You are on page 1of 71

familiewapens, oud en nieuw

een inleiding tot de


familieheraldiek

door

drs. ]. a. de boo

tweede, herziene druk

/l.
! /f -

UITGAVE CENTRAAL BUREAU VOOR GENEALOGIE - ’s-GRAVENHAGE - '/.'/'


ief82

/
CB-reeks nr. 6

familiewapens, aud en nieuw


een inleiding tot de
familieheraldiek

door

drs. i. 3. de boo

tweede, herziene druk

UITGAVE CENTRAAL BUREAU VOOR GENEALOGIE —


’s-GRAVENHAGE - 1982
ISBN 90 70324 14 8

© 1982

Centraal Bureau voor Genealogie - Prins Willem-Alexanderhof 22 - ’s-Gravenhage


Postadres: Postbus 11755, 2502 AT 's—Gravenhage - telefoon 070-814651
Postgiro 65260 - bankgiro 51.17.88.959 en 24.55.60.378

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van
druk, fotokopie, microfilm of Op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming
van de uitgever.

No part of this work may be reproduced in any form by print, photoprint, microfilm or any
other means without written permission from the publisher.

Drukkerij De Residentie N.V.. Pletterijstraat 103, 's—Gravenhage


Inhoud

Het verschijnsel heraldiek


Oorsprong en ontwikkeling
Blazoeneren 14
Het schild 19
Topografie 19
Kleuren 20
Geometrie 21
Schildverdelingen 21
Herautstukken 23
Nevenstukken 24
Gewone stukken 25
Variaties en bijzonderheden 25
Schilddekkingen 29
Helmen 29
Helmtekens 31
Kronen
Pronkstukken 36
Thema met variaties 38
Breuken 38
Wapenvermeerdering 42
Wapenverbetering 44
Gewoonte en recht 45
Wapenregistratie 48
Waar vindt men zijn familiewapen ? 49
Gedrukte bronnen 49
Verzamelingen 52
Overige bronnen 56
Regels 60
Wapensymboliek
Literatuur 65
Wapenregister C.B.G. 66
HET VERSCHIJNSEL HERALDIEK

Wapenkunde vormt geen onderdeel meer van de Ieervakken aardrijks-


kunde en geschiedenis. Vroeger was dat kennelijk anders getuige het
leerboekje van J. H. Knoop uit 1759: Vermakelijk wapenkundig-‚ geo-
graphisch- en historisch spel. Betreffende de voornaamste heerschen-
de staten in Europa, en dienende om de jonge lieden, inzonderheid die
van een meer als gemeene geboorte of educatie zijn, de wapenkunde,
geographie en historie gelijk als speelenderwijze te leeren 1). Onder-
wijs dus in de wapenkunde, zij het dan wel voor de betere standen.
In negentiende eeuwse literatuur, de roman van Jacob van Lennep,
Ferdinand Huyck en het verhaal over de heer Kegge uit Hildebrandt's
Camera Obscura, komt het gebruik van familiewapens zodanig voor
dat een zekere kennis van de heraldiek ten minste bij de schrijvers
en waarschijnlijk ook bij de lezers mag worden verondersteld 2).
De historisch geïnteresseerde leek van nu, en daartoe reken ik ook
de amateur genealoog, heeft wel ongeveer een idee van wat een
wapen is, maar zijn kennis bevat lacunes en er bestaan nogal wat
misverstanden over dit onderwerp.
Om daar wat aan te doen is dit boekje geschreven. Bovenal echter
om belangstelling te wekken voor de achtergronden van een familie—
symbool, waarvan de geschiedenis terug gaat tot de eerste helft van
de twaalfde eeuw.
Sinds de middeleeuwen kennen we het fenomeen heraldiek: het voor-
komen van. fleurige wapenschilden, schitterend van kleur in bonte
schakeringen of met wonderlijke, op bijzondere wijze gestileerde figuren
versierd. Soms zijn ze verfraaid met helmen, kronen of andere pronk-
stukken.
Bij verdergaand onderzoek is dit verschijnsel nauwkeurig te definiëren.
Dit is noodzakelijk om het te kunnen afgrenzen van soortgelijke maar
niet identieke verschijnselen in andere culturen (de klassieke oudheid,
Japan etc.) die we dan para-heraldisch noemen. Soortgelijke fenomenen
die geruime tijd aan de heraldische tijd voorafgaan noemen we pre—

1) Uitgegeven te Leeuwarden bij Abraham Ferwerda 1759.


2) J. A. de Boo, "Ferdinand Huyck en de Camera Obscura als literair-heraldische
bronnen" in: De Nederlandsche Leeuw 95 (1978) k. 343—348.
heraldisch, die welke direct tot het ontstaan hebben geleid proto—
heraldisch.
Het woord heraldiek is afgeleid van het woord heraut waarvan de
etymologie niet geheel duidelijk is. Aanvankelijk waren de herauten
eenvoudige boden, een soort bedienden voortgekomen uit de groep
jongleurs en minstreels en andere varende luyden, die met de ridders
mee trokken van toernooi naar toernooi om de feestelijkheden op te
luisteren. Geleidelijk aan werden ze steeds belangrijker. Ten tijde van
oorlog genoten ze zelfs onschendbaarheid. Bij toernooien verzorgden
ze de bekendmaking en de uitnodigingen, zij inspecteerden de wapen-
rustingen van de deelnemende ridders. Ze bepaalden zelfs of deze
gerechtigd waren aan het toernooi deel te nemen en of zij hun emblemen
terecht voerden. Kortom, ze dienden zorg te dragen voor de organisatie
en een goede gang van zaken bij het toernooi en daarbuiten op het
slagveld. Geen wonder dat veel kroniekschrijvers dankbaar van hun
kennis gebruik maakten. Verschillende herauten waren zelf niet onver—
dienstelijke geschiedschrijvers. Dat is niet zo Verwonderlijk als men
bedenkt dat herauten en minstrelen oorspronkelijk één groep vormden:
beiden bezongen in de zogenaamde bardenlìteratuur de grote daden
van de ridders.
Om hun taak goed te kunnen uitoefenen was een diepgaand-e kennis
van de ridderlijke maatschappij met zijn kentekens, feodale en genea—
logische verhoudingen etc. onontbeerlijk. Zo werden zij de deskundigen
bij uitstek Op dat gebied_
Aanvankelijk werden ze garzune, crogiere, messagier of knape van
wapenen genoemd; pas later kwam de naam heraut in zwang. De term
heraldiek is dus aanzienlijk jonger dan het fenomeen zelf. In zijn
oorspronkelijke betekenis is heraldiek de wetenschap van de herauten,
inclusief de genealogie. Nu verstaan we er alles onder wat met wapens
te maken heeft.
De wetenschap die dit verschijnsel bestudeert, het ontstaan, de
ontwikkeling, de betekenis en de toepassing. de wapenbeschrijving of
blazoenering en de wapenvoering, noemen we wapenkunde. Tot de
wapenkunst wordt gerekend het op correcte wijze ontwerpen en
afbeelden van wapens.
Wat we Precies onder een wapen verstaan wordt het best weergegeven
in de nu algemeen aanvaarde definitie die spreekt van wapens als
gekleurde erfelijke of blijvende (dat wil zeggen in wezen onverander-
lijke) kentekens van een geslacht of een gemeenschap (bij uitzondering
ook van een individu), volgens bepaalde regels afgebeeld als de
afweerwapens van een middeleeuwse ridder, namelijk schild met helm,
helmteken en dekkleden.
Gemeenschapswapens zijn wapens van gebieden, heerlijkheden, landen,
publiekrechtelijke lichamen als provincies, gemeenten en waterschappen
en verder gilden, verenigingen etc. Daar dit boekje zich voornamelijk
richt tot genealogen beperken we ons tot het voor hen meest relevante:
de familiewapens.

OORSPRONG EN ONTWIKKELING

De vraag naar het ontstaan van de eerste wapens is bijna zo oud als
de wapenkunde zelf. De herauten als eerste beoefenaars van de edele
conste van blasoene stelden haar al en de antwoorden in legendevorm
zijn te vinden in hun geschriften. Nu was het in de middeleeuwen heel
gebruikelijk en legitiem om door middel van een legendarische ver—
klaring de oorsprong van het eigen ambt of wetenschap te geven om
zodoende de autoriteit daarvan te verhogen. Hoe hoger de ouderdom
en hoe groter het gezag van hem die het had ingesteld, hoe groter
het gezag van de beoefenaar.
De zeventiende eeuwse heraldicus Pater Ménestrier heeft aan deze
legendarische theorieën meerdere geschriften gewijd 3). Wapens zouden
zijn uitgevonden door Noach, Alexander de Grote, Koning David,
Caesar, Koning Arthur. Deze hypothesen werden snel verworpen,
andere bleven bestaan tot in de negentiende en twinstigste eeuw,
totdat ze door wetenschappelijk onderzoek werden ontzenuwd.
De hernieuwde oudheidkundige belangstelling uit de negentiende eeuw
uitte zich ook in een herleving van de interesse in de heraldiek. Steeds
duidelijker vatte de mening post dat de eerste wapens militair tech—

3) C. F. Ménestrier, Le véritable art du blason et l'origine des armoiries; Paris 1671.


p.109-194.
Dezelfde, Origine des armoiries; 2e editie, Paris 1680.
nische vindingen uit de twaalfde eeuw waren en hiermede werd de
heraldische periode duidelijk afgegrensd van de préheraldische. Maar
ook nu weer probeerden de verschillende onderzoekers de ouderdom
zo ver mogelijk op te voeren. Na de Romeinentheorie kwam de
Germanentheorie. De kruistochtentheorie zocht de oorsprong in de
Oriënt bij de Saracenen. Het ontstaan werd ook wel gezocht in de
oude leger—veldtekens of eigenaars— en huismerken, runetekens e.d.
De hermetische theorie, die ook nu nog aanhangers heeft, zoekt de
oorsprong in mystieke geheime wetenschappen 4).
Al deze theorieën zijn echter te eenzijdig monocausaal en doen de
complexheid van de heraldiek als cultureel verschijnsel te kort. Op
deze wijze kan het raadsel niet worden opgelost. Daarbij komt dat
het bronnenmateriaal zeer onvolledig is en bovendien eenzijdig onder-
zocht. Originele wapenrustingen als dragers van de eerste wapen-
symbolen ontbreken op een enkele uitzondering na geheel. Ze gingen
in de strijd verloren of werden nadien, beschadigd, afgedankt.
Het bronnenonderzoek heeft zich tot voor kort geheel op zegels gericht
en hoeveel zijn er hiervan in de loop der geschiedenis niet verloren
gegaan. De bestudering van middeleeuwse teksten en miniaturen komt
pas langzaam op gang.
Volgens de huidige inzichten zijn er vele factoren die tot het ontstaan
van de heraldiek geleid hebben: militair-technische, socio-juridische,
ja zelfs theologische.
Primair is de militair-technische ontwikkeling uit het einde van de elfde
tot het midden van de twaalfde eeuw. Een belangrijk moment hieruit
is de Slag bij Hastings (1066). Toen in de slag het gerucht ging dat
de Normandische aanvoerder Willem de Veroveraar zou zijn gesneuveld.
kon hij zijn helm nog oplichten om zijn volgelingen zijn gezicht te tonen.
De ruiter die de banier van de hertog droeg riep daarbij uit: „Hier is
hertog Willem".
Op het beroemde wandkleed van Bayeux, waarop deze scène is
afgebeeld, kunnen de verschillende ruiters en hun aanvoerders worden
onderscheiden omdat ze schilden met emblemen en banieren voeren.

4) Zie voor een overzicht van de wapentheorieën:


E. Kittel, "Wappentheorien", in: Archivum Heraldicum 1971, p. 18—26 en 53—59.
Er is enigermate sprake van individuele kentekens, maar omdat er
onvoldoende onderscheid is tussen de diverse kentekens en de ruiters
in de opeenvolgende scènes zelfs verschillende kentekens voeren,
spreken we van protoheraldiek.
In deze tijd is een ontwikkeling begonnen die het ontstaan van de
heraldische wapenvoering tot gevolg had. Hier bleek de superioriteit
van de bereden krijgslieden ten opzichte van het voetvolk wel heel
duidelijk. In de decennia die volgden ontwikkelden zij zich tot een
geducht wapen en tot een aparte klasse in de samenleving: die
der ridders.
Het principe van het feodale leger was de dienstplicht. De heer had
zijn man land in leen gegeven om van te bestaan. De man moest zijn
heer daarvoor diensten verlenen, waaronder krijgsdiensten. Maar in
het steeds ingewikkelder wordend systeem van leenmannen en achter-
leenmannen liepen de belangen van heer en man lang niet altijd meer
parallel. De grote leenheren kregen daardoor meer en meer behoefte
aan een leger van beroepssoldaten waarop ze te allen tijde konden
rekenen. Ze recruteerden daartoe een ruiterij uit de stand der ministe-
rialen, halfvrije lieden die op hun landgoederen in hun persoonlijke
dienst stonden, aangevuld met vrijen. Tezamen vormden die de nieuwe
krijgsmansstand.
Inmiddels had de kerk zijn standpunt ten opzichte van het krijgsbedrijf
ingrijpend gewijzigd. De lijdende kerk der martelaren was de strijdende
kerk der kruisvaarders geworden. Onder de leuze "Deos los volt",
(God wil het), togen duizenden ten kruisvaart. Sint Bernard schreef
zijn Lof van de nieuwe ridderschap, en de wapenrusting werd de
wapenrusting des geloofs 5). Het krijgsbedrijf, mits voldoende aan be-
paalde normen, was een heilige zaak geworden. Dit begunstigde het
ontstaan van de nieuwe klasse die een eigen code kreeg vol hoog—
gestemde idealen van dienst aan de heer, de kerk en de samenleving,
strijd tegen de heidenen en bescherming van de verdrukten. De nagalm
hiervan is nog te horen in ons woordje ridderlijk.
In het verloop van een eeuw steeg de gevoelswaarde van de ridder-

5) De Brief van de apostel Paulus aan Efeziërs, hfdst. 6vs 11—17.


naam zodanig, dat ook de adelstand die naam begeerde. Zij leenden
hun maatschap-pelijk aanzien en hun levenswijze aan de dienstlieden
en deze droegen de riddertitel op de adel over, zodat er omstreeks
1225 een nieuwe ridderschap was verschenen die adel en ministeriali-
teit omvatte en beide qua sociale status te boven ging 6). Deze nieuwe
klasse zal statussymbolen gewenst hebben en deze vonden ze in hun
wapenrustingen.
De wapenrustingen waren in die eeuw steeds zwaarder geworden en
steeds meer geperfectioneerd. Het werd daardoor ook moeilijker om
de identiteit van de individuele ridder vast te stellen. De pothelm die
het gehele hoofd omsloot kon niet zo gemakkelijk meer worden afgezet
als een helm uit de tijd van Willem de Veroveraar. Daarom ging men
op zijn wapenrusting herkenningstekens aanbrengen, onder andere op
het schild, de wapenrok, op de helm en op het paardedek.
Het ruiterschild nam weldra de belangrijkste plaats in als ondergrond
van het herkenningsteken. Het manshoge, licht gebogen, amandel-
vormige schild uit 1066 was eigenlijk het schild van het voetvolk
waarachter het zich kon verschuilen om een pijlenregen af te weren
of om de ruiterij over zich heen te laten gaan. Het ruiterschild dat
later in zwang kwam was kort, driehoekig van vorm en lichter van
gewicht. Men kon er beter mee pareren om lanssteken en zwaard—
houwen af te weren.
Het schild dat van oudsher al hoog in aanzien stond, werd het symbool
van bescherming van zwakkeren en van afweer tegen onrecht. De ridder
werd door zijn schild geidentificeerd, tenslotte personifieerde hij er
zich mee. Het werd tot wapenschild, een statussymbool van de ridder-
klasse, evenals gulden sporen en het zwaard aan de gordel. De waarde
hiervan was zo groot dat jonge erfgenamen die in grote leengoederen
hun vader waren opgevolgd en akten moesten zegelen voordat ze met
het zwaard waren omgord (dat is tot ridder waren verheven, de ridder-
slag kwam pas later in zwang) beloofden de verbintenissen Opnieuw
aan te gaan als ze de ridderlijke waardigheid verworven zouden
hebben. Ze zegelden dan met een ander zegel: een wapenzegel of

6) J. M. van Winter, Ridderschap ideaal en werkelijkheid; Bussum 1965, p. 20.


Ruiterzegel van Graaf Floris V van Holland

een ruiterzegel 7). Daarvóór bezigden ze een jachtzegel of een wapen-


beeldzegel.
Het ridderideaal bleek niet opgewassen tegen de werkelijkheid. Na
de Guldensporenslag (1302) nam de ridderlijke strijdwijze af. In de
steden verkreeg de burgerij onafhankelijkheid en eigenwaarde. Zelfs
in de slagen tussen de ridderlegers onderling moest de ridderdeugd
wijken voor krijgsbelang en tactiek. Het ideaal van ridderdeugd en eer
floreerde op het toernooiveld en in dit kleurrijke gebeuren ontplooide
zich de heraldiek verder.
Wanneer echter de enige waarde van de wapenvoering gelegen zou
zijngeweest in haar herkenbaarheid Op het slagveld, dan zou de

7) P. Adam—Even, "Etudes d'héraldique medievale: Les sceaux d'équyers au XIIe


siècle', in Archives héraldiques suisses 1951, p_ 19—29_
heraldiek met het veranderen van de strijdmethoden haar actualiteit
hebben verloren. Zij verdween weliswaar van het strijdtoneel, maar
leefde voort als niet—militair kenteken Op zegels en dergelijke. Het
gebruik bleef voorts niet beperkt tot de ridders, maar ook burgers
gebruikten al heel snel wapens. Jongere zoons van ridders vestigden
zich in de opkomende steden en behielden het gebruik van hun
**‘)

wapens. Daar was een sociaal verkeer tussen de standen, hetgeen


het wapengebruik stellig heeft gestimuleerd.
Allen maakten gebruik van wapens vanuit de groeiende behoefte
om te zegelen. Zegelen was al snel niet meer iets wat alleen door
landsheren gebeurde, maar ook door de lagere adel en de stedelijke
overheden die praktisch geheel uit burgers bestonden. De ridders
voerden hun ruiterzegels en als tegenzegel wapenzegels. De burgerij
voerde zowel wapenzegels. dus met het symbool op een schild, als
zegels met de voorstelling los in het veld. Deze laatste zegels zijn
echter ook heraldisch van stilering en vormgeving.
Zelfs van oudsher niet oorlogvoerende groepen in de samenleving
als geestelijken en vrouwen, voerden al snel dit oorspronkelijk militaire
attribuut.
Dank zij het gebruik om wapens af te beelden op zegels, waarbij het
wapen de zegelaar als het ware personifieerde en hij zich met zijn
aanwezigheid in het zegel garant stelde, is de heraldiek blijven voort-
bestaan in decoratieve vorm. Zegels zijn daarom zeer belangrijke
bronnen voor de kennis van de heraldiek, zij het dat ze voor de oudste
wapens een incompleet beeld geven. Dat vindt zijn oorzaak niet alleen
in de vergankelijkheid van het materiaal, waardoor veel verloren is
gegaan. De oudste zegels zijn van de hoge adel. Zij hadden het meeste
behoefte om te zegelen, meer dan de lagere adel en zeker meer dan
de ministerialen. Daarom vinden we van die oudste ridderklasse pas
later zegels. Maar dat betekent nog niet dat ze ook later wapens gingen
voeren.
Michel Pastoureau heeft aan de hand van een nauwkeurige analyse
van vele heraldische zegels de volgende tijdstabel gegeven van de
oudste wapens en hun verspreiding in het gebruik:

8) Van Winter, op.cit. p. 92.


1120—1130 Enkele grote leenheren zegelen met ruiterzegels waarop
banieren voorkomen met geometrische figuren (proto-
heraldiek).
1130—1140 In het zegelveld komen losse stukken voor die later op

de wapenschilden tot wapens worden.


1 140—1 160 De eerste echte wapenschilden verschijnen.
1 140—1 180 Figuren worden erfelijk.
1 180—1230 Verspreiding onder alle combattanten.
1230—1330 Verspreiding onder de niet oorlogvoerenden: geestelijk-
heid, vrouwen, burgers, steden etc. 9).
Een vluchtige analyse van zegels beschreven in het Corpus Sigillorum
Neerlandicorum 10) en enkele andere zegelbeschrijvingen, levert voor
Nederland het volgende beeld op van de verbreiding van de wapens:
1160—1180 Alle grote leenheren (Vlaanderen, Brabant, Holland en
Gelre en Zutphen) voeren ruiterzegels met duidelijk zicht-
bare schilden. De oudste schilden van Holland en Gelre
en Zutphen zijn of blank, of zodanig afgesleten dat een
wapenfiguur niet meer te onderscheiden is. Na 1190 zijn
ook hier wapenfiguren te zien.
1180—1270 De kleine landadel en de ridders gaan eveneens wapens
voeren, het eerst in het zuiden des lands, het laatst
in het noorden.
1220—123'0 Op de zegels van adellijke dames komen wapenschilden
voon
1220—1250 Geestelijken voeren onder meer heraldische voorstellingen
los in het zegelveld, die deels een religieuze betekenis
hebben, deels ontleend zijn aan een orde (Duitse Orde)
en tenslotte ook ontleend kunnen zijn aan hun familie-
wapen als ze van adellijke geboorte zijn.

9) M. Pastoureau, Traité d'héraldique. Paris 1979.


10) De Nederlandse zegels tot 1300. afgebeeld en beschreven in opdracht van de
Koninklijk Nederlandsche Akademie van Wetenschappen te Amsterdam; 's-Gra-
venhage 1937—1940.
1250—1300 Echte wapens op wapenschilden komen voor in de zegels
van geestelijken, in het laatste decennium van deze eeuw
voorzien van waardigheidstekens als kromstaf e.d.
1250—1300 Toenemend gebruik van wapens door burgers in steden,
het eerst in Maastricht en 's-Hertogenbosch. Echte wapens
worden gevoerd naast heraldische voorstellingen los in
het zegelveld met een verschuiving in de richting van de
echte wapens op wapenschilden.
1270—1280 Ook knapen gaan nu zegels met wapens voeren. Daar-
voor voerden zij als knaap meestentijds een portretzegel
(b.v. jachtzegel) of een heraldische voorstelling vrij in
het veld. Na hun omgording met het zwaard, dus als
ridder, bezigden zij een wapenzegel 11).
Naast zegels zijn er voor de oudste wapens nog meer bronnen: wapen—
boeken, verluchte handschriften, rijmkronieken en kunstvoorwerpen.
De oudste wapenboeken stammen uit het midden van de dertiende eeuw
en zijn geblazoeneerd, dat wil zeggen ze bevatten wapenbeschrijvingen
en geen afbeeldingen. Later werden ze prachtig verlucht.
De indeling der wapens is meestal op naam, gerangschikt naar land-
streek, zodat de feodale verhoudingen goed naar voren komen. Er zijn
ook wapenboeken die de wapens hebben gerangschikt naar de stukken,
dus op de voorstelling. Ze dienden als aide memoire van de herauten
om de aan een toernooi deelnemende ridders te kunnen identificeren.
Zo ontwikkelde de decoratieve heraldiek zich verder los van het
militaire wapengebruik.

BLAZOENEREN

Blazoeneren is het geven van een zodanige wapenbeschrijving dat een


heraldisch tekenaar het wapen zonder verdere navraag kan tekenen.
Zo'n beschrijving moet daarom compleet zijn, zonder overbodigheden
en niet voor tweeërlei interpretatie vatbaar. Lang voordat herauten

11) C. Pama, ”De wapens van knapen in de XIIIe eeuw", in: De Nederlandsche
Leeuw 93 (1976) k. 378—380.
Hert09 Jan I
van Brabant in de slag bij Woeringen op 5 juni 128812):

.‚Al dat die hertoge hadde an,


wapenroc, helm ende brithieren,
dat hadde al teken van sine banieren,
als te rechte hebben soude:
van sabele, metten leeuwe van goude.
Dit teken voerde hi al geheel,
syn broeder daer0p dat palesteel 13)
ende die bare 14) syn oem bastaert."

„___—___

12) Uit de rijmkroniek van Jan van Heelu. "Yeeste van de slag van Woeringen”
(Worringen, 10km N. van Keulen).
13) barensteel‚
14) baar = linkerschuinbalk.

15
zich professioneel met heraldiek gingen bezighouden en hun soms
prachtig geïllustreerde wapenboeken vervaardigden, werden er in het
midden van de 13de eeuw reeds geblazoeneerde wapenverzamelingen
aangelegd. Dit gebeurde waarschijnlijk door kanselarijklerken die daar—
toe het heraldisch idioom hebben geschapen. Deze oudste verzame-
lingen zijn ongeveer gelijktijdig in Frankrijk en Engeland ontstaan. De
taal was een Anglo—Normandisch Frans en de grondregels en de tech-
nische termen die toen ontwikkeld werden zijn ook nu nog gangbaar,
zowel in Frankrijk als in Engeland 15).
In het Nederlandse taalgebied kende men eveneens reeds vroeg een

blazoenering, die te vinden is in rijmkronieken. Door de beschrijving


namelijk op rijm te zetten konden grote aantallen wapens, bijvoorbeeld
van deelnemers aan een toernooi of veldslag, gemakkelijk worden
gememoriseerd; men spreekt dan ook van wapendichten of wapen-
rijmen.

Het is de grote verdienste van de rijksarchivaris mr. L. Ph. C. van


den Bergh, historicus en literator, dat hij op deze bronnen heeft terug-
gegrepen om de in de loop -der tijden verbasterde wijze van blazoeneren
te herzien en van veel onder Franse invloed onstaan onbegrijpelijk
vakjargon te zuiveren. De heraldiek werd hierdoor weer toegankelijk
voor historicus en archivaris 16).
Tenslotte was het J. B. Bietstap die in zijn Handboek der Wapenkunde
de heraldische terminologie definitief zijn Nederlands karakter terug
heeft gegeven 17).
Bij het blazoeneren wordt een bepaalde volgorde in acht genomen:
eerst wordt het schild beschreven, dan de schilddekking, schildkroon
of helm met helmteken en dekkleden en tenslotte de zogenaamde
pronkstukken, figuren als schildhouders, wapenspreuk en dergelijke.

15) G. J. Brault, Early Blazon, Oxford 1972.


16) L. Ph. C. van den Bergh, Grondtrekken der Nederlandsche wapenkunde, Leiden
1847 en 1861.
17) 1. B. Rietstap, Handboek der wapenkunde, Gouda 1857 (herzien door C. Pama.
Leiden, 1961).
Van het schild worden achtereenvolgens beschreven:

1. Het veld. Dit kan zijn van één kleur of volgens schildverdelingen
van uiteenlopende kleuren. Het ,‚bezaaid" rekent men eveneens
tot het veld.

2. Het voornaamste stuk (stukken). Hiervan worden opgegeven:

2.1. het aantal.

2.2. de bijzondere plaatsing: paalsgewijs, schuinlinks, toe- of af-


gewend, naast elkaar, enzovoort.
2.3. de bijzondere standen en eigenschappen, zoals klimmend,
uitgeruk't, half, uitkomend.
2.4. de kleur(en).

2.5. de bijzondereeigenschappen van een andere kleur: getongd,


genageld, gekroond, enzovoort.

3. De stukken waarmee het voornaamste stuk beladen is met de


eigenschappen als vermeld onder 2.

4. De nevenstukken, die het voornaamste stuk vergezellen.

5. Schildhoofd, schildvoet, zoom en hartschild worden hierna genoemd


in tegenstelling tot de overige herautstukken die eerst worden
vermeld.

6. Tenslotte noemt men de stukken die over alles heengaan.

N-B- ‚,Links" en „rechts" worden van uit de positie van de wapen-


drager beschreven en zijn dus omgekeerd voor de beschouwer.
Zijlma, wapenregìster CBG nr. 156

in zilver een blauwe beladen met een vergezeld boven


linker zilveren vis, van een groene
schuinbalk, geplaatst in de ster,
richting van de beneden van
balk, een groen
klaverblad.

Geelen, wapenregister CBG nr. 188

1 2

gedeeld: 1, golvend A. in zilver B, in blauw


doorsneden: een rode roos; drie zilveren
golvende
dwarsbalken;

2, in goud een rode leeuw; over de deellijn beladen met


heen een rode zes gouden
staak penningen.
HET SCHILD

Het schild is het belangrijkste deel van het wapen. Een wapen kan
zelfs alleen uit een schild bestaan.

UUUOÔ
De meest gebruikte schildvormen zijn het schild met de half-cirkel-
vormige onderkant en het accoladeschild. De verhouding hoogte:
bree-dte is 7 6, of een nabijkomende verhouding.
:

Ongehuwde vrouwen voeren hun wapen wel op een ruitvormig schild,


gehuwde op een ovaal schild. Het schildoppervlak noemt men het
veld, alles wat daar op voorkomt zijn de stukken.

Topografie
Om de plaatsing van de stukken in het veld nauwkeurig te kunnen
aangeven moet men die verschillende plaatsen bij name kennen.
Het bovenste derde deel van het veld (ABC)
noemt men het hoofd en het onderste (GHJ) de
voet van het schild.
A is dan de rechter bovenhoek en C de linker.
B is het hoofdpunt. Evenzo spreekt men van een
rechter en een linker benedenhoe-k (G en J) en
een schildpunt (H).
ADG is de rechterflank, CFJ de linkerflank, D de
rechterzijde, F de linkerzijde. E is het middelpunt ofwel het hart van
het schild.
Bij het schild met de half-cirkelvormige onderkant kieze men het hart
iets boven het midden van de deellijn (de loodlijn), zodat op het oog
de oppervlakken van het veld onder en boven de doorsnijdingslijn
(de horizontale lijn) even groot lijken.
Tussen hoofd‘punt en hart bevindt zich de ereplaats, tussen hart en
schfldpunt de schfldnaveL

Kleuren

De kleuren zijn essentieel voor een wapen. Schilden zonder stukken


komen voor, zij het uitermate zeldzaam, schilden zonder kleur niet.
Van ouds kent de heraldiek twee metalen en vier kleuren: goud en
zilver, rood, blauw, zwart en groen. De oude benaming van de kleuren
is respectievelijk: keel, lazuur, sabel en sinopel.

”%

rood blauw
\ groen purper zwart

zilver (wit) goud (geel) hermelijn tegenhermelijn vair

In de begintijd werd er geen duidelijk verschil gemaakt tussen rood


en purper welke laatste kleur in de Nederlandse heraldiek zeldzaam is.
Veel zeldzamer en stammend uit de vervalt…ijden der heraldiek zijn de
kleur oranje en de oneigenlijke kleuren bruin, vlees-kleur, natuurlijke
kleur en dergelijke. De laatste worden nog het meest toegepast voor
schildhouders.
De metalen goud en zilver worden wel weergegeven door geel en
wit. Zelfs deoudste wapenb-oeken spreken van een „escu blanc”.
Op ongekleurde afbeeldingen werden kleuren weergegeven door
tekentjes en arceringen. Het thans algemeen aanvaarde internationale
systeem werd voor het eerst in 1600 gebruikt door Jean Baptist
Zangrius op een wapenkaart van Brabant, hoewel het wordt toege-
schreven aan Pater Sancta (1638).
Naast kleuren kent de heraldiek bontwerken: hermelijn en vair, beide
met variaties.

Geometrie

Kleuren en metalen kunnen in geometrische figuren over het veld


verdeeld zijn. Deze figuren noemt men heraldische stukken, te weten de
schildverdelingen en de herautstukken. De overige abstracte figuurtjes
zoals ruiten, blokjes, schijfjes en dergelijke, de zogenaamde neven-
stukken, rekent men eveneens tot de heraldische stukken. Een bepaalde
rangorde wordt aan deze stukken in Nederland niet toegekend, in
de oudere Franse heraldiek wèl en met name in de Napoleontische
heraldiek.

Schildverdelingen

Schildverdelingen en herdelingen worden tot het veld gerekend en


als zodanig bij het blazoeneren beschreven.

De belangrijkste verdelingslijnen zijn de volgende:


— de staande, verticale lijn, gaande door het hart, die het veld in
twee symmetrische delen verdeelt: het schild heet gedeeld;
— de liggende, horizontale lijn, eveneens gaande door het hart, die
het veld doorsnijdt: het schild heet doorsneden;
— de diagonale lijn, gaande vanuit de rechter bovenhoek, die het veld
schuin doorsnijdt: het veld heet geschuind (of rechtsgeschuind);
— de lijn gaande vanuit de linkerbovenhoek naar de rechterbeneden—
hoek, die het veld links doorsnijdt: het veld heet linksgeschuind.
Gedeeld doorsneden geschuind linksgeschuind gevierendeeld

Ê
Á

‘Ë
ÊÊ
Ê' ……lll

schuin gevierendeeld gegeerd kepersnede gaffelsnede

Door deze lijnen te combineren of evenwijdig aan elkaar te herhalen


verkrijgt men de verdere schildverdelingen en herdelingen:
— het gevierendeelde veld ontstaat door te delen en te doorsnijden:
— het schuingevierendeelde veld ontstaat door de combinatie van
links- en rechts geschuìnd;
— het gegeerde veld ontstaat uit de combinatie van gedeeld, door-
sneden, rechts- en linksgeschuind.

Wordt het veld door drie verticale lijnen in vier stukken gedeeld dan
spreekt men van driemaal gedeeld of gedeeld in vieren. Is het schild
tweemaal gedeeld en hebben de flanken dezelfde kleur, dan lijkt het
of er een verticale baan over het schild loopt. Er is dan geen sprake
meer van een schildverdeling maar van een herautstuk, in dit geval
een paaL
Volledigheidshalve worden nog vermeld de kepersnede en de gaffel-
snede. die ook omgekeerd kunnen voorkomen.

22
Herautstukken

\*

.
/
schildhoofd paal dwarsbalk schuinbalk

L—ë
. . .

linkerschuinbalk kruis schuinkruis keper

@
IIIIIIIIIÌII.
lW
"lllllllllllllll

gaffel vrijkwartier scthhoek hartschild

ÌZ ()() ÍÌFÌ schildvoet punt geer


Herautstukken worden gevormd door gewoonlijk rechte lijnen die van
schildrand tot schildrand gaan. De breedte van de stukken bedraagt
ongeveer één derde van de breedte van het schild.
Tot deze categorie rekent men: schildhoofd, paal, dwarsbalk, schuin-
balk, Iinkerschuinbalk, kruis, schuinkruis, keper, gaffel, vrijkwartier,
hartschild, zoom, schildvoet, punt en geer.
Afwijkende vormen worden apart vermeld en hebben soms een eigen
naam. Een staak heeft ongeveer één derde van de breedte van het
,‚normale" stuk: bijvoorbeeld de schuinstaak, een tot één derde ver-
smalde schuinbalk.
Een streep heeft de minst denkbare breedte:het streepkruis, is een
kruis dat één lijn breed is en dat kan dienen om kwartieren van gelijke
kleur te onderscheiden. Het vrijkwartier beslaat een kwart van het
oppervlak van het veld. Is het oppervlak 1/9 van het veld dan noemt
men het een schildhoek. Vrijkwartier en schildihoek kunnen ook van
de linkerbovenhoek uitgaan. Ze heten dan Iinkervrijkwartier en linker—
schildhoek. De schildzoom heeft 1/6 van de breedte van het schild.
De binnenzoom is hiervan de helft en is even ver van de schildrand
vewvijderd als hij breed is.
Nevenstu kken

ie rij: barensteel en blokjes; ruit, doorboorde ruit en malic; vijfpuntige ster,


spoorrad en zespuntige ster; penning, koek en ring.
2e rij: aangrenzende vlakken, geschaakt, geruit.

24
Tenslotte is er nog een groep heraldieke stukken, die bestaan uit
kleinere abstracte figuurtjes als sterretjes, blokjes, ruitjes en derge-
lijke. Ze komen wel zelfstandig in het schild voor maar vaker verge-
zellen ze een groot stuk. Men rekent dit alles tot de nevenstukken.
Aaneensluitende nevenstukken als aangrenzende vlakken, geschaakt,
geruit e.d. zijn in wezen herdelingen en worden, evenals soms gegeerd,
tot het veld gerekend en daar geblazoeneerd.

Gewone stu kken


Naast de hiervoor beschreven typische heraldieke stukken kan er
eigenlijk van alles in een wapen voorkomen wat voldoet aan de hierna
te geven regels. Deze zogenaamde gewone stukken worden als volgt
ingedeeld:
— natuurlijke stukken of alles wat geschapen is: leeuwen, adelaars,
rozen, lelies, hemellichamen en dergelijke;
— kunstmatige stukken of alles wat door mensenhand gemaakt is:
stukken ontleend aan de bouwkunde, de scheepvaart, wapens en
jachttuig, huisraad en kledingstukken, landbouwwerktuigen en mu-
ziekinstrumenten;
— fantastische stukken, fabeldieren of chimaerae: griffioenen, zee-
meerminnen, eenhoorns, draken en andere monsters;
— huismerken, monogrammen en dergelijke.

Variaties en bijzonderheden
Het beperkte aantal kleuren en de stilering die tot prototypen leidt
zouden de heraldiek zeer eentonig kunnen maken, ware het niet dat door
een groot aantal verschillen in eigenschappen en standen alsmede de
onbegrensde verscheidenheid der stukken een enorme variatie ont—
staat. Dit geeft aan de heraldiek zijn kenmerkende levendigheid.
De variaties zijn de volgende:
1. Variaties op de rechte lijn: gekanteeld, golvend, geënt, gewolkt‚
ingeschulpt, uitgeschulpt, hoekig, knoestig enz.
2. Herautstukken volgens (schild)verdelingen en niet van één kleur:
gevierendeeld kruis, geschaakt schuinkruis, schuingeruite dwars-

25
Variaties en bijzonderheden:
1e rij: gekanteeld schildhoofd, twee beurtelings gekanteelde dwarsbalken, golvend
gedwarsbalkt in vier stukken, geënte dwarsbalk.
2e rij: knoestige paal, ingeschulpt kruis, uitgesohulpt schuinkruis, getand schild—
hoofd.
3e rij: hoekige dwarsbalk, ingehoekt gedeeld.
gevierendeeld kruis, geschaakt
schuinkruis.
4e rij: verkort kruis, de schildranden rakende ster, verhoogde dwabealk-

26
:'lll|||

i|||
"""Illliuh
|‚|lllhli

Variaties en bijzonderheden:
1e rij: uitgaande van de deellijn, zoomsgewijs geplaatst, schuinkruiselings geplaatst
of 2-1-2, schuingekruist.
2e rij: met de punten aanstotende ruiten in de richting van een schuinbalk. drie
sterren geplaatst 2-1, toegewend. afgewend.
3e rij: vergezeld, begeleid, beladen, overtopt.
4e rij: omgewend, gewend, klimmende leeuw.

27
balk enz. Een enkele maal kunnen ook gewone stukken zo ver-
deeld zijn: een geschakeerde leeuw bijvoorbeeld.
Bijzondere eigenschappen van de herautstukken: verbreed, ver-
kort, versmald, gepunt, geledigd, doorboord, afgeknot enz.
Bijzondere plaatsing van het stuk: verhoogd, verlaagd, in de rech-
ter bovenhoek, de schildranden rakend, uitkomend enz.
Bijzondere plaatsing van meerdere gelijkwaardige stukken: paals-
gewijs, in het schildhoofd, zoomsgewijs, schuingekruist, 2 - 1, -2‚
1

bezaaid, toegewend, afgewend, begeleid enz.


Bijzondere plaatsing van meerdere ongelijkwaardige stukken:
vergezeld, begeleid, beladen, overtopt enz.
Bijzondere stand: klimmend, gaand, staand, omziend, aanziend,
omgekeerd, gewend, schuin geplaatst enz.
Onderdelen: kop, klauw enz., uitkomend-, afgerukt, afgesneden enz.
Eigenschappen van een andere kleur: getongd, genageld, ge—
kroond, verlicht enz.
10. Abnormaliteiten: dubbelkoppig, dubbelstaartig enz.
SCHILDDEKKINGEN

Het wapenschild kan worden gedekt door een of meer helmen met
helmteken(s) en dekkleden, ofwel, bij wapens van adellijke families
door een kroon.

De delen van een volledig wapen: 1


schild. 2 helm (hier: aanziend).
3 dekkleden, 4 wrong, 5 helmteken (hier: een vlucht).

Helmen
De lichte helm, zoals die bijvoorbeeld gedragen werd door Willem de
Veroveraar, bleek onvoldoende bescherming te bieden tegen zwaard-
houwen. Daarom kwam 'tegen het einde van de 12e eeuw de pothelm

29
/‚//
lllllllllllllllllll

Pothelm Steekhelm Traliehelm

in zwang. Dat was een zware cylindrische helm met kijkspleet die pas
vlak voor de strijd werd opgezet; de helm omsloot het hele hoofd
en rustte bijna op de schouders. Dit helmtype was kenmerkend voor
de ridders en werd daarom evenals het schild op zegels afgebeeld,
eerst alleen op het teg-enzegel, later in combinatie met het wapen-
schild. De pothelm wordt in heraldische afbeeldingen zelden meer ge-
bruikt. Men reservere hem voor wapens van zeer oude geslachten en
oer—adel, die afgebeeld worden in vroeg—gothische stijl.
Door de voorzijde van de helm als een ploegschaar uit te smeden
en met de onderrand aan het harnas vast te zetten zodat het zware
gewicht op de schouders en niet meer op het hoofd rust, ontstond
uit de pothelm de steekhelm, zo genoemd naar zijn toepassing in het
steekspel. De steekhelm wordt in de heraldiek, althans in Nederland,
nog maar weinig gebruikt. In het buitenland is hij soms voorbehouden
aan niet-adellijke geslachten. Dit onderscheid wordt hier niet gemaakt.
De traliehelm vindt de meeste toepassing. Zeer waarschijnlijk werden
helmen van dit type noch in de strijd, noch op het toernooi ooit werkelijk
gedragen. De nog bestaande exemplaren dienden alleen voor ceremo-
niële doeleinden. Qua vorm lijkt hij wel iets op de steekhelm, maar dan
met een zeer wijde kijkspleet, afgesloten door verticale. naar voren
uitgesmede tralies Hij is van gepolijst staal of van zilver, de tralies en
andere ornamenten (zoals de randen) kunnen van goud zijn. De helm
is rood gevoerd, hetgeen te zien is aan de onderkant en door de
tralies.

30
Godfried van Anjou (1113—1151)
getekend naar de emaille plaat welke zich
op zijn graf bevond en thans wordt be-
waard in het museum te Le Mans. De plaat
wordt nu gedateerd rond 1160, maar het
wapen zou hem reeds in 1127 door zijn
schoonvader, koning Hendrik van Enge-
I

land, zijn verleend.

Helmtekens

Vanaf het begin werden de wapenfiguren niet alleen op het schild


aangebracht, maar ook op de helm. Op de muts van Godfried van
Anjou zien we het wapenbeeld herhaald. Vooral de pothelm leverde
voldoende oppervlak om beschilderd te worden.
Vervolgens werden ook plastische figuren op de helm aangebracht:
leeuwen, waaiers, ruitvormige schermen en dergelijke.
Hoewel op het strijdtoneel ontstaan vond het imponerende maar on-
praktische helmteken pas zijn volle ontplooiing op het toernooiveld.
„Als uit de bloeitijd van het helmteken zulk een stuk met een dieren-
lijf en -kop‚ die buiten alle verhoudingen is, of een grillig samenvoegsel
van overigens alledaagse zaken als een hoed met daaruitstekende
dierenhoorns, en dan nog in opzichtige kleuren, weer voor ons oog
teruggeroepen wordt, dan beseft men iets van de onbeteugelde ver—
beelding en uitbundige levenslust van de middeleeuwer en van zijn
voor stoffelijke indrukken overgevoelig oog", schrijft Smit in zijn
Brabantse Beelden 18).
Toen de pothelm een conische bovenkant kreeg nam het gebruik van
helmtekens toe.
Figuren als dierrompen en menselijke torso's werden als het ware
over de top van de helm heengeschoven, waarbij de onderkant als een
sluier achter (over) de helm hing. Men noemt dat een helmmantel of
dekkleed. Het gebruik hiervan zou uit de kruistochten stammen, waar
het diende ter bescherming tegen de felle zonnestralen, iets wat men
van de Arabieren had afgekeken. Bovendien brak zo'n fladderend stuk
stof de eerste kracht van een zwaardhouw.
De aldus gehavende helmmantels werden bladvormig uitgeschulpt en
van kwasten voorzien. Zo worden ze in wapens gestileerd afgebeeld.
Om de overgang tussen helm en helmteken te maskeren en het geheel
steviger aan elkaar te bevestigen werd er wel een ineengerolde lap
stof of een strook metaal boven om de helm gewonden. Hieruit ont-
stonden de wrong en de helmkroon.
Al vrij spoedig werden schild met helm en helmteken als een soort
trofee gerangschikt en afgebeeld. Dat is nu algemeen: m.en plaatst
de helm met toebehoren op de bovenrand van het schild. De helm
heeft daarbij de hoogte van ongeveer tweederde van die van het
schild. De stand van de helm is aanziend, zijdelings of halfaanziend.
Meestal rust hij op het midden van de bovenrand van het schild, maar
bij een hellend schild wordt de dan dwars afgebeelde helm, op de
bovenste schildhoek geplaatst. De helm volgt de stand van het helm-
teken en omgekeerd, dus geen gewende klimmende leeuw op een
aanziende helm, een fout die vroeger nog wel eens gemaakt werd.
Ook in Engelse wapens zien we deze opstelling nog wel voorkomen
omdat daar de stand van de helm moet corresponderen met de adels-
rang van de wapenvoerder.
In tegenstelling tot de stukken in het schild, worden helm. en helm-

18) ]. P. W. A. Smit, De Brabantse beelden en teekens van recht. 's—Gravenhage


1957, p. 196.
teken ruimtelijk afgebeeld, daar het van oudsher plastische figuren
waren. Het is dan ook niet juist om de helm boven het schild te laten
‚,zweven", of het helmteken boven de helm.

Wapenmodel met halfaanziende helm

Kronen

Het schild kan ook gedekt worden door een kroon. Aanvankelijk deden
alleen de vorsten en de hoge adel dat. Het gebruik breidde zich uit,
totdat in de 18de eeuw ook burgers zich van een kroon bedienden:
men spreekt dan van een burgerkroon.
Koning Willem stelde orde op zaken door de koninklijke kroon en
I

de adelskronen naar hun vorm precies vast te leggen. De toepassing


hiervan is echter niet zo strikt. In ieder geval is het voor een niet—adellijk
geslacht minder juist om zijn wapen met een kroon te dekken.
Een wapenschild wordt gedekt door een helm met toebehoren dan
wel met een kroon, maar nooit met beide, dus geen helm oprijzende
uit een kroon. De helm kan wel gekroond zijn.
Bij een kroon die op het schild staat spreekt men van een schildkroon,
bij een kroon die op de helm staat spreekt men van een helmkroon.
De helmkroon heeft drie bladeren, ook wel fleurons genoemd, met
daartussen een bolletje op een punt, de zogenaamde parel. Als burger-
kroon staat hij direct op de schildrand. In België wordt deze kroon sinds
1957 gebruikt door ongetitelde adel, als helm-kroon zowel als schild—
kroon. Daar dit de kroon is die Koning Willem reserveerde voor de I

graven kan men het gebruik als schildkroon maar beter vermijden.
Graven gebruiken daarom ook wel een kroon met negen geparelde
punten. Ongetitelde adel in Nederland voert een kroon als voorge-
schreven voor ridders, maar de omslagen van het parelsnoer worden
dan vaak weggelaten terwijl de haarband met edelstenen wordt versierd.

Rangkronen vastgesteld door Koning Willem I

Waaraan toegevoegd de daarnaast gebruikte kronen van prins, graaf


en burggraaf.

' .°\ _ -
--»
_ ‘
o . .
_ - —°
- _ )_ ‘ -

Koninklijke Kroon Prinsenkroon Prins


(kinderen van (officiële lijst)
Prinses Margriet)
A A A
_
:_ôl-“.‘Ëo 02;;92:::<>330

Markies (Braaf
(officiëIe 'ÜSÜ

o”“

Burggraaf
(officiële ‘ÜSÜ
@
09-—' “e}=lQl={<>2uo

Burggraaf

@
A
0“

Ridder Jonkheer
Pronkstu kken

Volledigheidshalve worden nog de volgende uitwendige versieringen


van het schild vermeld.
Schildhouders zijn mens- of dierfiguren die naast of achter het schild
staande dit schild vasthouden en lijken te bewaken. Sporadisch worden
ook bomen en takken gebruikt waaraan het schild is opge-hangen.
Hoewel schildhouders het meest in wapens van adellijke families en
overheidswapens voorkomen, zijn er van ouds ook burgerlijke wapens
met schildhouders. Het gebruik kan van generatie tot generatie wisselen
en ze vormen een veel minder vast bestanddeel van het wapen.
Schildhouders behoren op een voetstuk te staan en ze mogen niet
vrij in de lucht zweven. In Nederlandse wapens is dat vaak een arabesk
in de stijl van de helmkleden. Hieromheen kan zich het lint met de
wapenspreuk of devies slingeren. Het is minder juist om de geslachts-
naam op dat lint te vermelden.
Lint met wapenspreuk kan ook zelf tot voetstuk dienen. Verder ziet
men zerken, grasgronden, gemetselde muren etc.
Heel oud is het gebruik om het schild met een ridderorde te versieren.
Veelal waren dit de versierselen van oude orden als de Orde van
het Gulden Vlies en de Orde van de Kouseband, die om het schild
werden gehangen. Hoewel het oude Reglement van administratie en
dicipline van de Militaire Willemsorde vermelde dat de Groot-Kruisen,
Kommandeurs en Ridders derzelver wapen met het Ordesteken mogen
versieren, heeft het gebruik in Nederland weinig toepassing gevonden.
Leden van het Koninklijk Huis en van enkele oude adellijke geslachten
plaatsen hun wapen op een mantel van purper, gevoerd met hermelijn,
afgzet met gouden franje en opgebonden met gouden koorden met
kwasten. Boven op de mantel rust een kroon.
'oxë
fifi…"
!il" in…

!

?).x\v

**'/z

\‘.ïx' :

\\\\\\\ \\V\“
" ‚

7_31_

\
)/ÉE.Qi ’ ' :‘(-'
‚ ‚:r ij"Á

[\ 'Ì‚/í
‚ .' 'i' ‚’”’‚w,‘
“,./4

//
‘\\ \

"’
:"‚NL/T
l}), ‚y?/)’
| à.’‚; { )

4( ‚‚
«...-.„.Α. % »Y
/

«\\ "’.'‚Î
_

Het wapen van de Belgische graaf T. F. X. M. J. G. van Limburg Stirum. zoals


dat werd gewijzigd en aangevuld door Koning Boudewijn van België bij besluit van
11 september 1953, bevat bijna alle uitwendige schildversieringen.
Het schild is gevierendeeld: Limburg; 2 Bronkhorst; 3 Wisch; 4 Borculo; en
1

een hartschild Gemen.


De helmen met helmtekens van rechts naar links: Limburg; 2 Wisch; 3 Gemen; 1

4 Borculo en 5 Bronkhorst.
Schildhouders: een wildeman en een wildevrouw, staande op een grasgrond.
Wapenspreuk JE MABCHE DROIT op een lint.
Om het schild hangt de halsketen van de Ridders van de Orde van het Gulden
Vlies.
Het geheel is geplaatst op een wapenmantel en getopt met een kroon van de
vroegere regerende graven van het Heilige Roomse Rijk.
THEMA MET VARIATIES

Wapens waren in de aanvang persoonlijke kentekens die eerst later


erfelijk werden, zoals ook het leenstelsel eerst persoonlijk en later
erfelijk was. Wapens hebben soms wel een zeker persoonlijk trekje
behouden. Dat bestaat dan hieruit, dat iedere wapenvoerder zijn per-
soonlijke variatie op het wapen kan aanbrengen, zonder het hoofd-
thema aan te tasten. Deze wapenveranderingen noemt men „breuken"
en het veranderde wapen is een „gebroken" wapen.

Breuken
Breuken zijn op het Europese continent in onbruik geraakt. Ze werden
met name toegepast in de wapens van vorstelijke geslachten om
jongere en bastaardtakken aan te duiden.
Voorbeelden:
De graven van Holland voerden in goud een rode leeuw, blauw
getongd en genageld.
De heren van Brederode, Op onbekende wijze uit het Hollandse
huis gesproten, braken dit wapen met een blauwe barensteel met
drie hangers. Artus van Brederode plaatste dit wapen weer binnen
een rode schildzoom.
Witte van Haamstede, bastaard van Floris V, voerde de Hollandse
leeuw gebroken met een goud schouderschildje waarop een rood
rad.
De Brabantse kanselier J. B. Christijn (1622—1690) gaf in 1668 in zijn
boek Jurisprudentia heroica de volgende manieren aan om een wapen
te breken:
Verandering van kleuren, metalen of pelswerken.
Verandering in de plaatsing van de stukken.
We-glating van een van de stukken.
Vermeerdering van het aantal stukken.
‚\‘.CDFIJP'F-ONT‘

Vermindering van het aantal stukken.


Toevoeging van nieuwe stukken.
Vierendeling.
8. Vormverandering van de stukken.
9. Verandering van het helmteken.
De meest gebruikte methoden om te breken zijn de toevoeging van
nieuwe stukken — meest nevenstukken als barensteel, wassenaar,
kruisje of sterretje —, de vierendeling, de verandering van een
kwartier, de vormverandering der stukken en de verandering van het
helmteken.
In Groot-Brittannië heeft het breken van wapens wel veel ingang

gevonden. Daar krijgt slechts de oudste zoon het ongebroken familie—


wapen en dan pas na het overlijden van zijn vader. Alle andere zoons
krijgen het wapen met een officieel door het College of Arms verleende
breuk.
In het koninkrijk Holland heeft koning Lodewijk Napoleon in het
Statuut op de Constitutionele Adel van 1 oktober 1809 vastgelegd,
dat de oudste zoon van een edelman zijn vaders wapen zou voeren
gebroken met een barensteel, terwijl de andere kinderen het wapen
onveranderd zouden voeren.
Bij K.B. van 24 augustus 1815 no. 71 stelde koning Willem de breuken
I

of brisures vast. Voor de Prins van Oranje: het Rijkswapen gevieren-


deeld met dat van het Prinsdom Oranje; de tweede zoon: het rijks-
wapen met een rode barensteel met daarop een gouden pijl; de oudste
dochter: idem doch met een gouden kroontje in plaats van de pijl.
De kleinkinderen kregen een barensteel met vijf hangers.
Omdat het breken door middel van bijfiguren on-Nederlands zou zijn,
werd in 1909 door Koningin Wilhelmina een andere, meer elaborate
wijze van breken gei'ntroduceerd. Sindsdien voert de prins-gemaal,
als Prins der Nederlanden het Nassau/Nederlandse wapen gevieren-
deeld met zijn aangeboren geslachtswapen‚ terwijl dat laatste onderdeel
als hartschild over het wapen van zijn kinderen komt.
20 heeft Koningin Juliana te kennen gegeven dat zij na haar troons-
afstand haar tot 1948 als prinses gevoerde wapen herneemt: Nassau]
Nederland gevierendeeld met Oranje en de aanziende stierenkop van
Mecklenburg in een hartschild.
Bij de wapens van de kinderen van Prinses Juliana en Prins Bernhard,
Koningin Beatrix en Prins Claus en Prinses Margriet en Mr. Van Vollen-

39
“Hillis-‚a

Illl

Willem 1815—1840, Willem 1840—1849, Willem 1849—1879, Alexander 1879—1884,


Prins van Oranje
Frederik 1815—1881. Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau
Marianne 1815—1883, Wilhelmina 1880—1890, Prinses der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau
Hendrik 1820—1840, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau (als kleinzoon
van de koning)

Wilhelmina 1907—1948. Juliana 1948—1980, Beatrix sedert 1980, Koningin der Neder-
landen
Wilhelmina 1815—1837, Prinses van Pruisen, Koningin der Nederlanden
Anna Paulowna 1840—1865, Grootvorstin van Rusland, Koningin der Nederlanden
Sophia, Prinses van Württemberg, 1839—1840 Prinses der Nederlanden, 1849—1877
Koningin der Nederlanden

Emma 1879—1934, Prinses van Waldeck Pyrmont, Koningin der Nederlanden


Hendrik 1901—1934, Prins der Nederlanden, Hertog van Mecklenburg
Juliana 1909—1948, en sedert 1980 Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-

Beatrix 1938—1980, Irene 1939—heden, Margriet 1943—heden, Christina 1947—heden,


Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje—Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld
Claus sedert 1966 Prins der Nederlanden, Jonkheer van Amsberg
Willem-Alexander (1967—(00k sedert 1980 als Prins van Oranje), Johan Friso 1968—
heden, Constantijn 1969—heden, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
Jonkheer van Amsberg
Maurits 1968—heden, Bernhard 1969—heden‚ Pieter-Christiaan 1972—heden, Floris
1975—heden, Prins van Oranje-Nassau Van Vollenhoven

40
hoven, als Prinsen en Prinsessen van Oranje Nassau, is dit principe
gehandhaafd, waarbij voor de kinderen van Prins Bernhard alleen de
roos van Lippe werd genomen.
Het afzonderlijke wapen van de Prins van Oranje is in het K.B. van
1980 vervallen 19).

Er zijn evenwel duidelijke aanwijzingen dat ook na de middeleeuwen


wapens door middel van bijfiguren werden gebroken. In een van de
handschriften van Mr. L. Opt Straeten van der Maelen 20) vindt men
wapens van Haarlemse schepenen 21).
Vele daarvan zijn gebroken door een sterretje of kruisje links, rechts
of midden in het schildhoofd, soms in het hart, als aanduiding van
een jongere tak of jongere zoon. Volgens M-uschart is ook de ster
in de wapens van de geslachten Speyart van Woerden en Alberda als
breuk op te vatten 22).
Op grond van het vorenstaande pleit schrijver dan ook voor het breken
van familiewapens als de huidige wapenvoerder niet in rechte, manne-
lijke lijn afstamt van de eerste wapenvoerder.

Boeke (Zaanstreek; wapenregister CBG nr. 91):


in goud een blauwe scheepsklok.
Helmteken: de klok van het schild.
Dekkleden: goud en blauw.
Dit wapen, maar: in blauw een gouden scheepsklok, werd
gevoerd door Pieter Lubbertsz. Koopman (1679—1753), heem—
raad van de Wormer. Zijn erfgenamen waren zijn zuster Aagt
Lubberts en haar drie zoons bij Jan Louwe: Jan Jansz. Boeke,
Lubbert Jansz. Koopman en Arent Jansz. K00pman.

19) C. C- van Valkenburg, "Titulatuur, wapens en vlaggen van leden van het Konink-
lijk Huis" in: De Nederlandsche Leeuw 97 (1980) k. 99 e.v.
20) In particulier bezit, doch op microfiches te raadplegen bij het Centraal Bureau
voor Genealogie.
21) M. Thierry de Bye Dòlleman, "Wapens van Haarlemse schepenen, in de 15de
en 16de €€UW" in: De Nederlandsche Leeuw 74 (1957) k. 247.
22) R. T. Muschart, in: De Nederlandsche Leeuw 63 (1945/46) k. 123 en 64 (1947)
k. 247.

41
Bij het ontwerpen van een nieuw wapen kan reeds rekening worden
gehouden met takken van een familie die een variant op het wapen
gaan voeren als breuk.

Twee varianten van het wapen Van Rijn uit Harmelen (resp. wapenregister CBG
nr. 17 en nr. 60) voor twee takken van dezelfde familie.
De wapens hebben de onderste schildhelft gemeen. Behalve in de bovenste schild-
helft verschillen ze nog in helmteken en dekkleden:
Rechts een gouden korenaar tussen rode vlucht, dekkleden goud en rood; Links
een vlucht van zilver en blauw, dekkleden zilver en blauw.

Wapenvenneerdering

Van wapenverm.eerdering spreekt men wanneer verschillende wapens


in één schild worden opgenomen. Men kent hierbij onder andere de
volgende methoden:

Vierendeling: de wapens van twee families worden in een gevieren—


deeld schild opgenomen: en IV het vaderswapen, II en III het moeders-
l

wapen. Deze methode werd met name in Brabant gebezigd door de


tweede zoon bij wijze van breuk. Het wordt nu toegepast bij naams—
vermeerdering (zie blz. 11).

Bleuland van Oordt (Ned. Patr.‚ deel 61, 1975):


Gevierendeeld: 1 en 4, het wapen van Oordt; 2 en 3. het
wapen Bleulandt. Het stamwapen bezet de voornaamste plaats
in de kwartieren l en 4.

42
Deling: twee wapens worden naast elkaar opgenomen in een gedeeld
schild. Deze methode komt in ons land niet vaak voor, maar wordt
wel gebruikt door gehuwde vrouwen die dan in | het wapen van hun
man, in ll hun eigen wapen opnemen. Zie de wapens van de gemalinnen
van de Nederlandse koningen.

Hartschild: het wapen van een heerlijkheid, die in het bezit van de
familie is (geweest), kan in een hartschild over het familiewapen
worden gevoerd.

De Vos tot Nederveen Cappel (wapenregister CBG nr. 18 en 19).


Het wapen De Vos — in zilver een groene boom op grasgrond, vergezeld rechts
en links van een tegen de stam klimmende rode vos — werd voor zover bekend
het eerst gevoerd door Johannes Philippus de Vos (1723—1797), notaris te Culem-
borg.
Het wapen van de heerlijkheid Nederveen Cappel — in zilver een rode dwarsbalk,
vergezeld boven van acht (4, 4). beneden van zeven (4, 3) zwarte turven — werd
door de Hoge Raad van Adel bevestigd op 14 juli 1819. Na de verwerving van
de heerlijkheid door de familie de Vos werd het heerlijkheidswapen als hartschild
over het familiewapen gevoerd.

Het familiewapen wordt in een hartschild over een ambtswapen ge-


voerd door de aartsbisschoppen van Utrecht: in rood een zilveren
kruis (aartsbisdom Utrecht) en in een hartschild het persoonlijke
wapen (zie bladz. 51).
In principe kunnen alle schildverdelingen en herautstukken worden
aangewend voor wapenvermeerdering, hoewel zij minder gebruikelijk
zijn dan de hiervoor genoemde.

43
In het wapen De Maes Janssens (wapenregister CBG nr. 95) werden na naams-
wijziging van de wapenvoerder in 1972, de samenstellende delen in een doorsneden
schild opgenomen: Janssens boven en De Maes onder. Ook hier het stamwapen
op de voornaamste plaats, boven in het schild.
De heer Van der Ramhorst Swaan (wapenregister CBG nr. 154) voert na naams-
wijziging in 1977 het bij de toegevoegde naam behorende wapen in een vrijkwartier.
Het wapen van de bekende striptekenaar Marten Toonder (wapenregister CBG
nr. 133) werd in 1962 ontworpen. Sinds 1977 voert hij als Heer van Bloemendaal
en Broeck het wapen van de heerlijkheid Bloemendaal in een schildhoek.

Wapenverbetering

Uit hetvoorgaande moge blijken dat een wapen door de eeuwen heen
nimmer een statische afbeelding is geweest, evenmin als een familie-
naam onveranderlijk was.
De achttiende eeuw heeft heel wat heraldie-ke huisvlijt het licht doen
zien en men spreekt daarom terecht van een vervaltijd in de heraldiek.
De kloeke wapenfiguur werd vervangen door een liefelijk ‚‚schilderijtje"
en nog steeds zien wij deze konterfeitsels als familiewapen gebruikt.
Zo'n wapen kan zonder bezwaar opnieuw getekend worden met inacht-
neming van de regels der heraldiek.
Daar deze regels ook in vroeger tijden niet altijd even goed werden
gehanteerd verdient het dan tevens aanbeveling om fouten te ver-
wijderen en het wapen te ‚‚verbeteren".
De wapenvoerder kan er ook een persoonlijke toets aan toevoegen,
die zijn nakomelingen eventueel weer kunnen weglaten.
Wanneer men de regels goed hanteert zal het oorspronkelijk wapen
altijd duidelijk aanwezig blijven en is het persoonlijk wapen nooit
meer dan een variant.

44
GEWOONTE EN RECHT

Ridders waren de eerste wapenvoerders: men moest daadwerkelijk


met het zwaard omgord zijn om een wapen te kunnen voeren.
In de 13de eeuw gingen de zoons van grote leenheren, die hun vader
in het leen waren opgevolgd, pas over tot het voeren van hun wapen
nadat ze tot ridder waren verheven. Eerst dan lieten zij zich nieuwe
zegels met hun wapen snijden. Hiermee werden al eerder gegeven
akten opnieuw bezegeld. Niet de hoge geboorte, noch de functie van
regerend heer gaven recht op een wapen, maar de ridderlijke waar-
digheid 23).
Hoewel de ridderklasse later gesloten werd en voorbehouden aan
lieden van riddermatige geboorte, dus min of meer een onderdeel van
de adelstand, werd het recht op een wapen sind-s het midden van de
14de eeuw erkend voor iedere vrije man, of hij nu tot de adelstand
behoorde of niet. Bartolo de Sassoferato (1314—1357), de jurist die
dit vastlegde in zijn boek ,Tractatus de insignis et armis’, schreef
verder dat een wapen niet verleend behoefde te worden, door welke
vorst of autoriteit ook, mits men maar geen wapen usurpeerde, dat wil
zeggen het wapen van een ander wederrechtelijk voerde.
Deze traditie wordt in Nederland ook gevolgd, zulks in tegenstelling
bijvoorbeeld tot het gebruik in Engeland of Frankrijk.
Onmiskenbaar is hier de invloed van Hugo de Groot, die in navolging
van Bartolo de Sassoferato stelde, dat ieder vrij man zijn wapen
openlijk mag voeren. Ten tijde van de Republiek is daar druk gebruik
van gemaakt. Hierbij werden echter door het ontbreken van enig
heraldisch gezag de regels niet altijd even goed in acht genomen.
Jacob van Lennep heeft daar in zijn Ferdinand Huyck aardig de gek
mee gestoken. Evenzo Nicolaas Beets. Deze laat de heer Kegge een
wapen aannemen met een verkeerd toegepaste kleurregel: een gouden

23) P. Adam-Even, "Les sceaux d'écuyers au XIIIe siècle”, in: Schweizerisches


Archiv für Heraldik (1961) blz. 19—29; C. Pama, ”De wapens van knapen in
de 13de eeuw", in: De Nederlandsche Leeuw 93 (1976) k. 378.
keg in een zilver veld. Ook hiermee bempelt Kegge zich tot een
parvenue 24).
Door buitenlandse vorsten werden aanerdienstelijke Nederlanders
wel wapens verleend, vaak, maar niet ad, met een adellijke titel.
Dit is echter uitzondering. De Nederlanc voert zijn wapen uit eigen
recht. Dat wil echter niet zeggen dat hilan maar ieder wapen mag
aannemen en voeren dat hij wenst. Heberen van het Nederlandse
wapen, het wapen van een andere buitendse mogendheid of inter—
nationale organisatie als het Rode Kruisf de Verenigde Naties om
de indruk te wekken machtiging of er1ning te genieten van die
organisaties, is bij de wet verboden (art.;5 Wetboek van Strafrecht).
Voor het overige is het een goed heraldie gebruik om niet het wapen
van iemand of iets anders te voeren. \ttelijk geregeld is dit niet,
of het zou moeten zijn in de privaatrechijke sfeer volgens art. 1401
van het Burgerlijk Wetboek, waar de oechtmatige daad wordt ge-
regeld.
Overeenkomst in familienaam geeft noo'recht op een familiewapen,
tenzij verwantschap bewezen is.
Strikt genomen hebben alleen agnatische'stammelingen, de nakome—
lingen in mannelijke lijn, het recht om eewapen onveranderd verder
te voeren. Deze stelregel wordt niet eng toegepast. De eerste
wapenvoerder kan namelijk beslissen h groot de kring van de
rechthebbenden kan zijn: de eigen naz<n, de afstammelingen van
een bepaalde voorvader, of zelfs van de;dst bekende voorvader in
mannelijke lijn. Wanneer er door de eee wapenvoerder geen be-
slissing in deze is genomen of als dit nimeer bekend is, dan wordt
hier te lande de laatste regel gehantee De gewoonte om in dat
geval het wapen te breken heeft hier naelijks ingang gevonden.
Dochters voeren het wapen van hun vad onveranderd, maar zonder

24) J. A. de Boo, "Ferdinand Huyck en de Came0bscura als literair-heraldische


bronnen", in: De Nederlandsche Leeuw 95 (1) k. 343—348.
helm en helmteken. Gehuwde vrouwen kunnen hun eigen wapen met
dat van hun man opnemen in een gedeeld schild.
Een geschreven wapenrecht omtrent de vererving van wapens is er
niet in Nederland. Wel heeft zich in de loop der tijden een gewoonte-
recht ontwikkeld.
Wanneer in mannelijke lijn een geslacht uitsterft vervalt daarmee het
wapen. Was dit wapen offcieel verleend dan valt het terug aan de
wapenverlener, die het eventueel opnieuw aan iemand anders kan
verlenen. Niet verleende wapens komen vrij en worden wel opnieuw
aangenomen als pretentie dat men uit dat, meestal aanzienlijker ge-
slacht zou stammen. Het is niet aanbevelenswaardig om zo'n wapen
zonder meer over te nemen. Heeft deze wapenovername meer dan
drie generaties geleden plaatsgevonden dan is er een nieuwe traditie_
Het Centraal Bureau voor Genealogie hanteert een periode van een
eeuw alvorens het wapen wordt geregistreerd.

Meerburg (Stompwijk; wapenregister CBG nr. 21):


Dit wapen is feitelijk dat van een uitgestorven aanzienlijk
geslacht Van Meerborch (Leiden en elders). Het wordt echter
al sinds meer dan 100 jaar gevoerd door leden van de familie
Meerburg.

Vóór de invoering van de Burgerlijke Stand vererfde de familienaam


niet uitsluitend via de mannelijke lijn. Met name de tweede zoon werd
vaak met voor— én achternaam naar de grootvader van moederszijde
vernoemd. Op deze wijze kon in een familie ook ineens een andere
achternaam opduiken. Het wapen vererfde soms mèt die naam.

(Van) Mesdag (Gullem, West-Vlaanderen; wapenregister CBG


nr. 24):
Dit wapen werd in de 14de eeuw gevoerd door een geslacht
Mesdag te Machelen (Oost-Vlaanderen). uit welk geslacht de
Nederlandse familie (Van) Mesdag in vrouwelijke lijn afstamt.

47
Bolkestein (wapenregister CBG nr. 58):
Dit wapen werd in verschillende variaties en kleuren gevoerd
door leden van het uitgestorven geslacht Van Bolgersteyn te
Rotterdam en Schiedam, onder meer door Doe Arentsz. van
Bolgersteyn te Rotterdam, schepen van Rotterdam in 1536 en
1558. De familie Bolkestein stamt in vrouwelijke lijn uit dit
geslacht en heeft daaraan ook de familienaam ontleend.

Het uitsterven van een geslacht in mannelijke lijn kan dus een reden
zijn om via vrouwelijke lijn naam en wapen te laten voortleven. Dat
kan onder bepaalde voorwaarden ook nu nog.
Wanneer er van de overgrootvader van moederszijde geen mannelijke
nakomelingen meer in leven zijn kan naamsvermeerderìng worden aan-
gevraagd. De moedersnaam wordt dan vóór de eigen familienaam
toegevoegd. De wapens worden gevierendeeld: in het eerste en vierde
kwartier het vaderswapen, in het tweede en soms het derde het moe-
derswapen.

Calmeijer Meijburg (wapenregister CBG nr. 28):


Dit wapen is in 1972 ontworpen voor W. 8. M. en B. C.
Calmeijer Meijburg (naamswijziging bij K.B. 25 januari 1972
nr. 49). In het wapen Meijburg. dat reeds werd gevoerd door
Nicolaes Meijburg (1693—1771) is het tweede kwartier vervangen
door het wapen Calmeyer.

Wapenregistratie
Wapens van de Nederlandse adel en de publiekrechtelijke lichamen
als provincies, gemeenten, waterschappen en dergelijke, worden ver—
leend of bevestigd bij Koninklijk Besluit en vervolgens geregistreerd
door de Hoge Raad van Adel.
De Koning verleent geen burgerlijke familiewapens, een enkele uit-
zondering in het verleden daargelaten. Ze worden dus ook niet door
de Hoge Raad van Adel geregistreerd.
Sinds 1971 bestaat bij het Centraal Bureau voor Genealogie de gelegen-
heid tot registratie van in Nederland gevoerde familiewapens. (De
bepalingen daarvoor zijn in dit boekje opgenomen op blz. 66 en 67).

48
Registratie betekent nog geen rechtsbescherming. Het voeren van
het wapen van iemand anders zou echter wel kunnen worden opgevat
als een onrechtmatige daad. Jurisprudentie is de schrijver echter niet
bekend.
Publiekrechtelijke lichamen zouden een verordening kunnen vaststellen
waarin het gebruik van het officieel verleende wapen zonder toestem-
ming wordt verboden en hieraan een strafsanctie verbinden 25).

WAAR VINDT MEN- ZIJN FAMILIEWAPEN ?


Voor het opzoeken van een familiewapen is het opstellen van een
stamboom noodzakelijk. Alleen langs deze weg is na te gaan of
iemand recht heeft op een oud wapen. Hoe men zo’n onderzoek moet
aanvatten is beschreven in:
— W. Wijnaendts van Resandt. Op zoek naar onze voorouders, vijfde
druk. 's-Gravenhage, Centraal Bureau voor Genealogie, 1980 (CB—
reeks nr. 2).
Om na te gaan of er reeds genealogisch en mogelijk ook heraldisch
materiaal op een familienaam is gepubliceerd raadplege men:
— E. A. van Beresteyn. Genealogisch Repertorium, derde druk, twee
delen. 's—Gravenhage, Centraal Bureau voor Genealogie, 1972.
In dit naslagwerk wordt een overzicht gegeven van alle gedrukte

genealogieën en fragment-genealogieën van tenminste drie generaties,


voorkomende in voornamelijk Nederlandse monografieën, algemene
werken en periodieken.
Verder staan ons ten dienste de volgende bronnen:

Gedrukte bronnen:
— J. B. Rietstap. Armorial général. 2 delen, Gouda 1884—1889.
Het boek is verschillende malen herdrukt.
Recent verscheen er een fotografische herdruk in Londen met alle
supplementen en platenatlassen van Holland. In het Armorial zijn
meer dan 120.000 familiewapens uit geheel Europa beschreven, met
de plaats van herkomst.
25) O. Schutte, in: De Nederlandsche Leeuw 94 (1977) k. 207—208.
Het is wel de meest geraadpleegde bron, maar waarschijnlijk ook
de meest misbruikte, daar Rietstap verzuimd heeft de vindplaatsen
en de bronnen te vermelden en het boek ook geen genealogische
gegevens bevat om de wapens nader te kunnen identificeren.
Wat heeft men bijvoorbeel-d aan de vermelding:
„lansen - Holi. D’azur à trois fasces d’arg.‚ acc. au canton dextre
du chef d'une étoile d'or" ?
Een aantal foutief vermelde Nederlandse wapens werd verbeterd
door Fl. T. Muschart en gepubliceerd in het maandblad ‚,De Neder-
landsche Leeuw", jrg. 64 (1947)—71 (1954).
Van 1903 tot 1926 verschenen van de hand van V. en H. V. Holland
zes delen met afbeeldingen van de door Rietstap beschreven wapen-
schilden, de zogenaamde Planches, eveneens te Londen herdrukt
(1967).

Tenslotte publiceerde H. V. Holland nog supplementen in tien delen


(1926—1954), herdrukt te Londen 1968—1971.
Deze supplementen geven wèl bronnen en genealogische aan-
tekeningen.
H. Kits Nieuwenkamp, Nederlandsche familiewapens, met nadere
genealogische aanteekeningen, stamreeksen, fragment-genealogieën,
enz. Het oorspronkelijke werk werd in vier delen te Haarlem in 1936
uitgegeven. In 1975 volgde een ongewijzigde herdruk in één band.
uitgegeven te Arnhem bij Gijsbers en van Loon.
Veel gedrukte bronnen geven wapens, regionaal gerangschikt zoals
ze bijvoorbeeld voorkomen in en om kerken op gebrandschilderde
vensters, rouwkassen, zerken, herebanken en dergelijke, voor zover
ze de heraldieke ‚,beeldenstorm" uit de Franse tijd hebben overleefd.
Waar deze bronnen voor de oorlog verschenen zijn, is er bij restaura—
ties soms later veel nieuw materiaal te voorschijn gekomen en ge—
publiceerd in Iokaalhistorische en genealogische periodieken, zodat
een onderzoek ter plaatse wenselijk is, ook al ter verificatie der
gegevens:
— P. C. Bloys van Treslong Prins. Genealogische en heraldische

50
VVapen van Z En1 Johannes kard ìnaaldelong
Aa úsb usschop va n Lkr echt
1936—-1955

51
gedenkwaardigheden in en uit de kerken der provincie Utrecht.
Utrecht, 1919.
— idem, Provincie Zeeland. Utrecht, 1919.
— idem. Provincie Zuid—Holland, 3 delen. Utrecht, 1922—1923.
— idem, Provincie Noord-Brabant, 2 delen. Utrecht, 1924.
— idem, Provincie Overijssel. Utrecht, 1925.
— idem, Provincie Noord-Holland, 5 delen. Utrecht, 1928—1931.
— idem, Europeanen op Java, 4 delen. Batavia, 1934—1939.
— J. Belonje en J. Westra van Holthe, zelfde titel, Provincie Drenthe.
Assen, 1937.
— ]. Belonje, idem, Provincie Limburg. Maastricht, 1961.
— A. Bijl Mz., idem in de Grote Kerk te Maassluis. Assen, 1951.
— E. A. van Beresteyn. Grafmonumenten en grafzerken in de Oude
Kerk te Delft. Assen, 1938.
— Fryske Akademy. Grafschriften en andere genealogische en heral-
dieke merkwaardigheden in en om de kerken tussen Flie en
Lauwers:
deel I: Achtkarspelen. Leeuwarden, 1950;
deel II: Het Bildt. Leeuwarden, 1952;
deel III: Leeuwarden, eerste aflevering. Leeuwarden, 1952;
deel IV: Menaldumadeel. Leeuwarden, 1959;
deel V: Vlieland. Leeuwarden, 1969.
— C. F. X. Smits. De Grafzerken, Wapen- en Rouwborden der St.-Jans-
kerk van ’s-Hertogenbosch. 1912.
— A. Pathuis. Groninger gedenkwaardigheden, teksten, wapens en
huismerken van 1298—7814. Assen/Amsterdam 1977.
— J. M. van de Venne. Limburgse wapens. Maastricht, 1925.

Verzamelingen
Bij het Centraal Bureau voor Genealogie berust de heraldische collectie
van wijlen de heer R. T. Muschart (1873—1955), die gedurende zijn
leven in vele archieven de op zegels voorkomende wapens heeft be-

52
schreven, evenals de in andere bronnen voorkomende familiewapens.
De collectie is op wapenfiguren gerangschikt, maar een register op
famillienamen is aanwezig.
Aan de hand van de bronvermelding kunnen de originele zegels of
afbeeldingen, voor zover inmiddels niet vergaan, in de archieven
worden teruggevonden.
Deze collectie vormt tevens een ingang op alle hiervóór genoemde
gedrukte werken, waaruit de Nederlandse wapens zijn opgenomen.
De Nederlandse Genealogische Vereniging beheert de verzamelingen
van wijlen haar leden Modderman en Janssen.
De collectie Modderman bevat ongeveer 10.000 fiches gerangschikt op
familienaam en bevattende soms een wapenbeschrijving, soms alleen
een literatuurverwijzing. De bronvermelding is niet altijd even goed.
De collectie Janssen bevat circa 6000 wapens, getekend en gekleurd,
voor 80 % van r.k. geestelijken.
Voor inlichtingen: N.G.V.‚ Postbus 976, Amsterdam.
Verzamelingen lakafdrukken (meest uit de 19de en 205te eeuw)
berusten, behalve bij het Centraal Bureau voor Genealogie, bij het
Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapen-
kunde, de Hoge Raad van Adel en verschillende archieven.

Schepenzegel van Jeronimus Wijnants, schepen van 's-Hertogenbosch tussen 1550


en 1593, en lakafdruk van een moderne zegelring met het wapen Wijnaendts
van Resandt.

53
DEUTZ
VAN ASSENDELFT

‚_,—

VAN DE POLL CRAMER HUIDEKOPER

VAN REEN EN PROVO KLUIT

Wapens van burgemeesters van Amsterdam tussen 1813 en 1969.


54
MES—SCH ERT
VAN VO LLEN HOVEN

DEN TEX VAN TI EN HOVEN

'‚‚_\4A2
’”‘;
«"v…-_‚»»>--

VAN LEEUWEN RÖELL TELLEGEN

D’ Al LLY VAN HALL

55
Overige bronnen
Wapenboeken zijn verzamelingen wapenafbeeldingen in boekvorm of
op losse bladen, vervaardigd door één of meer kunstenaars vanwege
hun heraldische aard (dus niet met het karakter van illustratie bij een
tekst), een bepaalde groep families, personen of corporaties omvat-
tende.
De oudste wapenboeken werd-en aangelegd door de herauten. Zij zijn
van groot belang voor de kennis van de middeleeuwse heraldiek, min-
der voor de hedendaagse genealoog. Maar de traditie van de wapen-
boeken eindigd-e niet met de Middeleeuwen. Ook later werden ze
aangelegd, hetzij als verzameling van een heraldicus, hetzij als ge-
illustreerde ledenlijst van een genootschap, vereniging, bestuur,
college of vroedschap. Een voorbeeld van het eerste is het wapen-
boek in drie delen van de Amsterdamse wapenschilder Jacob Colijn
(1614—1686) met bijna 15.000 wapens van grotendeels Amsterdamse
burgerij. Een tweede voorbeeld zijn de wapenboeken van de Gelders-
Overijsselse studentenverenigingen te Leiden, Utrecht en Franeker.
Deze wapenboeken zijn gepubliceerd door Mr. 0. Schutte als nr. van
11

de Werken uitgegeven door het Koninklijk Nederlandsch Genootschap


voor Geslacht- en Wapenkunde (1975).
Wapenboeken bevinden zich in openbare bibliotheken, archieven,
musea voor geschiedenis en oudheidkunde, maar ook in particuliere
verzamelingen en familiearchieven.
De overal verspreid aanwezige wapenboeken worden door de secretaris
van de Hoge Raad van Adel geïnventariseerd, zodat dit tot nu toe in
Nederland weinig gebruikte materiaal beter toegankelijk wordt. Het zal
nog geruime tijd duren voordat dit werk in druk te raadplegen valt.
Inlichtingen kunnen via de Hoge Raad van Adel worden verkregen.

Wapenborden zijn verzamelingen wapenafbeeldingen op wandborden,


schilderijen zowel als panelen, aangelegd met het zelfde doel als de
wapenboeken. Het zijn met name de besturen van waterschappen,
vroedschappen, gilden en andere corporaties, die voor hun vergader-
zalen zulke wapenborden lieten en laten aanleggen. Zijn die corpora-
ties, zoals bijvoorbeeld de gildebesturen, verdwenen, dan kan men de

56
borden terugvinden in de oudheidkamers en streekmusea. Wordt de
traditie voortgezet dan sieren ze ook nu nog de vergaderzalen. Onder
de hier terug te vinden wapens schuilt veel gelegenheidsheraldiek.
Wanneer één van onze voorouders, ook de eenvoudige handwerksman,

'

&… i;-z;à…u

Rouwbord van Mr. Remees Floris van Zanen, t 1775, met acht kwartierwapens.

57
FAMILIEWAPEN GERDESSEN
Een goed voorbeeld van een wapen uit de achttiende eeuw (zie blz. 44). Daar de
kleuren van dit wapen waarmee Jan Gerdessen op 27 juli 1795 te Noordeloos
zegelde onbekend waren, is bij de registratie (onder nr. 169) gekozen voor een
heraldisch verantwoorde oplossing waarbij voor de afgebeelde man en alle daaraan
toegevoegde attributen uitsluitend het metaal zilver is gebruikt.

58
‚,op het kussen kwam", dat wil zeggen deel ging uitmaken van stads—
regering of gilde-bestuur, dan had hij de stilzwijgende, ook wel uitge—
sproken verplichting om zijn wapen ergens te laten aanbrengen of om
een zegel te laten snijden.
De overlieden van het Goudse chirurgijnsgilde lieten hun wapens op
de kussens aanbrengen. In het museum het Catharina Gasthuis te
Gouda, in de voormalige chirurgijnskamer, zijn ze nog te bewonderen,
evenals de wapens uitgesneden in de kap van de schouw, het fries
van de instrumentenkast en op de wapenborden van de sleutelhouders
van de librije. Toen het chirurgijnsgilde te Enkhuizen de ruimte boven
de stadswaag tot gildekamer kreeg toegewezen, bepaalde het bestuur
dat de overlieden bij hun benoeming een gebrandschilderd venstertje
met hun wapen ter versiering van het eerst nog kale vertrek moesten
laten aanbrengen.
Nog enkele voorbeelden ontleend aan de praktijk van de chirurgijns—
gilden: de overlieden uit Leiden en Rotterdam versierden hun instru-
mentkasten met hun wapens en toen daarop geen ruimte meer was
werden de wapens daarnaast opgehangen. De wapens van de profes-
soren en overheden van het Amsterdamse chirurgijnsgilde zijn aange-
bracht in de koepel van het theatrum anatomicum, nu het Joods
Historisch Museum in de Waag.
Van de Groningse chirurgijns sieren de wapens de krappen van de
gilderol, het boek waarin de gildekeuren werden opgetekend.
Ook van andere gilden en organisaties zijn zo vele wapens bewaard
gebleven. Altijd was er wel een gelegenheid om zich te organiseren:
de pelgrims naar Rome -te Gorinchem organiseerden zich in de Broe—
derschap der Romeinen en ze lieten hun wapens graveren in hun
gildebeker. Haarlemse bedevaartgangers naar Santiago de Com—
postela zijn verenigd in ‚,Het loffelijck en aloud Gild en Orde van
St. Jacob”. Het kostbare en fraaie gildezilver met vele wapens is in
bruikleen gegeven aan het Frans Halsmuseum te Haarlem 26)

26) H. F. Heerkens Thijssen, ”De geschiedenis van het Haarlemse St. Jacobsgilde",
in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 9 (1955) 77—158.

59
REGELS

Een wapen moet duidelijk herkenbaar zijn, ook op ruime afstand en


verwarring met andere wapens mag niet mogelijk zijn. Daarom gelden
er voor ontwerpen en tekenen van wapens speciale regels.
1. Volgens de kleurregel mag men nooit kleur op kleur of metaal op
metaal afbeelden. Kleuren en metalen moeten elkaar afwisselen, dus
een gouden leeuw op een blauw veld en niet een rode op een blauw
veld. Dit komt de duidelijkheid ten goede, daar de heldere, schit—
terende metalen met de doffere kleuren voor een goe-de contrast-
werking zorgen.
2. De stukken worden gestileerd afge-beeld. De figuuur wordt vereen-
voudigd: niet ter zake doende details worden weggelaten, terwijl
karakteristieke kenmerken worden benadrukt door ze te verfraaien
of te overdrijven 27).
3. Stukken worden in het schild zonder perspectief afgebeeld. Door
middel van schaduwlijntjes kan enig reliëf worden gesuggereerd.
4. Het stuk moet het veld zoveel mogelijk vullen en aan de schildvorm
zijn aangepast.
WAPENSYMBOLIEK

Hoewel de heraldiek als hulpwetenschap bij de studie der historie


duidelijk betekenis heeft, kan men zich toch afvragen of het voeren
van een wapen vandaag de dag nog zinvol is. Een wapen is immers
geen teken meer waaraan men herkend wordt en een zegelafdruk met
een familiewapen heeft niet meer de rechtsgeldigheid van een hand-
tekening. Nu deze extrinsieke waarde opgehouden heeft te bestaan
lijkt een wapen nog slechts een traditioneel ornament.
Wapens hebben echter ook een intrinsieke waarde, een waarde in
zichzelf, waardoor een wapenvoerder zich laat kennen, sterker nog,
iets tot uitdrukking kan brengen; positief maar ook negatief.

27) Zo is de heraldieke leeuw er een met wijd opengesperde muil, klauwen van
formidabele proporties, een fier lijf en een enorme decoratieve staart. Hij lijkt
misschien niet veel meer Op een leeuw, doch voor het middeleeuwse oog
vertoonde hij zijn identiteit duidelijk.
Hildebrands heer Kegge uit de Camera Obscura deed zich kennen
als een praalhans toen hij zei: „’t Zal het mooiste rijtuig uit de stad
zijn, en de grote hanzen en adellijke heren kunnen er een punt aan
zuigen. Ik heb zin om er een wapen op te laten schilderen met een
gouden keg op een zilver veld en een grote planterskroon er bovenop
van suikerriet en koffiebonen". De veel nuchterder oude moeder toomde
haar luidruchtige zoon fijntjes in met de opmerking: „Ik zou er maar
J.A.K. op laten zetten, je kunt immers de letters met net zoveel krullen
maken als je maar wilt." Niet alleen het wapen kenmerkt Kegge, ook
de wijze waarop hij het wilde voeren. Op zichzelf bezien is de keg als
wapenfiguur een goede vondst, maar Kegge zondigde tegen de
regels door metaal op metaal te plaatsen, terwijl de planterskroon een
adelskroon moest imiteren.
In een wapen wordt de verbondenheid met het geslacht waaruit men
spruit tot uitdrukking gebracht, zowel als met de generaties die nog
zullen volgen. Een teken dus van familiezin waarin iets kan doorklinken
van de trots dat ieder vrij man zijn wapen openlijk mag voeren. Wat
Huizinga schreef over de Middeleeuwen: „een complex van trots en
strevingen, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld uitge-
drukt, gemarkeerd als een ondeelbaar ding” geldt nog steeds.

Wanneer bij genealogisch onderzoek geen familiewapen wordt gevon—


den staat ons niets in de weg om een nieuw wapen te (laten) ontwerpen
en aan te nemen. Ook wie nu een wapen als familiesymbool kiest bouwt
voort op de traditie die terug gaat tot in de Middeleeuwen.

Juist vanwege deze lange traditie, die maar ten dele in de hiervoor
beschreven regeltjes is te vatten, is het ontwerp van een nieuw wapen
geen eenvoudige zaak. Daarom kan m.en het beste de hulp van een
ervaren heraldicus inroepen, zoals iemand die een huis wil bouwen de
hulp van een bekwaam bouwkundige nodig heeft. Deze kan door een
zorgvuldige toepassing van de regels en gebruiken aan het program
van eisen van de opdrachtgever gestalte geven. Op deze wijze komt
dan, in goed overleg, een wapen tot stand dat de voor ons land zo
kenmerkende eenvoud weerspiegelt. Zo wordt de schijn van pronkzucht
vermeden en laten we ons niet kennen als een „heer" Kegge.

61
De kunst van het weglaten is voor een minder ervarene vaak erg
moeilijk, waardoor overladen wapens ontstaan. Beperk het aantal bij-
figuren en schildverdelingen; kies geen buitenissige figuren. In principe
kan alles, mits op de juiste wijze gestileerd en afgebeeld, in een
wapen worden opgenomen, van de middeleeuwse leeuwen, leliën en
kruisen tot stoommachines en het atomium toe. Maar dit worden niet
altijd de fraaiste wapens. Wat wel kan en wat niet, is niet tot in detail
in regeltjes te vangen. Daarom wordt, het gezegde ten spijt, over
goede smaak wel veel getwist. Slechts door veel ervaring leert de
ontwerper de vele voetangels en klemmen te ontwijken, die er ondanks
de toepassing van de regels blijven bestaan en hij kan op bepaalde
details die regels zelfs overtreden om toch tot een goed ontwerp te
komen.
De registratie van een nieuw wapen bij het Centraal Bureau voor
Genealogie biedt daarom verschillende voordelen. Het wapen wordt
niet alleen gepubliceerd en vastgelegd voor het nageslacht waardoor
wapenovereenkomst met een bestaand wapen wordt vermeden. Het
wapen wordt bovendien getoetst door ervaren heraldici.
Meer hierover vindt u op de bladzijden 66 en 67.
Hoewel de betekenis van veel oude familiewapens niet meer is na te
gaan, daar de motieven van de eerste wapenvoerder niet meer zijn
te achterhalen, zijn toch nog veel wapens naar hun betekenis te
rubriceren. De hierna volgende indeling kan daartoe worden gebruikt,
evenals voor het ontwerpen van nieuwe wapens.
Achtereenvolgens zullen we behandelen: sprekende wapens, beroeps-
wapens, streekwapens, historische wapens, sagewapens en fabel-
wapens.
In sprekende wapens wordt de (familie)naam direct of indirect in beeld

gebracht. Deze wapens zijn al zeer oud en zeker niet van minder
waarde, getuige de wapens van respectabele oude geslachten als
Van Hoorne (drie hoorns), Van Wassenaer (drie wassende manen
of wassenaars) en Van Zuylen (drie zuilen).

62
__
____
D…fl_
=
__
_
___—___ ___.
_=
_
__… __
_

_
_ : -__
___—=.

_ __
-—-_

__ _ __

_
__
_
__
_ __
__

__
_‚‚v,…—
umu_ (‚>—_

_

___—___ ___—_

___—=_

Enkele recente voorbeelden uit het wapenregister van het CBG zijn:
Asies (nr. 49) met drie boven elkaar geplaatste assen;
Vierkant (nr. 64) met in blauw een zilver vierkant;
Van der Haar (nr. 174) met drie haarpennen en als helmteken een tweebekshaar-
Alsemgeest (nr. 175) met in blauw drie zilveren alsemtakjes getopt met een gouden
vlam.

Beroepswapens vertonen werktuigen die gebruikt worden in een be—

paald beroep of toespelingen op een beroep.

Schaap (Groningen; wapenregister CBG nr. 12):

Dit wapen werd in 1842 ontworpen voor Mr. Isaak Lazarus Schaap, advocaat en
procureur. Het is zowel een Sprekend wapen als een beroepswapen.

Spreen Brouwer (wapenregister CBG nr. 33):

Dit wapen werd (zonder helmteken) voor het eerst gevoerd door Pieter Simons
Brouwer, schipper in de veenkoloniën. Het helmteken, een spreeuw, werd in 1971
toegevoegd voor de tak Spreen Brouwer. Het anker, het biervat en de brouwspanen
zijn beroepstekens, de beide laatste beelden tevens de naam uit. De turven komen
ook voor in het wapen van Wildervank als een herinnering aan de veenkolonies.
Gezien de ondergeschikte positie van deze stukken mogen we hier niet spreken
van een streekwapen.

63
Streekwap-ens vertonen stukken die in een bepaald gebied meer voor-
komen dan elders. De feodale verbondenheid tussen leenheer en leen-
man of de al dan niet legitieme afstamming van de landsheer is er
mogelijk de oorsprong van.
Rond Gorinchem herinneren de beurteling gekanteelde dwarsbalken
aan de Heren van Arkel. In het land van Heusden is er het wiel van de
Heren van Heusden en in het land van Altena zijn dat de twee afge—
wende zalmen.
De bekende Friese adelaar (een halve van de deellijn uitgaande zwarte
adelaar in een gouden veld) zou wijzen op rijksonmiddelbaarheid (een
privilege van Karel de Grote die de Friezen direct onder het gezag van
de Keizer stelde) dan wel op het aan allodiaal grondbezit verbonden
richterambt 28).
De Friese adelaar in het wapen Benthem
de Grave (wapenregister CBG nr. 178) en
een sleutel uit het wapen van Leiden in
het wapen Lut (wapenregister CGB nr.
157).
1115
‘=11
Illllllll “iii

…|
"llllllllll

|.\

In nieuwe wapens kan op gebiedswapens worden teruggegrepen,

hetzij om de bakermat van de familie aan te duiden hetzij als toespeling


op de familienaam.
Het wapen, dat in 1971 werd ontworpen
voor een familie Rentema (wapenregister
CBG nr. 23) vertoont een schild—hoofd
k\Ë. "Ä'LQJ
È'híîîînë
‘n'jj
volgens het gemeentewapen van Nieuwe-
»;
. -----
(|_-‘;'.“ .: schans met vemisselde kleuren.
De elzebladeren uit het gemeentewapen
Mii 1111 van Oldebroek komen voor in het wapen
van de familie Van Weezep (wapenregis-
ter CBG nr. 88).

28) Zie verder 0. Schutte "Stre-ekwapens", in: Spiegel Historiael 13 (1978) 41—50.
Indit ruim geillustreerde artikel over streekwapens wordt speciaal ingegaan
op lokale eigenaardigheden bij familiewapens, die per provincie besproken
worden, waarna een algemene beschouwing en enige conclusies volgen.

64
Historische wapens herinneren aan een gebeurtenis in de geschiedenis
van een geslacht.
Tijdens het beleg van Leiden stond Willem Cornelisz. ondanks de
hongersnood acht postduiven af om buiten de stad te worden ge—
bracht. Deze duiven kwamen toen de nood het hoogst was terug met
hoop-volle berichten van de Prins van Oranje en Boisot. Willem
Cornelisz. kreeg de naam Van Duyvenbode en als wapen het wapen
van de stad Leiden vermeerderd met vier blauwe duiven.
Jhr. J. J. van Winter, raad van Amsterdam, kreeg bij K.B. van 15 augus-
tus 1815 als wapenvermeerdering een blauw hartschild met een
gouden Romeinse zegewagen, ter herinnering aan het feit, dat de
Souvereine Vorst in 1813 zijn intrede in Amsterdam had gedaan in
het rijtuig van de heer Van Winter.
Naast deze bewezen historische wapens zijn er ook veel wapens
waaraan legenden en sagen verbonden zijn die de toets der weten-
schappelijke kritiek niet kunnen doorstaan. Een wapen kan zijn ont-
worpen om een sage uit te beelden, maar ook kan de sage ontstaan
zijn als verklaring van het wapen achteraf. De dynastie De Baux, die
van 1178 tot 1393 in het prinsdom Orange regeerde, voerde in rood
een zilveren ster met zestien punten. De overlevering wil, dat dit
geslacht afstamt van één van de drie koningen, die geleid door het
licht van de stralende ster naar Bethlehem kwamen om de pasgeboren
Christus te aanbidden 29). Deze sagewapens mogen niet verward
worden met de zogenaamde fabelwapens. Dit zijn wapens die zijn
ontsproten aan de fantasie van latere herauten en die werden toe—
gekend aan figuren van vóór de tijd van de heraldiek: koning David,
koning Arthur enz.

LITERATUUR

Indien men zich nader in dit onderwerp wil verdiepen kan men in
eerste instantie de volgende boeken raadplegen:
J. A. de Boo, heraldiek, 2de druk, Bussum 1973.

29) J. K. H. de Roo van Alderwerelt ”De voorgeschiedenis van het wapen gevoerd
door de eerste prins van Oranje uit het geslacht van de graven van Nassau",
in: Jaarboek CBG 15 (1971) 29—61.
C. Pama, Rietstap-‘s Handboek d'er Wapenkunde, Leiden 1961.
Vooral dit laatste werk geeft uitgebreide informatie en uitvoerige
literatuuropgave.
Daarnaast beschikken de bibliotheken van het Centraal Bureau voor
Genealogie, het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht-
en Wapenkunde en de Nederlandse Genealogische Vereniging over
vrijwel alle Nederlandse en vele buitenlandse werken op dit gebied.

WAPENREGISTER CENTRAAL BUREAU VOOR GENEALOGIE

In het register van familiewapens van het Centraal Bureau voor


Genealogie kunnen in Nederland gevoerde familiewapens worden
opgenomen.
Daarvoor gelden de volgende bepalingen:
1. Het bestuur van de stichting CBG beslist over de registratie en
kan deze zonder opgaaf van red-enen weigeren.
2. Een wapen komt alleen voor opname in het register in aanmerking
indien het geen gelijkenis vertoont met het wapen van een andere
familie, tenzij het reeds meer dan een eeuw in de familie waartoe
de aanvrager behoort wordt gebruikt.
3. In de afbeelding en de beschrijving worden alleen schild, helm,
helmteken, dekkleden en wrong opgenomen.
4. Registratie wordt aangevraagd met het daarvoor bestemde formu-
lier. Het verzoek moet vergezeld zijn van een zover mogelijk
opgevoerde bewezen stamreeks en van een duidelijke afbeelding
(in kleuren of met heraldische kleuraanduidingen) van het wapen.
Wanneer het een wapen betreft dat reeds meer dan een eeuw in
de familie waartoe de aanvrager behoort wordt gebruikt dienen de
nodige bewijsstukken te worden bijgevoegd.
5. Na ontvangst van de aanvraag wordt nauwkeurig nagegaan of
registratie verantwoord is. Daarbij wordt een nieuw wapen getoetst
aan de regels van de heraldiek. Eventueel zal wapenverbetering
worden voorgesteld.
6. Bij accoordbevinding wordt het wapen ingeschreven in het wapen-
register met de beschrijving van het wapen en een afbeelding in
kleuren, vervaardigd door een heraldisch tekenaar en met vermel-
ding of het een oud dan wel een nieuw wapen betreft. Bij een
oud wapen wordt aangegeven wie het wapen heeft gevoerd en op
welke wijze de aanvrager met die persoon verwant is. Tenslotte
vermeldt de inschrijving naam, geboorteplaats en -datum, ouders
en woonplaats van de aanvrager.
De aanvrager ontvangt een kopie van de inschrijving in het register
met daarop een afbeelding in kleuren, eveneens vervaardigd door
een heraldisch tekenaar.
In het Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie worden

een beschrijving en een afbeelding van het schild van het nieuw
geregistreerde wapen opgenomen. De aanvrager ontvangt na publi—
katie tevens de daarvoor gemaakte zwart/wit lijntekening.
De kosten van registratie en van het daarvan af te geven bewijs—
stuk bedragen f500‚—.
Mocht een aanvrage worden afgewezen of ingetrokken dan wordt
het betaalde bedrag onder aftrek van f75‚— voor gemaakte kosten
gerestitueerd.
Indien ter vaststelling van de juistheid van een overgelegde stam—
reeks archiefonderzoek nodig blijkt, worden de kosten daarvan
tevoren en vrijblijvend opgegeven.
11. Een tweetal aanvraagformulìeren wordt op aanvrage kosteloos
toegezonden.

67
Verantwoording illustraties:

blz. 11, 15. 31:


C. Pama, Flietstap's handboek der wapenkunde;
blz. 18, 19, 20, 22. 23, 24, 26, 27, 29. 30, 33, 34, 35, 37, 40, 41, 42, 43, 44, 47, 48.
51, 54, 55, 58, 59, 60:
K. van den Sigtenhorst;
blz. 19 onder:
J. A. de Boo, Heraldiek;

blz. 37:
Gens Nostra 1957, 238;

blz. 51:
Gens Nostra 1971, 135;
blz. 53:
foto’s Algemeen Rijksarchief;
blz. 54 en 55:
Gens Nostra 1966, 140 en 141;

blz. 57:
foto Stedelijk Museum Lakenhal, Leiden;

68