Вы находитесь на странице: 1из 5

« Europa en de vergrijzing : toekomst van onze pensioenen »

ABVV voorzitter Rudy De Leeuw


Assuralia - 26 oktober 2010 – 14h15-14h45 - Auditorium BNP Paribas Fortis

Voor het ABVV moeten de wettelijke pensioenen minstens drie kwart bedragen van
het gemiddelde loon. Het aanvullend pensioen moet voorzien worden van een beter
en sociaal kader . De fiscale voordelen die toegekend worden voor de derde pijler
moet geïnvesteerd worden in de versterking van het wettelijk pensioen.

Dat is kort samengevat de stelling van het ABVV. Ik wil ook graag uitleggen waarom.

Laat ik beginnen bij de derde pijler, of het individueel pensioensparen.

Dit is de meest asociale vorm van pensioen. We nemen het dan ook niet in rekening
wanneer we spreken over een pensioeninkomen.

Uiteraard hebben we er niets op tegen dat mensen geld opzij zetten voor hun oude
dag. De vraag is echter of de fiscale voordelen die hieraan gekoppeld worden, wel
rechtvaardig en nodig zijn. Wat rechtvaardigt het bijzondere statuut van dit
spaargeld? In elk geval niet enige vorm van solidariteit… Om van deze fiscale
voordelen te kunnen genieten, moet je al genoeg verdienen om te kunnen sparen.
Mensen met een laag inkomen –en dus een nog lager pensioen- vallen uit de boot.

Daarnaast is er de veelbesproken „ tweede pijler’. Voor ons moet deze pijler als een
aanvullend pensioen gezien worden, als een aanvulling op een menswaardig
wettelijk pensioen. Het kan niet zijn dat enkel diegenen met een aanvullend pensioen
zich een behoorlijk inkomen.

In zowat alle lidstaten van de EU is het belang van aanvullende pensioenen de


laatste jaren aanzienlijk toegenomen. Het onderwerp komt dan ook vrij uitgebreid
aan bod in het Europees Groenboek. Opvallend is dat het Groenboek enkele
problemen mbt. de aanvullende pensioenen aankaart, maar hier geen oplossing voor
suggereert. Integendeel, vanuit de EU worden aanvullende pensioenen
aangemoedigd.

Zijn de aangestipte problemen dan marginaal of onbelangrijk?

1
In het Groenboek wordt er allereerst op gewezen dat het systeem van aanvullende
pensioenen meer individuele verantwoordelijkheid met zich meebrengt, en dus ook
meer risico. Ik citeer:“Tegelijkertijd hebben de hervormingen tot meer individuele
verantwoordelijkheid voor het resultaat geleid en zullen zij dit blijven doen. Nu de
mensen meer keuze hebben, staan zij ook bloot aan meer risico”. Einde citaat.

Men schuift hierbij een oplossing naar voor: meer transparantie en ruimere
informatieplicht. Dit lijkt ons ruimschoots onvoldoende. Het is evident dat een
informatieplicht de grond van het probleem niet oplost. (En daarmee zeggen we dan
nog niets over de leesbaarheid en de begrijpelijkheid van dergelijke informatie…).
Spreken over individuele verantwoordelijkheid impliceert dat er een keuze zou zijn
voor de werknemer; dat de werknemer zelf in staat is (of zou moeten zijn) om ervoor
te zorgen dat hij of zij een aanvullend pensioen opbouwt. In België is het aanvullend
pensioen nog niet veralgemeend. Weinig werknemers hebben de mogelijkheid om
hierover eisen te stellen aan hun werkgever…

Bovendien moeten we eerlijk zijn tegen de mensen. Wanneer er volop ingezet wordt
op het aanvullend pensioen, door aanhoudende verspreiding van doemberichten
over de betaalbaarheid van het wettelijk pensioen, vergeet de mensen er dan niet bij
te vertellen dat ze jarenlang loonsverhogingen zullen moeten laten liggen zodat deze
geïnvesteerd kunnen worden in het aanvullend pensioen.
Nochtans werd aangetoond dat een investering in het wettelijk pensioen, door een
bruto-loonsverhoging efficiënter is!

Ten tweede wijst het Groenboek erop dat de aanvullende pensioenen een hoop geld
kosten aan de overheid. Ik citeer opnieuw: “Het toenemend gebruik van particuliere
regelingen gaat echter ten koste van belastinginkomsten, gezien de wijdverbreide
praktijk om tijdens de opbouwfase belastingvoordelen te bieden. De kosten van de
belastingvoordelen zijn vaak aanzienlijk en er kunnen vraagtekens worden gezet bij
de doelmatigheid en de gevolgen voor de inkomstenherverdeling”. Einde citaat.
Enerzijds worden vaak fiscale voordelen toegekend, waardoor heel wat
belastinginkomsten verloren gaan. Daarbij komt nog dat, als verzekeringsinstellingen
hun engagementen niet kunnen nakomen, de overheid verondersteld wordt tussen te
komen. Zoals bij de derde pijler moeten we vaststellen dat overheidsmiddelen
worden gebruikt voor een maatregel die maar een beperkte groep in de samenleving
ten goede komt, en dit is lang niet altijd de groep die dit het meest nodig heeft. Het
ABVV is dan ook van oordeel dat de fiscale voordelen verbonden aan de tweede en
derde pijler moeten herzien worden.

Verder wordt in het Groenboek nogal droog opgemerkt dat “Met de herziene
regelingen neemt voor veel werknemers de kans op inadequate pensioenen toe. Het
nettovervangingspercentage zal in veel lidstaten afnemen ”.
Als oplossing stelt het Groenboek een verhoging van de pensioenleeftijd voor. Dit
vinden wij geen oplossing. Heel wat oudere werknemers hebben
gezondheidsproblemen en zijn fysiek niet in staat hun job langer uit te oefenen. Werk
maken van werkbaar werd is meer dan dringend. Zij die nog willen en kunnen
werken, vinden moeilijk opnieuw werk wanneer ze ontslagen worden. En dan is er
natuurlijk het probleem van de toenemende jeugdwerkloosheid. Het verhogen van
2
de pensioenleeftijd heeft geen zin als tegelijkertijd mensen veel later beginnen met
werken. Het aanpakken van de jongerenwerkloosheid is dus prioritair.

Tenslotte komen we tot het wettelijk pensioen, dat is voor ons de kern van de zaak.
Met dit inkomen moeten werknemers hun leven afsluiten. Dit moet voor ons op een
waardige manier kunnen gebeuren. Men heeft tenslotte zijn hele actieve leven
meegedraaid in een sociaal model, waar we vaak mee uitpakken en waar we terecht
trots op zijn.

Het sociaal model werd geconcipieerd in tijden van oorlog én in consensus met de
werkgever. Deze consensus moet bewaard worden! Toch wijzen diverse elementen
op het tegendeel: er is de privatiseringsdrang en loonmatiging, nochtans wordt het
sociaal model voornamelijk gefinancierd met sociale bijdragen op die lonen; sociale
middelen worden ook aangewend voor de versterking van het
concurrentievermogen..

Dit zijn natuurlijk elementen die de financiering van ons sociaal model onder druk
zetten. Daarnaast is er de vergrijzingsuitdaging. Er zijn voldoende studies die
aantonen dat de vergrijzing van de bevolking zal zorgen voor een toename van de
sociale uitgaven, die gefinancierd moeten worden. Tenslotte zitten we ook met de
strikte budgettaire contraintes in de komende jaren.

Dit mag voor ons geen excuus zijn om ons sociaal model af te bouwen, integendeel.
De crisis heeft juist het nut ervan aangetoond. Europa stelde vast dat we door de
sociale bescherming de impact van de crisis beperkt hielden. Dit soort vaststellingen
kunnen we toch niet negeren!

Op de pensioenconferentie onder Minister Arena en daarna Minister Daerden, stelde


ook het Planbureau vast dat onze pensioenen te laag zijn, in feite bestaat hier
consensus over. Toch hoor ik nergens, wanneer het gaat over pensioenen,
voorstellen die er voor zullen zorgen dat daar verandering in komt. Ik hoor aanvallen
op gelijkgestelde periodes, ik hoor het invoeren van een loopbaan als voorwaarde en
niet langer de leeftijd, ik hoor voorstellen voor de invoering van een veralgemeende
tweede pijler, …

We stellen ook vast dat vanuit Europa het pensioendossier enkel gezien wordt in het
licht van “Financial sustainablity”. Het aspect “social sustainability” of adequaatheid
van de pensioenen wordt vergeten. Het Groenboek dat de Europese Commissie
begin juli lanceerde geeft in zijn inleiding nochtans een correcte analyse. Er wordt
vastgesteld dat men vandaag langer moet werken om dezelfde pensioenrechten te
krijgen, dat de pensioenen te laag zijn en het armoederisico bij gepensioneerden

3
hoog ligt, dat de verschillen tussen mannen en vrouwen steeds groter worden, dat de
verantwoordelijkheid meer en meer bij het individu komt te liggen, …

Jammer dat de Europese Commissie deze voorstellen niet op een positieve manier
omzet! Wij doen die vaststellingen al lang en vinden niet dat het heil gezocht moet
worden in het aanvullend pensioen!

Voor ons moet het wettelijk pensioen met een kwart verhoogd worden en moeten de
middelen daarvoor gezocht worden, we zijn zelfs bereid om als werknemers een duit
in het zakje te doen.

Ik wil jullie nog enkele vaststellingen meegeven die ons leidmotief zijn voor de
versterking van het wettelijk pensioen.

Gemiddelden zijn natuurlijk maar gemiddelden, maar een gemiddeld pensioen voor
een vrouw op basis van haar eigen rechten bedraagt 576 €! Voor een mannelijke
gepensioneerde bedraagt dit 805 €, verre van riante bedragen!

Een ander cijfer dan: 54 % van de pensioenen als alleenstaanden, dus op basis van
eigen rechten, ligt onder de 750 € per maand! Slechts 9 % van de vrouwen heeft een
eigen pensioen dat 1.000 € of meer bedraagt.

De gemiddelde prijs van een rusthuis bedraagt, volgens een recent onderzoek van
het OIVO1, 1.326,90 euro per maand in Vlaanderen, 1.140,90 euro in Brussel en
1.046,70 euro in Wallonië.

Dit zegt genoeg.

Het zal dan ook niet verbazen dat op pensioen zijn vaak gelijk staat met rond de
armoedegrens leven of minstens sterk moeten inboeten op levenskwaliteit. De
vervangingsratio‟s, het gemiddelde pensioen tav. het gemiddeld loon, bedraagt voor
een middenverdiener 42 % bruto. Een grootverdiener, ten gevolge het loonplafond,
valt terug op slechts 24,3 % van zijn inkomen. Deels is dit natuurlijk solidariteit maar
is het logisch dat voor het pensioen van een zelfstandige een loonplafond toegepast
wordt dat 3.350 € hoger ligt op jaarbasis?? Terwijl in het stelsel van de zelfstandigen
degressief en geplafonneerd wordt bijgedragen, op netto-inkomsten! Is dat niet de
wereld op zijn kop?

23 % van onze gepensioneerden loopt een risico op armoede binnen het huidige
stelsel. Hoe kunnen sommigen dan nog voorstellen de voorwaarden voor het
verkrijgen van een pensioen strenger te maken?

1
onderzoeks- en informatiecentrum van de verbruikersorganisaties

4
Vandaag moeten we 45 jaar loopbaan bewijzen om een volledig pensioen te krijgen.
Heel wat werknemers slagen hier niet in, zeker vrouwen niet. Het is dan ook een
bijzonder strenge voorwaarde. De gemiddelde loopbaan bij een man is 42 jaar, bij
een vrouw is dat 31 jaar, net genoeg om een minimumpensioen te verkrijgen. Op
deze variabele zit er dus geen marge meer, zeker niet wat betreft de gelijkgestelde
periodes. De gelijkgestelde periodes, periodes die meetellen voor de berekening van
het pensioen terwijl er geen bijdragen betaald werden (ziekte, werkloosheid, …),
vormen de kern van ons stelsel! Toen in 1997 de pensioenhervorming werd
doorgevoerd, werden deze periodes, ter bescherming van de vrouwen, in rekening
gebracht. Zelfs mét deze periodes komen vele vrouwen niet rond. Hieraan sleutelen
betekent gepensioneerde vrouwen nog meer in de armoede duwen ! Dat is
onmenselijk.

Naast de strenge loopbaanvoorwaarde is de berekening van het pensioen op het


gemiddelde loon over de ganse loopbaan ook niet mis. Ook dit is een voorwaarde
waar geen marge meer zit. Bovendien is er ook hier opnieuw een specifiek probleem
voor vrouwen: zij werken nog altijd meer in zwakkere sectoren werken, werken meer
deeltijds, en zelfs zij die voltijds werken hebben nog steeds een loonkloof tov hun
mannelijke collega‟s, …

Tenslotte is het niveau van het minimumpensioen belangrijk. Zelfs met een
minimumpensioen blijft de armoede onder ouderen hoog en neemt ze zelfs toe de
jongste jaren! Daarom willen wij dat het minimumpensioen, dat vandaag 1.025 €
bedraagt voor een alleenstaande met een volledige loopbaan van 45 jaar,
opgetrokken wordt tot op niveau van het minimumloon: 1.470 €.

Om af te sluiten, wil ik er nog even aan herinneren dat de waarden die ik zonet
verdedigde, ook tot de basisbeginselen van de EU behoren. In het Handvest van de
Grondrechten van de EU werd een artikel gewijd aan de rechten van ouderen

“De Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen om een waardig en
zelfstandig leven te leiden en om aan het maatschappelijke en culturele leven
deel te nemen.”

Een degelijk pensioen is hiervoor een basisvoorwaarde. Door dit artikel - en de vele
andere internationale verdragen over sociale en economische rechten - te
onderschrijven, bevestigden de lidstaten dat een degelijke levensstandaard voor
ouderen géén individuele verantwoordelijkheid is, maar dat de overheid hiervoor
garant staat. Ze zijn een engagement aangegaan tegenover alle inwoners van de
Unie. Het is tijd om dit engagement ook daadwerkelijk op te nemen.