You are on page 1of 7

Etymonline:

Check via Pokorny’s dictionary, compiled by George Starostin

(75)
(913-914)
(969-970)
(1011-1012)
Also to be found in Dutch:

Vrucht [ooft, ongeboren jong] • oudnl. fruht 901-1000, •middelnl. vrucht(e) [ooft, ongeboren jong,
kind] • oudsaksisch, oudhd. fruht, oudfries frucht <lat. fructus [genieting, vruchtgebruik, oogst,
opbrengst, vrucht], eig. het verl. deelw. van frui [genieten, zich bedienen van, het vruchtgebruik
hebben] (vgl. fruit). De uitdrukking aan de vruchten herkent men de boom [’s mensen karakter toont
zich in zijn daden] is ontleend aan Mattheus 7:16 en Mattheus 12:34. De uitdrukking verboden vrucht
is ontleend aan Genesis 3:1-6.

Vruchtbaar [vruchten, jongen, resultaten voortbrengend] • vruchtbaer 1301-1400 • het tweede lid is
van een ww. met betekenis ‘dragen’ waarvoor baren.

Van der Veen, P.A.F. & N. van der Sijs, red. (1997), ’Groot etymologisch woordenboek: de herkomst
van onze woorden’, Utrecht: Van Dale Uitgevers.

Synonyms:

https://synoniemen.net/index.php?zoekterm=functie