door hun eigen ge
weer. De verwinnaars , Ceulen laten leg
gen hebbende, en in de verdere voort-reis
niet vyandelyks betaan hebbende, veront
chuldigden den lag van Bon, gelyk als of
zy vrede verogt hebbende, en deelve hun
geweigerd werdende, voor zig elve orge
hadden moeten dragen. Dee voegden zig
ook by Civilis; en hy end naar de tw
legioenen , dewelke in de laatte lag
VCI-ar
172 P. Cluverius van de s
verlage naar de legerplaats van Vetera
geweken waren, afgeanten, op datze
, aan Vepaianus getrouwigheidweren
ouden. Dee weigeren ulx, elf met
cheld-woorden tegen Civilis. Wehal
ven Civilis door gramchap aangeet het
gantche volk der Batavieren in de wapenen
by een rukt. En de Caninefaten, Guger
nen, overrhynche Frien, Bructeren,
Tenteren, en andere Germanen, by s
zig getrokken hebbende, # hy
Vetera. De Bevelhebber Vocula werd
ondertuchen by Gelduba door de Ger
manen overwonnen. Dog geheel Ger
mani verhefte op het allerhoogte Civilis,
hebbende haar verbond door de edelte der
pands-mannen bekragtigt. Civilis gebied
by na het geheel Belgich Galli te
verwoeten. Van alle kanten haalde
men beuit. De regimenten der Ubin
wierden verdelgt in het wyk Marco
durum. De Ubin wierden ook in
Germani verlagen. Na het kneuen der
Obin o heeft Civilis nu troter , en door
de goede uitkomt der aken fierder zynde
de belegering der legioenen ( by Vetera)
voortgeet ; En een gedeelte van zyne ben
den by zig houdende end hy de oude regi
menten, en Germanen, die gereedts by de
-
v
, - hand

t
Uitlopen van den Rhyn. 173
hand waren, tegens Vocula, en deelfs le
ger. Daar viel een lag voor, waar in
de Batavieren eert-, en kort daar na
de Romeinen de overhand hadden.
In dienlag bleef wel het grootte, en wakte
getal der Romeinen, dog aan de zyde van
de Germanen neuvelden de kragtigte van
het leger elve. Naderhand wierd nog
gevogten tuchen de eetwaar-halers,
en de Batavieren in een langen trein , en
met gelyke overwinninge , tot dat de tryd
door de nagt ophield. Middelerwylen leide
Civilis rond om Vetera , en nam Gelduba
in ; en kort naderhand heeft hy niet verre
van Noveium in een lag te paard gelukkig
geweet. Tutor , en Claicus , zynde
Treviren (van Trier) en Sabinus, een
der Lingonen (pais de Langres ) voegen
zig by Civilis, en weren getrouwig
heid aan de Gallin. Naderhand geven
de legioenen in de legerplaats van Ve
tera zig op trouw aan Civilis over.
Uit de legerplaats getrokken zynde
werden zy vyf duiend paen van daar
door de Germanen verlagen ; en een
gedeelte weder naar haar legerplaats ge
vlugt zynde wierden door ingeworpen
vuir verbrand. Naderhand zyn alle de
winterlegerplaaten der regimenten , vleu
gels,
-
--

174 P. Cluverius van de


gels, en legioenen, (hoedanige Florus ge
tuigt, dat Druus meer als vyftig aan
den oever des Rhyns opgeworpen
heeft) om verre geworpen, en verbrand,
tw maar alleenlyk overgelaten zynde. Daar
na vermeetert Civilis de Sunicen, de
naate buren der Ubin ; en derelver
jongemanchap onder de regimenten getoken
hebbende, op dat ze niet verder voort gaan
zouden, o wedertaat hem Claudius Labeo
met een opgeraapten hoop van Bethaten,
Tungren, en Nervien. Na het verdryven , .
van Labeo heeft Civilis de Tungren, Be
thain , en Nervien tot zig in getrouwig
heid overgekregen. Als daar na een leger,
van Vepaianus afgeonden wiert met
den bevelhebber Petilius Cerialis om
den afval te dempen, o viel er een
lag voor by Trier , waar in de Ger
manen en Batavieren eert, en nader
derhand de Romeinen de overhand had
den. Dog Civilis yn leger hertelt hebbende
bleef by Vetera leggen. Wederom valt
er een lag voor waar in Civilis de ne
derlaag had. By Civilis quamen de hulp
benden der Chaucen. En egter de teden
der Batavieren niet durvende met de wa
penen verdadigen, o is hy mederukkende 't
geen hy gerestt, ende bet konde, en den
brand

v ,
Uitlopen van den Rhyn. 175
brand in het overige getoken hebbende in
het eiland overgetogen. Ook heeft hy de
kribbe door Druus Germanicus opgemaakt
om verre geworpen, en den Rhyn met een
neigenden kil naar Gallie lopende door het
verwerpen, 't geen enigints wederhield,
uitgetort. Alo heeft de kleine kil, als of
de rivier afgeleid was, tuchen het eiland
( der Batavieren) en Germani een ge
daante van een vat aan een leggend land
gemaakt. Tutor, en Claicus, en honderd
en dertien raden der Treviren zyn ook over
den Rhyn getogen. Zy bevogten de vier
overige legerplaaten der Romeinen in
het eiland , zynde te Batavodurum,
Grinnes , Vada , en Arenacum. Dog
als Cerialis met een uitgelee hoop ruiteren
aanquam , o wierden de Germanen over
hals over kop in de rivier geiaagt. Civilis
de vlugtende tegenhoudende bekent geworden,
en vele chigten naar hem gechoten zynde,
is zyn paard agterlatende de rivier overge
wommen. Die elve uitvlugt haddden de
Germanen ook. Tutor , en Claicus wier
den door aangebragte boten overgevoert. Ci
vilis kreeg een begeerte om een cheep-tryd
te vertonen. Hy bemand dan de chepen,
die tw ryen van roeiers, en die maar ne
ry hadden. Hier by voegde hy een groot #

176 P. Cluverius van de
tal van chuiten. Dertig, of veertig waren
er als Jagten gewapend, en te gelyk waren
er ook genome chuiten by met verchil-ver
wige wapenrokken , waar van zy zig niet
vncierlyk, gelyk als van zeilen, bedienden.
AMen verkoor een vlakte, als van een ruime
Ze , alwaar de mond van de AAaas den
rivier den Rhyn in den Ocean nittort. De
ooraak van het toeruten van dee vloot,
was , boven de aangebore jdelheid des lan
daards, om door die chrik den toevoer uit
Galli komende te ondercheppen. Cerialis
heeft meer uit een wonderdaad, als vree,
een vloot toegerut, die wel ongelyk in getal,
maar door bequaamheid van roeiers, kont
van tuerluiden, en grootte vanchepen over
treffende was. Dee quam voor 't troom, en
d'andere voor de wind af. En alo mal
kander voor by gevaren zynde, na dat ze
gepoogt hadden op malkander werpgeweer te
chieten, van een gecheiden Civilis niet
wyders betaan durvende is over den Rhyn
gekeert. Cerialu het eiland der Batavieren
op een vyandlyke manier geplondert hebben
de, en door verborge uitgeonde de Bata
vieren de vrede en Civilis vergiffenis aan
biedende vermaande Velleda , en de naate
de fortuin des oorlogs hen door o vele ne
derlagen tegenlopende door een tydige ver
diente
Uitlopen van den Rhyn. 177
diente op 't Roomche volk te verwielen.
AMen voegde beloften by dreigementen, en,
de trouw der Over-Rhynche aan 't wanke
len zynde, rezen er ook al praatjes onder
de Batavieren. Dee neiginge bleef voor
Civilis niet verholen, en nam een opzet de
elve voor te komen, boven 't verdriet der
elenden, ook door levens hoop , dewelke
meetentyds grote gemoeden kneut. Na het
veroeken van een amenpraak, werd de
brug van de rivier Nabalia (nu den Yel)
verbroken , tot welks afgebroke einden de
Veld-heren voortgekomen zynde hebben de
vrede geloten. En zy (de Batavieren)
door 't gerugt des veld-togts verbaat zynde
hebben zig aan hem (aan Domitianus met
een heirleger aankomende) overgegeven,
agtende, dat het voordelig was, indien ze
onder chade weder onder 't oude jok qua
men , zegt Voephus van den Joodchen
oorlog VII. B. XII. Hoofdt. Alo zyn
de Batavieren eindelyk weder tot haar
gedientigheid gekomen. Ook kan men
klaar genoeg uit Tacitus in het leven.
van Agricola beluiten , dat Petilius
Cerialis naderhand, als hy van Vepa
fianus naar Britanje geonden wierd,
ook regimenten der Batavieren naar 't
elve overgebragt heeft. Want Fron
II. Deet. M tinus

te
w
178 P. Cluverius van de
tinus in de plaats van Cerialis komen
de, en Agricola in de plaats van Fron
tinus hebben geen oldaten overge
voert, maar deelve gevonden, o als
ze van Cerialis in de winterlegers ge
laten waren. Dat onder deelve ook
Batavieren geweet zyn, blykt uit dee
woorden van Tacitus : Hy (Agricola) -
nam voor het eiland Mona ( van welks be
zit ik boven verhaalt heb, dat Paulinus
door den afval van gants Britanje terug
geropen geweet is ) in zyn magt te brengen.
Maar , gelyk men in beraad waggelt ,
chepen waren er niet; dog het overleg, en
tant vatigheid van den Veld-overte heeft
hen overgevoert. Hy heeft dan o chielyk
de uitgeleente der # , aan wel
ke de ohdiepten bekend waren, en een aan
geboren gebruik van wemmen hadden, waar
door zy zigelve, hare wapenen, en paar
den te gelyk regeren, daar op afgeonden,
dat de vyanden met verbaatheid, daar ze
niet, als een vloot, chepen, en z ver
wagtende waren, niet moeielyk, of onwin
baardagten te zyn voor menchen, dewelke
op die manier ten oorlog afquamen. Der
halven de vrede verogt, en het eiland over
gegeven hebbende, o wierd Agricola ver
maard, en groot geagt. Dat het Bata
- V1Cren

- '
* Uitlopen van den Rhyn, 179
vieren geweet zyn, geeft de komt van
't wemmen te kennen; En is door der
elver dapperheid wederom de over
winninge by de Romeinen verkregen.
In de ede veld-togt, als Agricola Ca
ledonie, 't welk nu Schotland is, met
zyne wapenen voorgenomen had te
vermeeteren , o hadden de inwoon
ders van dat land mede beloten de leger
plaaten by Glote, en Bodotrie, zynde
ondieptens van een vercheide z, ( te
weten aan beide de zyden van het ei
land ) waar door Caledoni van het
overige Britanje, dat is Engeland, af
gecheiden wierd, te bevegten. Zy
derhalven dan alle te gelyk op het negende
legioen , als het allerwakte zynde, des
nagts tuchen den laap, en chrik erge
vallen zynde zyn daar door gedrongen. En w,
nu vogten ze al in de legerplaaten elve;
al wanneer Agricola den weg der vyanden
door verpieders te weten gekomen zynde,
en deelve op haar voettappen navolgende
de gewindte der ruiteren, en voetknegten
op het aghterte der vegtende vyanden gebood
aan te vallen, en naderhand van alle zyne
benden een krygs-gechreeuw opheffen ; En
den morgen naderende blonken de tanders,
- en vanen. Alo zyn de Britannen door een
M 2, - twyf
18o P. Cluverius van de
tivyffelagtig quaad verbaat , en verchrikt
geworden; de Romeinen kregen weder moed
in 't hert. En voor haar behoudenis niet
vreende o treden zy voor de glorie. Zy
zyn ook van elfs op hen aangevallen. En
daar viel een hart gevegt voor in de naauwte
der poorten elve, tot dat de vyanden ver
v jaagt wierden ; beide de legers (der Ro
meinen) trydende, het een om te chynen
hulp toegebragt te hebben, het ander, om
te tonen deelve niet van noden gehad te
hebben. Indien de moeraen en bochaadjen
den vyand in den vlugt niet gedekt had, o
was den oorlog door die overwinninge alleen
ten einde geweet , door welke zege tand
vatigheid, en gerugt het leger trots en moe
dig rond uit wette, dat er niet was, daar
zy egt haar dapperheid niet door konden
komen, dat men door Caledoni heen drin
- gen , en eindelyk het einde van Britanje
s door een gedurige loop van veld-lagen vin
den moet. Dat die allernelte ruiters en
voetknegten Germanen geweet zyn ,
leert ons een gelyk voorbeeld van Cae
ar in het VIII. B. van den Gaulichen
N
oorlog, daar hy zegt: Hy ond de Ger
maanche voetknegten, dewelke van een zeer
grote nelheid zyn, naar de legerplaats der
w * . -
an
vyanden voor af. Als mede nog een der
x
Uitlopen van den Rhyn. 181
der voorbeeld in het I. B. van dien
elven oorlog, alwaar Caear prekende
van den lag te paard van Ariovitus
Coning der Germanen aldus chryft :
Dit was een oort van een lag-, waar in
de Germanen zig geoefend hadden. Daar
waren es duiend ruiteren, en ook o groot
, een getal van voetknegten, zynde de nelte,
en dapperte, dewelke zy een voor een, en
ider zyn man, uit den gehelen hoop , om
haar behoudenis wil , uit geogt hadden,
als ze in dee veld-lagen bezig waren. Naar
dee namen de ruiteren haar te rug wyk :
Dee quamen o er iet waars op handen
was, te amen toelopen ; En o er enige
waarlyk gewond zynde van hunne paarden
gevallen waren, o quamen zy rondom de-
elve taan, indien men verder trekken, of
gewinder afwyken moet. En derelver
oefening, en nelheid was o groot, dat zy
door hulp van zig aan de manen van de
paarden vat te houden met deelve even nel
liepen. Men moet derhalven niet twyf
felen, of die zeer nelle ruiteren, en voet
knegten van Agricola zyn ook Germa
nen geweet. En om dat ze Germanen
waren, zyn 't gene andere, als Bata
vieren geweet ; welkers regimenten,
tot dien tyd toe in Britanje geweet zyn.
M 3 En
182 P. Cluverius van de
En alhoewel er ook Tungren , en
Uipien, die ook Germanen waren, in
het elve leger geweet zyn , o is het
egter eker dat dee Batavieren geweet
zyn , om dat Plutarchus, en Dio Caius
deelve , als de voortreffelykte der
Germaanche ruiteren, roemen. Wy
ders in de agte veld-togt, als Agricola
tegen Galgaius lag leverde, chryft Ta
citus in het leven van Agricola XXXVI.
Hoofdt: ' aldus. In het eerte by een
komen wierd van verre getreden. De Bri
tannen teffens met onvervaardheid, en met
komt chuwden met hunne zeer grote waar
den , en korte childekens het werp-geweer
der one, of chudden 't af, en zy wierpen A
zelf een zeer groot gedeelte van chigten over
de onze, tot dat Agricola drie regimenten
der Batavieren, en tw der Tungren, ver
maande 't werk tot punt-en hand-gemeinchap
te brengen , waar in zy door oudheid van
krygs-dient geoefend waren, en de vyanden
wanhebbelyk, door dien ze overgrote waar
den, en korte childen voerden. Want de
waarden der Britannen onder punt mogten
tegen geen gedrongen gevegt. Na dat dan
de Batavieren begonden het treffen te men
gen, met de child-pennen te toten, de aan
gezigten te chenden, en na het wegtrekken
W - w 'Z/4/g
Uitlopen van den Rhyn. 183
van die gene, dewelke in de vlakte tegen
tand gedaan hadden, en het lichaam van
de Bataillie in de heuvelen te verheffen, be
tonden de andere regimenten zig daar on
der mengende, uit naaryver, en hevigheid,
die gene, dewelke hen naat waren, ook te
verlaan. Hier heeft de dapperheid der
Batavieren, die door oudheid van krygs
dient geoefend was, den vyand einde
lyk verlagen, en op de vlugt gejaagt.
Ook is het niet te wyffelen, dat ze
naderhand onder den Kaizer Trajanus
in zyne grootte veld-togten krygs
dient gedaan hebben. -

Adrianus heeft ze na hem ekerlyk,


als boven aangetoont, in zyn leger aan
den oever van den Donauw gehad.
Wat aangaat de tyden der volgende
Kaizeren , dewyl deelve by na door
gene gedenkchriften der Hitorien,
maar alleenlyk door korte by een trek
kingen, en ook nog zeer weinig, aan
getekend zyn , o is de geheugenis o
wel van de naam, als krygs-dient der
Batavieren byna verloren gegaan. Am
mianus Marcellinus egter in het XVI.
B. de aken door den Kaizer Julianus,
onder den Kaizer Contantinus , in
Galli verrigt bechryvende noemt de

M 4 troep
184 P. Cluverius van de
troep der Batavieren verchrikkelyk in de
lag van Argentoratum. (Straatburg)
En in het XX. B. verhaalt hy, dat de
hulptroepen der Batavieren met den elven
Julianus in Britanje overgegaan zyn.
En Zozimus in IV Boek verhaalt enige
aken van der Batavieren dapperheid
onder den Kaizer Valentinianus, die
niet onwaardig te weten zyn. De Ger
manen namentlyk onlangs overgrote
chaden van den Kaizer Julianus gele
den hebbende hadden wraak voorge
nomen , en de wapenen tegen den
Kaizer Valentinianus opgevat. Valenti
nianus in den eerten lag de nederlaag
hebbende nam voor het gevaar met de vluge
niet te ontgaan, maar in dit geval eenparig
van gemoed blyvende, deed hy onderoek naar
die gene , dewelke ooraak van de gelede
chade, te weten, 't begin van vlugten ge
weet hadden. Dit onderoek zeer nawkeurig.
gedaan hebbende , als hy het legioeu der
Batavieren chuldig verklaart had, o heeft
hy bevel gegeven, dat het gehele leger in de
wapenen # malkander foude komen, als of
de krygs-knegten odanige woorden ouden
horen, dewelke hen alle in 't algemein te
tade ouden komen. Hier op heeft hy zig
van woorden bedient, die de belhamels van
- het
n

Uitlopen van den Rhyn. 185


het vlugten chaamte, en oneer haar gehele
leven lang aanwryven mogten; en hy bevat
de Batavieren ontwapend zynde aan de geld
biedende, als weggelope laven, in 't open
baar elders heen te leiden , en te verkopen.
i Maar toen hebben alle de krygs-knegten op
de aarde vallen de gebeden, dat hy tog het te- .
- ger gantchelyk van odanigen chand-vlek
bevryden wilde, en beloofden te gelyk, dat
ze zig als mannen dragen auden, die de
Roomche naam waardig waren. Het welk
als hy bevolen had metterdaad te betonen,
en de krygs-knegten van de aarde opgetaan
zig naar gebruik gewapent hadden, o her
vatteden zy den tryd ; en buiten de wal ge
trokken zynde hebben zy zig in dien oorlog
o dapper gedragen, dat van het oneindig
getal der barbaren weinige behouden te huis
gekeert zyn. En dien oorlog tegen de gant
che natie der Germanen heeft toen ter tyd
odanigen uitlag gehad. Wyders vinde
ik de laatte gedagtenis van de Bata
viche naam in het boek der kennien
van beide de Kaizerryken , alwaar de
Batavieren onder de palts-vanen , en
palts-hulpbenden opgeteld werden tot
de tyden van den Kaizer Honorius.
Waar uit, om dat Julianus, Valenti
nianus, en Honorius, latere Kaizeren
M5 ges
186 P. Cluverius van de
eweet hebbende Batavieren tot krygs
# gehad hebben, men klaarlyk
afnemen mag dat ook vorige Kaizeren
opwaarts tot Adrianus toe zig van de
elve in hare legers bedient hebben.
Dog, of het volk der Batavieren aan.
tonds na de tyden van Honorius dien
-
naam in het eiland verloren heeft, de- -
elve in een andere veranderende, dan
of het volk elve met den naam ver
\
aan is, kan men in o grote duiter
heid van aken, en tyden niet ligt be
luiten. De naam elve van het eiland
is egter na dee eeuw, alhoewel wat,
bedorven , overgebleven, waar mede
het elve Batua , als boven verhaald,
genoemt geweet is : Waar van daan
nu nog een gedeelte van het eiland de
Betow , ofte Betuwe genoemd werd.
Van de Franken , Salien , Saxen,
Quaden , Wilten, en andere volken,
waar van de ne op ne, en andere op
andere tyden de landen der Batavieren
ingenomen hebben , al ik te zyner
plaate wydlopiger handelen. Wyders
in hoedanige waardye , en agtinge de
Batavieren by de Romeinen geweet
zyn, alhoewel genoegaam uit het by
gebragte af te nemen is, o kan men
, ** r
't
elve
w,

Uitlopen van den Rhyn. 187


elve egter uit het eerte boek der Hit:
van Tacitus grotelykx bemerken, als hy
zegt : Naderhand is 7ulius Civilis (die
van het leger tot traf gevorderd was )
van het gevaar ontlagen, zynde zeer mag-
tig onder de Batavieren, op dat door zyn
traf dat tout, en fier volk niet vervreem
den mogte. Tot hier toe verdriet het
my niet de verte oudheid der Bata
vieren naukeuriglyk nagepeurt , en
myn beloofde pligt, die ik aan de over
grote verdienten van dit land ver
chuld was, erntig en neertiglyk af
gelegt te hebben. Laat ik nu ook we
gens de grenen der Frieen, een naat
aangelege volk, uitlegginge doen.
Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofd-tuk,
Wat de verdere veldtogten, en oorlogs
daden der Batavieren , ( na dat defe naam
al in andere veranderd was) o te land, als
ter Z, aangaat, zal alhier dewegens niet
melden, alo oneindige boeken in alle talen
daar vol van zyn, en de Chrite wereld ge
noegame kennie is hebbende. De Heer
A. Thyius in zyne Hitoria Navalis , en an
dere , geven naar waarheid menigvuldige
taaltjes van 't geen ter Z uitgevoerd is.
En my dunkt, dat alhier tot onderrigtinge
der onkundige, alo de aak, en tyd by een
jder
1

188 P. Cluverius van de


jder o wel niet bekend is, de beroemte
Kruis-vaart ook wel gemeld mag werden ,
als in ne aak byonderlyk tot haar ewige
glorie trekkende. Want als in de twaalfde
eeuw Friderieus I. AEnobarbus, ofte Barbaroa
( om zyn rpch hair alo genoemd) Roomch
Kaizer, met Philippus , Coning van Vrank
ryk', en Richardus, Coning van Engeland,
mitgaders de Hertogen van Beieren, Saxen,
Ootenryk , en Lotheringen , nevens de
Graven van Vlaanderen, Holland, en Cleef,
de Kruis-vaart vat geteld hadden tot her
winninge van de Stad Jerualem, en 't Hei
lige graf, o hebben de Haarlemmers mede
in 't eed-genootchap getreden zynde Floris
den XI II, Grave van Holland, gelyk ook
vele andere Vorten deden, willen volgen.
Dee laatte dan zyn in den jare 1188. 't
zeil gegaan. Na vercheide omwervingen -
o te land, als ter Z , " en den ene wat
vroeger, d'ander wat later komende, o is
de Kaizer egter doorgedrongen in HEgypten
elf tot in de woetenye Sur aan de Rode Z.
Dog geen kans ziende , om Jerualem te
bemagtigen , en niet onbeproeft laten wil
lende , o hebben de te amen verbonde
Vorten raad gelagen over 't vermeeteren
van Peluium ( zynde een tad gelegen aan
een van de monden van de rivier de Nyl op
't uitterte van AEgypten, nu Damiate , aan
de Middelandche Z , om die reden by
Suidas , de Sleutel van AEgypten genoemd)
Eindelyk daar voor gekomen zynde bevinden,
de haven met yere ketenen geloten ; der-,
halve
... -- ~*~~~~.
---- - -
** * * * . .,
--
---- ----
- - -
----
s -

Uitlopen van den Rhyn. 189


halven lang marrende op Z, en op anker,
als de belegering al wat lang aanliep, en de
krygs knegten begonden te morren, o heb
ben de Haarlemmers ten laatten een galeie
toegerut, en met een nieuwe vond deelfs
boeg, en kiel met in tanden geaagtyerwerk
beet, en vat geklonken. Aldus op de ke
tenen los zeilende hebben zy 't zy door 't
gewigt ( als in de voorgaande eeuw door de
Nederlanders ook in een nabuirige rivier ge
chiet is) 't zy door den indringenden n
der agen de ketenen verbroken, en de we
tot de tad open gemaakt, werden de daar op
, de tad bemagtigt. De Kaizer heeft , de
Vorten daar op by een gekomen zynde,
Floris, den Grave van Holland, met grote
gechenken , en beloningen, ter ere van
den naam der Batavieren, beguntigt , en
aan de Haarlemmers, ter ewige gedagtenie -
van hare dappere uitvoeringe , tot een wa
pen vereert een waart taande in de terren;
waar boven de Patriarch van Jerualem nog
een kruis gevoegt heeft Van dee helden
#
daad zingt V. Vondel in zyn opdragt van
Joannes de boetgezant aldus :
Ptolman dort vergeefs , geterkt met Duitche
magten, - -

Gods vyandtinmaal op rondas en peer verwagten:


De graaf van Holland zet vergeefs zig in de waag
Met Koning Luidewyk, daar 't Sparen * met de
, zaag Y

Geklonken voor den borg, dan Nyltroom op komt


rukken ,
* Haarlem. En
v w

! - w
, V - N
v

A -

19o P. Cluverius van de


En bruicht de keten van terk Damiate in tukken;
Waarom de Kaier , die de dapperhen vergelt,
Het zwaart van Haarlem blank in 't ligt der
## elt, - - ' -

En d'oude aertvader van Jerualem dien degen


Nog kroonde met zyn kruh , een ridderlyken zegen.
Wat wyders het vieren van die geheugenis
door de jongelingen van Haarlem op jder
nieuwe jaars dag , en het omdragen van
cheepjes met agen voor den boeg, en beel
dekens van krygs-luiden op tokken , en de
tw chelle klokjes van Corinthich koper
de Damiaates genoemd, in 't opperte van
den toren van de grote kerk aldaar , aan
gaat, kan men, buiten andere Schryvers in
one taal, ook nazien by H. Junius Hit: Bat:
Theodor. Schrevelius in zyn Harlemum , en
Gotfr. Hegenitius in zyn Itineraricum Frifio
Hollandicum.
Uitlopen van den Rhyn. 191
xx I. HOOFD-STUK.
Van de grenen der Frien,
als hede van de valche be
namingen der Friiabomen,
Chaucen, en Sturien, ofte
Tuien.
Ot hier toe , dunkt me, heb ik
de tw killen , en tw monden
des Rhyns, mitgaders de twe eertyds
daar aanwonende volken van Galli,
de Toxanderen namentlyk, en de Ba
tavieren , naukeurig genoeg bechre
ven. Nu over de cheidinge van Gal
li, en Germani, te weten den mid
den kil des Rhyns trekkende is myn
voornemen ook den derden kil , en
mond, en de daar aanwonende volken
te onderoeken. De derde kil dan is
den Yel , waar in Druus Germani
cus een gedeelte des Rhyns door een
by hem gemaakten graft afgeleit heeft.
Dog aan den Yel, en het meir, waar
in deelve uitgetort werd , hebben
CCT-a
v. - - '
' -
S -

19z P. Cluverius van de


eertyds aan beide de zyden volken der
Frien gewoont; van welke ons voor
nemen is alhier voor 't naate te pre
ken. Tacitus zegt in het boexke van de
zeden der Germanen : Naat aan de
Catten by den Rhyn, daar hy net een eke
ren kil heeft , en voor een afcheidinge ge
noegaam vertrekken kan, wonen de Ot
piers, en de Tentteren. Nevens de Tenc
teren ontmoette men eertyds de Bruteren.
Nu werd vermelt, dat de Chamaven, en
Angrivarien, na het verdryven, en gantch
uitroeien der Bruteren, daar met de wonn
gekomen zyn. En kort naderhand : De
Angrivarten , en Chamaven werden van
agteren door de Dulgibinen, en Chauaren,
en andere min vermaarde volken, beloten.
Van voren palen er de Frien aan. De Frien
werden geheten de meerdere, en mindere,
maar de maat hunner kragten. Beide de
volken werden tot den Ocean toe met den
Rhyn gezoomt, en omvangen daarenboven
nog overgrote meiren. Dat de Catten nu
de Heen , en Thuringers, de Ui
# en Tenteren de Wetfalen, en
erglanders, mitgaders een gedeelte
der Clevenaars over den Rhyn ; als
mede dat de Bruteren nu ter tyd de
Drentenaars , Twentenaars, en Over
Yelche

w
Uitlopen van den Rhyn. 193
Yelche zyn, zal ik elders wydlopiger
#entonen. Nu moet ik de landpalen
der Frien vat tellen. De Frienpalen
dan van voren aan de Angrivarien , en
Chamaven, of wel aan de Bruteren,
die door dee vorige uitgeroeit zyn.
Tot derelver afcheidinge , aan de
zyde van daar de on des winters op
gaat, waar door zy van die vorige af.
gecheiden wierden, tel ik een linie
etrokken van de Stad Hattem in de
eluwe tot het meir, waar in de rivier
de Eems valt, eer hy zig in Zuittort.
Daar van daan aan de zyde, daar de
on des omers opgaat, wierden zy door
den Eems van de Chaucen afgechei
den, zynde aan de Noord, en Wet
zyde door den Ocean beloten. Dat.
ze aan de Zuiderzyde door den mid
den kil des Rhyns, de afcheidinge
tuchen Galli, en Germani, van de
Batavieren afgecheiden geweet zyn,
is hier voren genoegaam aangetoont.
En door een linie van den Rhyn by
Wyk te Duurtede tot de tad Hat
tem getrokken wierden zy van de Mar
acen , of, gelyk ze Plinius noemt,
van de Maratin afgeondert, dewel
ke ik aantonts aantonen zal , dat aan
II. Deel. 4. N de
194 P. Cluverius van de
de Frien gegrent hebben. De re:
den, waarom ik dee afcheidinge tu,
chen beide die volken tel , is dee :
voor eert , om dat de Maracen -een
klein volk geweet zyn; ten tweden,
om dat op dee manier de woorden van
Tacitus meet op haar benen taan, als
hy getuigt , dat de Frien overgrote
meiren omvangen, waar van het grootte
nu de Zuider-Z genoemd werd. Ta
citus zegt. De # werden de meerdere,
en de mindere geheten, naar de mate harer
kragten, Beide de volken werden tot den
Ocean toe met den Rhyn gezoomt ; en om
vangen, daarenboven nog overgrote meiren,
dewelke by de Romeinche vloten ook bevaren
zyn. Dee woorden: zy werden met den
Rhyn gezoomt duit Had: 7unius op den
Yel ; om dat de Frien aan beide de
zyden des Yels woonden. Dog ik
zal aantonts. aantonen dat den Yel
noit by Tacitus met den naam des Rhyns
genoemd is geweet. Ook kan men niet
. regt de kragt van 't woord bezomen op
beide de oevers van een rivier duiden.
Tacitus zegt in 't elve boexken van de
zeden der Germanen : En dit is gelyk
het voor aangezigt van Germanie, voor
zo verre het door den Donauw bezoomt werd.
Hy
Uitlopen van den Rhyn. 195
Hy preekt namentlyk van de grenen
der Naricen, Marcomannen, en Qua
den, dewelke alleenlyk aan den linker ,
oever van den Donauw-troom waren.
Dog de Donauw is by Tacitus de af
cheidinge van Germanie. Derhalven
wil ik liever de boventaande woorden
van Tacitus wegens de Frien alo uit
leggen, dat men begrypen mag, dat
beide de volken tot den Rhyn toe uit
getrekt geweet zyn. Dog ik ver
meine, dat men de cheidinge tellen
moet, o als deelve op het meet tu
chen hen beide overeenkoomt, te we
ten de rivier de Vegt, indien deelve
mogelyk te dier tyde aldaar al geweet
is, gelyk als men uit Plinius, dewel
ke alhier vercheide eilanden teldt,
nog gien mag. Want op dee ma
nier werden beide de natien gelyk aan
den Ocean geteld, en door den Rhyn
bezoomt. Dog welk gedeelte den naam
van de meerdere, en welk gedeelte den'
naam van de mindere gevoerd heeft, kan
ik niet ligtelyk zeggen : Want onze
Schryver (Tacitus) zegt : naar mate
van magten. Indien de maat der mag
ten afgenomen geweet is uit de uit- -
getrektheid der landen, o zyn zeker
N2 lyk
196 P. Cluverius van de
lyk die gene , dewelke naar het oo.
ten , en over de Vegt, en het meir
gewoont hebben, te regte de Meerdere
te noemen , en de andere tuchn den ,
Rhyn , en Meiren de Mindere. Dog
dit is een gladde giinge. Want het
valt dikwils voor, dat in minder be
grip veel talryker, en kragtiger volken .
gevonden werden, als elders in een
groter uitgetrektheid. Maar men ou
de niet te onregte mogen zeggen, dat
ik onbillik was, om dat ik in dee ver
delinge der Frien , en Maratien die
natien uitluite, dewelke Plinius met
uitdrukkelyke woorden alhier plaatt.
Want dee chryft aldus in het IV. B.
XII. Hoofdt. In den Rhyn elve ontrent
honderd duiend paen in de lengte is het zeer
edel eiland der Batavieren, en Caninefaten,
en ook andere der Frien , Cauchen , Fri
tabonen, Sturien, Maratien dewelke tu
chen Helium , en Flevum leggen. Ik
we - niet, om de waarheid te eggen,
wat ik rond uit hier op antwoorden
zal. Egter zal ik vrymoedig, en tou- -
telyk myn gevoelen zeggen. Die plaats
van Plinius dan is by my verdagt, en
ik vree, dat zyn chryven van een
onkundige boek-uitchryver, of druk
ker
Uitlopen van den Rhyn. 197
ker ( en wat wonders, of nieuws oude
ulx zyn ? ) dcerlyk verergert, en be
dorven is. En voor eert aangaande de
Cauchen, wie kan er o heren-loos
zyn , dat hy geloven zoude, dat der
elver naam alhier geleen werd ? Want
deelve werden by Tacitus geteld niet
alleen buiten alle de killen van den
Rhyn, maar ook buiten den Eems,
daar Germani zig naar 't Noorden
uittrekt. Plinius teltze ook in het
volk der Ingaevonen, 't welk gantch,
en geheel naar 't Noorden is, daar hy
de Itaevonen de naate aan den Rhyn
noemt. Derhalven werd alhier qua
lyk , en gantch niet volgens de op
regtigheid , en 't gezag van Plinius de
naam der Cauchen geleen. Ik heb in
derdaad zeer groot vermoeden , dat
'enig onervare, 't zy chryver, verta
ler, of drukker, dewyl het gechrift
op dee plaats of duiter, of uitgegaan
was, de letteren naar de meete ge
lykenie weder by een getelt heeft.
So veel te meer, als hy zag, dat er
eilanden voor de tranden der Cauchen
tuchen de monden van den Eems, en
Weer, lagen , waar toe hy , ( als ter
wereld geen kennie van Wereld-be
* * * N 3 chryvinge
*

198 P. Cluvertus van de


chryvinge hebbende ), ook vermoet
heeft, dat de noorder kil der Rhyns,
en deelfs mond , Helium genoemd, v
van ouds gehoort hebben. En ik tore
my niet, dat H. 7unius, Ortelius, en
andere Wereld-bechryvers, die van
dat gevoelen zouden mogen zyn , het
land der Cauchen door Gooiland, trag
ten uit te leggen, het welk aan het
meir (Zuider Z) leggende tw teden
heeft , te weten Muiden, en Naarden.
Want indien alhier enige Cauchen ge
weet hadden, o oude Tacitus inder
daad, die neertige , en naukeurige
hitorie-chryver, die de aken ook ten
tyde van Plinius voorgevallen bechryft,
deelve legts ligtelyk aangeroert heb
ben. Ook oude Plinius elve, die nau
keurige wereld-bechryver, o een on
bekend volk (want by wien vind men
anders enige Cauchen in dee land
treek ? ) van dat bove eer edel ge
noemd volk ( der Batavieren) wel met
een woord ondercheiden hebben.
Want hy is gewoon als een en deelve
naam aan tw plaaten gegeven is, de
elve neertiglyk te ondercheiden. Om
welke redenen het my gantch. niet
waarchynlyk is, dat Pliniu de naam
- - - - - - - der
r,

Uitlopen van den Rhyn 199


der Cauchen alhier geplaatt heeft.
Dog hoe verkeert die gene zyn , de
welke die Cauchen door Cadant , een
gedeelte van Vlaanderen by de Stad
Sluis , uitleggen, en die gene , de
welke deelve voor het eiland Walche
ren by de tad Middelburg , gelyk zy
zeggen, agten laat ik diegene oorde
len, dewelke voor vat meinen, dat het
elve de mond des Maas Helium is. *
Dit elve oordeel ik mede van de be
naminge der Sturien, die de meete van
on wereld-bechryvers door Staveren,
een tad in Vrieland, uitleggen, daar
die tad egter buiten de mond het Flie,
en den uitterten kil des Rhyns gele
gen is ; ten ware, dat men geloofde,
dat daar de oude kil des Yels geweet
is, die de tad Sloten bepoelende eert
met een gemeine benaminge Take Zyl,
en naderhand, als hyzig in de meiren
uittort Fluiing genoemt werd, en kort
daar na by het dorp Makkum weder in
de Zuider Z valt. En tot dee meinin
- ge oude men kunnen gebragt werden
N 4 door

* Heb al in den beginne aangetekent , dat H.


Tunius in zyn Nomenclator Helium door de Wieling
uitlegt, en zegt, dat het elve een mond des
Rhyns is.
*.
-- A

* e

2oo P. Cluverius van de


door het woord Fluiing, als of het van
het Flie afkomtig nog overig was,
Maar ik laat andere hier over oordeel
vellen. Ik ben inderdaad hier in niet
ligtgelovig. Want indien men dit toe
tond , o oude het eiland Flevo
( Flie-land ) het welke Pomponius Mela
getuigt , dat door dien derden kil des
Rhyns omvangen wierd, alhier gantch
niet kunnen geplaatt werden, gelyk
naderhand in de bechryvinge van dat
eiland blyken zal. Als junius bemerk
te , dat het ongerymt was de Sturien
van Plinius over den uitterten kil des
Rhyns te plaaten, o heeft hy zig niet
ontzien volgens zyn manier een peling
op den naam volgende het woord Stu
rien te veranderen in Tuin ( het welk
ook in enige afchriften gevonden
werd ) waar van hy taande houd dat
de overblyfelen nu nog te vinden zyn
in het Noord-hollandch dorp Opertoes,
niet verre van de tad Medenblik. Maar
hier in werd hy opentlyk door Tacitus
van mislag overtuigt, dewelke ver
ekert, dat beide de natien der Frien tot
den Ocean toe door den Rhyn bezoomt wer
den, en daarenboven ook nog overgrote mei
ren omvangen , want indien de
e
Fi:
C
(
1

Uitlopen van den Rhyn. 2o1


de meiren omvangen tot den Rhyn en
Ocean toe, o is hier gantch geen
plaats voor die Tuin. Maar wie zyn
die derde de Friiabonen ? dewelke van
ommige met een al te onryp oordeel
in het Zeeuch eiland Zuid beveland ge
plaatt werden, als of den Rhyn van
Plinius zig tot hier toe ook uittrekte.
O deftige wereld-bechryvers! die men
niet te onregt , nog onder verdiente
in 't getal van de grootte wereld-be
chryvers van one eeuw tellen mag.
Maar ik moet myn gevoelen wegens
dee laatte ook uitten. Ik mein dan
inderdaad , of ik moet grotelyks mi
leid zyn, dat dit woord ook vervalcht
is. Want wie erkend, buiten Plinius,
de Friiabonen? En Tacitus, dewelke
ontrent het begin van de regeringe van
Vepaianus , als Civilis wederpannig
was, veel van de Batavieren, Canine
faten , Maracen, Frien , Cauchen,
Bruteren, Tenteren, Uipirs, Mat
tiacen, en Gugernen zeer naukeurig
in het IV. en V. B. der Hit: gechre
ven heeft, rept geen enkel woord van
die Friiabonen, het welk hy onge
twyffeld gedaan oude hebben, indien
ze te vinden geweet hadden. Want
N5 de
2oz P. Cluverius van de
de Friiabonen ouden alleen niet bui
ten dee wederpannigheid geweet heb.
ben , daar alle de natien rond om
eenparig de wapenen tegen de Romei
nen opvatteden. En op deen tyd, of
cen weinig te voren heeft Plinius zyn
werk by een # , want hy heeft
het aan Vepaianus opgedragen. Dog
indien men vermoede, dat ze voor de
en tyd in ween geweet zyn, o ou
de Tacitus ekerlyk , dewelke van de
tyden van Tiberius af vele aken in
dee geweten uitgevoerd, en dikwils
van de Frien meld , wel eens gewag
van deelve gemaakt hebben, indien
ze in ween geweet hadden. Dog hy
ondercheit de Frien alleenlyk in Meer
dere, en Mindere, gantch geen derde
oort erkennende. Hoedanigen naam
men alhier dan oude willen verieren,
o is hy vat van meininge deelve
gantchelyk uit te luiten. Ik ben ook
niet onbewut, dat de naam der Fri
labonen twmaal by Plinius voor
koomt; eens in de boven aangehaalde
plaats, als hy de eilanden des Rhyns
bechryft , en andermaal in het elve
boek XVI. Hoofdt, als hy de vol
ken van het Belgich Galli optelt.
Dog
Uitlopen van den Rhyn. 2o3
Dog dee plaats toont klaar genoeg aan
dat die naam vervalcht is. Want waar
zyn de Frien , of de van hem afge
mome benaminge der Friiabonen te ge
lyk aan dee zyde ( ten opzigte van
Gallie) van alle de killen des Rhyns
by na in het midden van het Belgich
Galli? Dat die naam ten minten hier
uit weggenomen werden moet, mag
men niet ontkennen. Wegens de
overrhynche Friiabonen cheen one
vriend Petrus Schriverius onlangs iet te
ullen bewyen in zyne Bataviche Oud
heden uit ekeren ouden teen, dewel
ke te Rome te vinden is met dit by
chryft: * -

D. M.
-

T. FL. VE RIN o NAT.


FR 1 sAE voN E. V 1x. ANN.

xx. M. v 11. T. F. V1 ctor


E Q& S IN G. Aug. er arr,
Dulcissimo
F. C.
Het welk een grafchrift is door T.
2o4 P. Cluverius van de
F. Vitor ter ere zyns liefte broeders T. F.
Werinus den Friavon, gedaan maken, de
welke maar oud was zo jaren en 7 maana
den. * , ' -

Maar ik tel tegen dit bychrift een


anderen teen van den elven Scriverius,
dewelke tot Interamna dudanig graf.
chrift heeft : -

2 H1 LA Rus -
&
N ER oN 1s. CAE s AR1s
Cor Pore. CusT os

NAT 1 oN E. Fr 1 s Aeo
V1x. A. xxx 111.
Dat is: w

Hilarus lyftrawant van den Kaizer Nera


van natie een Fries heeft geleeft 33. jaren.
In dee laatte teen dan is de eerte
regte naam telling Frico, waar van
de afgedraeide Frieone o weinig van
Friavone verchilt, dat niemand twyf
felen kan, of zy beide betekenen een
en denelven naam , en ook 't elve
volk. En wat wonder is het, dat een
onervare teenhouwer, de chryf-regel
/
**
qualyk
Uitlopen van den Rhyn. 205
qualyk opvolgende Frievone geteit
heeft, voor Friaone, daar nu ter tyd
by vele niet alleen in de Latynche,
maar elf in haar moedertaal mislagen
begaan werden. Wat wonder is het
ook , indien het gemene volk van
Rome Frieonen genoemt hebben, de
welke naderhand by Sigebertus Frionen,
en nu ook by de Spanjaards Friones,
by de Franchen Frions, en by de Ita
lianen Frioni genoemd werden ? daar
het volk elve nu ter tyd in een naam
van veelheid by de Hoogduitchers die
Frieen genoemd werd. Alo zyn na
mentlyk de Saxonen die Saxen genoemd,
en op de elve wye de Franconen die
Franken. Wehalven ik van oordeel
ben dat men niet ekers uit dien teen
behoort te beluiten. En ik ben te
nemaal van gevoelen, dat die plaats,
gelyk ik boven # hcb, vervalcht
is, en dat men aldaar aldus leen meer:
In den Rhyn elve by na honderd duiend
paen in de lengte is het zeer edel eiland
der Batavieren, en Caninefaten; als mede
andere van de Meerdere Frien, en Min
dere Frien, van de Maratin, dewelke
leggen tuchen Helium, en Flevum. Wy
ders o leggen er jegenwoordig op de
grond
' w ze
206 P. Claverius van de
grond van de oude Frien de Steden ,
van Holland Amterdam , Haarlem,
Alkmaar, Hoorn, Enkhuien, Medemblik,
Edam , Monikkedam, Purmerent , We-
op, Muiden, Naarden, mitgaders de
overrhynche gedeeltes van de teden
Leiden, en Utregt ; En uit het land
van Utregt Amersfoort; uit de Veluwe,
een gedeelte van Gelderland, Harder
wyk , en Elburg , uit het land van
Overyel Campen, Swol, Haelt, Geel
muiden, Vollenhove, Steenwyk; uit Vrie
land Leeuwaarden, Dokkum, Franiker,
Harlingen, Staveren, Bolwaard, Sneek,
rlt, Sloten, uit het land van Groenin-,
gen de Stad Groeningen elve. Maar ik
moet alhier een ware mislag van om
mige in het bechryven # grenen
der Frien aantekenen, als dewelke de
Menapirs, een volk van het Belgich
Galli, over den Rhyn tot aan Am
terdam toe afleiden, taande houden
de, dat de grond van deelve niet (als
wy zeggen ) eertyds die der Frien,
/
maar der Menapirs geweet is, uit de
woorden namentlyk van Strabo in het
IV., B. daar hy zegt : Aan de Trevi
ren grenzen de Nervin, zynde ook een Ger
manich volk. Dog de laatte zyn de Me
napirs
Uitlopen van den Rhyn. 2o7
napirs , aan beide de zyden van de mon
den des riviers ( den Rhyn ) by poelen,
en bochen, niet van hoge, maar van digt
by een taande, en plinterige bomen wonen
de Dog ik heb hier boven al aange
toont , hoe ongerymt, en onvertan
dig het is uit een Schryver alleen, met
overlaan, of niet aanmerken van de
overige, de gelegentheid van enige
plaats te wille bechryven. Derhalven
moet ik dee wereld-bechryvers ook
niet te onregte beripen, om dat ze het
gezag van Strabo alleen, die een Griek
geweet is, voor goed keurende de
getrouwigheid van de overige Schry
vers veragten. Want wy hebben opent
lyk genoeg uit Cear, Tacitus, Plinium,
en andere Schryvers vertaan, dat het
land der Batavieren tuchen de rivieren
de Maas, en Rhyn geweet is, hoe
zoude men dan kunnen geloven, dat
de grenzen der Menapirs , dewelke
door de Maas-troom van de Batavie
ren afgecheiden wierden , o verre
eindelyk na de Batavieren, en Canine
faten over den Rhyn weder opgetaan,
en tot Amterdam toe uitgetrekt ge
weet zyn ? Dit oude inderdaad zeer
ongerymd, en tegen Tacitus, die een
- Romein,
398 P. Cluverius van de - "

Romein, en Landvoogd van het Bel


gich Galli was, grotelyx trydig
zyn. Want dee gantch niet onkun
dig van de landen, waar over hy ge
teld was, getuigt, dat beide de natien
der Frien, o van de Meerdere , als
Mindere, tot den Ocean toe door den Rhyn
bezoomt geweet zyn , en dat ze daarenbo
ven nog overgrote meiren omringden, waar
van het grootte nu ter tyd nog de
Zuider Z genoemd werd. De overige
rekenen nog door malkander in Noort
holland Amterdam, Haarlem, Alk
maar, Purmerend, en Beverwyk ;
zeggende, dat het # van Strabo,
een groot wereld- bechryver ,, ook
groot zyn moet Ik wil dit wel niet,
ontkennen, en zeg elf, dat het zeer
root is, te weten in die nader byge
iege landchappen. Dog o men my
wil doen geloven, dathy hier de waar
heid in Germani, een verder afgelege
landchap, wegens de Menapirs zegt,
o wil ik daarentegen ook, dat men
gelove, dat hy de waarheid wegens
de rivier de Lippe zegt , den welken
hy in 't VII. B. verhaalt niet in den
Rhyn, maar te amen met den Eems,
en Weer in den Oeean uit te lopen;
- als
s
Uitlopen van den Rhyn. 209
als mede ook wegens de woonplaats
der Bojen, die met toppen van bergen,
en bochen omringt is ( nu ter tyd
Bohemen) die hy digt by den bron des
Donauws telt. Dewyl dee aken
( om nu niet meer aan te halen ) eer
kennelyk onwaar zyn , hoe oude ik
dan kunnen geloven, dat hy in het
bechryven van de grenen der Mena
pirs niet had kunnen dwalen ? Dog
men werpt een ander zeer groot gezag
van een groot Schryver tegen, te we
ten van C. 7ul. Cear, dewelke in het
IV. B. van den Gaulichen oorlog ge
tuigt , dat de Menapirs aan beide de
oevers van de rivier ( den Rhyn ) landen,
gebouwen, en wyken gehad hebben. Dit
erken ik inderdaad, en ben niet onbe
wut, dat Strabo het meete ( als ik,
elders wydlopiger aantonen zal ) we
gens de Gallen uit de boeken van Cear
woord voor woord uitgechreven heeft.
Dog, ik ontken , dat Strabo op dee
plaats de woorden van Cear genoeg
aam begrepen heeft. Cear chryft van
de Uipeten, en Tenchteren, over
rhynche Germanen , aldus : In dien
elven taat ijn de Opeten , en Tenchte
ren ook geweet, waar van wy boven ge
MI. Deel. O proken
w ",

21o P. Cluverius van de


proken hebben; dewelke vele jaren lang het
geweld der Sueven tegengehouden hebben.
Dog eindelyk uit hare landen verjaagt en
drie jaren lang in vele plaaten van Ger
manin geworven hebbende yn zy tot aan
den Rhyn gekomen, welke land-treken by
de Menapirs bewoond wierden, dewelke
aan beide de oevers des riviers landen, ge
bouwen , en wyken hadden. Dog dee door
o grote menigte verbaad werdende zyn uit
de gebouwen, dewelke zy over de rivier
gehad hadden verhuyt ; en hebben met be
ettingen aan dees zyde des Rhyns de Ger
manen den overtogt belet. Dee alles onder
taan hebbende , dewyl e nog met geweld
door gebrek van chepen over de rivier ko
men konden , en ook mede niet geheimelyk
uit ooraak van de beettingen der Mena
pirs, hebben geveint wederom naar haar
woonplaaten en landtreken te keren. En een
weg van drie dagen voort gereit zjnde keer
den zy wederom. Ende in dee gehele reis
hebben zy in ne nagt, middelerwylepaerde
volk by een gekregen hebbende, de onver
dagte , en daar van geen kennie hebbende
enapirs overvallen ; dewelke door ver
pieders van het vertrek der Germanen ken
nie gekregen hebbende onder vree wederom
over den Rhyn in haare wyken vertrocken
71/4/'6/8,
'

Uitlopen van den Rhyn. # II


waren. Na het ombrengen van dee, en
het bemagtigen van der elver chepen, o
zyn ze, al eer dat gedeelte der Menapirs,
het welke aan dees zyde des Rhyns was daar
van kennie hadden, over de rivier getogen;
ende alle der elver gebouwen ingenomen'
hebbende, o hebben zy het overige des win
ters ig met der elver voorraad gepyt. Uit
dee woorden dan heeft Strabo ontwyf
felbaar dit volgende uitgechreven:
De laatte zyn de Menapirs , aan beide
de zyden van de monden des riviers by mei
ren, en bochen wonende. Dog ik vrage,
indien de Menapirs aan beide de oevers
des riviers tot den Ocean toe gewoont
hebben, waar dan het grote eiland der
Batavieren is, 't welk by Cear ook ge
meld werd ? Het welk de Z Ocean,
(als Tacitus in 't IV. B. der Hitorien
chryft) van voren, en de rivier den Rhyn
van agteren, en aan beide de zyden betoelt.
En waar zyn dan derelver landen op
den oever van Galli, tuchen de Waal,
en de Maas ? Nog vrage ik , o dee
meiren der Menapirs de meiren (ge-
lyk zy qualyk uitleggen ) nu ontrent
Amterdam zyn, hoe dat de Tench
theren, en Uipeten Germanen zynde
een reis van drie dagen op ene nagt afleggen,
O 2. de
212 . P. Cluiverius van de
de onbewute, en onverdagte Menapirs overs
vallen, en dee ter neder gemaakt, en der
elver chepen bemagtigt hebbende, eer dat
edeelte der Menapirs , 't welk aan deze
zyde des Rhyns was , daar van kennie
had, over de rivier hebben kunnen ko
men ? Want daar waren vercheide,
en geen kleine rivieren tuchen bei
den, als mede ook bovengrote meiren.
Dat de Tenchtheren, en Uipeten bo
ven het eiland der Batavieren over den
Rhyn , daar hy maar met enen kil
voortloopt, getrokken zyn, en dat de
Menapirs aldaar aan beide de oevers ge- .
woont hebben, zal ik elders met genoeg-
ame bewyen aantonen. Het is my
jegenwoordig genoeg, dat ik aange
toont heb, dat Strabo hier in onkundig
van dee landtreken geweet heeft ,
om dat hy nog van het overgrote, en zeer
edel eiland der Batavieren, nog van
haar overig land , ja elf ook van de
naam gantch het minte gewag niet
maakt. Want dat ommige het ver
valchte woord Brr, ( Battoon ) in ,
Banegas (Bataouoon) veranderd hebben,
is hier voren al aangetoont, dat te on
regt , en onkundig gechiet is, en dat
men op die plaats zrro ( Chattoon)ZCI)
le
V
Uitlopen van den Rhyn. 213
zen moet. Dat dan de oude grens-pa
len der Frien vat, en betendig bly
ven, o als wy deelve hier boven aan
getoont hebben, en laat ons geloven,
dat de Stad Amterdam niet op de
grond der Menapirs, maar op die der
Frien getigt is.

Aanmerkinge op dit vergaand Hoofdtuk -

De zeer geleerde Jacobus Eyndius van Haem


tede , Hollandch Captein , en vernuftig
Schryver in onrym , mitgaders zeer wel
prekend Latynch Pot , beweert in het
eerte boek van zyn Chronyk van Xeland ,
XIII. Hoofd-t :, dat de Maratirs , Stu
rin, en Cauchen door Plinius in de Zeeuwche
eilanden geplaatt zyn , dat de Maratirs
den naam der Klanders te kennen geven,
als wonende by de Z s ofte moerachen.
Want in dee geweten betekent het woor
deken March van ouds een Moeras, blyken
de ulx mede uit de oude Rhym-Chronyk, al
waar in 't verhaal van de gifte van Arnoldus,
Coning der Francen, aan Gerolphus, Grave
der Frien , gedaan gevonden werd. -

Dat hi gaff Boch , March, ende Xand.


Saet betekent een bewoonder. Alo zyn
de Holtatirs bewoonders der bochen, (de
Holteiners) de Alatirs (die van der Elas)
- O 3 be
214 P. Cluverius van de
bewoonders van de rivier, nu ter tyd Alle,
ofte Elle genoemd. De Maratirs zyn de
bewoonders aan de moeraen van Helium,
ofte van den Rhyn, gelyk uit die elve oor
aak de Dietmaren elders haar benaminge be
komen hebben, alwaar het woord Diet een
volk betekent.
Deelvej. Eyndius beweert aldaar mede
in het XIV. Hoofd-t:, dat de Cauchen (van
welke hy Meerdere , en Mindere telt) in de
Zeeuwche eilanden, aan dees zyde des
Rhyns naar de Schelde toe, als Schouwen,
Walcheren, en beide de Bevelanden , ge
woont hebben, latende de Meerdere aan de
Elve , en houd taande, dat de oude bena
mingen der plaaten ulx genoegaam betui
gen. Gelyk dan Pontus Heuterus den naam
der Cauchen van den kouden land-treek ( als
of men Couw-zy zeggen wilde ) poogt te doen
afdalen, alo houd j. Eyndius rond uit taan
de, dat de namen van Cauckirke in Walche
ren, en Schouwen, en aldaar twemaal Xau
burg , als de burg der Cauchen , in Zuid-Be
veland Cauwerve, en aan de andere zyde Cau
*# van de cauchen herkomtig zyn. '
og Joannes Ifacius Pontanus in zyne Dicept.
Chorographicaep. 132. is van meininge, dat de
naam van Sturien nu nog wel mogte overig
zyn in het eiland Urk in de Zuiderz, en dat
de naam der Maratirs nog blyft in de dor
pen van Utregt Maren, en Marsbergen 3 al
hoewel Cornelius Haemrodius , en H. junius
deelve tot den mond by Teel , Mardiep
genoemd, tragten te' brengen.
r- - - Zynde
' de
elve
* w
-

Uitlopen van den Rhyn. 215


elve niet alleen Maratirs by Plinius, en
Maracen by Tacitus , maar ook al van ouds
by de Romeinen Maraqueen genoemd, waar
toe hy een heerlyk bychrift uit een mar
mer-teen van Romen aanhaalt ; 't welk al
daar naar gezien kan werden. En in Repons:
Sylloge p: 97. zegt hy te vermeinen, dat het
voornaamte gedeelte der Friiakonen nog
overig is in de Waterlanders, en dat de ge
heugenie van de Sturin (of Urin , gelyk
hy van gedagten is , dat Haemrodius niet te
onregte gelezen heeft ) in Uriek, ofte het
gemelde eiland Urk, nog te vinden , dog dat
het land der Cauchen by na met den naam
door het overvloeien van dat meir (de #
der Z) tenemaal in vergetenie geraakt is.
Andere zyn van andere gedagten. Dogjder'
heeft de zyne.

xxII. HooFD-STUK.
Van de rivier Nabalia , nu
den Tel , dewelke noit by
Tacitus met den naam van
den Rhyn genoemd werd.
-

D# op dat ik te regt de eilanden


der Meerdere , en Mindere Fri
en, en der Maratirs in den Rhyn
O 4 32Ils
-
A

216 P. Cluverius van de


aanwyen mag, moet ik bevorens het
meir zelve, de Zuider-Z genoemd,
uitleggen, en bechryven. Hier van
# Pomponius Mela in het derde B.
aldus : De Rhyn uit de Alpen komende af
vloeien maakt niet verre van zyn oorpronk
tw meiren, het Veneets, en het Acronich
(lac de Contantz): Daar na lang in zyn
geheel , en in een ekeren kil voortvloeiende
werd hy niet ver van den Ocean gints,
en herwaarts verpreid. Maar aan de
linker zyde blyft hy nog een Rivier , en
den Rhyn, tot hy in Z loopt, aan de reg
ter zyde eert nauw , en zig zelven gelyk
zynde ; dog naderhand zyne oevers wyd,
en zyd van malkander af wykende, en nu
geen rivier, maar een overgroot meir zyn
de, werd na de velden onder water getelt
te hebben het Flie genoemd, en een eiland
van den elven naam omvangen hebbende,
werd by weder nauwer , en als een rivier
weder in Z uitgetort. Ik gie derhal
ven, dat dit van den beginne gantch
geen meir geweet is, als het welk ge
*
- - # werd de velden onder water getelt
te hebben. Het welk de diepte van 't
water, dewelke alhier zeer gering, en
*
klein is, ook opentlyk te kennen geeft.
Want men kan de gronden der meiren
niet wel velden noemen. Dog ik ben
van
Uitlopen van den Rhyn, 21x
van oordeel, dat de droge , ofte ( o
men liever wil ) de moeraige grond,
een ekeren kil aan de rivier den Yel
verleent heeft, tot dat hy in de Z
uitvloeide. En ik ben van gedagten,
dat zyn loop dudanig geweet heeft.
Die rivier neemt zyn oorpronk niet
ver van het Cateel Lymbeek in Wet
falen , en de kleine teedjes Ryngeberg,
#elburg, Anholt, Dotechum, Doesburg,
en Zutphen (tot nog toe aan de linker
zyde geen water ontfangen hebbende)
en voor by de vermaarde Steden De
venter, en Campen heen lopende valt hy
jegenwoordig aantonds in het meir;
en van ouds hier, van daan met een c
keren kil tuchen het eiland Ens , en
het naate trand der Frien. Van hier
ook met een ekeren kil tuchen tw
ondieptens, waar van de ene aan het
Frieche trand, de andere aan de lin
ker zyde nu het Brezand genoemd wer
den , wierd noordwaarts-aan in den
Ocean gevoerd door den mond , die
naderhand Flevum , of Fleum by de
Romeinen, dog jegenwoordig by de
landaten het Flie genoemd##
ook, dat alle de gene , dewelke voor
my dee landtreken bechreven heb.
- O5 ben,
218 P. Cluverius van de
ben , den ouden naam des riviers niet
geweten hebben. Het zal dan de pyne
waard zyn den elven alhier bekend te
maken. De eige naam dan des riviers
is Nabal geweet by de daar aan wo
nende Germanen. Denelven heeft
Tacitus naderhand naar het Romeinch
draiende de Nabalia genoemt. Laat ons
de woorden van den Schryver elve
( want ik zie, dat ze zelf door zeer
geleerde luiden in twit getrokken wer
den ) eens inzien. Hy zegt dan in het
V. B. der Hitorien , daar hy aandag
telyk de wederpannigheid van Civilis,
den Batavier verhaalt : Civilu kreeg een '
**
lut, om een cheeps-tryd te vertonen. En
kort daar na: Hy nam daar toe een vlakke
uitgetrektheid waters, als van een Z,
alwaar de mond van de rivier de Maas
den Rhyn-troom in Z uittort. En weder
naderhand : Hy (te weten Cerialis, de
Veld- heer van 't Romeinch leger )
quam voor 't troom, en zy voor den wind
af. Malkander alo dan voorby gevaren
zynde na het pogen van werp-geweer te
chieten, werden zy van een gecheiden.
Civilis niet meer betaan durvende is over
den Rhyn getogen; en Cerialis heeft het ei
land der Batavieren op een vyandlyke wye
ge
Uitlopen van den Rhyn. 219
geplundert. Nog naderhand : Cerialis
door geheime boden de Batavieren vrede,
en Civilis vergiffenie aanbiedende heeft Vel
leda, en zyne navrienden vermaant het ge
val des oorlogs , 't welk in o vele neder
lagen tegengelopen had, door een tydige ge
dientigheid jegens het Roomch volk te ver
anderen. Dat de Treviren verlagen, de
Obin weder in gedientigheid ontfangen
waren; en dat de Batavieren het vaderland
ontnomen was. Niet lang daar na voegt
die Schryver daar by de neiginge der
Batavieren tot de vrede , waar op hy
volgen laat ; Die neiginge was voor Civi
lie niet verborgen ; en hy nam voor deelve
voor te komen. En eindelyk : Een amen
praak verogt zynde werd de brug van de
rivier Nabalia gebroken. De Veld-heren tot
deelfs afgebroke einden gekomen zynde, o
heeft Civilis aldus opgeheft : Indien ik by
den Veldheer van Vitellius orc. 7. Lipius
( waarlyk een groot, en onvergelyke
lyk man in alle Roomche Odheden,
o men de Wereld-bechryvinge alleen
uitondert ) en Beatus Rhenanus willen
alhier in plaats van Nabalia liever le
zen Vahalis ( de Waal ); dog met een
grote mislag, en tegen den tyl van
de hitorie, nademaal de naam van
- Nabalia

22o s P. Cluverius van de


Nabalia haar tenemaal onbekend ge-
weet is. Welke mislag ligt te wedr
leggen is. Want indien Civilis, na
het pogen van een lag te water in de
mond van de rivier de Maas, over den
Rhyn getogen is, hoe heeft hy dan w
kort daar na een amenpraak aan de
Waal met den Romeinchen Veldheer
# ? Men kan immers niet gi
en , dat hy weder naar de Waal ge
keert is, na dat Cerialis het eiland op
een vyandlyke wye geplundert had,
dewyl Tacitus, die anderints een eer
nauwkeurig Schryver , elf van de
minte aken is , ulx niet getuigt,
nog de reden elve ulx dulden kan.
Want indien Civilis op de regter oever
des riviers geweet heeft, als de a
menpraak verogt wierd , o moet
Cerialis nootakelyk al bevorens uit het
eiland aan de linker zyde vertrokken
geweet zyn. Het welk Tacitus egter
niet verhaalt, Maar daerentegen toont
hy, als de amenpraak verogt wierd,
dat de Batavieren het vaderland ontnomen
was. Indien Civilis op de linkeroever
eweet heeft, is het te verwonderen,
door wat toutheid, of rukkeloosheid,
na dat hy door 't vervremden der ge
moederen .
- -- -- - - - - - -

- -

-
-

--
-
- -
-
- - -
- - - - -
- - - , , 4 *
- - - - - - -
- - -.
- - - --
- --
-
-
- -

'

- -

** -
-

- -

- -
- - - * * -

-
- --

- -
-
-
-
- u,

- -
,
- - -

: - - i
- -- -
- - - - - - - . '

-
- -
- -
- -- - -

- - -

- 's ,
-

'- - ww----* * * *
* - -- - - -- -
-

-
v: **
- -
* * *
-
t
-
-
t
+
-

- - w -- -

- , z
-
-

we * - -

- --
-

, r

-
-

- - ,
- - -- - - - - - -

- - - - - - --

- - - -
- '
s

----
-

-
'
-
-- + -

-
-

-
-
- *

r - - -

-
- -
- - -

- - --- - - - - - - - ---- -- -

-
v
"

*
Uitlopen van den Rhyn. 22r
moederen zyner lands-luiden verlaten
was, alleen uit de veiligte grenen
van Germani op de grond van Gal
li, 't welk tegen hem was, heeft dur
ven betaan overtegaan. Dog dit is
valch, en zeer verre van het opet van
Civilis , den welken Tacitus getuigt
vernuftig van geet geweet te zyn. Dat
"h op den grond van Germani over
den Rhyn getaan heeft, is eker. En
dat heeft Marlianus ook genoegaam be
merkt; dewelke, alhoewel hy de ware
rivier niet geweten chynt te hebben,
egter denelven telt over den Rhyn, het
land der Frien, en Gelderche bepoelende.
Hy heeft zig alhier van het woord der
Frien bedient, gelyk men gemeinlyk
nu ter tyd ziet, dat alle uitheemche
die landtreken, als het Graafchap
Zutphen, en Overyel in de naam van
Frieland begrypen. Maar waarom is
Civilis tot over den Yel gevlugt ?
Was het dan niet veilig genoeg voor
hem over den midden kiI desRhyns
tand te houden ? Neen inderdaad.
'' Want hy had den midden Rhyn elf
afgeleit, door wiens afleidinge de geringe
kil een gedaante verbeelde van vat aan een
leggende landen. En dee kil konde
- - v. , Cerialis,
Y
222 P. Claverius van de
Cerialis, die in 't eiland meeter was,
gantch niet tegenhouden , om ge
wind gewapenderhand op Civilis los te
gaan. Hieruit is dan eker, en buiten
tegenpreken, dat de rivier den Yel
eertyds Nabalia genoemd geweet is.
Het welk de Wereld-bechryvinge van
Ptolomaus ook chynt te bevetigen.
Want hy meld van een tad Navalia
w -
aan den Noorder kil van den Rhyn
( dewelke den Yel is ) welke naam
de onervare te onregte Navalia, in
een meerder getal uitleggen, als of
men daar mede een plaats, daar men
chepen oplegt, uitleggen moete, en
daar door de tad Campen vertaan, als
dewelke digt aan 't trand van de Zui
der-Z legt Dogzy merken niet, dat
die tad midden in 't land, en niet
weinig van trand af by Ptolomeus ge
plaatt werd in die treek, alwaar de ,
tad Deventer nu is. En Ptolomaeus
heeft de tad Navalia genoemt, naar
welkers naam de rivier by Tacitus Na
balia genoemd werd volgens die elve
manier van uitpraak, met welke de
Hoogduitchers, en Saxen een Nabel
noemen, 't welk by de Nederduit
chers een Navel genoemd werd, van
- M.' hoe
/
Uitlopen van den Rhyn. 223
hoedanigen oort van uitpraak onein
dige voorbeelden uit de taal der Hoog
duitchers bygebragt kunnen werden.
Maar ik moet op dee plaats een mi
lag van Ortelius aanmerken, dewelke
in zyne land-kaarten, waar van de ene
Germani, en d'andere het oud Ne
derland vertoont, vermeint heeft dat
den Yel den Alio van Dion was.
Waar in die ongelukkige wereld-be
chryver tw-ints gedwaalt heeft :
voor eert , om dat hy dee woorden
van Tacitus wegens Nabalia niet begre
pen, ten tweden, om dat hy de woor
den wegens Alio ook niet vertaan
heeft, waar van te zyner plaats wyd
lopiger gehandelt zal werden. Nu
moet ik H. 7unius wegens een over
grove mislag overtuigen , dewelke,
om de twede dwalinge wegens de land
palen van zyn Batavi uit Tacitus te be
wyen, verekert, dat den Yel altyd
by hem met de naam des Rhyns ge
noemd, en den midden kil met til
wygen overgelagen is. Tacitus inder
daad, alhoewel zeer vele bevaringen
uit het boven gedeelte van den Rhyn
naar de meiren toe verhaalende heeft
egter noit een naam by de rivier#
C
224 P. Cluverius van de
Yel getelt, als alleen dee elve van
Nabalia , en dat ook maar op de ne
boven aangehaalde plaats. Ik ben van
voornemen alle de plaaten van Tacitus
waar in hy gewag van de bevaringen
van dee rivier maakt hier aan te halen
op dat in niemand, die enige neiginge
voor het gevoelen van 7unius hebben
mogte , enig twyffel overblyve. In
het eerte Jaarboek, als Caear Germa
nicus een veld togt tegen de Cherucen
dede, zegt die Schryver : En op dat
den oorlog niet met een geweld te gelyk op
komen zoude, o zend hy Cecina met veer
tig Romeinche regimenten, om den vyand
te verdeilen , door het land der Bruteren
naar de rivier den Eems. Den overte
Pedo leide het paarde-volk door de grenzen
der Frien. Germanicus elve heeft vier
legioenen te cheep door de meiren gevoert.
En het voet-volk, en de vloot zyn te gelyk
by dien elven rivier by een gekomen. De
legers der Romeinen waren in de win
terlegers by den Rhyn by Vetera, en
den Altaarder Ubien, gelyk die Schry
ver kort te voren in 't elve boek ver
haalt. En daar vandaan getuigt hy,
dat Caear Germanicus de vier legioenen -
te cherp door de meiren gevoert heeft , en
egter
Uitlopen van den Rhyn. 225
egter maakt hy gantch geen gewag
van de graft van Druus, van de rivier
Nabalia , of van den derden kil des
Rhyns; daar het egter zeker is, dat
Germanicus langs geen andren kil in
de meiren afgezakt is. Kort nader
hand, als Germanicus van den oorlog
der Cherucen wederkeerde, zegt Ta
citus : Kort daar na het leger weder naar f
#
den Eems geleid hebbende brengt de le
gioenen weder met de vloot af, gelyk hy ze
aangebragt had , En een gedeelte van het
paarde-volk wierd bevolen langs het trand
des Oceans naar den Rhyn te trekken. Ger
manicus had ze door de meiren aange
voert ; by gevolge heeft hy ze ook
langs dien 'elven weg wederomge
voert. Maar dat een gedeelte van het
paarde-volk bevolen is naar den Rhyn te
trekken, Sulx is niet van Nabalia, ofte
den Yel, maar van het bovengedeel
te des Rhyns te vertaan, alwaar Ve
tera, en den Altaar der Ubien was,
waar henen het # wederom geleid
moet werden. Tacitus zegt nog kort
naderhand in de elve hitorie : Dog
Germanicus geeft aan Publ : Vitellius het
twede , en veertiende legioen, die hy te
cheep gevoerd had, over, om over land te
II. Deel. P gaan,
226 P. Cluverius van de .
gaan, p dat de vloot o veel te ligter op de
ndiepe z varen, of op de ondiepte niet vat
raken zoude. Daar na verhaalt one
Schryver het wortelen der legioenen
met de vloeden van den Ocean, en
voegt daar eindelyk by: Den dag heeft
hen het land wederom doen zien; en zy heb
ben tot de rivier de Wezer doorgedrongen,
( ik lee alhier den Vider, ofte Swarte
water , 't welk ik naderhand bewyzen
wil ) waar henen Cear Germanicus met
zyn vloot getogen was. En de praak liep,
# de ingecheepte legioenen verdronken
waren ; Ook had men geen hoop van haar
behoudenie, voor dat men Cear , en het
leger wederom zag, te weten in de win
terquartieren. Dog Tacitus de twede
veldtogt van Germanicus tegen de
Cherucen in het twede jaarboek ver
halende meld van de vaart o van de
graft van Druus, als van de meiren,
en nergens vind men den naam van
den Rhyn in den Yel. Zyne woor
den zyn dee : En de vloot wat nu al
aangekomen (te weten uit het eiland der
Batavieren, daar ze gebouwd, en toe
gerut was) en Germanicus de graft van
Druus ingevaren, en zyn vader Druus
gebeden hebbende, dat hy hem goedwillig
g72
Uitlopen van den Rhyn. 227
, en bezadigd door zyn voorbeeld, en geheu
gen van raad, en uitvoeringen wilde helpen,
is hy van daar door de meiren tot den Ocean
toe met een voorpoedige vaart by de rivier
den Eems gekomen. In het IV. Jaarboek
verhaalt hy, dat de Frien wederpan
# zynde het kateel Flevum belegert
hebben, en voegt daar by : Het welk
by L. Apronius onderregent van het neder
Germani vertaan zynde, o heeft hy de
vanen der legioenen uit de bovente provintie
( van Magontiacum ) met het uitgelee -
voet-en paarde-volk opontboden, en beide de
legers den Rhyn afgekomen zynde te gelyk
op de Frien afgetuert. Hier ziet men
ook wel, dat de naam van den Rhyn
niet aan de graft van Druus, nog aan
den Yel, alhoewel de vloot daar door
gevaren is, maar aan 't bovente ge
deelte van die rivier, dewelke van de
winterlegers tot de van een cheidinge
(by Schenkenchans) afvloeit, gegeven
werd. En nog klarer in het XI. Jaar
boek als de Cauchen, onder 't gelei
van Gannacus, een Caninefaat , het
neder Germani met ligt vaart-tuig on
veilig maakten, en beroofden, zegt
Tacitus : Corbulo deed de drieriemde ga- .
leijen door den kil van
v.
den Rhyn, en de Z/A74
P 2,
ret -

V
228 . P. Cluverius van de
van de chepen, naar dat elx hequaamheid
was, door de watten, en troom gaten
voortdryven, en heeft, de chuiten der vy
anden in de grond geholpen zynde, Gan
macus verdreven. Dat alhier de midden
kil des Rhyns, die naar Leiden loopt,
en den naam als nog behoudende is,
vertaan moet werden, kan men niet
twyffelen. Want indien de Schryver
den Yel had willen te kennen geven,
o oude hy naar gewoonte ook gewag
van de meiren gemaakt hebben. Maar
door de watten, of ondieptens, en
troomgaten, vertaat hy die, dewelke
Zeland van een cheiden, als boven is
aangemerkt; Want Gannacus ontvei
ligde meet de kut van Gallie. We
halven Corbulo langs de tw wetelyker
killen des Rhyns, te weten, die van
Leiden , en de Waal , zyn vloot af
getuirt heeft. Want Nabalia, en den
uitloop het Flie zyn verder van Galli.
So dat hier elfs genoeg uit blykt, dat
de enigte midden kil by Tacitus den
Rhyn genoemd werd, dewelke een
ontwyffelbare afcheidinge tuchen
Germani , en Galli is. In het elve
boek, als de natie der Frien , na de
wederpannigheid , zig overgaven ,
heeft
Uitlopen van den Rhyn. 229
heefr Corbulo , pands-mannen ontfan
gen hebbende, aan de Frien haar lan
den betekent; Ook heeft hy hen een Raad,
Magitraat, en wetten gegeven. En, op dat
ze zyne bevelen niet nalaten fouden na te
komen, heeft hy er ook een bezettinge byge
voegt. Maar Claudius had o een nieuw ge
weld tegen de Germanin verboden, oda
nig, dat hy de bezettingen weder aan dees
zyde des Rhyns (ten opzigte van Galli)
heeft doen komen. Ik ben van gevoelen,
dat men alhier gantch dwaalyk met
7unius onder den naam des Rhyns den
Yel vertaan zoude. Want alhoewel
hy vermeint, dat de Frien by Tacitus
in over-rhynche, en aan dees zyde des
Rhyns wonende ondercheiden wer
den, o oude hy egter alhier te on
regte beluiten, dat die Schryver on
der enig ondercheid de gehele natie
der Frien te kennen gegeven heeft.
Hebbe hier boven genoegaam aange
toont , dat de Frien tot den midden
kil des Rhyns toe behoort hebben.
Derhalven is het eker, dat Tacitus op
dee niet den Yel , maar den Leid
chen Rhyn, die de afcheidinge van
de Germanin, en Galli is, te kennen
gegeven heeft. In het XIII. Jaarboek
P 3 zegt
23o P. Cluverius van de .
zegt Tacitus wyders is uit de getadige le
digheid der heyeren een gerugt onttaan, dat
de tadhouderen het regt ontnomen was van
tegen den vyand aan te trecken. Derhal
ven hebben de Frieen de jonge manchap
door bochen ofte moerachen , en de ont
treydbare kinderen door de meiren naar den
oever gevoert, en de ledige ackers, die tot
gebrujk der oldaten bewaard waren in bet
genomen. Dat dee ackers in die land
treek geweet yn, daar nu het graaf
chap Zutphen is al ik elders aan tonen.
# hebben de Frieen de hare
o aan den oever van den Yel als des
Rhyns gebragt en egter maakt Tacitus al
hier # gewag van den Rhyn, alhoe
wel hy van de meiren melt. In 't V. B.
als Civilis, na den tegenpoedigen lag
by Vetera, de tad der Batavieren (ik
leze altyd Steden) met de wapenen niet
durfde verdedigen, o is hy in het ei
land overgetogen, en Tutor met Cla.
icus , nevens honderd , en dertien raden
der Treviren zyn mede over den Rhyn ge
trokken. Niet over de Waal, daar Ci
vilis overtrok, maar hoger in hare
grenen ontrent den amenvloed van
den Moeel, (Coblents) alwaar maar ne
kil, en geen andere naam, als die van
s den Rhyns, is. En
Uitlopen van den Rhyn, 231
En in der daad alhoewel men zeide,
dat de killen van den Rhyn in 't ge
heel drie in getal zyn, egter hebben
de oude Schryvers van deelve gewag
makende ider met zyn eigen naam ge
noemt. Alo werd dee nu ter tyd ook
den Yel, de andere de Waal, en de
midden kil den Rhyn genoemd, het
welk wy zien, dat Tacitus nauwkeurig
agtervolgt heeft. Ook moet ulx noot
akelyk gechieden, op dat, indien al
le de killen met den naam van den
Rhyn alleen onder enig ondercheid
genoemd wierden, de aandagt des le
zers niet verwerren mogte door twyf
fel, welke van de drie vertaan wierd.
Maar dat dit niet alleen by Tacitus,
maar ook by andere Schryvers opge
merkt is, blykt hier uit, dat dee el
ve, alsze den midden kil vertonden,
het enkel woord des Rhyns, onder
enig ondercheid, gebruikt hebben.
Alzo chryft Florus in het IV. B. XII.
Hoofdt: Tot beveilinge der Provincien
heeft hy overal bezettingen getelt, langs de
Maas, langs den Elve, en de Wezer.
Want aan den Rhyn kant heeft hy meer
als vyftig Katelen opgerigt. Heb boven
aangetoont, aan wat kil van de rivier,
- - P 4. . Ila
232 P. Cluverius van de
na dat deelve van een gecheiden is,
een gedeelte van dee Katelen ge
weet is, te weten aan den midden
kil in 't eiland der Batavieren te Are
nacum , Vada , Grinnes, Batavodu
rum , te Lugdunum Batavorum, en
aan de mond van de rivier. Suetonius
chryft in Caligula aldus X L II I.
Hoofdt: Vermaand zynde wegens het
vervullen van 't getal der Batavieren,
die hy ontrent zig had, zo heeft hy een
drift gekregen van een Germaniche veld
togt; en hy heeft deelve niet uitgetelt.
En kort naderhand: Na dat hy in het
leger gekomen was, zo heeft hy, om te
tonen, dat hy een treng Veld-heer was,
de onder-Veld-heeren, dewelke hare hulp
benden te laat aangevoert hadden, met
chande ontlagen. En een weinig daar
na: Kort naderhand, als er oorlogs re
denen ontbraken, heeft hy enige weinige
Germanen van zyne lyf-trawanten over
den Rhyn bevolen te trekken, zig aldaar
te verbergen, en nademiddag met een zeer
groot gedruis, en ontuimigheid aan hem
de tydinge te brengen, dat, de vyand na
hy was. Het welk gechiet zynde is hy
aantonts met zyne vrienden, en een ge
deelte van zyne hof-ruiterye opgevlogen,
en ,
Uitlopen van den Rhyn. 233
en in 't na by zynde boch gerukt, en de
bomen hebbende gedaan afhakken, en op -
de manier van triomf- tekenen toebe
reiden is hy weder tot het ligt gekeert,
en heeft dier gene , dewelke niet gevolgt
waren, bloheid , en vreze beript, dog
zyne metgezellen, en die deel aan de over
winninge hadden, met een nieuw zoort,
en naam van kronen begiftigt. En we
derom: Eindelyk, als of hy den oorlog
ten einde brengen wilde , zyn leger in
lagorde op het trand des Oceans, en de
werp-tuigen, en andere gevaartens opge
telt hebbende, dewyl niemand wit, nog
te bedenken konde, wat hy aanvangen
zoude, zo heeft hy chielyk bevolen, dat
zyne krygsknegten de chelpen opgaderen,
en hare tormhoeden, en choten met de
elve vullen ouden, noemende deelve een
roof van den Ocean, die aan 't Capitool,
en 't Palais verchuld waren. Caligula
was tot de legerplaats gekomen. Dee
is niet geweet, als op de linkeroever
van den midden kil. Hem wierd ty
dinge gebragt, dat de vyand na by
over den Rhyn was. Hier konde nie-,
mand, als een Germaanche Fries we
zen, dewyl de Batavieren genoegaam
bevredigt waren, en door menigvul
P 5 dige
234 P. Cluverius van de
dige legerplaaten, en bezettingen langs
den oever des Rhyns in toom gehou
den wierden, alwaar Caligula ontwyf
felbaar met zyn leger getaan heeft.
Eindelyk heeft hy zyn leger op het
trand in lagorde getelt. Dit is mc
de buiten twyffel op dienelven oever
geweet, en is alzo een verbeeldinge
gemaakt, als of die lagorde tegen den
Friechen vyand aangeteld was. Dog
Plinius chryft nog klarer in 't IV. B.
XXIII. Hoofdt: alwaar hy de metin
ge van Europe oprekent, zeggende:
Maar van Italie elve zyn , als gezegt,
twaalf honderd, en twintig duiend paen.
Van waar door Lions tot de Britanniche
haven der Morinen ( Calais, of daar on
trent , daar de hoofden van 't Canaal
malkander de naate zyn ) langs welke
weg Polybius zyne afmetinge chynt te ma
ken, elf duiend , en drie en etig paen.
Dog de afmetinge is meer eker, en ook lan
ger naar het ondergaan van de omer-zon,
en mond des Rhyns toe door de legerplaaten
der ligioenen van Germani , en werd de
elve gerekent van die elve Alpen af tot
twaalf duiend drie en veertig paen. Hy
zegt : den mond de Rhyns, en niet: de
monden, om dat hy wilde, dat #
CIn
* /

Uitlopen van den Rhyn. 235


den midden kil vertaan zoude, waar
by de gemelde legerplaaten waren.
Hier mede oude ik oordelen van de
rivier Nabalia , ofte den Yel genoeg
gezegt te hebben, ten ware een grove
mislag van ommige een grote betwit
reden verooraakte, die ik gantchelyk
met geen tilwygen overtappen kan.
Strabo in het V l I. B. Germani be-
chryvende zegt: Ook is er de rivier Sala,
tuchen welken, en den Rhyn Druus Ger
manicus gelukkig oorlogende getorven is. Zy
willen , dat dee Sala den naam Yel,
en dat dee de ware, en oude van die
rivier is. Want zy houden taande,
dat de rivier Sala, die jegenwoordig
by de aanwoonders Die Sala genoemd
in de Elve loopt, te verre van dcn
Rhyn af is, als dat die met het gevoe
len van dien wereld-bechryver over
eenkomen zoude. Dog dee zyn we
derom te beripen, dat ze zig aan een
Schryver , die ze niet vertaan, hou
dende, na de overige niet luiteren.
Dio Caius deelve hitorie, waar van
Strabo meld , van Druus verhalende
chryft aldus: In de landpalen der Catten
gekomen , en al dat voorquam niet onder
grote moeite 't onderbrengende, en de tryd
*
v,
w

236 P. Cluwerius van de


aanvaardende, door geen onbloedige over
winninge overmeeterende is hy tot de Sueven
toe gekomen, naderhand den weg naar de
landpalen der Cherucen gewent hebbende,
en over de Weer gekomen zynde is hy alles
berovende tot de Elve toe getrokken. Als
hy dee rivier te vergeefs gepoogt had over
te trekken , o is hy na het opregten van
triomphtekenen wedergekeert. En kort na
derhand : Want hy begonde aantonts te
rug te keren, en in die reis is hy, al eer hy
tot aan den Rhyn quam , door een ekte
overleden. Nu ziet men , dat Strabo
zegt, dat Druus tuchen de Sala, en
Rhyn oorlogende getorven is. Maar
Dio getuigt, dat hy in dee veld-togt
de Catten , en Cherucen 't onderge
bragt heeft. Waar zal men dan de
woonplaatzen deer volken oeken ?
Tuchen den Yel , en den Rhyn,
in dat gedeelte van Gelderland, 't welk
nu de Veluwe genoemd werd? of wel
tuchen den Rhyn, en die rivier, de
welke tegenwoordig die Sale genoemd
in de Elve vloeit ? Ik zoude alhier te
nemaal van die gedagten zyn. Want
dat de Chatten nu ter tyd Heen, en
de Cherucen Brunwykers , en Lu
neburgers genoemd werden, is by #
y

Uitlopen van den Rhyn. 237


by alle de uitleggers van de oude we
reld-bechryvers buiten twyffel. En
ik zal elders op zyn plaats zulx met
meer bewys-redenen aantonen. Daar
enboven getuigt Dio, dat Druus tot de
Sueven toe voort getrokken is. En wat
is dit land der Sueven ? Immers anders
geen, als welkers gedeelte de Her
munduren zyn , naat aan de Chatten
aanwonende, en door de rivier de Sala,
dewelke vrugtbaar in zout is (gelyk Ta
citus in het XIII Jaarboek getuigt) en
waar van deelve den naam ook heeft,
van een gecheide. Derhalven verhaalt
Strabo te regt, en naar waarheid, dat
Druus tuchen de Sala, en den Rhyn
geoorlogt heeft. Dog die andere leg
gen de Sala van Strabo te onregte uit
voor den Yel; den welken ik vermein
genoegaam aangetoont te hebben, dat
van ouds Nabalia genoemd is.
Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofd-tuk.

joannes Ifacius Pontanus in zyne Dicepta


tiones Chorographicaep : Ioo, en meer andere,
zyn van vermoeden, of men alhier by Ta
citus door de Nabalia niet wel de Nava, ofte
Naue, die by Bingen in den Rhyn valt, zou
de behoren te vertaan, dewyl dit nader by
Trier
238
Trier is.
P. Cluverius van de
Want honderd en dertien raden der
Treviren waren ook over den Rhyn gevlugt,
en , de genegentheid harer lands- genoten.
tot de vrede vertaan hebbende, wilden me-
de een einde van den oorlog maken, en,
gelyk Tacitus zegt, elf de andere voorkomen.
Andere wederom lezen in Tacitus : Scinditur
navalis flumin pons. dat is de chip-brug werd
van een gebroken. Dog niemand durft iets
rond uit taande houden , o als Cluverius
doet. En ik zoude van gedagten zyn, dat
het gewag van de raden der Treviren het ge
voelen van Cluverius grotelyx terkt. Want
voor eert is het gewag maken van de Tre
viren gantch geen bewys , dat die amen
praak niet verre van Trier zoude geweet
zyn, maar in tegendeel 't gevoelen van on
en deftigen Schryver bekragtigende. Het
welk ik dudanig vermein uit de woorden van
Tacitus bewefen te kunnen werden. Indien
de raden niet verre van Trier geweet had
den, konden zy dikwils op een dag kennie
van de neiginge van hare lands-luiden ge
kregen hebben. Dog Tacitus zegt , dat ze
daar van kennis kregen ( het welk ekerlyk
al wat tyd nodig gehad heeft, daar zy by de
vlugtelingen zynde deelve o ligt niet kon
den krygen in een verdere afgelegentheid
door de bezettinge van den overwinnenden
vyand) en toen elf tragteden voor te komen
den yver van hare lands- luiden door het
luiten van een vrede met de Romeinen. So
dat dit meer chynt gechiet te zyn by den
Yel, als by de Naue.
XXIII.
e.

- Uitlopen van den Rhyn. 239

xxIII. HoofD-STUK
Van het meir Flevus, en de
ondiepe z tuchen het vate , s'
land van Frieland, en de S
eilanden, mitgaders van de
eilanden van Frieland el
ve; als mede van het Ca
teel Flevum , ofte Fleum.
U keer ik weder tot het meir.
N Hebbe hier boven verhaalt, dat
alhier eertyds een droge, ofte ten min
ten een moeraige grond geweet is. -
Dog ik vinde by niemand van de Schry- ,
vers, wanneer , of hoe het eert een
meir geworden is. - Egter oude men -
wel mogen gien , dat ulx op dien
elven tyd gechied is, alwanneer de
Cimbren , en Teutonen door een in
breuk des Oceans uit hare vaderlyke
woonplaaten verdreven zyn. En ik
oude wel vermeinen, dat die inbreuk
van de Z op 't gantche trand , #
WCIK ...,

,
24o P. Cluverius van de
welk van Zuider-Jutland, een gedeel
te van Denemarken, tot de Galliche
engte ( de hoofden van het Canaal) zig
uittrekt, ingevallen is. Hierdoor is
de grond van Zeland eertyds aan mal
kander vat tot eilanden door geduirige
z-invloeingen geworden, gelyk de
wegens hier voren gemeld is. Hier
door zyn ook invloeiingen en ondiep
tens aan de tranden der Cauchen, en
Frien op een grond, die eertyds ook
droog was, dewelke door het lang
aanpoelen en afteken des Oceans o
uitgepoeld, en gediept zyn , dat de
elve nu niet meer by beurten dan een
gedaante van een eiland, en dan we
derom van vat land maken, maar dat
het hoge land door zeer diep water
gedurig omvangen niet als met chepen
te bevaren is. En dat dit diep water
eertyds maar ondiepten geweet zyn,
dewelke met hoog water vol, en met
laag ledig waren, werd ook by de oude
Schryvers getuigt. Onder deelve is
ook Dio Caius in het LIV. B. alwaar
hy de uitvoeringen van Druus Ger
manicus onder den Kaizer Augutus
met dee woorden verhaalt : AVader
hand langs den Rhyn in den Ocean gevoert
zynde
Uitlopen van den Rhyn. 24r
zynde heeft hy de Frien getemt , en als hy
door 't moeras naar de grenen der Cauchen
overtak heeft hy gevaar gelopen, door die 2
de chepen door 't vallend water op droog
raakten. Hy noemt alhier een moeras,
't geen als nu Twat genoemd werd,
het welk een ondiepe z betekent ,
tuchen het vate land van beide de
Frielanden, en de daar tegen over leg
ende eilanden. Want ander moeras
is er niet, om uit Frieland naar de kut
der Cauchen ( want deelve wonen tu,
chen de rivieren de Elve, en de We
er ) met gemak te varen. Dog hy
heeft den Ocean genoemt , 't welk
egter niet als de ondieptens tuchen
Wet-Frieland, en de daar tegen over
leggende eilanden waren, als Texel,
Vlieland, Ameland, en de andere.
Want het was gantch niet nodig, dat
Druus buiten dee eilanden in den
open Ocean zeilde, dewyl hy de Fri
en tragtede 't onder te brengen. Dog
Dio chynt alhier Tacitus, ofwel andere
Schryvers , dewelke voor hem de uit
voeringen van Druus, en deelfs oon
Germanicus bechreven hebben , na-
evolgt te hebben. Tacitus in het eerte
e
# de oorlogs uitvoeringen van
II. Deel. Ger-
242 P. Cluverius van de
manicus tegen de Cherucen naukeurig
bechryvende zegt : En op dat den oorlog
niet met een geweld te gelyk hen op 't lyf
vallen zoude, o tuirt hy Cecina met veer
tig Romeinche regimenten door 't land der
Bruteren, om den vyand te verdeilen, naar
de rivier den Eems : Pedo voerde het
paarde-volk aan door de grenen der Frien.
Hy elf te cheep zynde voerde vier legioenen
door de meiren aan. En alo zyn te gelyk
het voet, en paarde-volk met de vloot aan
de gemelde rivier aangekomen. Dat dee
meiren nu de Zuiaer. Ze zyn, al uit het
volgende blyken. Tacitus dan zegt kort
daar na: Het leger naar den Eems weder
geleid hebbende, brengt hy de legioenen met
de vloot, gelyk hy ze aangevoert had, we
derom Een gedeelte der ruiterye wierd be
volen langs het trand van den Ocean naar
den Rhyn te trekken. En naderhand :
Dog Germanicus geeft van de legioenen,
die hy te cheep aangevoerd had, het twede,
en veertiende aan P. Vitellius te geleiden,
op dat de vloot o veel te ligter over de
ondiepe Z varen , nog met vallend water
op de droogten raken oude. Vitellius dede
zyn reis eert op een droge grond, en onder
moeite, alhoeweler iet weinigs van de vloed
aan quam lopen. Kort naderhand door het
(24/7
-
Uitlopen van den Rhyn. 243
aandryven van den Noorden wind, mit
gadrs door den tyd, als dag, en nagt even
lang is, wanneer den Ocean het meete op
welt , o wierden de benden gerukt, en
geolt , en het land overvloeid, odanig,
dat de z, het trand, en het veld, niet
als ne gedaante had, nog de onckere plaat
en van de vate , nog de ondieptens van
de dieptens ondercheiden konden werden.
Door dee woorden : Een gedeelte van
de ruiterye wierd bevolen langs het trand
van den Ocean naar den Rhyn te trekken,
noemt hy uitdrukkelyk genoeg den
Ocean voor die ondieptens. Want hoe
ouden die ruiteren door die wiel
vallige, en geduirige vloeden tuchen
de eilanden langs den open Ocean heb
ben kunnen trekken, of kruipen? En
met de ondiepe Z betekent de Schryver
klaar genoeg die ondieptens, dewelke
nu Twat genoemd werden. Want in
dien hy door den open Ocean gevaren
had , o had hy gne ondiepten, of op
en-af-lopende Z te vreen. Nu verveelt
het my niet de meininge van ommige
alhier by te voegen. Onder andere dan
voegt 7. Lipius by de woorden van
Tacitus : De nauwe doorloop van de Z,
het trand, en de velden hebben als dan ne,
- * - Q-z en
244 P. Cluverius van de
en deelve gedaante, dit van het zyne by:
'Uit dee veelvuldige plaaten is het baar
blykelyk, dat op dee plaats van het trand
die and-heuvelen , dewelke waarlyk meer
gevaartens , als bergen , genoemd moeten
werden, en nu ter tyd den Ocean afkeren.
En dat geweld van and is in vorige tyden
aangewaen door het helm-planten, niet
onder ingeven des Almagtigten. Dog
waar van is odanig geweld van and
aangewaen ? Van het land, of wel
van de Z ? Mogelyk van het land.
Dog op wat manier ? Mogelyk zal
men zeggen, door een inbreuk, ge
lyk in andere plaaten gechiet. Dog
hier in is men mileid. Want odanige
inbreuken gechieden niet, als in holle
gronden ; hoedanige alhier niet te vin
den zyn. Dog door 't waien van de
winden, en tegenwerpinge van de Z
konde odanige zand-hoogte mogelyk
wel opgeworpen werden. Maar dit
chynt my ook niet waarchynlyk. Ik
zal dan dewegens myn gevoelen zeg
gen. Heb niet geerne, dat o onge
rymde aak door o vele, en moeielyke
bewyen aangetoont werd. Die on
dieptens, als boven geegt, heeft de
Schryver den Ocean genoemt ; Dog
* * niet
Uitlopen van den Rhyn. 245
niet het trand, 't welk buiten de on
dieptens , en eilanden, maar 't geen
aan 't vate land van Frieland is. De
wyl dan alhier geen duinen in de weg
waren, konde de Ocean ligtelyk het
opperte van 't land overlopen. Niet
te min waren er ook zand-heuvelen in
de eilanden van Frieland, Holland,
en Zeland, als mede op het overige
trand des Oceans tot de hoofden van
't Canal toe. Dog dat er toen ter tyd
al eilanden voor het vate land van
Frieland geweet zyn, blykt uit Pli
nius , dewelke in het IV B, XIII
Hoofd-t : chryft, dat van de op een
manier van een eiland uittekende hoek
der Cimbren ( nu een gedeelte van Dene
marken , 7utland genoemd) tot de mon
den des Rhyns XXIII. eilanden door
de wapenen der Romeinen bekend
waren. En indien men hier onder de -
eilanden niet rekent, dewelke tuchen
het Flie, en de Elve zyn, zal men 't
volle getal niet wel kunnen vinden.
En dee zyn onder andere wel meet
by de Romeinen bekend geweet , de
wyl Druus , en deelfs zoon Germa
nicus den Ocean tot de Elve toe be-
varen hebben. Ook moet men geen
- Q-3 mis
s - -
-

246 P. Cluverius van de


mislag hebben ontrent het eiland der
Batavieren, als of alhier gene duinen
geweet hadden, om dat het elve door
de golven des Oceans overlopen wierd.
Dog ulx is 't gantche trand langs
niet gechiet, maar 't water wierd al
leen door de monden des Rhyns inge
voerd. Derhalven heeft Corbulo (als
Tacitus in het XI. Jaarboek chryft)
tuchen den Maas, en Rhyn een graft la
ten graven tot het beletten van de oneker
heden des Oceans. Welke woorden Dio
opregtelyk in LV. B. uitleggende zegt:
Op dat de rivieren door den vloed des
Oceans oplopende niet ouden overvloeien.
Waar jegens nu ter tyd genoegaam in
dee geweten voor-orge gedragen is,
o vele, en o grote graften overal ge
maakt zynde, dat de vloed des Oce
ans, ten zy 't ## en terk uit den
Noorden waeide, Holland geen chade
doen kan. Maar nog een andere plaats
van Tacitus ondercheit uitdrukkelyk
den open Ocean van dee ondiepe Z.
In het twede Jaarboek de uittogt van
Germanicus tegen de Cherucen ver
halende zegt hy: En de vloot was nu al
met de voor uitgeonde lyftogt aangekomen,
en de chepen onder de legioenen, en bond
- - - genoten
Uitlopen van den Rhyn. 247
genoten veerdeelt hebbende is hy de graft,
dewelke die van Druu genoemd werd,
ingevaren zynde , en zyn vader Druus ge
beden hebbende, dat hy hem 't elve be
taande goedwillig , en genoegende met het
voorbeeld, en geheugenie van raad en daad
helpen wilde, vaart hy gelukkelyk daar
van daan door de meiren , en den Ocean
tot aan de rivier de Eems. En nader
hand, als den oorlog geindigt was,
zegt hy : Dog de omer nu op zyn bet
zynde zyn enige legioenen te land naar haar
winterlegers geonden, en meer andere in de
vloot ingecheept zynde door den Eems den
Ocean ingevaren. En in 't eerte ruichte
de Z door 't roeien van duizend chepen,
of waagde van 't zeilen. Kort daar na
wierd met een digten drem der wolken ha
gel uitgetord. Voorts komen er vercheide
buyen van alle kanten, o dat door de golven
onder orde het uitzigt benomen, en het
Jtuiren belet wierd. De oldaten ook be
vreet , en geen kennie van de Ze-vlagen
hebbende, terwyl ze de boots-luiden in den
weg liepen, of te onpae, helpen wilden,
verbroddeden den dient diergene, die zig
zulx vertonden. Hier na loeg de gantche
hemel, en Z naar 't zuiden; Welke wind
kragt krygende van de bolle landen , en
Q-4 diepe
248 P. Cluverius van de
diepe tromen van Germanie , mitgaders
door een overgroten drift der wolken, en te
ylyker door de nabyheid van 't Noorden,
de chepen in den vollen Ocean gerukt, ende
vertroit heeft. Bygevolge dan waren
zy te voren nog in den open Ocean
niet, als wanneer de tille Z door de -
riemen gaande wierd, maar in de on
dieptens, dewelke nu ter tyd Twat
(ofte de Watten; *welk woord van Vada,
ofte ondieptens voortkoomt) genoemd
werden. Dog dat dee toen ter tyd de
ware ondieptens geweet zyn, dewelke
door 't opkomen des Oceans vol, en
door het ebbe weder ledig wierden,
zal ik te gelyk uit Plinius, en Tacitus
pogen te bewyzen op dat niemand
twyffelen moge, of een ondiepe Z
door geduirige golven des Oceans ver
vuld geweet is. Plinius dan zegt in het
XVI. B. I. Hoofd-t : Dog in het Noor
den zyn by ons gezien de volken der Cauchen,
, dewelke de meerdere, en de mindere ge
noemd werden. Aldaar werd langs een
groten inloop tw maal geduirig by tuchen
poen van jder dag, en nagt den Ocean
onmetelyk ingetort, bedekkende de ewige
onenigheid van de natuir der dingen, en het
is in twyfel, of het een gedeelte van de
-
vr
/ aarde,
Uitlopen van den Rhyn. 249
aarde, of wel van de Z is. Het elendig
volk woont aldaar op hoge heuvelen, gelyk
als op met de hand gemaakte regter-toelen,
om by ondervindinge van den hoogten vloed
vry te zyn, en hare huisjes daar op tellen
de. En zy zyn als varende luiden, als ze
van de wateren omringt zyn, en als chip
breukelingen , wanneer deelve weder afge
lopen zyn. Daarenboven maken zy ook on
trent hare hutten vangt op de vichen, de
welke met de Z weder weg vlugten. Hier
ziet men , dat door een groten inloop
den Ocean onmetelyk ingetort werd,
en de eeuwige onenigheid van de natuir
der dingen bedekt, dat is, gelyk Taci
tus hier boven aangehaalt zegt : De Z,
het trand, en de velden hadden ene , en
deelve gedaante, odanig dat men het vate
land van 't gebroke en de diepten van de
ondiepten niet ondercheiden konde. So dat
ze gelyk als varende luiden chenen te
zyn Dog het water liep altyd niet
over 't land, dat met heuvelen omheint
was, maar deelve liepen geduirig b
tuchen-poen van jder dag en nagt af,
o dat ze als dan chip-breukelingen,
dewelke op 't trand gejaagt zyn, ge
lyk waren, en aldaar rondom hare
hutten op de vichen, die met de Z
- Q5 weg
25o P. Cluverius van de
weg vlieden, in de gronden van de on
dieptens vangt maakten. Derhalven
zegt Dio te regt van Druus, als hy
door dee ondiepten voer: Door de poe
len, en moeraen , maar de grenen der
Cauchen trekkende is hy in gevaar gevallen,
door dien de chepen door de ebbe op 't droog
bleven zitten. -

Weshalven dan, dewyl huidendaags


de elve diepte nog van de ondiepe Z
by Frieland, als aan de kut der Cau
chen is, o gie ik, dat de gelegent
heid van beide de tranden niet onver
chillende geweet is. Dog ik heb Ta
citus tot een overtuigende getuige. De
ze chryft in het IV. Jaarboek, als de
Frien door de al te traffe afperinge
van Olennius aangehitz wederpannig
wierden , aldus : De oldaten, die met
het inzamelen der chattingen bezig waren,
wierden by de kop gevat , en aan de galg
gehangen. Olennium ontging de verbitterde
met de vlugt , ontfangen werdende in een
lot, dat Flevum genoemd werd, en een
troep van burgers, en bondgenoten, die niet
klein was, hield aldaar de tranden van
den Ocean bezet. Het welk L. Apronius
Betierder van neder-Germani ter oren ge
komen zynde, o heeft hy de tanderts der
- legioenen
Uitlopen van den Rhyn. 251
legioenen uit de boven provincie, en de uit
gelezene der hulp-ruiteren opontboden, en
heeft beide deze legers te gelyk op de Frien
aangevoert, als de belegering van 't lot al
opgebroken , en de wederpannige om 'hare
eige goederen te bechermen vertrokken waren.
Derhalven verterkt hy de naate ondieptens
met wallen , en bruggen, om de waarte
troep over te kunnen voeren. En onder
tuchen de ondieptens gevonden hebbende,
gebiet hy de vleugel der Caninefaten en alle
de Germanen, die onder de Romeinen dien
den, de vyanden van agteren te omcingelen.
Dewelke nu al in lagorde geteld zynde de
hulp-benden , en de ruiteren der legioenen
hen te hulp geonden verjagen. Ptolomeus
# 4Anate, ( Fleeoam ) en , gelyk de
edorve afchriften hebben , pixists
( Fileeoum ) buiten denderden kil des
Rhyns, wiens mond by Plinius het
Flie is, de eerte tad, daar men onder
de teden van Germani aankoomt.
Dog alhoewel deelfs gelegentheit niet
wel overeenkoomt (want het is al verre
van de monden des R-hyns, en na by
de mond van den Eems ) om dat het
egter de elve naam, als een mond van
den Rhyn gehad heeft, en de eerte
tad van Germani is, moet men niet
-- - twyf.
'/ -

252 P. Cluverius van de


twyffelen, of het is hier digt by ge
weet. Alo is de tad Vulturnum by de
rivier Vulturnus in Campanie, een land
chap van Itali ; en Sybarie by den
vloed Sybaris, Syri by den troom Syris
in Magna Graecia ook in Italie, en
ontelbre andere meer de gantche we
reld door. By Ptolomeus heeft het ge
tal der graden door onkundige , of
loffige boek - uitchryvers vervalcht
kunnen werden. Indien men egter
geloven wil , dat Ptolomeus elve niet
gedwaalt heeft, hoewel zulx by hem
zeer gewoon is, moet men daarom
ook aannemen, dat dit het Kateel was,
't welk aan 't Flie leide ? En om dat
een bende van borgeren, en bond-genoten
aldaar de tranden des Oceans bezetteden,
en Ptolomeus de tad Flevum op het
trand telt , o is het eker, dat het
Kateel, 't welk by Plinius Flevum ge
noemd werd, by den mond des riviers
elve gelegen geweet heeft. En na
demaal het blykt, dat dit Kateel bui
ten den uitterten uitloop des Rhyns,
dat is, aan het Flie, en aan den Ocean
geweet heeft, o heeft het op geen
andere plaats gelegen, als daar men nu
den toorn van Sint Bernard ziet in het
- Friech
4', - A- . w , n 4 - e
* * *

Uitlopen van den Rhyn. 253


Friech eiland der Schelling. Daarom
heeft L. Apronius, Betierder van het
neder-Germani , wiens winter-leger
plaats by Vetera was, de chepen langs
den Rhyn , daar na door het meir,
nu de Zuider Z , en door den kil het
Flie afgekomen aan het Flie in den uit
loop het Flie aangebragt, om 't elve
van de belegering der Frien te ver
loen. En als de vyanden gezegt wer
den vertrokken geweet te zyn, om het
hare te bechermen , eer Apronius aan
quam , o moet men niet anders daar
uit vertaan, als dat ze naar het naate
vate land van Friie vertrokken zyn.
Als Apronius dan deelve hier henen
vervolgen wilde, moet hy nootakelyk
de naate ondieptens, hoedanig deelve
nog ten huidigen dage zyn, tuchen
't gemelde eiland Schelling, en het naat
te vate land van Frieland, daar de
Stad Harlingen legt, met dyken, en om
- * dat er dieper killen tuchen beide lie
Pen, die nu ter tyd Coggendiep, en
Crommebalg genoemd werden, met brug
gen om den waarten troep over te voeren,
verterken. Ondertuchen egter zyn in
deelve killen ook ondieptens gevonden,
waar door de vleugel der Caninefaten, en
al

S *
254 P. Cluverius van de
al 't voetvolk der Germanen, 't welk onder
de Romeinen diende, gegaan zyn. Hier
moet ik een ware mislag van Ortelius
aanmerken, als dewelke het bedrieg
lyk geloof van Ptolomeus, en te gelyk
een figte gelykenis des naams naar zyn
manier volgende het Kateel Flevuni
n het land van Groningen plaatt, al
waar nu het dorp Flodorp is ontrent X.
M. paen van die tad afleggende.
Hoedanig dit met de overige Schryvers
overeenkoomt, laat ik aan den billiken
lezer , die 't aangehaalde naukeuriger
overwogen zal hebben. Ik tel voor
vat, dat al van dien tyd af aan het ge
hele trand ( want van de Zeeuwche
eilanden is al voren genoegaam gezegt)
van het canaal af tot voor by de Elve
toe een , en deelve gedaante, gelyk
het nu heeft, gehad heeft, en dat het
de elve eilanden geweet zyn, die men
nu ter tyd nog ziet. En zyn 'er toen
ter tyd uit-en inlopen der Z geweet,e
die nu enkele ondieptens geworden
zyn. Weshalven in die tyden de vaart
aldaar o weinig gemakkelyk, en vei
lig was, als deerve nu is. Want men
moet op de vloeden, en winden agt
geven, op dat de chepen niet gev:
- - yk
* - *
Uitlopen van den Rhyn. 255
lyk op 't droge raken zouden, het welk
Drusus gebeurt is, als hy uit Frieland
naar de grenen der Cauchen voer door
die ondiepe Z , dewelke tuchen
Oot-Frieland , en de voorleggende
eilanden is. De chepen hebben om
tyds ook wel door de ebbe moeten
blyven leggen, waarom Germanicus het
twede, en veertiende legioen, van die gene
dewelke hy te cherp aangevoert had, van
den Eems naar den Rhyn wederke
rende aan P. Vitellius, om te land te ge
leiden, overgegeven heeft , op dat de vloot
o veel te ligter in de ondiepe Z varen, of
in de op en de aflopende vlot zyn oude.
Dog dat het genoeg zy dus verre het
trand van Germani, en deelfs op en
aflopende gronden, ondiepe Z , en
eilanden bekend gemaakt te hebben.
Ortelius , en wie er ook meer zyn
mogten , dunkt my beript te moeten
werden, als dewelke in hare Germa
niche Land-kaarten hier van gantch
niet bybrengen , en allezints vate
tranden tellen. Daar 't egter niet
waarchynlyk is, dat ze de vorige eeu
wen, voor dat de invallende Ocean de
Cimbren , en Teutonen uit hare zit
plaaten verdreef, bechreven hebt:
Ul
V

256 P. Cluverius van de


Nu keer ik weder tot het meir het
Flie, wiens bechryvinge lang getragt
heb voor te tellen. -

- Aanmerkinge op dit voorgaande Hoofdtuk,


Dat de and-heuvelen, of X duinen eer-
tyds aan dee tranden niet ouden geweet
zyn , maar dat dat geweld van and opge
waen zoude zyn door het helm-planten, ea
Gods betieringe , gelyk Jutus Lipius in
zyne Commentarien op het eerte Jaarboek -
van Tacitus vermeint , kan immers by gene
regtzinnige aangenomen werden , en no
veel min, dat ulx uit vercheide plaaten der
Schryvers oude blyken. Hebben de eilan
den dan , die door den invloed des Oceans
van het vate land afgecheurt zyn , aan de
kant van de Z gene duinen ? Immers ja:
Dat het zand van het trand af in droge tyden
door den wind land-waars opgejaagt werd,
ziet men dagelyx , en dat het tot heuvelen
opgehoopt werd, koomt, dat de wind hier
en daar terker , of regter door peelt ; en
om die heuvelen tot het goed gebruik van
het tsuiten van de Z-golven te meer te be
waren, en te doen aangroeien, werd de
helm ( dewelke aldaar nevens andere krui
den, doornen, en planten zeer wel groeit )
aldaar doorgaans geplant 3 als dewelke het
overtuivende zand tegenhout. Derhalven
behaagt my het gevoelen van Paulus Merula
in zyn elegant tractaat De Maribus. Cap.
W
1
Want
- -

-
v
Uitlopen van den Rhyn. 257
Want hoe ouden 'er duinen komen aan tran
den , daar geen bewoninge der menchen,
nog helm planten bekend is ? Dat er egter
fodanige zyn , weet men uit de Journalen
van vercheide cheepvaarden. Ook tryd
tegen de meininge van Lipius, dat aan one
, tranden lange, ende veelvuldige reexen van
duinen leggen, daar egter maar weinig ge
vaar, en daarentegen gantch gene, daar 't -

elve jegenwoordig zeer groot is. Is by ons l

- die voortreffelyke wetenchap van duinen te


doen opkomen odanig verloren, dat men -

nu ter tyd met zeer overgrote koten aarde


dyken door palen zeer kragtig door malkan- -

der gevlogten , en met tenen, en andere


waartens geballat tegen den woedenden
Ocean aan tellen en deelve vergaan, of
vervallen zynde telkens hermaken, en op
duizenderlei manieren verterken moet 2
Voornamentlyk alwaar alhier in Noord-hol-
land drie duizend paen lang het Honds-boch
('t welk den naam heeft, om dat de Z daar
tegen aanwoedende chynt te baen) alo on
derhouden moet werden, om het gantche
land voor inbreuk te behoeden. En indien
die heuvelen door de vernuftige voororge
van one voorouderen eert opgekomen wa
ren, waar van koomt dan derelver bena
minge ten tyde van Ptolomaeus in zyn hoofd
der Germanien , Lugdunum ? Welke laatte
tw Syllaben van het Griekch eivas (Dui
nen) by Heychius , en Hieronymus over het
| IX. Hoofd-t : van Eaias afkoomt.
| | II. Deel. R XXIV:
l S re ' - w

. Y -
("

258 P. Cluverius van de -

xxiv. HooFD-STUK
Wydlopiger bechryvinge van
het meir , en eiland Fle
vum, of Flevo.
ATA dat dan den Ocean door een
groot geweld van golven door den
mond van de rivier Nabalia invloien
de de naate velden overtroomt had,
zyn de ondieptens, daar de Z uit, en
in vloiet, eert voortgekomen. Die
ondiptens wierden in de eige taal, als
boven aangemerkt, by de inwonders
Vliet , of Fliet, en , gelyk hare ge
woonte is, de laatte harde letter af
s werpende , Flee genoemd. Dog by
voortgang van tyd, en geduirige af
poeling van het Z-water, zyn deze
ondieptens allenxkens in een meir ve
randerd , 't welk eindelyk groot, en
onmetelyk geworden, als Mela, en Ta
citus chryven , den elven naam van
Flie, of wel volgens de praak van de
oudere Germanen Flee , ( gelyk ook
nu nog by de ondieptens van de ri
vier
)
- ,

Uitlopen van den Rhyn. 259


vier de Weer dorpen genoemd wer
den Waterfleet, Elsfleten , Wortfleet, en
Sandfleet ) tot de tyden der Romeinen
toe behouden heeft. Dee dit barba
rich woord naar haar taal draiende
hebben Fleum gezet, gelyk Ptolomeus
te regt en naar waarheid aanmerkt.
Dog die naukeuriger waren, wilden
dit meer op het Latynch uitbrengen,
en Flevum zeggen , gelyk Plinius, en
Tacitus verhalen. Mela noemt het meir,
en eiland Flevo. Dewyl dee de eerte
van alle van dit meir , en naam ge
wag maakt , oude ik wel vermoe
den, dat de Romeinen (ten ware die
Schryver vervalcht was) het elve in
den beginne ook alo genoemt heb
ben. Maar om dat de mond ten ty
de van Plinius genoemd geweet is
Flevum, moet men niet twyffelen,
ot de kil , het meir , en het eiland
hebben den elven naam gehad. Dog
na dat alhier een meir heeft begonnen
te zyn, o heeft de rivier Nabalia, voor
o ver hy in 't elve verpreid wierd,
zyn naam verloren. En alhoewel Mela
maar van een eiland gewag maakt , 't
welk deelve naam , als 't meir had,
ontkent hy egter niet, dat er meer
26o P. Cluverius van de
geweet zyn. Dat er ook meer ge
weet zyn, getuigt Plinius, gelyk aan
tonds uitgelegt zal werden, en de re
den leert ulx ook klaarlyk. Want
alhoewel dat eiland, daar AAela gewag
van maakt, door den langwyligen,
en geduirigen aanloop der golven, of
wel door hoger vloeden, nu al tene
maal weggepoeld is, o blyven de an
dere egter, alhoewel mogelyk met af
gekappelde tranden, nog behouden.
En drie zyn 'er, twe tegen den mond
van den Yel, Ens, en Ork, het derde
AMarken over de tad Monikedam leg
gende. Dog men moet alhier opmer
en, dat Mela hier gewag maakt van
een groot meir , en dat Tacitus overal
## van meiren, in het getal van
vele, preekt, en dat Plinius getuigt,
als boven meermalen aangemerkt, dat -

de Rhyn by het Noorden zig in meiren


verpreit. Waar door ik zie, dat de
uitleggers van dee Schryvers in twyffel
geraakt zyn. Dog de ontvouwing is
zeer ligt. Als Mela van een meir prak,
zag hy op 't grootte, 't welk nu de
Zuider-Z genoemd werd, maar Plinius,
en Tacitus, andere wateren daarenbo
ven ziende by, dat grote meir, en
-
# I

Y--
z . -

Uitlopen van den Rhyn. 261


, kil des nieuwen Rhyns vloeiende, heb
ben die alle te zamen liever meiren in
een meerder getal, als een meir willen
noemen. En dee zyn door gantch
Noortholland jegenwoordig verpreid
hebbende vercheide namen : De Waart,
de Beemter, de Wormer , de Schermer,
de Purmer, de Wykmeer, het Te, Haarlem
mer Meer, Brameer, Leidermeer, Oter
meer , en welke mindere daarenboven
nog zyn mogen. En Meer, of Meir
is by de Hollanders't elve, als by de
Romeine Lacus is. Door dee o vele
meiren dan werden vele eilanden ge
maakt, dewelke Plinius aan de meer
dere , en mindere Frien toechryft.
En het is niet nodig, dat men met 7u
nius enigen onbekenden kil veriere,
dewelke digt by Haarlem in den Ocean
vallende de eilanden der Frien van dat
der Caninefaten afcheiden moge. Heb
hier boven genoegaam beween, dat
de woonplaats der Caninefaten in 't ei- ,
land der Batavieren geweet is. Dog
de eilanden der Frien zyn geweet,
daar nu van Amterdam af tot het Flie
toe het land door vercheide meiren,
en inlopende wateren op vercheide
manieren van een gecheiden werd.
* R 3 Waar
u

26z P. Cluverius van de


Waar onder nu ter tyd de voornaam
te zyn Wieringen, Texel, en Vlieland
aan de naat aan zynde mond Flevum,
waar van het den naam ook heeft.
Maar binnen in Noord-Holland zyn
'er vele , dewelke niet als eilanden
geagt werden, om dat er nauwe wa
teren tuchen de meete lopen , en
ommige ook door dyken aan malkan
der vat zyn. Deze, zeg ik , zyn
. van den tyd van Plinius , en Tacitus
af, gene eilanden geweet , alhoewel
ze door o een diep water, als men
nu ziet, niet omringt waren. Maar
naderhand door verloop van tyd, als
den Ocean met o groot geweld hier
inbrak , dat deelve het eiland van
Mela, Flevo genoemd, tenemaal over
poelde, zyn er ook wyder, en die
per water-gaten gekomen, waar van
't grootte , nu Mardiep genoemd,
op ommige plaaten meer als XV
vademen diep is. Maer men moet het
eiland Flevo niet rukkelooflyk over
laan, wewegens ik de woorden van
AAela, alhoewel boven meermalen aan
gehaald , alhier nog eens bybren
gen moet. Hy zegt dan: De Rhyn van
de Alpen afdalende maakt niet verre van
w zyn.
- *

/
Uitlopen van den Rhyn. 263
zyn oorpronk tw meiren het Veneetch,
en het Acronich. (Lac de Contants ) En
naderhand lang vat alleen , en langs een
ekere kil vloeiende werd hy niet verre van
de Zgints, en derwaats verpreid; dog aan
de linker zyde als dan nog een rivier, en de
Rhyn zynde tot dat hy zig in den Ocean
uittort. Aan de regter zyde is hy in 't
eert nauw , in zig zelve gelyk ; Nader
hand, als zyne oevers zig wyd en zyd van
malkander preiden, nu geen rivier meer,
maar een meir, zynde werd hy de velden
overtroomt hebbende, Flevo genoemd ; en
na een eiland van die naam omringt te
hebben werd hy weder nauwer , en weder
een rivier zynde tort hy zig in Z. Uit
welke woorden ik beluit, dat dat meir
toen ter tyd al groter geweet is, als
het Veneetch , of het Acronich ;
want hy voegt by dee laatte geen
woord , 't welk grootheid betekent.
Het welk by Tacitus ook getuigt werd
met deze woorden : En zy omvangen
daarenboven onmetelyke meiren , dewelke
ook door de Roomche vloten bevaren zyn.
Daarom taat my 't gevoelen van Or
telius niet aan, dewelke in de kaart
van het oud Nederland dat meir al te
eng maakt, en datRvan
- 4:
Hopperm nog
II11IM.
264 P. Cluverius van de
min, dewelke byna geen meir telt.
Ik oordeel uit de woorden van Mela,
en Tacitus, dat het byna o groot ge
weet is, als men 't nu ziet , maar
naar 't zuiden met een nauwer z
engte beloten, daar de tweteden leg
gen Staveren in Frieland , en Enkhui
Jen in Holland. Het eiland Flevo heeft
het onderte gedeelte belagen. Orte
lius telt aantonds daar na het eiland
in den mond van den Rhyn , of wel
van de rivier Nabalia , op die elve
plaats, daar nu de eilanden Ens, en
Urk zyn. Want hy meint, dat dit
eertyds een eiland geweet heeft , 't
welk naderhand door 't geweld , en
invloed der Z-golven in twe delen
van een gecheurt is. Naderhand tort
hy het meir over de velden. Dog ik
werde van het tegendeel uit de woor
den van Mela berigt. Want dee ver
ekert, dat het meir eert wyd , en
zyd de velden overlopen heeft , en
kort daar op na het omringen van
het eiland weder nauwer geworden ,
en wederom een rivier zynde in z
uitgetort geweet is. En op dat de
woorden van Mela helderer werden,
zal ik de aak lve gelyk als voor ogen
-
tellen.
/

l
Uitlopen van den Rhyn. 265
tellen. De ondieptens zyn tuchen
Frieland, Noord-Holland, en den
mond Flevum , daar nu het Bre
zand is. Dog in vorige tyden was
het een eiland, daar zeer veel riet
wachte, waar in zig de water-vogels
in een grote menigte onthielden. Dat
dit het eiland Flevo is, door het meir
Flevum omcingeld, tel ik my vat
voor. Want de kil van Nabalia, ofte
van den Noorderlyker Rhyn, is hui
den ten dage tuchen dit eiland, ( of
ondieptens, gelyk 't nu zyn ) en het
naate trand van Frieland, nog ove
rig ; door welke kil de ootelyke zy
de van 't eiland beloten wierd. Aan
de zyde, daar de zon des Somers on
dergaat, is er tuchen dit eiland, en
andere ondieptens, de Weert genoemd,
( dat dit eertyds ook een eiland ge
weet is, geeft de naam elve te ken
nen, om dat het woord een eiland be
tekent ) een andere kil, of waterloop
in den elven invallende, met de naam
van het oude Vlie. Welke naam opent
lyk te kennen geeft , dat hier langs
een gedeelte van Flevum gelopen
heeft. So men dan met defen kil de
overige zyde van # eiland die tegen
5 het
266 P. Claverius van de
het Noordweten legt, omringt, zal
men 't gantche eiland , rondom door
het meir Flevum omcingeld, hebben;
het welk eindelyk by 't einde van het
eiland (de chippers noemen de vuir
bakens daar op geteld Claas ooms ba
ken ) weder nauwer werd, te weten,
tuchen de ondieptens aan beide de
zyden leggende, zynde de overblyf-
els , en oude merktekens van een
droge , en vate grond , en wederom
een rivier geworden zynde loopt hy in
den Ocean uit , tuchen tw eilan
den, aan de regter zyde der chelling,
en aan de linker Vlieland. Op deze
wye al het eggen van Mela grotelyx,
tand houden, want een groot meir, daar
de oevers wyd en zyd zag van malkander
afpreiden, werd tuchen de engte,
die tuchen de twe teden Enkhuien,
en Staveren is, gezien. Naderhand om
ringt het met zyne nader by een ge
kome oevers het eiland Flevo , nader
hand weder nauwer, dog nog geen ri
vier gelykende, werd van het einde
der ondieptens, Langezand genoemd,
wederom een rivier zynde in den Ocean
uitgetort. Maar #unius maakt Mela tot
een bron van de grootte beuzelingen,
de
Uitlopen van den Rhyn. 267
dewyl hy het eiland Vlieland uitlegt
voor deelfs Flevo. Alo namentlyk
lut het hem altyd , en overal de en
kele betekening, of klank van een
naam, elf met de dwaate meininge,
op te volgen. Indien Vlieland het Fle
vo van Mela is, dat my dan iemand
lere , hoe dat Flevus ( de rivier ) na
dat het 't eiland omringt had , weder
nauwer geworden is, en wederom als
een rivier in z getort is , daar de ope
ne diepe z tegen de uitterte zyde van
Vlieland aanpoelt. Dog dit is een
milag van 7unius , gelyk een jder
klaar zien kan; Laat ons hem derhal
, ven laten varen.
268 P. Cluverius van de
xxv. HooFD-STUK.
Wegens de graft van Druus,
de rivier Vidrus, nu Jovar
tewater ; van het boch
van Baduhenna, het gehugt
van Cruptorix , en de ha
ven van eYManarmanus.
E K vermein den ouden kil van de ri
vier Nabalia in de droge, of moe-
raige grond tot nog toe naukeurig
bechreven te hebben. Heb ook den
inbreuk des Oceans in deelfs mond
vermelt, en de gelegentheden der ei
landen aangetoont. Nu is er nog
overig, aleer ik van dee geweten af- -
cheide, dat ik van de graft van Dru
us, waar door den Rhyn zig in de
Nabalia uittort , ook iet weinigs
zegge. De Rhyn dan , als boven
gezegt , langen tyd tw hoornig ge
weet hebbende is eindelyk door Dru
us Germanicus , dewelke onderden
Kaier Augutus, die deelfs moeder
- - ge
*
Uitlopen van den Rhyn. 269
getrouwd had, in dee geweten oor
legende, door een graft tot in de Na
balia afgeleid, drie-hoornig gemaakt,
en gezegt drie killen te hebben. De
graft heeft haar naam van den bevel
gever gekregen , en is die van Druus
genoemd. Tacitus chryft aldus in het
twede Jaarboek: En de vloot was met de
voorafgeonde voorraat nu al aangekomen ,
en de chepen onder de legioenen , en de
bondgenoten verdeilt hebbende, en de graft,
dewelke die van Druus genoemd werd in
varende, mitsgaders # vader Druus ge
beden hebbende, dat hy hem , die nu 'e
elve betant goedwillig, ende bezadigt door
zyn voorbeeld, en geheugenie van raad,
en daad helpen wilde. Suetonius in Clau
dius van Druus prekende zegt ; Hy
heeft de eerte van de Roomche Veld-he
ren de Noord-z bevaren, en over den -
Rhyn graften van een nieuw, en zeer groot
werk gedaan maken , dewelke nu nog die
van Druus genoemd werden. Alhoewel
Suetonius alhier de graften van Druus
in een getal van vele telt, is het nog
tans bekend, dat maar ene enkele ge
weet is. Derhalven heeft Tacitus meer
naar reden, en waarheid in het getal
van ene de graft van Druus gezegt.
- Dog

(t
27o P. Cluverius van de
Dog, het is inderdaad een zeer groot,
en waar werk geweet, als uitge-
trekt zynde van het dorp Ieloort tot
de tad Doesborg ontrent X. M. paen
lang. Hadr 7unius heeft van de leng
te zeer wel geoordeelt trekkende de
graft tot Doesburg toe uit, en hy be
traft niet te onregt den mislag dier
# dewelke meinen dat ze van
ruus tot het meir toe afgeleit is.
Onder welke ik my verwondere, dat
Ortelius ook gevonden werd. Indien
de kil van de rivier Nabalia te voren , .
al tot het meir toe geweet heeft, was
het niet nodig, dat Druus hier een
graft maakte. So 'er geen kil geweet
is ( het welk zyn oude moeten , in
dien men verekert , dat Druus de
elve aldaar gemaakt heeft), o vraag ik,
langs welken weg de Nabalia, ofte
den Yel , en de Berkel, en andere
kleine riviertjes behalven dee ( de
welke men beneden Doesburg in dien
Yel, die een gedeelte van den Rhyn
ontfangt, ziet vlieten ) tot het meir,
of eer 't felve daar was, tot den O
cean hebben kunnen komen ? Dat
declve de droge fanden afgepoelt heb
ben kan niemand ligt zeggen, nogge
w w - -
ik
Uitlopen van den Rhyn. 271
geloven. Indien egter iemand wil,
dat men hem ulx toeta, o vraag ik
wederom, waarom die graft van Dru
us naderhand by Deventer meer den
naam van den Yel, als van den Rhyn
behouden heeft. Want indien al het
water van dee laatte rivier afgeleid
is, o was het niet meer, als zeer bil
lik, dat de graft met meer eigenchap
den naam van den Rhyn, als van den .
Yel, o kleinen, en onedelen troom,
droeg. Dog ik beuzele, en verlyt den
tyd te vergeefs. Dat den Yel hier
langs naar den Ocean gevloeid , als
boven aangemerkt, en andere riviertjes
met zig afgebragt heeft, geeft de naam
elf te kennen, dewelke van dcelfs
oorpronk tot de tad Campen, en het
meir Flevum toe zig uittrekt. Dog
hier chynt # een twyffel te kunnen
pruiten, om dat het bovente gedeelte
van die rivier tot Doesburg toe die
olde Iel genoemt werd, en het onder
te gedeelte by Deventer, en Campen
niet. Deen knoop ontbind ik aldus:
Dee rivier is van zyn oorpronk af tot
den uitloop in Z toe van den beginne
onder enige by naaam Nabalia ge
noemd geweet ; dog na dat
- -
Dr, e .
w -

272 P. Cluverius van de


de graft tuchen den Rhyn , en Na
balia heeft gedaan maken, vermoede
ik , dat dee graft de nieuwe Nabalia
enoemdgeweet is, en dat het boven
e gedeelte des riviers de naam van de
oude Nabalia gekregen heeft. Het welk
naderhand ook in den naam van den
Yel overgegaan is. En alo werd nu
ter tyd ook het bovente gedeelte die
olde Iel genoemd, niet ten opzigte
van 't onderte gedeelte, 't welk van
Doesburg af langs Deventer, Hattem, - N
en Campen vloeit, maar uit ooraak -
van de graft van Druus, dewelke uit
den Rhyn tot Doesburg toe uitgegra
ven nu ook den Yel genoemd werd.
Druus heeft geen andere reden gehad,
om dee graft te laten delven , als op
dat hy hier langs met zyn leger uit het
bovente gedeelte des# zyn vloot
in het meir, en den Ocean afbrengen
oude, als hy op de Frien, en Caui
chen aanvallen wilde. Wyders zyn die
# grotelyx mileid, dewelke Does
org van den naam van Druus oorde
len af te komen, als of men zeide de
legerplaats van Druus. Want ik heb
hier boven aangetoont, dat alle de le
gerplaaten van Druus, en Romein
che
-

Uitlopen van den Rhyn. 273


che bezettingen op den linker oever
van den midden Rhyn geweet zyn.)
Nu vermein ik van den derden kil des
Rhyns genoeg geegt te hebben. Nu
moet ik ook een uitlegginge van de ri
vier Vidrus , nu de Vecht * genoemd,
die in het elve meir uitvloeit, geven.
Ik gie, dat deelve eertyds in de ri
vier Nabalia , eer het meir daar was,
tuchen de tw teden Campen, en
Vollenhove te amen gevloeit heeft. Want
de mdhden van beide die rivieren ziet
men alhier nog te amen by malkan
der. Ook kan men aan den Vidrus
geen anderen kil geven, waar door
hy in den Ocean gevloeit zoude heb
ben, als de troom Nabalia. Ik ver
wonder my ten hoogten, waarom Or
telius gedagt heeft, dat de Vidrus een
graft is geweet in het Groninger-land,
dewelke Schuitendiep genoemd tot Gro
ningen toe, en van daar met de naam
van Groeningerdiep in den Ocean loopt,
voornamentlyk daar zulx zeer baarbly
II. Deel. , , S kelyk
* Dat de rivier Vidrus wel de Vegt, dog meet
het Swarte water genoemd werd, is bekend, en
ulx is uit ooraak van de warte koleur der Poe
len, waar uit hy af koomt vloeien, gelyk Had:
tunius in zyu Nomenclator getuigt. Hier van koomt
ook de naam by deelfs uitloop van Swarte-luis.
-
274 P. Cluverius van de
kelyk met de plaats tellinge van Pto
lomeus (uit wien alleen hy den naam
van Vidrus heeft kunnen bekomen )
trydende is. Namentlyk om dat h
nu al bevorens 't gemelde dorp Flo
dorp, aan de graft het Groeningerdiep
gelegen voor het kateel Flevum uit
gelegt had, waar by hy de vliet Vi
drus te amen gevoegt wilde hebben,
op gantch geen reden, nog het minte
bewys teunende, en de # van
Ptolomeus, als boven gezegt, daar te
nemaal tegen trydende. Want dee
telt den mond van den Vidrus op 45.
graden, en zo crupulen breedte,
Dog het kateel Flevum veel hoger on
der 45 graden, en 45. crupulen.
Dog laat ons hier in liever het gezag
van Ptolomeus volgen, voornamentlyk
zo men zyn gezag, wederom door het
waar gezag van een ander Schryver
bevetigen kan. Hy dan bechryft na
de # mond van den Rhyn
(die hy op de elve plaats telt, daar
nu de mond van den Yel by Campen
is) aantonds ook den mond van den
Vidrus, met wiens plaats gelegentheid
naat overeenkoomt de Stad Geelmui
den, daar hy in het meir Flevum valt.
- De
'
Uitlopen van den Rhyn. 275
De Vecht is dan buiten twyffel de Vi
drus van Ptolomeus, het welk ik ook
pogen zal uit Tacitus te bewyen. De
ze zegt in het eerte Jaarboek de we
derkomt van Germanicus van den oor
log tegen de Cherucen naar de leger
plaatzen aan den Rhyn bechryvende
alds: Kort daar na het leger weder naar
den Eems gevoerd hebbende brengt hy de
legioenen, gelyk hy ze aangevoert had, te
cheep weder (te weten over de ondiep
tens, en door het meir, als boven aan
getoont ) Een gedeelte van de ruiterye
wierd geboden langs het trand van den
Ocean naar den Rhyn te trekken. En daar
na : Maar Germanicus geeft aan Publ;
Vitellius het twede, en veertiende van de
legioenen, die hy te cheep aangevoert had,
te land te leiden, op dat de vloot zo veel
te ligter op de ondiepe z varen, en in de
tyn niet vat raken oude. Vitellius had
op den drogen grond, of als het ty mate
lyk aanquan, eert een goede land-reis
Kort naderhand, als de Noorde-wind, en
als de nagt, en dag even lang is, als
wanneer de Ocean het meete optuift, wier
den de troepen gerukt, en gelingerd, en de
landen met water overdekt. Kort nader
hand zegt hy: Zy werden van de golven
S 2. geveld,
/
276 P. Cluverius van de (
geveld, van de maaltromen ingelokt, bee: - lei
ten, pakken, dode ligchamen dreven tu- in
chen beide , en quamen tegen haar aan. zyn
De rotten raakten onder malkander , dan wed.
tot de bort toe, dan weder tot de mond toe kund
onder water taande ; omtyds grond ver- plaa
liezende wierden zy vertroit, of overtort. In 1CI

Kort naderhand: Vitellius eindelyk op 't ek


hoogagtigte geworteld, heeft zyn troep daar En
, ook op gekregen. Zy vernagten daar onder 7V44
enig bezigtuig, nog vuir. Wederom daar 7WAS

na: Het ligt gaf hen 't land weder in 't ZVn
gezigt, en zy zyn doorgedrongen tot de ri- ch
vier de Wezer, waar heen Caear met zyn pla:
vlooten getogen was. Daar na zyn de le- chy
# ingecheept, terwyl het gerugt liep, Lip
at ze verdronken waren. En men geloof. 71477
de hunne behoudenis niet, voor dat ze Cae- wel
ar met het leger wederom zagen komen. hiit
Te weten in de legerplaats. Lipius men
zegt hier op in zyne aantekeningen: 721 tt
Indien Germanicus aan den Eems op de nauk
vloot gegaan is, om naar den Rhyn, en 7% en
Galli te trekken, by wat geval is het nu zy :
dan by de Wezer: Door het tempeet, Gerit,
zal men zeggen: Dat zulx zo zy. Maar WOC
hee heeft Vitellius, die ook kort te voren nog
aan den Eems, ende (op dat men weder Ook
geen vermoeden van een tempeet hebbe) te ben,
- r land -

A -
Uitlopen van den Rhyn. 277
land trok, nu ook aan de Wezer kunnen
zyn ? Indien dit te regte verhaalt werd,
zyn zy voorwaar naar Germani, en niet
weder naar Galli getrokken, of ik ben on
kundig van de gelegentheden van alle die
plaatzen. Hier voegt hy by in zyne
nieuwe uitgevinge van Tacitus, dat een
eker groot man op deze plaats leet:
En zy zyn doorgedrongen tot de rivier,
waar henen Cear met de vloot getogen
was. Dit taat Lipius toe, bewogen
zynde door een groot man, na de en
chryft 7oias Mercerus over die elve
plaats van Tacitus : dat 'er niet waar
chynelyker is, als 't geen de eer geleerde .
Lipius op 't laatt geleert heeft, dat men
namentlyk het woord Wezer moet uitdoen;
welk woordeken alhier tegen alle reden van
hitorie, en wereld-bechryvinge is. Maar
men moet door de rivier den Rhyn, en
niet den Eems vertaan. En indien men
naukeurig die gantche plaats naleet, al
men ulx moeten bekennen. So chryven
zy alle drie. Dog ik ta nog aan Mer
cerus , nog aan Lipius toe, dat het
woord Wezer uitgedaan moet werden,
nog aan dien, groten man , ( wie hy
ook is, of geweet zoude mogen heb
ben. ) Maar ik verekere, dat de be
- - S 3 , dorve en ' ,


278 P. Cluverius van de
dorve plaats verbetert moet werden,
en voor Viurgum ( Wezer ) Vidrum
(Swartewater) waar by 't geen in myn
Boek te lezen taat Viurgum , naat
koomt, gelezen moet werden. Somen
de reden vraagt, ben bereid deelve in
't kort te geven. Na dat Germanicus
bevel gegeven had, dat een gedeelte van
de ruiterye langs het trand van den Ocean
naar den Rhyn trekken zoude, zo had hy
elf te cheep van den Eems afvaren
de voorgenomen naar den Rhyn te
poeden door die ondiepe z, en mei
ren. Dog als hy bevreet wierd, dat
hem wel 't elve overkomen mogte,
't geen zyn Vader Druus eertyds te
beurte gevallen was, die door het af
lopen van den Ocean op het droge zit
ten bleef, zo heeft hy tw legioenen aan
P. Vitellius te land te leiden overgeven;
te weten langs die elve weg, waar
door hy te voren een gedeelte van 't
paarde-volk bevolen had te trekken,
dat is, langs het trand van den Ocean,
op dat, indien zy binnen lands door
getrokken hadden (want dit was wel
veel nader) van de Frien geen over
lat krygen mogten. Want op het
trand ouden zy ligtelyk den eerten
- - - aanval
Uitlopen van den Rhyn. 279
aanval hebben kunnen uittaan, tot dat
Caear, dewelke langs het land voer,
met hulp aanquam. Heb hier boven
aangetoont, wat men door 't trand van
den Ocean vertaan moet, te weten de
kut van het vate land van Frieland,
en niet van de eilanden, dewelke te
gen Frieland aan leggen. Vitellius
dan langs het trand des Oceans ge
trokken zynde, na vele rampen, en cha
den geleden te hebben, is eindelyk
tot de rivier de Vidrus doorgedrongen,
waar heen Germanicus hem bevolen
had de legioenen te geleiden, en waar
heen hy elve met de vloot heen ge
zeild was, om de oldaten, die over
den Vidrus, dewyl daar geen brug
was, niet trekken konden in de che
pen over te nemen, en deelve alzo
den Rhyn op naar de legerplaatzen te
voeren. Alzo al eindelyk de Hito
rie van Tacitus betaan kunnen, en al
zo al het trouw eggen van Ptolomeus
nopende de rivier de Vidrus bevetigt
werden. Laat Ortelius dan met zyn
veronne Vidrus varen, als mede de
andere, dewelke dee rivier tragten te
verduiteren, en tenemaal uit de ge
denk-chriften der ouden uit te roeien.
S 4 Dog
28o P. Cluverius van de
Dog het is nu tyd na lang omwerven
over water weder naar het land te ke
ren. Heb hier boven de landchei
dingen der Frien kortelyk bechre
ven, en de grenen tuchen beide de Fri
en aangetoont. Dat men nu het bin
nente eens bezie, of er ook iet aan
merkens waardig te vinden was. Heb
hier voren gewag gemaakt wegens de
wederpannigheid der Frien , en de
belegering van het kateel Flevum, en
verhaalt, hoedanig Apronius de krygs
knegten door de ondieptens tot in het
vate land van Frieland overgebragt
heeft. Hier door onttont een ware
tryd tuchen de Romeinen, en de
Germanen, alwaar de eerte verlagen
wierden. Daarom zegt Tacitus het vol
gende daar by: Kort naderhand is door
overlopers vertaan, dat negen honderd Ro
meinen by het boch , 't welk zy Badu
henna noemen, de lag tot 's anderendaags
uitgereikt - zynde , nedergemaakt waren,
mitsgaders dat er nog andere vier hon
derd, die de hoef van Cruptorix , eertyds
in oldye geweet zynde, ingenomen had
den, na dat er van verraat gevreet wierd,
door onderlinge wonder omgekomen waren.
Ik oordeel, dat dit boch van Badu
- henna
Uitlopen van den Rhyn. 281
henna op de elve treek geweet is,
daar nu de Sevenwolden zyn. En de
plaats gelegentheid mitsgaders de afge
legentheid chynen hier niet ver van
te verchillen. Egter wil ik geerne
bekennen, dat ik geen vate bewys
reden heb, waar op ik oude mogen
teunen. Dit zeg ik ook van de hoef
van Cruptorix. Ik gie egter aldus.
Het gevegt tuchen de Romeinen, en
de Frien is voorgevallen ontrent die
plaaten, dewelke tuchen Leeuwarden,
en Sneek zyn; alwaar de meete der
Romeinen geneuvelt zyn. De lag tot
den volgenden dag uitgereikt zynde,
als nu de ene, dan weder de andere
de overhand hadden, o zyn 'er einde
lyk by het boch, (niet in het boch)
negen honderd omgekomen. 'De an
dere vier honderd, dewelke uit deen
tryd ontkomen waren, zyn, na het
innemen van de hoef van Cruptorix,
wederzyds door malkanders geweer ge
neuvelt. Dit is het geen ik wegens
dee tw plaaten by te brengen had.
Ortelius door de naampelinge verleid,
heeft de hoef van Cruptorix uitgelegt
door het dorp Crapwolde, niet verre
van Groeningen. M: die plaats chynt
s l
my
N v
282 P. Cluverius van de
my daar wat te ver af te zyn. Ik heb
het kateel Flevum hier boven bechre- ".
ven. De haven van Manarmanes is by
Ptolomeus tuchen de monden van den
ooterlyker Rhyn, dat is, de Nabalia,
en van den Vidrus; welke plaats ik
nu oordeel Geelmuiden te zyn; om dat
aldaar nog huiden ten dage een zeer
gemakkelyke haven is, waar langs ma
tige chepen varen, om naar Haelt
te zeilen. Ortelius, gelyk hy eens in
de rivier de Vidrus van den regten
weg afgedwaalt is, gaat hier in zyne
onregte weg voort. Want hy telt
niet te regt de haven van Manarmanes
by zynen Vidrus in het Groninger.
' land, en niet aangemerkt hebbende,
dat die haven door Ptolomeus op de lin
ker zyde van de rivier de Vidrus ge
# werd, telt hy egter op de reg
ter zyde. Ook moet ik de onkunde
dier gene, dewelke de colommen van
Hercules, waar van Tacitus in zyn boex
ken van de zeden der Germanen ge
wag maakt, midden in Frieland getelt
hebben, daar nu het dorp Duvelskutte is,
beripen. Dee chynen my tenemaal
de woorden van Tacitu noit gelezen
te hebben, want dee chryft aldus :
- De
w

Uitlopen van den Rhyn. 283


De Angrivarien, en Chamaven werden van
agteren door de Dulgihinen, en Chanarien,
als ook door andere min vermaarde volken
beloten. Van voren grenen de Frien aan
haar. Zy hten de meerdere, en mindere
Frien, naar mate van haar magt. Beide
de natien leggen aan den Rhyn tot den Ocean
- toe, en daar en boven nog rondom zeer gro
te meiren, die elf by de Romeinche vlo
ten bevaren zyn. Wy hebben langs dien
weg ook den Ocean elwe getragt te beva
ren; en 't gerugt heeft uitgepreit, dat al
daar de colommen van Hercules nog ove
rig zyn, het zy hy elf daar geweet heeft,
f of om dat men al wat heerlyk is toege
taan heeft tot zyn vermaartheid toe te pa
en. En de moed, en toutheid heeft aan
Druus Germanicus niet ontbroken. Maar
den Ocean heeft belet, dat men op hem,
en Hercules geen onderoek dede. Kort nader
hand heeft hy gepoogt te ondertaan, en men
## dat het heiliger en eerbie
diger was wegens de daden der Goden ge
loof te geven, als de elve te weten. Ge
volgelyk dan had het gerugt verbreid,
dat de colommen van Hercules in enig
eiland des Oceans waren, en niet mid
den in de grenen der Frien. Dit
was het, dat my mogelyk was weg:
- - -- C
284 P. Cluverius van de
de oudheid van Frieland uit de chrif.
ten der oude te berde te brengen. Nu
ben ik van zins ook iet weinigs we
gens de Maratirs, als dewelke ook
een eiland des Rhyns bewoont heb
ben, by te verhalen. -

XXVI. HOOFD - STUK. '

Van de Maratirs, of Mar


acen.

D#
volken, dewelke by Tacitus Mar
acen genoemd werden. Vandee werd
maar eens by Tacitus , en ulx korte
lyk, in het IV. B. der Hit: gewag
gemaakt, alwaar hy van Claudius La
beo, dewelke in de wederpannigheid
van Civilis gevangen genomen was,
prekende aldus chryft: Claudius La
beo overte van de vleugel der Batavieren,
die in teedche tryden tegens Civilis yver
de, werd naar de Frieen vervoerd; op
dat hy omgebragt zynde geen haat by zyne
lands-luiden, of zo men hem weerhield,
geen zaad van twedragt troien mogte.
* Derwaarts
-
* *
t \

Uitlopen van den Rhyn. 285


Derwaarts (naar Ceulen, aan den G.
neral Vocula) is Claudius Lateo, den
welken ik gezegt heb , dat gevangen, en
buiten over een komte naar de Frijen weg
gezonden was, zyne wagters omgekoft heb
bende, komen vlugten. En op beloften, zo
men hem bytand gave, dat hy naar de
Batavieren gaan, en 't bete gedeelte van
het bondgenootchap weder tot de Roomche
maatchappye brengen zonde. Een mately
ke troep van voet- en paarde-volk gekregen
hebbende, niet tegen de Batavieren betaan
durvende, heeft hy enige der Nervin, en.
de Bethain in wapenen gerukt, en hy over.
liep meer teels-geuyze, als met oorlog, de
Caninefaten, en de Maracen. Om dat
alhier gewag gemaakt werd van de
Nervin, en Bethain, zo vermeint
Thomas Hubertus van Luik, dat de Mar
atirs hier ook na by geweet zyn, in
zyn boexken, 't welk hy wegens de
Tungren (die van Tongeren) en Eburo
nen (Luikenaars) gechreven heeft, en
wel het meete, om dat er een naams
gelykenie overig was in de Stad Ma
eik , naar welks geluid hy zig niet
ontzien heeft de ware en opregte le-
zing van Tacitus te vervalchen in Ma
acos. Hoe dwaas, en ongerymt het
- 1S
286 P. Cluverius van de
is de naams gelykenie alleen te vol
gen, heb ik boven al meermalen 3 all
getoont. Laat het ons dan alhier ook
legts met een kleinen grimlag door
laten gaan. Dog indien Thomas van Luik
taande wil houden, dat de Maracen aan
de Nervien , en Bethaien gegrent
hebben, om dat in dit verhaal van
beide gewag te amen # werd,
zo moet hy nootakelyk te voren aan
tonen, dat de Caninefaten ook aan de
elve gegrent hebben, als van dewel
ke in dat verhaal eer gewag gemaakt
werd, als van de Maracen. Dog na
demaal ulx niet gechieden kan (want
heb boven aangetoont, dat zy verre
van deelve een gedeelte van 't eiland
der Batavieren bewoont hebben) zo
moet men hem ook niet ligt wegens
de Maracen geloof geven. Ik daar en
tegen zegge toutelyk en rond uit,
vermits dee amenvoeginge van Taci
tus, dat de Maracen nabuiren geweet
zyn van de Caninefaten, die een ge
deelte van 't eiland der Batavieren be
woonden. Hier toe heb ik het geag
en aanradinge van Plinius, dewelke
deelve in de eilanden des Rhyns
plaatt in het IV. B. XII. H. zeggende
- aldus :
Uitlopen van den Rhyn. 287
aldus : In den Rhyn elve is het zeer edel
eiland der Batavieren, en Caninefaten, on
trent honderd duiend paen in de lengte ;
ook andere van de meerdere, en mindere
Frien, dewelke tuchen Helius, en Fle
vus zyn. Waaruit blykt, dat de Mar
acen van Tacitus deelve zyn, dewel
ke van Plinius Maratirs genoemd wer
den. Want zy maken beide gewag
van de Frien, Batavieren, Caninefa
ten, en Maratin te gelyk. 7unius,
Ortelius, Bertius , en alle de overige,
erkennen de Maratirs wel binnen den
omgreep des Rhyns, maar op een
gantch oneige plaats. Ortelius van den
drogen grond, daar het meir, als boven
gezegt, geplaatt moet werden pre
kende, telt haar in deelve treek, daar
nu het eilandeken Marken voor de tad
Monikkedam gezien werd. En om ulx
te kunnen doen, dewyl hy wit, dat
de Caninefaten aan haar grenden, zo
heeft hy dee ook uit hare itplaatzen ,
getoten, en in het land van Beverwyk
overgebragt. Dat ulx onwaar is, heb
ik hier boven genoegaam aangeween.
Hy had wegens de Maracen moeten
indagtig zyn, dat Tacitus chryft, dat
beide de natien (der Frien) rond om die
grote
v

288 P. Cluverius van de


grote meiren leggen. So dan de Frien
rond om deelve leggen, is er geen
plaats voor de Maracen ontrent het ei
land Marken. 7unius door 't geluid van
de naam aangelokt heeft de bende van
de overige wereld-bechryvers door
een wonder gezag nog verder verleit,
en deelve alle wys gemaakt, dat de
naam der Maracen nog overig is in
die overgrote z-engte, die tuchen
Texel, en Huisduinen is, en nu Mars
diep genoemd werd. Dog dee heeft
de woorden van Tacitus mede niet gea
lezen, of qualyk vertaan. Alle de
overige hebben met hem, als een man
van groot gezag, liever willen dwa
len, als elve de waarheid uitvorchen.
Dog laat deze met hare beuzelingen
varen. Laat my het volk haar ware,
en opregte woon plaats geven. Het
is ongerymt deelve met Tkomas van
Luik aan dees zyde van de naate kil
van den Rhyn (ten opzigte van Gal
lie) te oeken, dewyl Plinius dit volk
uitdrukkelyk in de eilanden des Rhyns
plaatt. Wat gedeelte de Batavieren al
hier, en wat de Caninefaten, en wat de
Frien bezeten hebben, is by my zo
naukeurig als mogelyk was, aange
& tOOI)t.

1
Uitlopen van den Rhyn. 289
toont. Heb alles vervult , behalven
den hoek beloten tuchen den midden
Rhyn, de rivier den Yel, en de linie,
waar mede ik de grenen der Frien aan
de zyde daar de zon des winters opgaat
omringt hebbe. Dezen mag men dan
aan de Maratirs overlaten. Want hy is
de naate aan de Caninefaten volgens
het gevoelen van Tacitus, ook is hy
naat aan de Frien, gelyk Plinius te
kennen geeft. Dog indien men bege
rig is naar een overblyfel des naams
(want ik zie, dat de meete zig hier
naar leiden laten) ziet hier is er een, on
trent V. M. paen van Wyk te Duir
tede in een dorp genoemd Meerberge.
Dog men zal zeggen, dat Pliniuschryft,
dat de Maratirs een eiland bewoont
hebben. De vermaning is goed ; en
ik ben ulx wel gedagtig. Ik chyn
hen geen eiland gegeven te hebben,
dewyl ik de weter zyde alleen met
een linie beloten heb. Dog wat zal
ik doen? Zal ik het dan al aan de
Maratirs toechryve, 't geen tuchen
de tw killen des Rhyns, de rivier -
de Vegt, en het meir Flevum belo
ten werd? Alzo ouden zy in der daad
wel chynen het eiland in bezit te heb-
II. Deel. . T ben.
29o P. Cluverius van de
ben. Dog waar is dan 't gezag van
Tacitus, dewelke getuigt, dat de Fri
en rond om overgrote meiren wonen,
en dat beide ( der elver) natien zo de
meerdere, als mindere door den Rhyn be-
dekt werden 3 So men wys is, moet
men zig wel wagten dee woorden
geen geloof te geven. Dat men lie
ver een verninge uitvinde. Deze is
by de hand. Wy zien, dat de Cani
'nefaten al van ouds met de Batavieren
het eiland bewoont hebben. Indien
men zig ulx wegens de Maracen, en ,
een gedeelte der Frien ook inbeelden
wil, al het gezag van beide die Schry
vers tand houden. Nu ter tyd dan
leggen op de grenen van de oude Mar
acen de Steden Arnhem, Wageninge,
Rhenen. Ik vinde in der daad niet meer
by de oude Schryvers van dit volk,
Dog men ziet te Romen een marmere
altaar, met dit grafchrift:
': D. M. -

T.* H. o RTE s1 o Muc RoN 1. NAT.


MARs A Q u E o. V. AN.
XXXXV. AE L. VER IN us. ARM.
- Cust. E. o S1 N G.
Auo. FRAT R1, F. C.
- \ Dat
Uitlopen van
w Dat den
is Rhyn. 29:
:

Ter gedagtenie van T. Horteus Mu


cro, een Maraqueer van geboorte, die 45.
jaren geleeft heeft, deed eAElius Verinus
Wapenbewaarder, en onder de ruiteren des
Kaizers, als zyn broeder geweet zynde,
, dit grafchrift tellen.
Ik twyffel niet, of dit bychrift
behoort tot het volk der Maracen,
de wyl er zeer weinig ondercheid is
tuchen het woord Maraqueo, en Mar
aco. Dit was wel het voornaamte,
't welk ik wegens de drie killen des
Rhyns, en de volken, die voorhenen
daar aan gewoont hebben, uit de ge
denk-chriften der oudte Schryvers
heb kunnen uithalen. Wat de veran
deringen der laatte eeuwen aangaat,
deswegens zal elders wydlopiger ge
proken kunnen werden.

E IN D E.
W

292

LYK GESPREK
Van den Ed., en roemrugtigen Ridder, .

D A N I E L

HE IN SIUS,
Over de doot van den eer vermaarden, en
zeer beroemden Here

PH1L1PPu s
CLUvERIUS.
WERELD-BESCHRYVER.
I Ndien het o gewoon was, dat grote
mannen, en over welke de wereld
zig verwonderen moet, o tenemaal
tierven, als zy wel onder de aarde be
graven werden, oude niemand nodig
oordelen iet opentlyk wegens de deug
den te preken. Dog dewyl nu, voor
namentlyk in dee tyden, o klein ge
tal, en # gebrek van grote man
nen is, dat met jder een van
- .
deel: C-a

t
w

Uitlopen van den Rhyn. 293


dewelke koomt te overlyden, de ge
leerdheid elve, en kennie der we
tenchappen chynt begraven te wer
den, ben ik van gedagten, dat wy ons
nu wel voornamentlyk wagten moeten,
dat die gene , dewelke de natuir tot
voorbeelden van lof, en eeuwigheid,
desnaams voortgebragt heeft, ons niet
onder enige lofreden, als vlugtelin
gen, ontnappen. Immers lezen wy
dikwils, dat de Romeinen, en de Grie
ken , door welkers geleerdheid, en
wysheid wy tot de welleventheid door
togen zyn, elf in het leger, en 't ge
druis des oorlogs, ook wel in 't gezigt
der vyanden noit nagelaten hebben,
als wanneer enige voorname dapper
heid, of deugd, van de wereld chei
de, het vaderland, ouders, en geheel
't gelagt van den overledene in een lof
reden te verhalen. Want dat er het al
gemein tot de voorbeelden der zeden
aangelegen was, hoedanig een jgelyk
zig in zyn leven gedragen had, en ook
tot een jders dood, hoedanig hy ge
moed zynde uit het leven gecheiden
WaS. ant, gelyk het leven door de
voorname, en deftige daden , dat de-
elve ook door een tandvatige dood
- T 3 ver-,
294 P. Cluverius van de
verheerlykt wierden. Dewelke nade
maal ze een uitgang is uit dit chouw
pel, en gelyk als de laatte verhande
ling, o gechiet het gemeinlyk , dat
deelve o veel te meer een jders ogen,
en gemoederen tot zig wend. En ik
heb mnigwerf van gedagten geweet,
dat dit de ooraak is, waarom die gene,
dewelke de andere chriften van Plato,
dewelke overal te vinden zyn, elf noit
gezien hebben, als zy in Phaedo, elf
volgens een onuivre vertalinge , iet
geerne leen, waarom, zeg ik, 't geen
zeer welprekend van M. Tullius Ci
cero wegens het overlyden, en lof van
Craus, Hortenius, en Sulpicius ge
zegt werd, door haar het overige o
zeer aangepreen werd, dat men om
derelver ooraak menigwerf gehele
boeken leet, waarom eindelyk, day
die gene, dewelke door het leen van
Tacitus niet zeer aangedaan werden, als
waar toe niet, als doorlugtige, ende
uittekende geeten komen te geraken,
het overlyden van Seneca, en Paetus
egter met grote org, ende beyveringe
leen; odanig, dat zy dit maar alleen
lyk leen, of wel eens geleen hebben
de telkens herleen. Wat my aangaat,
-- - -- wil

l
v

Uitlopen van den Rhyn. 295


wil geerne bekennen, als ik den Gods
geleerden Gregorius, een chryver, in
welken de Gods-dient , ende god
vrugtigheid met de geleerdheid , en
welprekendheid chynen te tryden,
zeer geerne doorlees, werde ik egter
noit meer met gemoed , en gedagten
- bewogen, dan als ik den lof, het le
ven, en bezigheden, en voornament
lyk het overlyden van Bailius, van
den beginne af bechreven, lees. Alo
is het, dat wy alle, ik weet niet met
* wat begeerte, en org, tot het uitter
te van die gene , dewelke in enige
deugd uitgeblonken hebben , getrok
ken werden, of ons haaten. Ik gelove,
dat, gelyk de Son dien wy dagelyx
zien, ons noit choner voorkompt, dan
alwanneer hy ondergaat , alo ook in
die gene , welkers faam , en agtinge
den #d-bodem, gelyk de Son, door
weeft, niet meer, als het uitterte,
de menchen, als bedroefd zynde, met
een betendig vermaak overgiet. Dog
one Cluverius, om van wien te pre-
ken wy hier gekomen zyn , gelyk hy,
o lang in leven was, het geheel en al
daar op toeleide, dat hy langs den heer
lyxten, en koninglyken weg naar de
TT 4 ,
, Vera
-
296 P. Cluverius van de
vereeuwinge zyns naams tragtede, en
daar toe geraken mogte, heeft alo ook
zyne lof- # aan andere over
gelaten. Dewelke nademaal ze aan my
op huiden door het geag van de be
roemde Heren beorgers van dee Hoge
Schole aanbevolen is, o verwagt ik,
toehoorders, dat deelve uwe aandagt
verdienen mag, niet o zeer van ons
geprek, waar in ik niet als kortheid
belove , als wel van zyn naam , en
vermaardheid. Dee zal my onder het
geprek dat van elf verchafen , 't
welk van grote redenaars door wel
prekendheid, en vleijinge van woor
den gemeinlyk verkregen werd. One
Cluverius is geboren tot Dantzig, de
vermaarte kooptad van Pruien, een
tad, dewelke met de berugte van Eu
rope in gelegentheid, en rykdom try
den kan. Zyn vader was Opperte van
de munt, een edel, en eertyds een ryk
man. Die gene , dewelke dit naukeu
riger behandelen, vermeinen dat de
oorpronk van de familie van Bremen
afkomtig is. In welke tad enige Ca
noniken van die naam nu nog wonen,
zynde zeer edele , ende uittekende
mannen, gelyk de lyt, en 't regiter,
- w - 2t

n )
Uitlopen van den Rhyn. 297 -
't welk ik gezien heb, van den oor
pronk, en 't gelagt der voorouderen te
kennen geeft. Aan deer naam heeft
hy eerbiedigheids halve 't begin van
zyne vordering, zynde de Caart van
, Italie, die hy zeer jong zynde uitge
geven heeft, in dee tad opgedragen,
Als hy in die konten volleerd was,
waar toe de eerte jaren gewoonlyk be
quaam zyn, is hy door zyn vader naar
Polen geonden, alwaar hy onder de
hovelingen o wel de manieren van dat
zeer vermaard volk, als de taal zeer nau
keurig leren mogte. ,,Want de edel
moedige man vermeinde, dat zyn zoon
t eniger tyd aan beide de natien, de
welke aan malkander zeer verknogt
zyn, tot een groot behulp, en cieraad
oude kunnen komen te trekken. Uit
Polen wedergekeert zynde is hy door
de vermaninge zyns vaders naar Hoog
duitchland verreit , dewyl deelve
daar geduriglyk op aan hield, dat hy
r
andere tudien varen latende zig alleen
aan die der regten overgeven zoude.
Om welke reden hy enigen tyd daar
l na tot Leiden gekomen is. In welke
tad, alhoewel omtyds ook enigen tyd
tot de oefeningen des lighaams betede,
T 5 hy
298 P. Claverius van de *--

hy egter noit de org, eneyver tot de,


tudien heeft laten til taan. Want
alhoewel hy enigen tyd nu, en dan
aan zyne vrienden, dewelke niet te on-
regt tyds-dieven genoemd werden, en
ook enig gedeelte van den dag met het
amenpreken, en geelchap van zeer
eerlyke maagden verpilde , o bragt
hy egter de gantche nagt ('t welk ik
menigwerf met verwondering gehoort
heb) met leen, of erntige bedenkin
gen over, daar deelve het lighaam door
den geduirigen arbeid ontrut, en ook
't gemoed te gelyk met het elve ver
moeit meetentyds tot rut trekt. By
de aanlokelen van zyne jaren quam
zyne choonheid, mitgaders dat lief
lyk aanchyn, waar van zyne vrienden
nog geheugen hebben , wiens aange
name, en wel gebore uiverheid door
het purper des deugs verheerlykt wierd.
Ook quam hier by zyn welprekende,
en vloeiende taal, gefwind lighaam, en
uittekendende gepraakamheid , en
beleeftheid. Daarenboven ook nog de
deftige oefeningen, die den adel meet
tot zig trekken. Door alle welke din
gen hy noit nog van de deugd , als
my wel heugt , afgeweken, nog tot
de
Uitlopen van den Rhyn. 299
de onmatigheid des levens, of lempen
vervallen is. Welke aken nademaal
onder koten niet uitgevoerd kunnen
werden , en dewyl hy niet veel in in
de tudie der regten had, als het werk
van de rolle, waar toe hy eert gechikt
was, ogte te ontvlugten , gelyk hy
clfs zeide, zo is hy uit 's vaders gunt
geraakt. Te dier tyde leefden in dee
tad die grote, en eeuwige ligten der
#, Francicus Junius , Jo
annes Heurnius, en niet weinige an
dere. Onder de voornaamte egter Chu
ius, en de grote Scaliger. In dee man
was dat, 't welk Plato meer als eens
in Socrates met wondere coleuren van
welprekendheid afchildert, dat , o
iemand van one jonge tudenten zig
aan hem aangegeven had, hy deelfs
gemoed, eert met een onverwinlyk
aanlokel , en aanhalinge ingenomen,
en bezeten, tot iet voortreffelyks, en
ongemeins overbragt. Als dee dan
defelfs Caarte van Italie van hem maar
kortelyk opgeteld gezien had, van een
verwondering, gelyk hy gewoon was,
/ en lof van het werk beginnende heeft
hem erntiglyk beginnen te vermanen,
dat , dewyl allerlei oort van tudie
- * 1n
*
3oo P. Cluverius van de
in one tyden of uitgeput, of tenemaal
voltoit was, en die van de Wereld
bechryvinge alleen nog overig zynde,
hyzig tot dit werk begeven, en in het
bezit als van iet, 't welk ledig is, ko
men oude. Dat alles voor af wegge
nomen zynde , de Aard-kloot nog
overig was, en dat deelve aan den be-
zitnemer, o iemand met ernt daar op
toeleide, in eigendom zyn zoude. Dat
hy zig oude laten geleiden, daar hem
de drift des natuirs toe riep , en zyn
vernuft als een leidman tot de ontterf
lykheid volgen. Dat er vele waren,
dewelke in andere aken uittaken: dog
dat in dee aak niemand groot oude zyn,
dewelke ook niet te gelyk de eerte
ween oude. Door welk oordeel de
jongeling niet anders ontvonkt als edel
moedige peerden door het klappen der
handen gewoon yn te werden, en dit
voornemen nu vat beloten hebbende
'is hy naar Braband vertrocken, alwaar
Jutus Lipius te dier tyde leerde , 'k
gelove, op dat hy in o een grote ake
van des elfs oordeel ook gerut mogte
4 zyn. Den welken als hy te vergeefs te
Loven geogt had ( als dewelke naar
Antwerpen verreit was) heeft
1 -
hy# OO
-

-
,

Uitlopen van den Rhyn. 3or


ook te vergeefs, 'k weet niet door wat
ongeluk te Antwerpen geogt, als de
welke daar van daan al na Loven we
dergekeert was. Alhier, Toehoorders,
alhier eg ik, kan men nauwelyx eg
gen, nog met woorden bechryven
hoedanige, en hoe grote ongelegent
heid hem, die van jongs af tot elende
gechapen was, buiten vermoeden, en
eer chielyk overkomen is. Want,
dewyl hy in een vyandlyk land werfde,
hebben hem enige oldaten van alle
reis-geld, en klederen ontbloot, by na
gelyk als hy van ijn moeder geboren
was, naakt, en hongerig verlaten; o
danig dat hy niet als met een dronk
waters, en wortelen, dewelke de aar
de aldaar verchafte, ijn dort en hon
gers noot verligtede. Dee one Achae
menides - waarlyk elendig, en dien
Pot zeer gelyk , aldus drie dagen
geworven hebbende is eert door
de beleefdheid van enige moniken op
de weg, en naderhand door die van
den bevelhebber van Lillo , als wan
neer hy daar aangekomen was, verligt
zynde naar Batavie by zyne oude vrien.
den, en voornamentlyk by zyne boe
ken , wedergekeert. Alwaar als hy
, * Vers ,
::
3o P. Cluverius van de
vertont, dat er van zyne vaders gunt
voor hem niet overig was, ten ware
hy zyn gemoed , 't welk nu al op iet
anders geet was, aan de lere der Wet
ten , waarom hy naar de zyne, en te
huis ontboden wierd, geheel en al over
gaf, en dewyl hy ulx van zig elven
niet verkrygen konde, heeft hy zig
naar Bohemen, en kort naderhand naar
Hungarien begeven. Alhier twe jaren
in den oorlog gedient hebbende is hy
met zyn Colonel , wiens gemoed hy
met een grote behendigheid, en be
leefdheid der manieren voor lang in
omen had , weder naar Bohemen
gekeert, alwaar te dier tyd de eer edele
Baron van Popel, door bevel des Kai
zers lang gevangen gehouden te ver
geefs verogt , dat men zyn aak voor
zyne Majeteit bepleiten , ende aan
horen zoude. Deelfs groot gemoet
derhalven , gelyk odanige gemeinlyk
woon zyn , tot gramchap overge
wend hebbende heeft hy een Verde
ding-chrift voor zig gechreven, het
welk hy ten dele door zyn veroek, en
ten dele door zyne vrienden by onen
Cluwerius verworven heeft, om in het
Latyn over te etten. Als hy het elve
- - * hier
Uitlopen van den Rhyn, 303
hier wedergekeert zynde aan den druk
ker overgelevert had, heeft hy we
derom de fortuin, die ihy altyd tot een
tiefmoeder gehad heeft , tegen zig
-- aangekant. ant door 's Kaizers be
s vel, die door zyn gezant zulx al ver
kregen had, in de gevangenis gewor
pen zynde is hy door toedoen van de
tudenten, die voor hare , en hun
vriends vryheid aanhielden, dee quaal
ontgaan. Dit is de vrouwen aangebo
ren, dat zy door die toegenegentheid,
dewelke de natuir in die gemoederen
der ouders ingeprent heeft, niet wei
nig heviger aangedaan werden. De
lief hebbende moeder derhalven haar
oon, alhoewel hy andere aken, als
zy wel wilde, dog egter grote, voor
had, tenemaal buiten kennis van den
vader, met geen groot reis-geld voor
zien hebbende, o heeft hy voorge
nomen dien aard-kloot, den welken
hy voor lang in zyn gemoed omhelt
had , naukeuriger te bezien, en af te
meten. By welke gelegentheid, en
volgens welk voornemen hy Scotland,
Britanje, Itali, en Vrankryk meer
als eens doorgereit is. Egter heeft hy
Britannie meer dikwils, als andere lan
N den

/
304 P. Cluverius van de
den bezien, om dat hy, naar my voor:
taat , aldaar enige boeken, die hem
op 't hoogte dientig waren, gevon
den had. So grote leer-zugt , ja o
grote onmatigheid (om in een onge
wone aak my van odanig woord te
bedienen ) had hem bezeten ; dewelke
nog vermaningen zyner vrienden, nog
's vaders gramchap, nog voorgetelde
eer-ampten, nog de fortuin, die alle
zyne pogingen tegenliep, odanig heb
ben kunnen tillen, of in houden, dat
hy niet door dien drift tot lof en eer,
die in zyn bort onttoken was, alles
'tgeen hen tegengeworpen wierd groot
moediglyk tot tof van de eeuwigheid
opnam. In Britannie heeft hy het boek
van de drie uitlopen des Rhyns, dog
in Vrankryk ht kort begrip van de
bechryvinge van den gantchen Aard
kloot opgetelt. Welk laatte gechrift,
zynde kort, ende geleerd, op zeer vele
plaaten vermeerderd , ende verbeterd
(want het was zeer qualyk van andere
- uitgechreven) hy aan den zeer uitte
kenden jongeling, Joephus Vortius,
de oon van die, aan wien hy zeer veel
verpligt was, om uittegeven overge
geven heeft. Het welk ik alhier
-,
#
W11
Uitlopen van den Rhyn. 305
willen byvoegen, op dat de rukkeloo.
heid der drukkers, of iemands eerzugt,
dee vrugt niet fnuike te gelyk tot
chade van den Schryver en deelfs uit.
terte wil, nog de hand van den Schry
ver by de leers, gelyk nu gewoonlyk
gechiet , om gewins willen nagezien
werde. Als hy van dit jonge proeftuk,
en gelyk als eerte poginge, zig allenx
kens tot jder gedeelte des Aard-kloots
wende, en nu bereid was, om den
elven in 't geheel# te lui
teren, heeft dee lief-hebbende man
voor eert , en voor al begonnen naar
zyn vaderland te denken; het welk ten
ele door afgunt van de oude, ten
dele door onkundigheid, en bedrog,
nu nauwlyx zyn oude luiter bewaarde.
Door geen geld dan, nog beloninge
aangeport zynde heeft hy het elve, de
moeder van zo vele helden, en nayver
aarter van de Roomche dapperheid
zynde , byzig voorgenomen te ver
heerlyken. In welk gechrift, zynde
zeer geleerd, en wydlopig, hy wegens
de land-cheidingen van Hoogduitch
land, van deelfs inwoonderen getel
tenie, en kledinge, godvrugtigheid,
wapenen , regt # en volken ,
#e "v " "#
v - ,
A
--

306 P. Cluverius van de


omtyds ook tegen de oudheid elf, hy
of odanige aken veronnen, of uit de
gronden van zyn leer met een zeer groot
vertand voor den dag gebragt heeft,
dewelke gelyk ze zijn vaderland in 't
bezit van een ware lof tellen, alo ook
aan den Schryver o veel geleerdheid,
als godvrugtigheid toechryven. Der
halven, gelyk de Poten zeggen, dat
er een Godin geweet is, dewelke uit.
de herenen van jupyn foude geboren
zyn, alo # my dee man van een
verheve, en heerlyk gemoed door zyn
#
overgroten arbeid, nagt Chl

orgen, ons zyn Vaderland gebaart te


ween. Na Hoog - duitchland is Si
cilie, met Italie gevolgt. Waar henen
als hy voor de twede maal trok, o -,

heeft hy't elve geheel voor vier jaren


met zyne voeten afgemeten, dewyl
hy niet, als 't geen by zyn ogen ge
ien was, aan de wereld , en de na
komelingen mede deilen wilde. Want
dat hy in het andere ( Sicilie). Scylla,
en Charybdis gezien heeft, mitgaders
de woonplaaten der Phaeacen, en de
velden der gelukzalige, den branden
den AErna , aantoker van den poti
chen geet ; dat hy de Laetrygonen,
- - CIR
/
2

- * Uitlopen van den Rhyn. 307


en andere diergelyke gezien heeft, de
welke Ulyes maar ter loops ingezien
hebbende de toffe van een Odyea ver
chaft heeft, vermein ik aan de org
der Poten, dewelke de aken geerne
roter hebben, als de geloofwaardig
eid medebrengt, en in ongewone din
gen vermaak cheppen, overgelaten te
moeten werden. In Italie, op dat nie
mand one eeuw , gelyk als enige
monters, onder 't minte gevoelen,
of verwonderinge over geleerdheid
denke te zyn, heeft hy luiden, die zig
grotelyx over hem verwonderden, elfs
ook onder de Cardinalen , als mede te
Bologne, gevonden. Van welke hyver
heerlykt verogt, en o oit iemand, mil
dadiglyk tegen gehouden, egter naar de
zyne heeft willen wederkeren, alwaar
hy een zeer nauw huis, zeer bedroef
de vrouw, en de armoede, (zynde de
uter der goede zinnen, ) vinden, ende
omhelen mogte, als iet onder het pur
per der Cardinalen van zyne vryheid
verminderen. Zyne huivrouw ( de
welke hem op zyn wederkomt met o
danigen verwelkomt ontfangen heeft)
is in zeer ware merten , door dien
haar lighaam door het baren, o men
- V 2. meInt,
398 P. Cluverius van de.
meint , zeer te zamen getrokken, en
verwakt was, vervallen, en trok door
hare gedurige zugten, kermen, en
tranen niet alleen 't gemoed haarsmans,
't welk met iet anders bezig was, maar
elf ook de buiren, tot mededogen en
droefheid. In dee ongelegentheid, en
huilyke bitterheid, in dee benauwd
heden , en droefheid zig bevindende
deed hy egter dagelyx iet van zyn werk
af. Met dudanig begin is Italie, eert
begonnen, en voltoit; waar by hy eert
zyne geondheid, en kort naderhand
het leven ingechoten heeft. Als hy in
dit werk iet chreef, of bedagt (terwyl
hy ondertuchen genootaakt was enige
jongelingen, om te betaan, te onder
rigten. ) hebben wy hem o uitgeput,
en vermagerd door de tering, dewelke
hy ten dele uit droefheid, en ten de
le uit de tudien op zig gehaalt had,
alle # : dat vele dagen voor zyn
overlyden, als wy als vrienden by hem
waren, met een chaduw, of geraamte
chenen te preken. Verre was nu van
hem zyn vorig ween , en choonheid
des aanchyns, verre die glans , en
# , nevens die nette en fyne
anden, dewelke door de leden pyn,
en .

w
2,

Uitlopen van den Rhyn. 3o9


en magerheid nu al verteert waren,
verre was die welprekendheid zyns
tems. Zyn neus was zeer pits , de
lagen des hoofds ingevallen , flauw
waren zyne oren, de ogen liepen, en
't ligt verveelde hem al; eindelyk zyn
gantche ween Hippocratich zynde,
gelyk de Galeniche zeggen, voor
pelde zyn laatten dag voor zyn tyd,
gelyk in langame , en teringagtige
iekte gechiet. Het taat my voor,
dat , als ik, en enige vrienden voor
zyn bed tonden, hem van den zeer
vermaarden, en groten Genees-Heer,
dien hy altyd voor een vader gehouden
heeft, Everardus Vortius aangezegt,
ende bekend gemaakt wierd, dat er
geen hoop meer in de Genees-Heren
overig was, dat hy op 't einde zyns
levens denken oude, als het welk 't
begin van het eeuwige is in die gene,
dewelke in de ome Gods haar vertrou
wen tellen. Dit nootlottig voorpel
heeft hy odanig onder enige bewe
ginge des gemoeds aangehoort, dat h
dee wereld , denwelken hy met o
grote moeite, geheel en al door en door
geleert , en nu al bechreven had,
gantch en al uit zyn gemoed telde,
V 3 CIl.
31o P. Cluverius van de
en zig niet alleen o tot verhuien be
reide , als wel zyn gantche ziel aan
Chritus overgaf; En als hy nu al aan
quam , (het welk de haat-hebbende
eigen is) maar wat te lang wagte, ge
lyk moeielyke geld-eichers, naar hem -
riep, en hem vereichte. In dee uit
terte noot had hy enige Gods-geleerde
by hem zitten, die hem met gedurige
aanpraken, en vermaningen tot vrede,
o er nog iet op 't hert zitten mogte,
met God, en de menchen brengen
mogten. Als dee by voorvallende ge
legentheid iet van de onterfelykheid
des ziels praken, was hy aandagtiger,
als te voren, en met een ekere ver
ontwaardinge, gelyk in odanige iekte
echiet. Hy zeide, dat zyn Strabo.
elf, een man, dewelke in 't geen de
Chritenen opvolgen maar een heiden
was, hier niet aan getwyffelt heeft,
Want alhoewel hy wit, dat men niet .
door afmetingen der plaaten , maar
door een tandvatig geloof in die he
melche aarde quam, o dagt hy egter,
dat die gene , dewelke durfden twyf
felen aan 't geen heidenen door de inge
vinginge des natuirs vat getelt had
den, meer voor challebyters, als men
- , , chen, -
Uitlopen van den Rhyn. 311
- chen , te agten waren. Welke elve
inderdaad , indien ze van one ziel iet,
ingeogen hadden, alhoewel onder de
vuiligheid , waartoe ze geboren zyn,
ligtelyk ouden kunnen beeffen, dat
godlyk gedeelte , 't welk o vele af
gelegentheden der plaaten , o grote
zeen , o vele bergen , en eindelyk
deen gehelen aard-kloot gelyk een tip
bevat, en, 't geen groter, als dit alles
is, tot de reden, roept , met dit lig-
haam niet geindigt werd, waar aan
o lang het elve vat is, tenzy het tc
nemaal bot en dom is , wel gevoelt,
dat het van deelfs gemeinchap kragt,
en geweld lyd, en met duiternis be
fwalkt werd. Hy had voor lang , ge
lyk wy alle menchen zyn , enig ver
chil met den zeer uittekenden Iacius
Pontanus over de wereld bechryvinge
gehad, het welk tot chryven, en we
der tegenchryven, ja.elf tot vinnig
' heden uitgeborten was , wewegens
als der beide vrienden, dewelke jegen
woordig waren , hem voorzigtiglyk
vermaant hadden, o heeft hy verklaart
dit alles gehelyk uit zyn gemoed te
wichen. Want dee zeer vermaarde
man , die aan zyn Chritus, aan wiens
V 4 hy
312 P. Cluverius van de
hy altyd gehangen had, nu toegehei
ligd tont te werden, wit wel, dat
gelyk dit ongefatoeneerd lighaam, ten
zij het eert in zijne heerlykheid her
teld werde, niet hoopt naar 't bezit
van de kinderen Gods, dat alo ook
een ziel, die van haat en wraak brand,
tot zyn geluk niet komen kan. Dat
bloed, en vleech tot dat geluk niet
toegelaten werd, heeft die gene , de
welke aan het kruys hangende , tu
chen pyningen en vercheuringen, en
onder dien over gruwlyken lat ge
drukt, den welken niemand van ons
tot nog toe elf met gedagten niet heeft
kunnen begrypen, eer hy die laatte
offrhande aan zyn vader dede, aan
zyne pynigers , en beulen vergeven. -
Nu hebt ge gehoort het einde van dien
man, by welken one eeuw zeer wei-
nige gelyke gehad heeft, en mogelyk
in de konten, en leer leen, waar aan
hy zyn gemoed ## had, geen
groter gezien heeft. Wiens vercheide
omwervingen, gevallen, en tegen
poeden al wie overwegen zal, zal tege
lyk ook moeten zeggen, dat hem egter
niet tegengehouden heeft, om tot zyn
haven, en de colommen van Hercules
ge
Uitlopen van den Rhyn. 313
gelyk de Wereld-bechryvers zeggen,
door te dringen. Hy prak zeer vele
talen. Buiten die gene , dewelke van
de geleerde gehand-haat werden, de
Neder-en Hoog-duitche, de Boheem
che, Poolche, Hongerche, Engel
che, en Franche, o dat hy in zyn
wereld nergens een # zynde
overal cheen geboren te zyn. Hy heeft:
tw kinderen nagelaten , o veel te
groter erbarmen van een jgelyk waar
dig , hoe veel te min zy haar verlies ge
voelen. Aan welke hy uit dit geheel
al, 't welk de vader door zyn vertand,
en geleerdheid gehelyk bezat, niet als
rouw , en armoede nagelaten heeft,
Hy heeft zeer uittekende, en vermaar.
de mannen uitgekoren, die zyn uitters
te wil na zyn overlyden uitvoeren zou s'
den, te weten Petrus Cunaeus, Voorst
zitter van den Academichen Raad, by:
deen Antonius Thyius, en Everardus:
Vortius. Hy heeft, buiten die, enige
vrienden met my gemein gehad. Ons
der andere Scaliger, en Caaubonus.
En onder de gene, die nog in 't levens
zyn Joannes Meurius, Thomas Erpe
nius , en Gerardus Voius, zeer ver
maarde mannen in one eeuw, dewelke
- V5 alle
314 P. Cluverius van de
alle bedenkelyke gedientigheden aan
den ieken, of na zyn dood , gedaan
hebben. Dog onder de eerte en voor
naamte had hy Joannes Nereus, een
zeer geleerd Gods-geleerde, aan wien
hy ook een heilig boekje door hem ge
chreven voor zyn dood ter handen ge
telt heeft. Door alle welke aken
gy, zeer goede, en voortreffelyke Clu
verius, een zeer droeve geheugenis,
en rouw nagelaten hebt. Gy hebt de
elve ook aan Magna Graecia nagelaten,
't welk de laatte hand van u vereicht;
Als ook aan Griekenland, die t enige
tyd uw hulp verwagte. Gy hebt ze
ook aan de gehele wereld nagelaten,
over 't bechryven, verheerlyken, en .
aftekenen van welken uw oogmerk liep.
Gy hebt ze ook nagelaten aan de ge
hele letteren en geleerdheid, dewelke
gy om uwe wetenchaps wille alleen
eheel en al verheerlykt, en vergiert
ebt. Want van uwent wegen, ten
zymen onbilliker , als behoort, zyn
wil, vermein ik, dat men ook verblyd
zyn moet. Gy klaagt nu niet meer
over uwe benauwde long, en moeilyk
adem-halen ; Gy hoort uw vrouw nu,
niet onder uwe bedenkingen met de .
dood
'Uitlopen van den Rhyn. 315
dood wortelende. Gy zit nu niet be
kommerd, en bedroefd over uwer kin
deren, en uw eigen vaderlyk goed,
't welk de mis fortuin u by uw leven al
afgenomen had. Nu verfoeit ge niet
meer het in bloed wemmende Europe,
nog de verchillende gemoederen uwer
lands-luden ; nog ook de zeer vuile
twepalten der geleerde onder malkan
der , mitgaders het uitterte venyn,
dat men in onentyd bepeurt, de be
veinde loftuigtingen der vrienden. Gy
zyt in een andere wereld overgebragt,
die de Z-luiden, en Wereld-bechry
vers onbekend is. Alwaar gy, als voor
henen, geen rivieren, nog fonteinen,
Zeen, nog bochen, teden en wou.
ten, gelyk ge gewoon was, nog uwen
Pachynus , Lilyboeum , en Pelorus,
nog Itali, de heercherle des werelds,
nog deelfs Hoofd-tad Romen, maar
die hemelche tad ziet, dewelke boven- -
waards is, en door gene rivieren ver
makelyk gemaakt, nog omringt werd;
Die heilige tad, de tad des groten
Conings. Waar in niemand iet ont
breekt, waar in een jgelyk gegeven
werd, o veel hy wencht ; en waar
in eindelyk, gelyk de Heilige man ge
w Woon
316 P. Cluverius van de '
, woon is te preken, een igelyk zyn
goed vertaat, en oekt. Gy zyt wel
in de lente van uwe jaren van hier ge
rukt, maar gy hebt uw leven door uw
waken , en bezigheden des gemoeds
buiten veler ouderdom uitgerekt. Gy
hebt weinige , en geringe middelen',
nagelaten. Dog de zielen der geluk
zalige kennen deelve niet, en leggen,
gelyk enige Wye zeggen, haar bete
goed in haar gemoed. En de armoede
werd het zeer oude erfdeel des deugds,
en des wysheids eige van grote man
nen genoemd , dewelke, om met een
oud Schryver te preken, in Aritides
regtvaardig, in Epaminondas dapper,
en voorzigtig, in Socrates wys, in
Homerus welprekend en in gene wei
nige andere geleerd geweet heeft. De
elve heeft met u, zeer goede Cluve
rius, alle de landen gezien, en door
getrokken. Gy hebt verlatene kinde
ren, en van hun vader ontbloot na
gelaten, maar de odanige hebben hun
vader ook. En wy hebben een moeder,
die ons alle gemein is, zynde de God
delyke Voorzienigheid. Dewelke op
de aarde niet verzuimende meet op de
odanige ziet. One wetgever heeft de
- - - - kui
Uitlopen van den Rhyn. 317
kuikens der vogelen, en de nesjes ook
in zyne becherminge. Ook zyn er zeer
voortreffelyke mannen nog overig ,
welkers beleefdheid gy menigwerf ge
roemd hebt; Zy zyn overig, zeg ik,
en op dee plaats jegenwoordig, de
Curateuren van de Academie , uwe
voortanders, zeer edele, en zeer be
roemde mannen , aan welke gy uw
rut , en vryheid verchuld geweet
zyt, en aan welke wy Germanie, Si
cilie, en Italie verchuld zyn, dewelke
naar de middelen, dewelke zy zeer
voorzigtig beteden, naar den raad,
die zy volkomen bezitten, alhier ook
niet te oeken zyn ullen. So er enige
eer voor de overledene overig, o er
enig godvrugtig geheugen elders over
gelaten is, indien een grote, en door
lugtige deugd de veragtinge der ge
leerdheid , dewelke te dezer tyd om
weeft, te gelyk met een huilyke ons
gelegentheid , en met koten van gen
# , en de dood elve, afbidden
kan, o ullen de vreemde volken ook
chreien, welkers ryken, uittrekkine
gen des gebieds, en Keizerryken gy
verheerlykt ten toon getelt hebt, dat
een man van o grote verdienten, en
ges. .
*
* -
3r P. Cluverius van de
geleerdheid zeer vele dingen tot zyns
Ievens behoeften gebrek gehad heeft,
daar koordedaners, en poetze makers
van Vorten onderhouden, paarden,
en honden, tot glorie des dapperheids,
en vermaak, vet gevoed werden. Laat
het de Fortuin, die tegen de grote ge
moederen aangekant is, en met welke
gy tot nog toe gewortelt hebt, egter
horen. Gy van haar verlate, en ver
uimd hebt den gantchen aardkloot,
om te verheerlyken, en te vermaden,
voor u uitgekoren. In Europa, Aia,
en Africa, waar in enige waardighe
den, en eren , andere goud , ende
chatten, alles varen latende, betrag
ten , hebt gy iet waardigers, om te
doen, #" en. Gy hebt deelve wil
len vertaan, en met de reden begrypen.
Gy hebt de voornaamte provincien,
Germanie , Sicilie , en Italie odanig
aan uw verbonden, dat ge niet alleen
die gene, dewelke nu in deelve leven,
maar ook de oude Schryvers, die geo
vele aken geleert hebt , tot werktui
# van uw lof, en heldendeugd hebt.
ullende deelve ook wel hebben , o
lang er menchen op aarde zyn zullen,
dewelke of uwe chriften leen, of der
lan- w
-

Uitlopen van den Rhyn. 319


landen getalte, en gelegentheid niet
uit deelve, 't welk een overgrote
moeite in heeft, maar uit uwe vlytig
heid, en orge leren zullen. Wy ul
len inderdaad uw Italie , 't welk BV
als een ander weeskind, aan zeer toe
enegene mannen op de aarde bevolen
#, met o grote tudie, arbeid,
vlyt, en geleerdheid, niet in het elve,
het welke gy o grotelyx aan u verpligt
hebt , tuchen de aangenaamheden,
en vermakelykheden des Tybers, maar
in Batavie, de opperte burgt des vry
heids, van u bechreven, en herboren,
onder declfs bedenk , en triomf-te- .
kenen ophangen. -


' ,

E Y N D E.
-------- ----
|
|-
|-|

-
- ----
-
|

-t
|-|
|
|
| ----
| |
|
----
- -
|
|
|
---- |-|
* .-

|-| |

| |
|
|
||-|
|
----
|
----
|

----
|-"* -
|
----
|
--------
| |
|-| |-|-|
|-|
-

|
|

.*
|
|--
|
|
- - -
| |-|
- |
- -
---- |-|
|-----
*
* - |-

~~ ~ ~
----|
|
+ *| |--
- |-..",

er
<-- ----

----

|-|
~
|

-
- -

BLAD- WYSER
Van de Voornaamte aaken in het
tweede Deel begreepen.
A noemt. 44
A"# f haar Aulus Hirtius van de
MTA Lut-huys of Dapperheit derBa
het Roomburg of tavieren en het Ger
Ceulen is ?. 25. 27 maniche Paarde
Ammianus Marcel Volk, Io2. 1o3.
linus noemt Ceu III. I13. II 4
len een Stadt van Auonius van de Ne
eer groote Naam, derlaag der Ro
9. Van de Voor meinen inGallien,
naamte Steden , 17: Wort verkeert
- zo: 38.39. 183. by Scaliger uytge
Amterdam is op der leit. 14. 18 -

Frien Grondt ge
ticht. 2. I 3
: B.
k
-

Antoninus , in yn BA:## een


Reis-bechryving Stadt der Ba
van de Hoofd tavieren de zit
Stadt Lugdunum, plaats van Civilis,
4. 8. In Germa 51.58
- nien en inGallien, Batavieren haarOor
8. 9. En van pronken wanneer
Straadsburg , 2o. de elve in ver
En andere Steden, . wandchap der
3O. 3I. 4I. 43. Romeinen geko
A# #n -

men zyn, 59. Haar


by de ouden ge X dapperheid
Pp in den
II. Deel. w
/
Oor
we
B L A D. W Y SE R.
Oorlog,6o.67,85. Eer en Glorie
-

87.88, 97. Wan waarin ze betaat,


neer de elve in de 94. Die van Caear
Bond - genood - beproeft is in Gal
chap der Romei lien en Britanien,
nengekomen zyn, ## 127. Haare
69.74.76. Syn de ont van te Paer
voornaamte E de te ryden en te
delte en voortref Zwemmen word
felykte van alle allermeet gepre
de Germanen, 87.
En in haar oude
- #? 96 126.
aar" om y de
manieren van ar voornaamte van
beidt en dapper het Germaniche
heid betandig ge . Paerde Volk waa
bleven, 88. Haar ren, 96. 98. III.
levensmiddelen ,
Overtreffen de an
'E&#&#
toe-gedaen , 121.
dere Germanen , EnynLyftrawan
89. Hebben ich - ten geworden ,
elven aan Caear - 122. 128. Haar af
overgegeven, 9o. val onderClaudius
Enh#oude Gio Civilis door Ce
rie en Vryheid be realis by-gelegt
houden, 9o. Heb 135. Syn ook o
ben Mannen en mitianus yn lyf
Wapenen aan de - wagten gewet
Romeinen ver I39. Haare komt
chafft, 91. Daar om door de Revie
om y van haar ren met volle wa
verheven zyn, 92. pen en te zwem
n van latingen men gepreen,14o.
en chattingen ver-, Werden Broeders
choont zyn , 93. en Vrienden van
Haareware Roem het Roomch Volk
ge
,
B LA142D-w
# En
y s ER.
Brinio Veld-Overte
e Af - chriften der Caninefaten
daarvan. I42. Syn neemt der Romei
ook Trawanten nen Legerplaaten
van Herodes ge in en plondert e.
weet, 144. Haar 169
Kriegsdient en 'C
dapperheit onder ATYAtten en andere
de Romche Kay-. Volken aan
eren aangemerkt, den Rhyn woo
145 Haare dapper nende. 192
heid heeft over al Cauchen en haare
eenGroot gewicht woon - plaaten
tot de overwin volgens het getuy
ningen derRomei- gnis van Tacitus
nen geweet, 15o. enPlinius, 197.241
Oproer tot haar Ceulen een oude
Loff geeindiget, Hoofd - Stadt in
1 61. Worden van het tweede Ger
den Batavier Civi manie.
lis tot optand te Cimbren en haare
gens de Romeinen wooningen tot in
verwekt , 169. Jutland, 245. En
En van Cerealis Teutonen yn
overwonnen ge door den Ocean
plondert,en in vre- uyt haarezit-plaat
de opgenomen, en verdreven. 255
v 176. haar # Civilis een Bata
nemingen ter Zee, -
vier, yn optand
187. 188. De naa en Oorlog tegens
men van haar Ei de Romeinen,169,
land. 212 Veld-Heer word
r BaduhennaeenBoch door Cerelalis
by even wolden. overwonnen, en
28 I vrede gemaakt yn
X 2 Zee
BL A D-w den
vs E176.R.
Zee- lag met de 219.
Romeinen , 17o. Syn Scheep-trydt.
Staat na het gebied 218. 22o -

der Gallien, 17o. Cornelius Haemro


Trekt de Batavie dius van de Mar
Yen van de Romei atiers woonplats,
nen af, tot igh en 214. En van de
yne hulp-benden, Ubien. 225
171 Gebied het Cruptorix een Hoef
geheel Belgich in Vrieland te oe
'Gallien te Ver- ken. D. 28t
woeten , 172. Io Caius van
Heeft een verbond J het Eilanden
met de Caninefa naamen- der Bata
ten Gugernen en vieren, 61. Van
Frieen gemaakt, het opnemen der
en die aan ich ge Batavieren in het
trokken, 172. Ge bond 5 genood -
lyk ook de Tre chap der Romei
vieren en Lingo nen, 68.84. Van
nen, 173. En de haare Ruiteren en
Tongeren , Ner kont van Paarde te
vien Betaien en ryden, 96. Van
Chauchen , 174. haare toudheid en
Welke de vier tand ordre om
overige Leger door te breken,
plaaten der Ro 99. III. 119. Syn
meinen bevech van Augutus tot
ten, 175. Tot dat ynLyf-trawanten
e van Cerealis aangenomen, 122.
verlagen , haer 129 Telt het Re
Landuyt-geplon giment der Bata
dert, en in Vreede vieren mede on
aengenomen wor- der Severus, 141.
- Van
B L AD.W Y SE R.
Van eenenGerma perheid en Pom
nichen Ruiter peius nederlaag,
yn dapperheit , 2o7. Van der Ro
I46. 149. Van de meinen Leger
dapperheid der Bas plaaten, en terk
tavieren,182. Van ten aan den Rhyn,
Druus yn over I74 23 I.
winningen aan de Frieen en haare
weer en Elve tot Grenen , . 191.
aan deSaaltroom, Woonen aan den
235. 236. En hoe Yel - 191. 193.
hy de Frieen ge Haare Landpaalen
temt heeft , 24o. en Nabuiren, 192.
24I. Van Corbulo 193:287.288. Aan
yn Grafft. 246 , de Zuyder Zee,
Drecht.Tregt Trigt. 193. Hebben een
# dee naamen Linie van Hatten
eduyden, 35. 36. tot aan het Meir
Dordrecht Waar getrokken, b93.
omo #aamt 36 Omvangen over
groote Meiren ,
EIlanden indeZui 194. Haar oude
der Zee, 26o. Steden, 206. En
En aan de Frie Eilanden, 241.En
che Kuten, 262. . haare Zandheuve
264, 266, 'T Ei len, 245.249
land Flevo word Friiabomen ofzy een
door het MeirFle Volk aan den
vum omcingeld, Rhyn geweet zyn?
265. En het Vlie 2o1. Wat Plinius
land genoemt. 266 en Tacitus van
F haar weeten, 2o1.
Lorus van der -2O2. 205
Germanen dap
w X 3. G.
l

B L A D-W Y SE R.
G. Strekt fich uit van
Erhardus No Ieloort tot Does
viomagus van borg. 27o
den Oorprong en - H
aankomt der Ba Adrianus Junius
tavieren in haarEi getuygnis van .
land, 62. 66 , Leiden, 2o. Syn
Germanen haare Ze Mislag, 21. Van
den gewoontens der Batavieren af
en intellingen,87. komt , 62. Van
Haare Naamen , de Cauchen, 198. -
87 89. Vervallen 214. Van den Y
door de Franche el, 223. Van Fle
manieren tot Lei vus, i67. Van de
heid , 88. Haare Maracen. 288
Vryheid,9o. Heb Hadrianus de Keyer -
# den Naam uyt
Onne1nen
der Heldendigt totLof
van Seranus den
: * . *

gantch Germanie Batavier gemaakt.


uyt-gejaagt , 9O. 124. 125 *
Haare dapperheit Harlemmers dapper
en Paarde Volk, heid voor Damia
/ /

1oo. IOI, II 1.1 15. ten beween,188.


Naamen van die De jaarlyke Ge
aan deee zyde des dachtenie daar
Rhyns woonen , van, 189. En Wa-
144. Syn van Cali pen daar over van
gula in yn Ger de Keyer Frederi
maniche veld cus Barbaroa ver
tocht overwon kregen , 189. Het
nen. 232. 233 # der
Graf van Drudsuyt chryvers daar van
den Rhyn in den naa te ien. . 19o,
Yel, 268. 269. Harlingen met de i
landen
"

B L A D-w YS ER:
landen. Diepten en te vergeefs getroc
Dyken aandeZuy ken. I4
der Zee. Joephus getuygnis
253
De Haven van van de Batavieren.
Manarmanes aen : I31.
13. I44. 177. W

de Viedrus ofte Julius Caear van den


Vecht ? 282 Naam en Eiland
Hercules ynColom der Batavieren,63.
nen in Frie van haare dapper
land te oeken? , heid en opneeming
282.283 tot Vrienden der
Hoofd wat daar door Romeinen , 67.
vertaan word by Heeft de elve tot
Plinius en de Ou yne Lyf-trawan
den. 2 I, 22 -
ten gemaakt, 67.
J. / Van den Gauli-,
J# Eyndius
n

een vernuftig
-

e
chen Oorlog en
vriendchap met
chryver in 1yn de Ubien en Bata
Chronyk van Zee vieren , 69. 74. "
- land, 213. 214. Syn onkunde in de
." - Van de Maratiers bechrvving van de
En Chaucen. 214 Revieren in Bata
Janus Douza in yn vien, daar hy el
3 Batavie van derBa ver niet geweet en
tavieren Naam. 6o. is, 79. Syn roem
joannes Kirchman 'op het Germani
zeus is van Paulus che Legion der
Merulas gelacht. Batavieren , 82.
5I Welcke hy bevre
Joephus Schaligers digt hadde, , 83.
meining van Lei En tot een gedeel
den is een Mislag, te van het Rom
Io. Uyt Auonius che Gebied op-ge
X 4 nOmlen.

BLAD.w vs ER:
- nomen heeft, 83. Van de Germa
Heeft de Sueven rien. , 209
van de Belegering
er Ubien verdre rAteelen der Ro,
ven en ich aan de meinen aan de
Sicambren gewro Elve-Weer Eems
ken, 91. Syn ge en Rhyn,231.232.
.tuygnis van der 't Kateel Flevum
Batavieren dap oft Fleum , 232.
perheit, 94.97.98. 25o. Aen 't Vlie,
1 oo.104. Van den 252. Word be
Oorlog tegens de chreeven. 258
Gallen , 97. 99. - \ L
Van den Borgerly In een Hoofd
ken Oorlog tegens Stadt in Gallien
Pompeius , 1o6. waarom Lugdu
Io8. Caear heeft num genoemt. 7.
en top van yne 2, I
hoogte macht aan Lucanus van de Ger
de dapperheit der manen in 't Leger
Germanen moe van Caear. 111
ten dank weten, Lugdunum Batavo
I IO, II 2. I I 5. rum word Leiden
Haar af- val onder in Holland ge
het beleit van - noemt en getelt
Claudius Civilis, van Ptolomaeus in
135. Tot dat deen het Belgiche Gal-.
Oorlog door den lie, 3. Is een ver
Veld-Heer Cerea maarde Stadt aan
lis by-gelyd is , den Rhyn en zit
136. Van den lag . plaats der weten
der Romeinen te - chappen, 4. Diens
gens de Germanen naamen af-komt
en Ariovitus,181. en Oudheid, 4. #
- S
e

B L AD-w Ys E R:
Is by de Romeinen getuygnisdaarvan,
tot een Kateel oft 2O9.2 IO. 2 1 I.2 12.
Legerplaats opge Worden van de
bouwt , 6. ln het Uipeten overval
onderte gedeelte len en verdreven,
van het onder Ger 212. Tacitus ge
manie. 22. tuygnis daar van.
Lyk-reden van Da 2 II
niel Heinius over N.
Philippus Cluve Abalia, ord
verius. 292 den Yel by
M de Ouden ge
Arcacen ofte de noemt, 215. 228.
Maratiers , 238. Van de Ste
193. Haare woon den en Cateelen
plaaten, 213.21 5. daaraan , 217. De
284.285,286.288. naate trand der
289. Haare Ste Frien, 217.Word
den. , 29O oock Nabal ge
Meir Flevus beduit noemt, 218. 219.
de Zuider Zee, 271
en ondiepten tu N# d der
chen het vate plaaten y de La
Land van Frie tyners in 't ge
land , 239. 253. bruyk, 37.39.41
En yn Eiland 't Is dickwylsvalch.
Vlie bechreeven , 48
258. Meiren in Naamen der Natien
Noort - Holland, die uyt Germanien
261 -

in Gallien overge
Menapiers en haare gaan zyn, 87.Haa
woon-plaaten en re intellingen en
Steden, 2o6.2o7. gewoontens, en
21o. Julius Caear waar in ze ver
chillen,
- - -

B LA D - W Y SE R.
chillen , 87. Van Oudheden. 2o3
die aan dee zyde Philippus Claverius
des Rhyns woo yne vrymoedig -
nen. O. I44, heit voor de waar
Cean yn in heit , 86. Syne
J breuken in het Liefde en oorfa
Land der Batavie ken tot Liefde en
ren enFrieen: 262 Eerbiedigheit te -
Oorlog van Civiliste ens de Batavieren,
gens 6.SynVaderland,
169 deRomeinen. W
tudien Reis-tog
Ortelius yn Misla ten , 296. 297.
gen in yn Karten Komt tot Leiden,
en benaamingen, 297.Welprekent
44 47- 198. 223. heid, 298. Wer
2542: 273.279 ken, 299. Leven
en terven , 3oo.
PA:# deWildernien
Van VriendenenWyan
den. - 313
en Bochen, 51. Plinius wat hydoor't
Profeoor totLei woort Hoofdver
den is tot Rotok taat, 22. Van de
## s Batavieren en Vol
ken aan den Rhyn,
rataat de Mari
'-bus word gepree 196. Van Ebb en
en. 256 vloed. 249.259
Petrus Bertius van Plutarchus van der
Batavieren ervaar
Lugdunum , 24
Van Matricht. 37 - nis en moedigheit
PetrusSchriverius in in 't aanvallen, 96.
het verheerlyk te 1o5. Van Caears
Batavia gepreeen, , overwinning #
138. 139. En van de Ruiterie, er

de Roomche Germanen , Io 6.
IO7.
W
BLAD-w Ys E R.
1o7. 165. Van der van de Romeinen
Batavieren dapper beet volgens ge
heit. I82 tuygnis van F# e

Pomponius Mela van rus , 231. Revier


het Vlieland, 2oo. de Sala aan de El
259.764. Van des ve is vruchtbaar
Rhyns Loop, 21 6. van Zout. 237
Pontanus verbete ng met yn oor
ring over Cluve pronk en Loop
rius, 23 56.58.84. door Caear be -
r 23 2.14.237 chreven, 79. En
PE, ## ge door Mela. 2 16
tuygnis van de Roomburg ofhet een
Chauchen. 2 14 Roomch Wapen
Ptolomeus getuygnis . huys is 25.29. Of
van Leiden, 3. 6. het Luthuys van
Van Straadsburg, Agrippina? Is be
2o. Van de Steden roemt door de
aan den Yel, 222. overblyffels van
Van 't Slot Fle - Roomche Out
vum in 'tVlie.251. heden. 26. 54
252. *# Roomche Gebouwen
zyn van een feer
Eis - kaarte haer vat werk. 59
Reis-bechry
vingen, 4. 41.42. NChotland Caledo
43. 44. 47. Geeft nie genoemt ,
geen warheit noch 179. Hoe het door,
ekerheit. 48 de dapperheit der
Revier de Eems ge- Batavieren van de
dacht, 225. En de Romeinen 't on -
Wezer, 226. En dergebracht is. 179
de Elve wel met Steden der Frieen
vyftig Kateelen om deZuyderZee,
zo6. -
T

B L A D - W Y SE R.
206, 208.264 58. Van der Bata
Straadsburg een vieren. Oorpronk,
Hoofd - Stadt in 59. 6o. Van haere
Germanien. 9. 1o. Ruyteren en Kont
15. 16.2o van zwemmen ,
Strabo een Griek , 961. 24. Van haere
chryft ongerymt Dapperheit tegens
van de Germaniers de Britannen, 127,
en Menapiers,2o6. En dat y Keier
2o7.2o8. SynMi Tiberius yn Lyf
lagen. - 235 % wachten ofte Tra
Suetonius yn getuy wanten geweet
gnis van de Ger - zyn , 131. Gelyk
maniche Batavie oock van Keier
ren haare getrou - Nero , 133. En
heit, 13o. En dat yn Moeder Agrip-
Augutus haer tot pina , 133. Item
yn Lyf-trawanten van den Keier Vi
aengenomenheeft, tellius, 134. Die
, 129. En naa hem door haar Dapper
Caius Caligula , heit het Kaier
t31,231.Maar van Ryck bekomen ,
Galbanae haerVa heeft , 135. Van
derland geonden, . der Batavieren,
134. Van de Graf Kriegs-Dientaen
ten van Druus. de 'Kaieren ge
269 - 4 daan in lange ty
T den, 145.15 1.152.
*T T"Acitus van het 185. Van den op
heilig Boch roer der Battavie
en andere Bo ren, 161. En hae
chen der Germa reDapperheit,1 67.
nen den Goden Van Letilius Ce
: toegewyd,49.53 realis door Vepa
ianus
r-

B L A D-w Y s E R.
: ianus naar Enge - nemingen ter Zee,
land geonden,177. en wat y daar
En hbe de Bata door uyt - gevoert
vieren de InelMo- & hebben. 187
na met Zwem Trajectum wat voor
men ingenomen een plaats, en wat
hebben, 178. En het beteekent ? 34.
Schotland onder 35. 4O. 4I. Waar
de Romeinen ge van het oo ge
bracht, 179. Hoe naemt is ? 4I
deBritanniers door
de Dapperheit der Bien - ofte de
Batavieren van de Ceulenarsver
Romeinen verlae oeken hulp van
# n, 182. Van Caear. 7o
e Woonplaaten LE: overvallen
en Nabuyren der e Menapiers, en
Frieen, 192, 194. bemachtigen haer
229. 23o. En haa Land en chepen.
re intooming door 22O. 22I .
Germanicus, 241. Utrecht van de Ou
242..245. Van 't den Trajectum ge
Slot Flevum, 25o. noemt , 3o. Van
259. Van de Graft wien het o ge
van Druus, 269. naemit en gebout
Van de Maratiers. is? 31.33 34 4o
28 4 , 4I.
Thomas Hubertus van V.
Luyck, getuygnis Echt Vidrus
van de Maratiers, genoemt ofte
285.286.288 . het warte water,
Thiius in ynHitoria , Vliet in den O -
Navalis van der eeari door de
Batavieren onder Stroom Nabalia
ofte
A
n

-,
l

B LA D-w YS ER:
ofte Yel, 273. CeaenS. * , 248
Valt by Geelmui Woonplaaten der
den in 't Meir Fle-, Frieen; 2o6. 2o8.
7

VuS. 274 'Der Boien ofte


vras (Marcus) Bohemen omringt
van de Wyk van metBergen en Bo.
Roomburg. 25. 27 chen , 2o9. Van
Volken die uyt Ger - de Menapiers 2o6.
manien in de Gal 2o7.2o9. Der Ui
lien over - gegaen peten en Tonchte
zyn, 87. Waar on- , ren 309. 3 Id
der de Batavieren Y.
de Dapperten en Sel- Stroom is
Voornaemten ge van den Rhyn
weet zyn, 88. Aen te ondercheiden 194.
en ontrent deri , , 27o 27I. Word
Rhyn woonende, Nabalia genoemt,
I92. I96.2OI.2O5. . 215. Haere Steden
- aen de Elve en Cateelen, 217.
Weer Eems en Ptolomaeus getuy
Saal , 236. Tot gnis daer van, 222.
aen de Sueven en Of het den Alien
Hermunduren.237 . van Dio is ? 223.
W 224. De Steden
rAtten yn Moe Daar aanliggende.
rachtige en . 271. 272
Z
Zandige ondiep Eeduinen en
tens in de Zuider
Zee, 248. Wor Sandheuvelen
den van Vada ge - haare oorpronk
noemt, 248. Syn - en veranderingen
ledig ofte vol nae - 25 6.257. u

den in- Loop en Zotmus van de


af-Loop des O groote Slachtinge
Z der
*

B L A D. wYs E R:
der Germanen ondiepten yn Mo
door Julianus by raige gronden en
Straadsburg ge - by leeg Water
chied , I6. 17. droog gewet ,
Van de Batavie 24o. En worden
ren haare dapper - nu 't Watt ge-
heid. . . 184 noemt, 241. 243.
Zuider-Zee en haare - 26o. ## 43

E 2 N D E.

- - --

-
t
v / A -
*

TN EN B EK-B IN DE R moet
r de drie Land-karties, volgens haer
Womber voor het Eerte Deel tellen ,
tegens Pag. 1. , en daer oo veel wit
papier aen laeten dat de elve gemacke
lyck, buyten het Boek na de lincker-handt
uyt-laen. . - -

En tellen.
Schevelinge I. Deel, Pag, 75.
Afbeelding van Brinio 1. Deel, Pag 24i.
De Stadt Leyden, II. Deel, Pag, 1:
Damiaten , II. Dai, Pag. g
Afbeeldingen van Brinio, II. Deel,
Pag, 221. :
2
_~~~~ ~ *ae
l