Вы находитесь на странице: 1из 18

KRUIS EN OPSTANDING

Uit een interview met Willem Jan Otten


(Kerk en Leven, 16.11.05)
“Hoe stelt u zich God voor?
‘Niet. Hij is diegene die er is als je aan het bidden bent.
Als ik Hem dan toch met een beeld voorstel,
Is het Christus aan het kruis.
Maar dat is meer ont-beelding:
Je kijkt er liever niet naar.’”

Het lijden van Jezus is de ultieme consequentie van zijn “leven voor anderen”.
Zijn lijdensverhaal is het verhaal van nabijheid in het lijden. De eeuwen door hebben mensen en
gemeenschappen van mensen naar het kruis van de lijdende Christus opgekeken, omdat zij hun lijden
in het zijne herkenden.
Het lijdensverhaal van Jezus is ook het verhaal van een overwinning op het lijden. Hij is door de dood
– het ultieme lijden – heen gegaan. Ditzelfde gebeuren is ons beloofd en toegezegd.
Door dit alles klinkt als een refrein dat die belofte onlosmakelijk verbonden is met de opdracht om te
strijden voor het leven en tegen het lijden. 1

1. De dienstknecht van de Heer

1.1 Tragische dood van een religieus genie?


1.2 “Man van smarten”
1.3 Plaatsvervangend lijden
1.4 Verzoenend / Verlossend lijden
1.5 God in het lijden

2. Opgewekt uit de dood

2.1 “In zijn dood houdt God Jezus vast”


2.2 Kruis en opstanding : de ‘Gekruisigde Verrezene’
2.3 Opstandingsgeloof
2.4 Leven over de dood heen

1
Vrij naar Kris DEPOORTERE, God anders. Een christelijke visie op het lijden, Acco/Leuven, 2000, 117.

Kruis en opstanding 1
1. DE DIENSTKNECHT VAN DE HEER

1.1 Tragische dood van een religieus genie?

Menselijkerwijze bekeken is de kruisdood van Jezus uit Nazaret omstreeks het jaar 30 op de
executieplaats Golgotha, dichtbij Jeruzalem, niets anders dan het tragische einde van een religieus
genie. Zijn optreden heeft niet lang geduurd. De ergernis en de oppositie groeiden gaandeweg, tot ook
diegenen die de feitelijke macht in handen hadden zich tegen Hem keerden. Door het hogepriesterlijk
gezag op grond van godslastering veroordeeld, werd Hij op uiteindelijke verantwoordelijkheid van de
Romeinse gouverneur geëxecuteerd. Zijn schandelijke dood op het kruis toonde het fiasco van zijn
optreden. Hij was trouwens lang niet de enige in die tijd die dit lot onderging.

Het christelijk geloof is van mening dat deze dood meer is dan het tragische einde van een religieus
genie. Jezus’ dood heeft heilsbetekenis en zelfs theologische betekenis in de strikte zin van het woord.
Dat wil zeggen: ze heeft alles te maken met de vraag naar God. Uitgerekend daar op Golgotha heeft
God getoond wie Hij is en hoe ernstig Hij zijn engagement met de mens opneemt.

“Nergens elders dan in Jezus’ dood op het kruis is duidelijker geworden wat God in heel de
geloofstraditie van Israël te verstaan heeft gegeven, namelijk dat YHWH anders is dan de
goden. Het kruis openbaart ons dat God transcendent is waar Hij neerdaalt, dat Hij groot is
waar Hij klein wordt, dat Hij zijn wijsheid en kracht openbaart waar alles dwaasheid en
onmacht lijkt, dat Hij leven geeft en mogelijk maakt waar ogenschijnlijk de dood regeert. (…)
Het woord van het kruis is geen ander woord dan het woord waarmee God Israël riep tot het
verbond ; geen ander dan toen Hij sprak: ‘Ik daal af’ (Ex 3,8). Het is opnieuw het woord van
Hem die daarin toont dat Hij God is, dat Hij omziet naar de mens en niet onverschillig blijft.
Maar nu gaat Hij tot het uiterste en toont voorgoed wie Hij is en waar men Hem kan vinden :
als Diegene die daar zal zijn waar de mens in nood en dood is.
Daar in de toewending tot deze Gekruisigde heeft God definitief getoond wie Hij is.” 2

Maar deze kruisdood kan niet begrepen worden los van wie Jezus was 3. In woord en daad
verkondigde Hij “een op menselijkheid bedachte God” (E.Schillebeeckx). Sterker nog : “De naam van
God herleefde in heel het joodse land” (Huub Oosterhuis, ZJ 539). Kern van zijn prediking is de
verkondiging van de nabijheid van Gods koninkrijk. “De tijd is rijp en het koninkrijk van God is
ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap.” (Mc 1,15). In Jezus zelf breekt die
heerschappij door. Nergens staat het kernachtiger verwoordt dan in de Titusbrief : “de goedheid en de
mensenliefde van God onze redder is verschenen”4. En in Hnd 10,38 lezen we : “Hij trok weldoende
rond en genas allen die in de macht waren van de duivel, want God was met hem.” Op de vraag van
Johannes’ leerlingen of hij de Komende is, antwoordt hij : “Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet :
blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan
armen wordt de goede boodschap verkondigd” (Mt 11,5 – Jezus citeert de profeet Jesaja).
Het is een taai misverstand om voor de heilsbetekenis van Jezus’ sterven exclusief te focussen op
Goede Vrijdag 5:

2
J. DE KESEL, Hoe is Uw naam, waar zijt Gij te vinden? Over de verantwoording van het christelijk geloof,
Lannoo/Tielt, 1988, 182-183.
3
Precies het feit dat de kruisdood geïsoleeerd wordt van Jezus’ leven, was één van de kritieken van de
katholieke kerk op de fim ‘The Passion of the Christ” van Mel Gibson : “Christus is uit liefde gestorven en niet voor
een God die offer en bloed wil (…) Als men de dood van Jezus isoleert van zijn prediking, dan is het voor mij heel
moeilijk om in deze film een boodschap van liefde terug te vinden.” (Mgr. J. De Kesel – 5 april 2004).
4
Hier gaat het over de “menswording van God”, zoals Oosterhuis dicht : “Uit uw hemel zonder grenzen komt Gij
tastend aan het licht, met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen.” (ZJ 212).
5
Lode AERTS, Verlossing, in KERKPLEIN, april 2007.

Kruis en opstanding 2
“Wie verlossing uitsluitend zoekt op Golgotha, maakt zich het begrip ervan onmogelijk. Ook
de leerlingen hebben de verlossing maar verstaan binnen een breder verband. Niet de dood,
maar Jezus’ leven in liefde was verlossend. Daar werd Gods reddende nabijheid het eerst
ervaren. “

1.2 “Man van smarten”: de dienstknecht van de Heer

Uitgerekend deze Jezus wordt uit de weg geruimd. Hoe kon dat? Hoe moest dit begrepen worden?
Vanaf het prille begin zochten christenen in de Schrift naar woorden en teksten die enig licht konden
werpen op de betekenis van de dood van Jezus aan het kruis. Ze hebben die gevonden in de
oudtestamentische teksten waarin gesproken wordt over het lijden van de rechtvaardige. In het
lijdensverhaal van Jezus, waarvan we de oudste neerslag vinden bij Marcus, zijn tal van zinspelingen
te vinden op psalmen waarin een rechtvaardige worstelt met de vraag naar de zin van zijn lijden (met
name de psalmen 22, 41 en 69). Dat velen in Israël met dit probleem hebben geworsteld weten we uit
onze bespreking van het boek Job. Wie tracht te leven in gehoorzaamheid aan de Thora, ziet zich
vroeg of laat gesteld voor een probleem dat zijn geloof in God aan het wankelen kan brengen. Het
goede wordt dikwijls niet beloond en het kwade niet bestraft. Is God dan wel rechtvaardig? Worstelend
met dit probleem, kwamen ze tot een nieuwe geloofszekerheid: precies omdat de rechtvaardige zich
houdt aan de Thora, wordt lijden zijn deel. “Wie gehoorzaam is aan de wil van God, komt automatisch
in conflict met machthebbers en met de maatschappij waarin hij leeft. Wie oog gekregen heeft voor de
anti-goddelijke machten in deze wereld verwondert zich er niet meer over dat de vrome wordt verdrukt
en zelfs vervolgd en gemarteld. Het lijden der rechtvaardige is niet vreemd en verbazingwekkend,
geen contradictio in terminis, maar mag het waarmerk van de ware gelovige genoemd worden” 6

In deze bezinning op het lijden van de rechtvaardige hebben de profetieën over de lijdende
dienstknecht van de Heer (de ‘Ebed Jahwe’-liederen) in Jesaja een essentiële rol gespeeld. In vier
gedichten in de hoofdstukken 40-55 (van de tweede profeet in het Jesaja-boek of de Deuter-Jesaja die
optreedt op het einde van de Babylonische ballingschap komt deze figuur naar voor 7. Het is een
figuur waarvan de identiteit geheimzinnig blijft. Was hij een historische figuuur? Werd hij als een
individu (Jeremia? Deuterojesaja?) of als een collectief (Israël? De trouwe rest?) verstaan? In ieder
geval staat hij model voor de onschuldig lijdende. Hij heeft tot taak Gods wil uit te dragen naar de
volkeren. Maar zijn missie loopt op een mislukking uit (Js 49,1-6). Tragisch lijden wordt zijn deel.
Vooral het vierde lied heeft een belangrijke rol gespeeld in het zoeken van de vroeg-christelijke kerk
naar een antwoord op de vraag naar de betekenis van Jezus’ lijden en sterven. In de liturgie van de
Goede Week worden de vier teksten gelezen. Het vierde lied is de eerste lezing op Goede Vrijdag zelf.
Het schildert het lijden van de dienstknecht. Hij zal het lot van armen en verdrukten delen. Zijn leven
wordt van alle kanten bedreigd en het lijden blijkt voor hem onontkoombaar.

De dienaar van de HEER (Js 52,13-53,12)


13
Zie, mijn dienaar zal slagen,
hij zal oprijzen en hoog, zeer hoog verheven zijn.
14
Er was een tijd dat velen ontzet waren:
zijn verschijning was onmenselijk geschonden,
en zijn uiterlijk had niets meer van een mensenkind.
15
Maar eens zal hij vele volken opschrikken,
dan sluiten koningen hun mond vanwege hem,
omdat zij zien wat hun niet is verteld,

6
C.J.DEN HEYER, De messiaanse weg. Van Jesjoea van Nazaret tot de Christus van de kerken, Kok/Kampen,
1998, 175.
7
Js 42,1-7 ; 49,1-7 ; 50,4-11 ; 52,13-53,12.

Kruis en opstanding 3
en begrijpen wat ze nooit hebben gehoord.

53 1 Wie heeft er geloofd in wat wij hebben gehoord?


Aan wie is de arm van de HEER getoond?
2
Als een jonge plant schoot hij recht omhoog,
als een wortel die in dorre grond ontkiemt.
Zijn uiterlijk noch zijn schoonheid waren het bekijken waard;
hij was geen verschijning die onze bewondering wekt.
3
Geminacht en gemeden werd hij door de mensen,
man van smarten, met ziekte vertrouwd,
een mens die zijn gezicht voor ons verbergt,
door ons geminacht en als niet de moeite waard beschouwd.
4
Hij heeft onze ziekten op zich genomen,
en onze smarten heeft hij gedragen;
wij echter beschouwden hem als een geslagene,
door God gekastijd en vernederd.
5
Hij werd doorstoken vanwege onze opstandigheid,
vanwege onze zonden werd hij gebroken.
Hij werd gestraft; ons bracht het vrede,
en dankzij zijn striemen is er genezing voor ons.
6
Wij allen zijn als schapen verloren gelopen,
en ieder van ons is eigen wegen gegaan;
maar de HEER heeft de schuld van ons allen op hem laten neerkomen.
7
Hij werd gefolterd, maar hij onderwierp zich;
hij heeft zijn mond niet geopend,
zoals een lam dat naar de slacht wordt geleid.
En zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
heeft hij zijn mond niet geopend.
8
Door een gewelddadig vonnis werd hij weggenomen;
wie denkt nog over zijn bestemming na?
Toch is hij uit het land van de levenden weggerukt,
geslagen vanwege de opstandigheid van mijn volk.
9
Men gaf hem een graf bij de boosdoeners,
en een laatste rustplaats bij de rijken,
hoewel hij geen onrecht heeft begaan
en er in zijn mond geen bedrog is geweest.
10
Maar het heeft de HEER behaagd hem ziek te maken en te breken.
Waarlijk, hij heeft zichzelf tot een zoenoffer gemaakt
hij zal zijn nakomelingen mogen zien, en lang blijven leven;
en wat de HEER behaagt zal door zijn hand slagen.
11
Vanwege het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien en met kennis
verzadigd worden.
Mijn dienstknecht zal zich een rechtvaardige tonen voor velen,
hun zonden laadt hij op zich.
12
Daarom geef Ik hem zijn deel te midden van de velen,
en samen met hun machthebbers verdeelt hij de buit,
omdat hij zijn leven gaf om te sterven,
en zich tot de opstandigen liet rekenen.
Hij had echter de zonde van velen op zich genomen
en kwam zo voor de opstandigen op.

Kruis en opstanding 4
Deze “man van smarten” is zo vervormd door het lijden dat hij zelfs geen medelijden meer opwekt,
maar afschuw en misprijzen. Hij mislukt totaal, zowel lichamelijk als sociaal en religieus. God lijkt
meer dan ooit ver weg (Js 53,4). In Psalm 22 lezen we het aldus 8 :

“Ik ben een worm, ik tel niet mee,


veracht bij het volk, verguisd bij de mensen.
Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij,
gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:
‘Hij bouwt op de HEER, die zal hem redden,
die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.’” (7-9)

Ondanks alles blijft hij vertrouwen op Gods trouw. Die trouw klinkt ook door in het tweede deel van
psalm 22 :

“Ik zal uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters,


en U prijzen in de gemeenschap:
want Hij kende geen afschuw en verachting
voor het ongeluk van de ongelukkige;
Hij heeft zijn gelaat niet afgewend,
Nee, Hij luisterde toen om Hem werd geroepen.” (23.25)

Toch wordt hij ter dood gebracht. Hij die Gods goedheid beleefde wordt als booswicht terechtgesteld.
Hij is onschuldig en dat is het schandaal. Maar dit schandaal, deze ergernis heeft niet het laatste
woord. God laat deze mens niet los. Integendeel. Precies deze mens wordt door God hoog verheven.
“De machteloze krijgt universele betekenis” 9.

1.3 Plaatsvervangend lijden

Het lijden van deze rechtvaardige blijkt een “lijden voor anderen” te zijn. Zijn lijden is niet zinloos,
maar komt anderen ten goede. De vroegste kerk belijdt dat Jezus gestorven is voor onze zonden (1
Kor 15,3), dat Hij zich gegeven heeft voor onze zonden (Gal 1,4), dat Hij overgeleverd is voor ons
allen (Rom 8,32), dat Hij zijn leven gegeven heeft als losgeld voor velen (Mc 10,45). Het gaat in deze
teksten om het plaatsvervangend lijden dat verzoening brengt. Zoals Paulus het in Rom 4,25 uitdrukt:
`Jezus die is overgeleverd om onze misslagen en opgewekt om onze rechtvaardiging'. Daarin wordt
uitgezegd dat het deze dood van Jezus is die ons verlossing heeft gebracht, door zijn bloed `vergoten
voor de velen' (Mc 14,24).

Deze interpretatie is voor ons niet meer zo gemakkelijk toegankelijk, omdat we niet meer vertrouwd
zijn met de realiteit van cultus en offer. In deze teksten wordt Jezus' dood immers begrepen als een
offer, als de radicaalste zelfgave van Jezus aan de Vader, en als een offer dat Hij in onze plaats
volbracht heeft. In de Oudheid was het brengen van offers aan de goden één van de belangrijkste
religieuze verplichtingen. Daarvoor dienden de tempels. Ook Israël kende de offercultus. Het was de
taak van de priesters gebeden en offers aan God op te dragen. Offers stichtten verzoening tussen
God en de mensen. Het bloed van het offer was `bloed van het verbond'. Het was de
grondovertuiging van de vroegste kerk dat heel deze offercultus met de dood van Jezus zijn einde
had bereikt. Als er ooit een offer was gebracht dat echt verzoening sticht tussen God en de mensen
en verlossing bewerkt, dan is het dit levensoffer van Jezus.

8
Zie in het deel ‘Verkenningen’ onze bespreking van Psalm 22
9
C.J. DEN HEYER, De messiaanse weg, 45.

Kruis en opstanding 5
Om deze interpretatie te begrijpen moet men abstractie maken van iedere verwijzing naar een
straffende of wrekende God. Toch heeft men het in het verleden dikwijls zo opgevat. De zonde van
Adam had God zo diep gekwetst, dat die niet kon goed gemaakt worden door het bloed van een
gewone sterveling. Daarom moest Gods eigen Zoon als zoenoffer sterven. God verlangde inderdaad
`genoegdoening'. Deze interpretatie is niet bijbels. Als het Nieuwe Testament zegt dat Jezus gestorven
is `als losgeld voor velen', dan is dat een formule die in het Oude Testament dikwijls gebruikt wordt om
te spreken over Gods reddend handelen, zoals Hij ooit Israël `vrijkocht' uit Egypte. Maar nooit wordt
bedoeld of zelfs maar geïnsinueerd dat het losgeld aan God zou moeten betaald worden. Integendeel!
Het is niet God die het geld eist, maar het juist zelf betaalt.

Als het Nieuwe Testament belijdt dat Jezus voor ons of voor onze zonden is gestorven, wil dit zeggen
dat Hij op onze plaats is gaan staan, uit solidariteit. Ook tijdens zijn leven had Hij het opgenomen voor
de onreinen, de zondaars. Als een `zondaar' en een `verworpene' is Hij ook gestorven: `Vervloekt is
ieder die hangt aan het hout' (Dt 21,23; Gal 3,13). Om het met het verhaal van de overspelige vrouw
uit Jo 8 te zeggen: Hij heeft de vrouw vrijgesproken zodat ze niet gestenigd werd, maar is zélf in het
midden gaan staan en men heeft Hém inderdaad gedood. Zoals ook bisschop Romero in de plaats en
voor zijn mensen is gestorven. Niet wie de macht grijpt, niet wie zichzelf affirmeert, maar wie de vijand
liefheeft en zelf diens zonden op zich neemt, alleen die is waarlijk redder en bevrijder: Lam Gods dat
de zonden van de wereld wegneemt (Jo 1,29). Zo heeft de vroegste kerk Jezus herkend in de tekst
van Js 53 over de `Dienaar van Jahwe'.

Jezus heeft de weg naar God vrijgemaakt. De Hebreeënbrief drukt dit op deze wijze uit 10:

“Nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelse sferen is
doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis.
Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze
zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij,
afgezien dan van de zonde11. Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van
Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de
juiste tijd” (4,14-16).

10
Deze tekst is de tweede lezing in de Goede Vrijdag-liturgie.
11
‘Zonde’ moet hier niet opgevat worden in de enge morele zin die wij er traditioneel aan geven van ‘fouten
maken’. Het gaat over de fundamentele betekenis van ‘af-zonde-ring’ : vervreemd zijn van God. Die
vervreemding, zegt de Hebreeënbrief, is er bij Jezus niet geweest . Hij leefde ten volle in het verbond met God
die hij Abba, vader, noemde.

Kruis en opstanding 6
12
1.4 Verzoenend / verlossend lijden

Jezus is niet op de vlucht gegaan. Ondanks alle weerstand bleef hij trouw aan zijn zending en roeping.
Dat blijkt het klaarst in de dramatische avond voor zijn dood. Het paasfeest was ophanden. Jezus ging
voor het laatst met zijn leerlingen aan tafel. Hij weet dat Hij ter dood gebracht zal worden. Maar
tegelijkertijd geeft Hij aan zijn leerlingen de belofte van een nieuwe verbondenheid. Hoe tragisch ook,
zijn dood betekent voor Hem niet het einde, noch het tegendeel van wat Hij altijd had verkondigd.
Integendeel, zijn verwerping heeft te maken met het doorbreken van Gods liefde.

Dit wordt als in een flits duidelijk door het gebaar van brood en wijn. Het gebroken brood betrekt Hij op
zichzelf. “Dit is mijn lichaam; het wordt voor jullie gegeven” (Lc 22,19). Zo ook met de beker wijn. Die
wijn staat voor zijn eigen bloed, “vergoten voor velen” (Mc 14,24). In dat bloed zal het nieuwe verbond
bezegeld worden. Op die avond bij het paasfeest, denkt Jezus aan het verbond dat God op de Sinaï
sloot met zijn volk bij de uittocht uit Egypte (Ex 24) : God wil zijn volk bevrijden. Daar blijft Jezus ook in
dit dramatische uur rotsvast op vertrouwen.

In deze symbolische gebaren ‘balt’ Jezus alles ‘samen’ wat Hij altijd gedaan heeft. Hij was voortdurend
al weldoende rondgegaan. Nooit had Hij veroordeeld. Zijn evangelie had Hij met allen gedeeld, vooral
met zondaars en tollenaars. Hij had opgeroepen tot liefde voor de vijand.

Op de Wereldjongerendagen in Keulen heeft op 21 augustus 2005 heeft Benedictus XVI Jezus’ liefde
tot de dood vergeleken met een kernsplitsing die reeds bij het Laatste Avondmaal de dood vernietigde
13
:

“Jezus loopt vooruit op zijn dood (…) en verandert die zo in een daad van liefde. Wat uiteraard
een daad van bruut geweld is, wordt innerlijk een daad van liefde, die zichzelf wegschenkt
geheel en al. Dat is in feite de verandering die in de zaal van het Laatste Avondmaal heeft
plaats gevonden (…).
Alle mensen verwachten altijd op de één of andere manier in hun hart op een verandering en
omvorming van de wereld. En dit is nu de centrale daad van omvorming, die alleen de wereld
werkelijk kan vernieuwen: geweld wordt veranderd in liefde en aldus de dood in het leven.
Omdat Hij de dood omvormt tot leven, is de dood als zodanig reeds innerlijk door Hem
overwonnen en is de verrijzenis reeds in Hem aanwezig. De dood is als het ware van binnen
verwond en kan niet meer het laatste woord zijn. Dat is om zo te zeggen de kernsplitsing in
het binnenste van het zijn – de overwinning van de liefde op de haat, de overwinning van de
liefde op de dood. (…) Vanuit de innerlijke explosie van het goede dat het kwade overwint, kan
de kettingreactie van veranderingen uitgaan die geleidelijk de wereld omvormt. Daarom
spreken wij van verlossing: het allerdiepst noodzakelijke is gebeurd en wij kunnen in dit
gebeuren binnentreden.“

Hoe kunnen we dit alles begrijpen vanuit onze (post-)moderne ervaring?

Niemand kan de verlossing begrijpen zonder te beseffen waarvan hij verlost moet worden. Voor een
goed begrip moeten we terugkeren naar de kern van de bijbelse geschiedenis waarin God zich heeft
laten kennen als een God die uit is op contact. Hij wil een verbond. Hij wil het leven van mensen
delen. Maar deze uitgestoken hand moet aangenomen worden door de mens. Heel de geschiedenis
van Israël horen we over de onmacht en de onwil om met God het leven te delen. Dat noemt de bijbel
‘zonde’ : af-zonde-ring. Zonde is een relationeel begrip. Leven is relatie : met zichzelf, met anderen,
12
We volgen hier Lode AERTS in In Christus verzoend, lestekst School voor Geloofsverdieping, 2005-2007. Zie
ook : L.AERTS, Gestorven voor ons, in onze plaats’. Proeve van interpretatie, in Id. – M.STEEN (red.), Met een
naam en een gezicht. Christelijke visies op God, Averbode, Altiora, 2002, 90-103. en Id. , Zin en onzin van het
kruis. Betekenis van de verlossing in Christus’ dood, in TERTIO, 4 april 2007.
13
Geciteerd in Lode AERTS, Verlossing, in KERKPLEIN, april 2007. Zie ook : Kerkelijke documentatie
33(2005)25-28 of www.katholieknederland.nl/documents/kerkdoc5/kerkelijkedoc_sept.pdf

Kruis en opstanding 7
met de maatschappij, met de natuur, met God. Zonde is de breuk in de relatie die onmisbaar is voor
het geluk. Zonde leidt tot ‘dood’ en dat is: ‘relatieloosloosheid’.
Psalm 72 drukt het treffend uit :

“Ver weg van U is het geen leven,


U ontrouw zijn is niemand zijn.”

De breuk met God verstoort inderdaad het hele leven. De mens loopt vreemde goden achterna. De
broeder wordt een rivaal. Ziekte en dood - op zich onvermijdelijk in een schepselijk bestaan – kunnen
leiden tot ondraaglijke angsten.

Is de ervaring van de postmoderne mens niet precies een ervaring van verbrokkelijking? Leven
vandaag is leven in fragmenten, in brokken en stukken, leven in het meervoud. Filosoof Samuël
IJSSELING vat deze ervaring aldus samen 14 :

Het woord ‘post-modern’ duidt niet op een bepaalde filosofische stroming en nog minder op
een school, maar eerder op een specifieke wijze waarop de hedendaagse mens zijn bestaan
voltrekt, dit ervaart en deze ervaring uitdrukt en verwoordt.
Kenmerkend voor de postmoderne ervaring is: het wegvallen of ontbreken van een centrum,
het leven in het meervoud, het wantrouwen ten aanzien van de idee van vooruitgang, het op-
schorten of uitstellen van een definitief oordeel of exclusieve keuze, en het besef dat alles al
eens eerder is gedaan, gedacht en gezegd.
Centraal in de postmoderne ervaring staat de ervaring van verbrokkeling en veelvuldigheid.
Tal van woorden die beginnen met poly, pluri, multi, veel en meer in de zin van meervoud zijn
karakteristiek voor het postmodern taalgebruik. De hedendaagse mens leeft in een
multiculturele en multiraciale samenleving; pluralisme en pluriformiteit staan hoog
aangeschreven; feiten, gebeurtenissen en teksten zijn polyvalent en polyinterpretabel. De
mens is een polyglot. Hij spreekt vele talen, niet alleen Nederlands, Engels, Frans en Duits,
maar ook de taal van de wetenschap en van de techniek, de taal van de geneeskunde, het
recht, de economie en de politiek. Vele en verschillende talen die niet zonder meer in elkaar
vertaalbaar zijn.
Leven is in onze dagen leven in het meervoud. Men vertoeft gelijktijdig in heel verschillende
werelden. In elk van die werelden is men iemand anders. De soms geformuleerde eis zichzelf
te zijn heeft meestal weinig zin omdat men nu eenmaal fundamenteel verbrokkeld is en zijn
identiteit ontleent aan de situatie waarin men verkeert. Men leeft niet alleen in verschillende
werelden maar ook de bezigheden zijn verbrokkeld en het denken is gefragmenteerd. Men
doet voortdurend allerlei dingen die geen eenheid vormen en gelijktijdig kan men verschillende
overtuigingen aanhangen die onderling niet verenigbaar zijn. De confrontatie met de
veelvuldigheid is voor velen een bron van verscheurdheid.

Dit is “la condition humaine” van de postmoderne mens. Deze verscheurdheid - die zich zowel
manifesteert op individueel, relationeel, maatschappelijk en ecologisch vlak - doet de mens verlangen
naar heelheid en verbondenheid, of anders gezegd : naar bevrijding en verzoening. De illusie van de
autonome moderne mens was dat hij dit ook zelf zou bewerkstelligen. Het moderne
vooruitgangsgeloof sterkte hem daarin. De postmoderne mens weet beter. Die verzoening kan niet
van hem alleen afhangen.

Wat verzoening betekent hebben de leerlingen ervaren na Jezus’ dood. Op het verraad van de
leerlingen volgde verzoening, vergeving en sjaloom. Het eerste woord dat Hij zijn laffe leerlingen
toespraak was “vrede zij u” (Jo 20,19). In de verscheurdheid wordt verzoening gesticht. De levende
God zelf is in de dood gekomen. Door zelf in de dood, in de relatieloosheid, aanwezig te komen heeft
God die dood overwonnen op Golgotha en heeft Jezus’ dood verzoening gesticht.

14
uit S.IJSSELING, Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen. Griekse goden in de hedendaagse filosofie,
Boom, Amsterdam, 1994, 174-197.

Kruis en opstanding 8
Deze ‘proeve van interpretatie’ vertrekt niet vanuit een pessimistische mensvisie, wel vanuit een zeer
realistische visie die elke mens herkent. Deze interpretatie blijft ook niet individualistisch. De
verzoening geldt voor de hele schepping : relationeel, maatschappelijk, ecologisch. Deze verzoening
is ook geen automatisme dat de mens ontslaat van zijn verantwoordelijkheid.

Wat dit betekent vat Paulus samen in de tweede brief aan de christenen van Korinthe :

“Zo is dus iemand die in Christus is, een nieuwe schepping : het oude is voorbij, het nieuwe is
er al. En dit alles komt van God, die ons door Christus met zich heeft verzoend en ons de
dienst van de verzoening heeft toevertrouwd. Ja, God heeft in Christus de wereld met zich
verzoend zonder de mensen hun overtredingen aan te rekenen, en ons heeft Hij de
boodschap van de verzoening toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God
zelf u oproept door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen!” (2
Kor 5, 17-20)

Deze verzoening moet zich verwerkelijken in een nieuwe manier van leven. De Nederlandse theoloog
Henk Berkhof verwoordt dit aldus 15:

“Hieruit volgt dat het verzoeningsgebeuren onvoltooid is als het zich niet heeft verwerkelijkt in
een verzoende gemeenschap en in verzoende mensen, die zelf weer verzoening onderling en
naar buiten stichten. Zoals het kruis niet mag worden geïsoleerd van Jezus” voorafgaand
leven, zo evenmin van de verzoeningsgeschiedenis die er door op gang moest worden
gebracht.”

Het evangelie maakt van ons nieuwe mensen. Enkel ,,nieuwe mensen’’ zijn in staat om een nieuwe
wereld te scheppen. Dit wordt natuurlijk pas ten volle duidelijk het opstandingsgeloof.

Leestips :
Het motief van plaatsvervanging en verlossing duiken soms verrassend op in hedendaagse romans.
We noemen in dit verband twee lezenswaardige boeken : Amelie NOTHOMB, Zwavelzuur,
Manteau/De Bezige Bij, 2006 en Stefan BRIJS, De engelenmaker, Atlas, 2005.

15
Henk BERKHOF, Christelijk geloof, 301

Kruis en opstanding 9
1.5 God in het lijden

Christenen belijden dat God is mens geworden In Jezus. Daarmee bedoelen ze dat God ons menselijk
leven in al zijn broosheid en gebrokenheid is komen delen en het zo heeft kunnen helen. Hij is mens
geworden ‘omwille van ons heil’, zegt het Credo. Door in Jezus mens te worden, af te dalen en binnen
te gaan in onze menselijke kwetsbaarheid, heeft God heil en heling kunnen schenken. Hij geneest
‘van binnen uit’ Hij is een heelmeester die werkt via een heilzame ‘infiltratie’, door dààr binnen te
sijpelen en te werken waar wij gekwetst en ontwricht zijn.

“Wie zal de mens genezen? Waar is de arts die dat aankan en die het ook komt doen? Een
menselijke dokter stelt de diagnose van buitenaf en schrijft het geneesmiddel voor. Maar hij
blijft buiten de ziekte staan. Hij houdt wel van hem en verzorgt hem met liefde. Maar hij
geneest om zo te zeggen op afstand. De ziekte die hij behandelt, raakt hem niet in zichzelf. Hij
zoekt het in zijn medische competentie en zijn professionele toewijding. Liefde voor de zieke
heeft hij wel, maar de pijn is nooit echt de zijne.God is het anders komen doen. Hij geneest
‘endemisch’, van binnenuit. Hij gaat zelf binnen. God als heler treedt op een heel andere
manier de zieke tegemoet: Hij komt in de zieke binnen en Hij identificeert zich zelfs met hem.
Hij is mens geworden met de mensen en ziek met de zieken. In Jezus laat Hij zichzelf breken.
Het hele menselijke leed neemt Hij op zich. Niet enkel op zijn schouders maar tot in zijn
ziel.De menswording van God in Jezus is op zichzelf de therapie. De incarnatie is in se een
helingsproces: ze is genezing voor onze kwalen. God maakt door mens te worden zichzelf niet
enkel kwetsbaar, maar ook gekwetst. Alle lijden maakt Hij tot het zijne. Hij lijdt mee. Dat is
meer dan medelijden. Het is deelnemen aan ons lijden.” 16.

Wat dit kan betekenen voor mensen in diaconaal, pastoraal of catechetisch werk of
godsdienstonderwijs, heeft Henri NOUWEN in alle eenvoud verwoord :

“De grote roeping van de evangeliebedienaar is om voortdurend verbanden te leggen tussen


het mensenverhaal en Gods verhaal. Wij zijn de erfgenamen van een verhaal dat zo moet
worden verteld dat de vele pijnlijke wonden waarover we dag aan dag horen, uit hun isolement
bevrijd worden en men ze gaat zien als onderdeel van Gods verhouding met ons. Genezing
betekent aantonen dat onze mensenwonden op zeer innige wijze met Gods eigen lijden
verbonden zijn. Een levende heenwijzing naar Jezus Christus zijn, betekent daarom het
verband laten zien tussen ons kleine lijden én het grote verhaal van Gods lijden in Jezus
Christus, tussen ons kleine leven én het grote leven van God met ons. Jezus Christus geneest
onze wonden doordat Hij onze pijnlijke maar vergeten herinneringen uit de egocentrische,
individualistische privé-sfeer haalt. Hij brengt ze in verband met de pijn van de hele mensheid,
een pijn die Hij op zich nam en transformeerde. Genezen betekent daarom niet allereerst pijn
wegnemen, maar onthullen dat onze pijn onderdeel is van een grotere pijn, dat ons verdriet
een deel is van een groter verdriet, dat onze ervaring een deel is van de grote ervaring van
Hem die gezegd heeft : ‘Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid binnen te
gaan?’ (Lc 24,26).”17

16
Zie de mooie passage in G.DANNEELS en I.DRIESSEN, Richt ons weer op. Als het leven pijn doet, Lannoo,
2008, deel IV: ‘De Heer gekwetst van kribbe tot kruis’, 148 .
17
H.NOUWEN, Een levende heenwijzing. Dienst en gebed in herinnering aan Jezus, Kok, Kampen, 1997, 20-21.

Kruis en opstanding 10
2. OPGEWEKT UIT DE DOOD

2.1 “In zijn dood houdt God Jezus vast” 18

“Zie, mijn dienaar zal slagen, hij zal oprijzen en hoog, zeer hoog verheven zijn,” zo begint het vierde
lied van de dienaar van God in Jesaja (Js 52,13). Het leven en lijden van de rechtvaardige wordt
gewaardeerd door God. Deze laat zijn dienaar niet vallen, ook niet bij de dood. Uit deze tekst spreekt
een groot godsvertrouwen. God laat deze mens niet los. Integendeel, hij wordt “hoog verheven”.

Het Nieuwe Testament belijdt dat God deze Jezus uit de doden heeft opgewekt (Rom 4,24 ; 8,11 ; 2
Kor 4,14 ; Gal 1,1 ; Ef 1,20 ; Kol 2,12). “Hij leeft!”, behoort tot de vroegste verkondiging van de
leerlingen na Jezus’ dood. Daarmee drukken ze uit wat ze ervaren hebben. Aan het
nieuwtestamentisch verrijzenisgeloof zijn natuurlijk vele historische en exegetische vragen verbonden,
vooral met betrekking tot het ontstaan van dit verrijzenisgeloof 19. Wat de historische feiten betreft, kan
men het zich op basis van de nieuwtestamentische getuigenissen als volgt voorstellen. Na de dood
van Jezus zijn de leerlingen teruggekeerd naar huis, de meesten naar Galilea. Daar is er hun iets
overkomen: zij hebben hun Jezus als de levende Heer `gezien' en ontmoet. Naar alle
waarschijnlijkheid is het Simon geweest die dit het eerst is overkomen. Wat hem het eerste is
overkomen, is daarop ook met de andere leerlingen gebeurd. Daarop zijn ze naar Jeruzalem
teruggekeerd, ten laatste tegen het Pinksterfeest. Ondertussen hebben deze `visionaire ervaringen'
zich uitgebreid tot grotere groepen van leerlingen en bijzonder ook tot de vrouwelijke volgelingen van
Jezus. Met name de verschijning aan Maria Magdalena moet een niet onbelangrijke rol hebben ge-
speeld en mede aan de oorsprong liggen van het christelijk geloof. Het oudste getuigenis over de
verschijningen van Christus vinden we bij Paulus in 1 Kor 15. De verschijningsverhalen van de
evangeliën zijn van latere datum. Ze bevatten natuurlijk wel historische herinneringen, maar zijn ook al
verdere verwerking van vroeger materiaal. Het zijn bewerkte verhalen.

In ieder geval vertelt het Nieuwe Testament dat er de eerste leerlingen iets overkomen is dat verwijst
naar iets wat met Jezus is gebeurd : de levende God heeft Jezus niet overgelaten aan het niets van
de dood, maar Hij heeft hem doen opstaan en deel laten hebben aan Zijn leven. In die zin leeft Jezus
na zijn kruisdood voort. Niet dat zijn aardse leven verlengd wordt. Hij is het nieuwe leven
binnengetreden, het volle leven in totale verbondenheid met God. Paulus beschrijft dat volle leven in
de ‘dooptekst’ in zijn brief aan de Romeinen die in de paaswake gelezen wordt :

“Indien wij met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. Want wij
weten dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft : de dood heeft geen
macht meer over Hem. Door de dood die Hij is gestorven, heeft Hij afgerekend met de zonde,
eens en voorgoed ; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet u ook uzelf
beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Jezus Christus.” (Rom 6, 8-11).

18
We vonden deze uitdrukking bij Edward SCHILLEBEECKX, Mysterie van ongerechtigheid en mysterie van
erbarmen. Vragen rond het menselijk lijden, in TIJDSCHRIFT VOOR THEOLOGIE, jrg.15, 1975, 3-25, 17.
19
Vooral Edward SCHILLEBEECKX heeft i.v.m. deze vragen baanbrekend theologisch werk verricht. Zie : Jezus,
het verhaal van een Levende, Nelissen/Bloemendaal, 1975, 263-324 en Tussentijds verhaal over twee
Jezusboeken, Nelissen/Bloemendaal, 1978, 84-107. In dit laatste boek verdedigt hij zich tegen de kritiek op zijn
interpretatie. Men verweet hem enkel oog te hebben voor het subjectieve aspect van het verrijzenisgeloof (het
ervaringsproces van de leerlingen) en niet voor het objectieve aspect : Jezus’ persoonlijke verrijzenis en
verheffing bij God. Schillebeeckx verdedigt zich door te zeggen dat hij precies beide aspecten wil samenhouden :
“Jezus’ verrijzenis, d.i. wat er na zijn dood met hemzelf persoonlijk is gebeurd, is niet te scheiden van de
geloofservaring van de leerlingen, d.i. het ervaringsproces waarin de leerlingen ‘aan de weet komen’ dat Jezus
verrezen is. Buiten het geloof om spreken over Jezus’ verrijzenis is ongeveer hetzelfde als spreken over kleuren
tot een blinde.” (E.SCHILLEBBECKX, Mysterie van ongerechtigheid en mysterie van erbarmen. Vragen rond het
menselijk lijden, in TIJDSCHRIFT VOOR THEOLOGIE, 1975, 20.)

Kruis en opstanding 11
2.2 Kruis en opstanding : de ‘Gekruisigde Verrezene’

Jezus’ verrijzenis maakt duidelijk dat lijden en dood niet het laatste woord hebben. Toch is het
noodzakelijk de band tussen kruis en verrijzenis niet los te maken. Het is de Gekruisigde die is
opgewekt, de Verworpene is verheerlijkt. Ook in de verschijningsverhalen is het steeds herkenbaar de
Gekruisigde die verschijnt. Omgekeerd breekt het nieuwe leven niet pas door met de verrijzenis. Het
wàs al doorgebroken in het weldoend optreden van Jezus. Het kruis was de ultieme consequentie van
dat optreden. Omdat hij leefde voor anderen, stierf hij op deze wijze, als een terechtgestelde aan een
kruis, en daarom is hij verrezen. De verrijzenis van Jezus is niet de relativering maar juist de godde-
lijke bevestiging van heel zijn optreden, van zijn boodschap en levenspraxis tot in de gestalte van de
uiterste onmacht en mislukking op het kruis. “De verrijzenis is een onthulling van het kruisgebeuren”
(Jan VAN BAVEL).

“Volgens het getuigenis van het Nieuwe Testament zijn kruis en verrijzenis niet twee delen, die
men het een na het ander voor waar kan houden. De verrijzenis ontstaat alleen maar bij het
kruis. Ons probleem is het kruis. Slechts onder het kruis wordt een mens christen. Hoe
moeten wij dit kruis verstaan? Het is een dood die in het teken van de mislukking staat. Deze
dood vernietigde binnen de maatschappij de eer van de veroordeelde ; voor de vromen
betekende hij dat de gekruisigde door God vervloekt was ; voor de stervende persoonlijk
betekende hij de ervaring verraden en door allen verlaten te zijn. En juist hier in het kruis, in
de mislukking, moet verrijzenis zijn. Het kruis is de verrijzenis” 20

Voor een goed omgaan met het lijden vanuit het christelijke geloof, is het wezenlijk, kruis en
opstanding, samen te houden. Zij vormen samen het grote heilsgebeuren. Er is zowel de identificatie
van God met de deze door mensen Gekruisigde, als God die diezelfde Gekruisigde opwekt en
verheerlijkt. Er is geen Pasen zonder Goede Vrijdag. En omgekeerd is Goede Vrijdag nooit het
einde21. Er is een christendom denkbaar dat te vlug Pasen wil vieren, en omgekeerd één dat blijft
steken in een verheerlijking van het lijden.

Indien we de band tussen kruisdood en verrijzenis niet behouden, dan blijven de eigenlijke inhoud en
bedoeling van het evangelie toch goedkoop, namelijk de projectie van onze menselijke wensdromen.
De verrijzenis is dan letterlijk een ‘deus ex machina’ die het verhaal een goedkoop ‘happy end’ geeft.
Daarom moeten we eerst met Jezus Golgotha door tot en met de schreeuw van de godverlatenheid
op het kruis. Ook het Nieuwe Testament verklaart het lijden niet. Het vertelt het verhaal van leven en
sterven van een mens wiens leven een ‘zijn-voor-anderen’ was en het getuigt wat dit voor God
betekent.

Edward SCHILLEBEECKX heeft treffend deze houding van het christendom samengevat 22:

20
Dorothee SÖLLE, geciteerd in T.J.VAN BAVEL, Verrijzenisgeloof vandaag, in J.BULCKENS e.a., De lente doet
pijn. Over sterven en verrijzen, nu en later, vroeger en vandaag…, Patmos/Antwerpen, 1974, 83-96, 92.
21
Christendom wordt blijkbaar altijd gekenmerkt door dialectisch denken : kruis én opstanding, God én mens,
transcendentie én immanentie, verzet en overgave, horen onverbrekelijk samen. Jef VAN GERWEN zegt hierover
: “Bij veel tijdgenoten staat ook een gebrek aan dialectisch denken de inculturatie van het christendom in de
huidige cultuur in de weg. Christelijk gesproken is de mens autonoom en heteronoom; trouw aan en verandering
van traditie horen bij elkaar. Er is geen absolute tegenstelling tussen ziel en lichaam, rede en hart, eros en
caritas. We hoeven de redelijkheid van het humanisme niet op te geven voor de radicaliteit van het evangelie. “
(Onderweg. Over de navolging van Cjristus in de 21ste eeuw, Lannoo/Tielt, 2003, 258). Zie over “de religieuze
logica van de paradox” Piet RAES, Katholiek of kwaliteit? Over de identiteit van een katholieke school,
Pelckmans, 2006, 107-126.
22
Edward SCHILLEBEECKX, Gerechtigheid en liefde. Genade en bevrijding, Nelissen/Bloemendaal, 1977, 640.

Kruis en opstanding 12
“Tegenover het lijden argumenteert men niet, maar houdt men een verhaal en doet men
affirmaties vanuit ervaringen, zonder er een ‘verklaring’ voor te geven, - gewoon door als
christen op te kijken naar het lijden en de dood van Jezus : het moet een zin hebben, al weet
geen mens hoe of waarom, en al is de wezenlijke voorwaarde daartoe, dat men het lijden niet
bagatelliseert. Geloof in Jezus de Christus is een ‘antwoord’ zonder argumenten : een
desondanks. Christendom geeft geen verklaring aan het lijden, het toont een levensweg :
lijden is destructief reëel, maar heeft niet het laatste woord. Beide aspecten wil het
christendom vasthouden : geen dualisme, geen dolorisme, geen illusietheorieën –lijden is
lijden en onmenselijk -, niettemin: er is méér, met name God, zoals Hij zich toont in Jezus
Christus.”

2.3 Opstandingsgeloof

De opstanding van Jezus is tegelijkertijd een bevestiging en bekrachtiging van Jezus’ levenswijze én
een goddelijke correctie en overwinning op de negativiteit van lijden en dood. God is een God van
leven en niet van dood. Edward SCHILLEBEECKX spreekt over het “Mysterie van erbarmen” en Jozef
DE KESEL noemt de verrijzenis : “de laatste en definitieve bezegeling van Gods omzien naar de
mens” 23 :

“Hier, in de daad waarin God de Gekruisigde ten leven wekt, Hem een naam geeft boven alle
namen, wordt de ganse bijbelse traditie geconcentreerd en definitief vervuld. De uitdrukking
‘God, die Jezus van de doden heeft opgewekt’ wordt in het Nieuwe Testament een predikaat
om uit te drukken wie God is, zoals in het Oude Verbond God bepaald wordt als Diegene ‘die
Israël heeft bevrijd’. “

Het Jezus-gebeuren is als een brandpunt waarin alle bijbelse lijnen samenkomen : Jezus is de
“nieuwe Adem”, de mens zoals door God bedoeld ; in hem breekt de “nieuwe schepping” door ; hij is
Job bij wie het protest verstilt in de overgave aan Gods mysterie ; hij is de dienstknecht die trouw blijft
aan zijn roeping, door mensen veracht, maar door God hoog verheven.

De verrijzenis is tevens “Gods veto tegen lijden en kwaad” 24 :

“Dankzij Jezus hoeft het zwaarste lijden niet te betekenen dat God ons heeft verlaten en er
geen uitzicht meer is. Integendeel, hier schuilt het geheim van de christelijke levenskracht
waardoor men zich door God vastgehouden weet ondanks en binnen alle negativiteit in het
leven. Uit het verhaal van de gekruisigde Verrezene gelooft de christen dat God zich
identificeert met de uitgestotenen, mensen die behoefte hebben aan een glas water en aan
kleding: armen, wenenden en treurenden, zoals de zaligprijzing van de Bergrede het uitdrukt.
(…)
Er ligt een enorme kritische kracht in dit christelijk verrijzenisgeloof. Het is een kritiek op elk
fatalisme, dualisme, cynisme, egoïsme ; bron tevens van humor en relativering; en tegelijk
stimulans en oriëntatie voor een werkdadige overwinning op alle negatieve aspecten in onze
geschiedenis, in verzet tegen alle vormen van kwaad.”

Wat dit bijbelse opstandingsgeloof betekent, vat Jozef DE KESEL aldus samen 25 :

23
Jozef DE KESEL, Hoe is Uw Naam, waar zijt Gij te vinden?, Lannoo/Tielt, 1988, 188.
24
Edward SCHILLEBEECKX, Mysterie van ongerechtigheid en mysterie van erbarmen. Vragen rond het
menselijk lijden, in TIJDSCHRIFT VOOR THEOLOGIE, 1975, 18-19.
25
Jozef DE KESEL, De verrijzenis, lestekst opleiding pastorale medewerkers bisdom Gent.

Kruis en opstanding 13
“De opstanding van de Heer is het hart zelf van het christelijk geloof. Heel de Schrift is
opstandingsnieuws: goed nieuws voor allen die ten dode opgeschreven zijn, en niet alleen
voor Jezus zelf. Inderdaad, in de verrijzenis van de Heer gaat het ook om ons, om het nieuwe
leven waartoe wij allen geroepen zijn, ja om de toekomst van de ganse schep ping. Hij is niet
verrezen voor zichzelf alleen. Neen, hij is de eerste van hen die ontslapen zijn, de eerstge-
borene van de schepping. Nu pas is de schepping voltooid. Eindelijk Adam!
Wanneer zij de verrijzenis van de Heer viert, ziet de kerk verlangend uit naar de opstanding
van de ganse schepping. In de opstanding van zijn Zoon heeft God ons een onherroepelijk
teken gegeven van zijn trouw. Daar heeft Hij getoond dat Hij de Redder is en dat wij niet ten
dode zijn opgeschreven. `Ik zal er zijn voor u': zo heeft God zich van bij het begin
geopenbaard (Ex 3,14). Daarvan is de verrijzenis van Jezus de definitieve bekrachtiging.
Met Pasen viert de kerk het nieuwe leven, dat aan het einde ons deel zal zijn maar dat nu
reeds aanbreekt en doorbreekt midden in ons bestaan, midden in deze wereld. Alle tekenen
van nieuw leven, van bevrijding en menselijkheid, van heil en redding, verwijzen naar Hem, de
Gekruisigde, die is opgestaan uit alle verdrukking en dood. Daarom leest de kerk in de
paasnacht het verhaal van het begin, van de schepping, toen op Gods gezag het licht voor het
eerst doorbrak. Want nu pas is dit verhaal vervuld, nu pas is het ware licht over ons opgegaan,
Christus, de Heer. Daarom leest zij ook het verhaal van de bevrijding van Israël uit de
verdrukking. Geen opstanding uit de dood, als niet ook de opstanding verkondigd wordt uit
alles wat mensen de dood aandoet, uit alles wat onmenselijk is en het leven vernietigt. Geen
verrijzenis zonder exodus, geen verrijzenis uit de dood zonder opstanding uit de zonde.
De opstanding van Jezus is niet alleen Gods definitief teken van trouw, maar ook oproep om
daadwerkelijk op te staan, hier en nu, en een nieuw leven te leiden. Ook dat lezen we in
diezelfde paasnacht: `Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij,
zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven
zouden leiden' (Rom 6,4). De kerk en de christenen zijn geroepen om op te staan en teken te
zijn van nieuw en onvergankelijk leven. Jezus' verrijzenis kan niet `geconstateerd' worden;
alleen wie zelf opstaat weet dat Hij is verrezen.”

Kruis en opstanding 14
2.4 Leven over de dood heen

In het verrijzenishoofdstuk van zijn eerste brief aan de christenen in Korinte, schrijft Paulus :

“Als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe is het dan mogelijk dat
sommigen onder u beweren dat er geen opstanding van de doden bestaat? Als er geen
opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet opgestaan. En als Christus niet is
opgestaan, dan is onze prediking zonder inhoud en uw geloof leeg. Indien wij enkel voor dit
leven onze hoop op Christus hebben bevestigd, zijn wij het meest van alle mensen te
beklagen.” (1 Kor 15,12-14.19)

Paulus verbindt het geloof in de verrijzenis van Christus met het geloof in de opstanding van de doden
en dus ook met onze verrijzenis. Voor een goed begrip moeten we allereerst opmerken dat het in het
christelijke verrijzenisgeloof niet zomaar om een geloof in het hiernamaals gaat. Dat er leven is over
de dood heen is een oerovertuiging van de religieuze mens. Op dit punt is Israël zelfs een laatkomer
in de godsdienstgeschiedenis. Het is natuurlijk waar dat ook het bijbels-christelijk geloof deelt in deze
algemene religieuze overtuiging. Toch is het nieuwtestamentische verrijzenisgeloof niet te herleiden tot
een vaag en algemeen gevoel ‘dat er wel iets moet zijn na de dood’.

De grond van ons geloof en van onze hoop is wat met Jezus is gebeurd, die we de Christus, Zoon van
God noemen. Hij beleefde ten volle het verbond tussen God en de mens. Wie gelooft in de God van
Jezus, die een God is die omziet naar de mens, kan niet anders dan geloven dat er “Iemand is die
mensen over alle dode punten heen tilt, ook over dat laatste punt dat wij dood noemen.” Deze God is
leven en wil leven.

De bijbel spreekt over ‘de verrijzenis van het lichaam’. Het bijbelse denken kent de opsplitsing lichaam-
ziel niet. Daarmee drukt de Schrift het persoonlijk voortbestaan van de mens uit. Jan VAN BAVEL schrijft
hierover 26:

“Ik hoop dat ikzelf blijf bestaan. Ik ben iemand en hoop niet minder te worden. Elke
toekomstverwachting richt zich op groei. De hoop, waaraan ik hier en nu reeds werk, verandert
niet van richting : ik hoop op de voltooiing van mijn persoonlijkheid en verwacht niet iets
onpersoonlijks te worden.
Feitelijk is onze persoonlijkheid altijd de vrucht van liefde van andere mensen rondom ons. Is het
niet merkwaardig dat wij eigenlijk onze persoonlijkheid ‘ontvangen’ van anderen: van onze
ouders, leraars, vrienden, geliefden,…? In feite ligt de hele mensheid aan de basis van onze
persoonlijkheid. Dat wij kunnen spreken en denken, komt omdat wij opgenomen worden in de
taal en de ideeën van de mensheid. Wij leerden beminnen, omdat we bemind werden. Wij zijn
betrouwbare mensen geworden, omdat ons vertrouwen geschonken werd. Wij lijden niet onder
een gevoel van minderwaardigheid, wanneer we ons gewaardeerd weten. We zijn niet
vereenzaamd, wanneer we niet alleen gelaten worden. De liefde ‘schept’ als het ware onze
persoonlijkheid. Maar als onze persoonlijkheid bestaat in en door de liefde, zou er dan niet
ergens zo’n grote liefde zijn die verhinderen kan dat ik als persoon ten gronde ga? De verrijzenis
van Jezus is het positieve antwoord op deze vraag. De verrijzenis van Jezus betekent voor mij
dat Hij als persoon voortbestaat over de dood heen, ook al kan ik over het ‘hoe’ van dit
voortbestaan niets nader formuleren.”

26
T.J.VAN BAVEL, Verrijzenisgeloof vandaag, in J.BULCKENS e.a., De lente doet pijn. Over sterven en verrijzen,
nu en later, vroeger en vandaag…, Patmos/Antwerpen, 1974, 83-96, 90.

Kruis en opstanding 15
Klaus BERGER vat samen wat ‘opstanding’ bijbels gezien betekent 27 :

“Opstanding is niets anders dan dat God de mens, ieder mens afzonderlijk zal ‘gedenken’ en
hem opnieuw bij zijn naam noemt, opdat hij bij en met God is. De bijbel noemt dat het vermijden
van de ‘tweede dood’. Die dood zou de eigenlijke ramp zijn.”

Wat de betekenis van dit geloof kan zijn voor elke mens en in het bijzonder voor de mens die lijdt, lezen
we bij Jozef DE KESEL28 :

“Een mens wil iemand zijn. Maar zolang je alleen en eenzaam blijft, slaag je daar niet in. Je bent
maar iemand als je iets betekent voor iemand anders. Het is het diepste levensgeluk: iemand te
zijn, gekend en bemind. Vandaar de angst voor de dood, angst om de geliefde te verliezen,
angst om zelf vergeten te worden. Is het daarom dat een mens probeert zichzelf te vereeuwigen
in wat hij nalaat, in zijn prestaties, misschien in zijn kinderen? Zo zal men hem blijven gedenken.
Maar hoe lang? Voor sommigen inderdaad lang. Zo vergaat het de groten van deze aarde. Zíj
maken geschiedenis en bestendigen hun naam. Maar ooit komt de dag waarop ook zij niet meer
herinnerd worden. Maar wat met de 'stillen in den lande' en de zovelen die inderdaad niét
meetellen?
In de christelijke geloofstraditie leeft dit besef: er is Iemand die geen mens vergeet. Iemand voor
wie ik oneindig veel beteken. Iemand die mijn leven, hoe schamel ook, gedenkt en bestendigt.
Iemand voor wie ik niet vergeefs geleefd heb. Misschien zegt heel onze geloofstraditie met
verrijzenis en eeuwig leven niets anders dan dit ene: dat Hij, die ons ten leven riep, ons nooit
vergeet, ook niet in de dood. Misschien is hoop op eeuwig leven niets anders dan dit ene: hoop
dat Hij ons blijft gedenken, Zich onze naam herinnert. Waar mensen elkaar niet vergeten maar
omzien naar elkaar, houden ze elkaar in leven. Hoeveel te meer geldt het van God, Schepper en
Heer van het leven: waar Hij gedenkt, schenkt Hij leven, ook aan de gestorven mens. Bij al wat
hier gezegd is, rest ons alleen dit ene gebed voor hen die in nood zijn óf gestorven: 'gedenk uw
mensen, dat zij niet vergeefs geboren zijn' (Huub Oosterhuis).” 29

Leestip:
Bij uitgeverij Halewijn verscheen de brochure Licht aan de horizon. Over leven na de de dood.
(Christenen en leven na de dood). Deze brochure werd gemaakt in opdracht van de Nederlandse en
Vlaamse bisschoppenconferentie, onder redactie van Peter Vande Vyvere en Johan Van der Vloet. In
deze brochure wordt door verschillende auteurs een helder inzicht gegeven in het eigene van het
christelijke verrijzenisgeloof. Geuigenissen geven het geheel een persoonlijke toets. Lezers krijgen
ook concrete antwoorden op vragen die zich stellen naar aanleiding van een christelijke uitvaart.

Gij die geroepen hebt ‘licht’ en wij werden geboren,


en het licht werd geboren, Gij die mijn leven zo geleid hebt tot
en het was goed, het werd avond en hiertoe
morgen, dat ik nog leef.
tot op vandaag.
Gij die geroepen hebt ‘o mens’ Omdat Gij het zijt

27
Klaus BERGER, Is met de dood alles afgelopen?, Kok/Kampen, 1998, 135.
28
Jozef DE KESEL, Leven over de dood heen. Christenen en het hiernamaalsgeloof, lestekst bij navorming
pastorale medewerkers bisdom Gent, 1998.
29
Dit verrijzenisgeloof is anders dan wat Bram Vermeulen zingt in het lied ‘Testament’ dat veel gebruikt wordt in
uitvaarten : “Als ik dood ga, huil maar niet. Ik ben niet echt dood moet je weten. ’t Is maar een lichaam dat ik
achter liet. Dood ben ik pas als jij me bent vergeten.”

Kruis en opstanding 16
groter dan ons hart ons vasthoudt,
die mij hebt gezien Gij die vreugde schept in mensen,
eer ik werd geboren. Gij die het woord tot ons gesproken
hebt
Gij die liefde zijt, diep als de zee, dat onze ziel vervult;
flitsend als weerlicht, sterker dan laat ons niet leeg en verloren
de dood, en zonder uitzicht, doe ons open
laat niet verloren gaan één gaan
mensenkind. voor het visioen van vrede
Gij die geen naam vergeet, geen dat sinds mensenheugenis ons
mens veracht, roept.
laat niet de dood die alles scheidt en
leeg maakt, Verhaast de dag van uw
laat niet de tweede dood over ons gerechtigheid.
komen. Zie het niet langer aan
dat her en der in deze wereld
Voor allen die gekruisigd worden mensen gemarteld worden,
wees niet niemand, kinderen gedood;
wees hun toekomst ongezien. dat wij de aarde schenden
Voor mensen die van U verlaten en elkaar het licht ontroven.
zijn,
voor allen die hun lot niet kunnen Zoals een hert reikhalst naar
dragen, levend water,
voor hen die weerloos zijn doe ons zo verlangen naar de dag
in de handen van de mensen. dat wij, nu nog verdeelde mensen,
Voor uw naamgenoten in ons in uw stad verzameld zijn,
midden: in U verenigd en voltooid,
vluchtelingen, vreemden, wees niet in U vereeuwigd.
niemand.
Voor hen die kracht uitstralen, Gedenk uw mensen
liefde geven, recht doen, dat zij niet vergeefs geboren zijn.
dat zij staande blijven in ons
midden. Omdat Gij het zijt
groter dan ons hart
Gij die tegen alle schijnbaar die mij hebt gezien
noodlot in eer ik werd geboren.

Huub OOSTERHUIS in Gezongen liedeboek. Verzamelde teksten, Ten Have/Baarn –


Pelckmans/ Kapellen, 5de druk, 2000, 310-311.

Kruis en opstanding 17
VRAGEN :

1. Leg uit : “Het christelijke geloof is van mening dat de dood van Jezus van Nazareth
omstreeks het jaar 30 meer is dan het tragische einde van een religieus genie.”

2. Op welke manier heeft de figuur van de lijdende dienaar uit Jesaja een belangrijke rol
gespeeld in het zoeken van de vroeg-christelijke kerk naar de betekenis van Jezus’ lijden
en sterven?

3. Bespreek : “Voor een goed omgaan met het lijden vanuit het christelijke geloof, is het
wezenlijk, kruis en opstanding samen te houden.”

4. Op welke wijze kan je vandaag Jezus’ lijden verstaan als een plaatsvervangend en
verzoenend (verlossend) lijden? Noem de belangrijkste bijbelse én hedendaagse
aanknopingspunten. Welke valkuilen zijn te vermijden?

5. Bespreek :
- “Het Jezus-gebeuren (zijn leven, sterven en opwekking uit de dood) is als een
brandpunt waarin alle bijbelse lijnen samenkomen.”
- “De verrijzenis is Gods veto tegen lijden en kwaad.”

6. Op welke wijze kunnen we het nieuwtestamentische geloof in de “opstanding van de


doden” (‘leven over de dood heen’, de ‘verrijzenis van het lichaam’) begrijpen?

Kruis en opstanding 18